Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 7
Iets verder treft ons oor een scherp geluid. Aan den anderen kant van den weg is in de schaduw van een kromgegroeiden plataan, den eenigen van zijn soort voor verscheiden honderden meters in het rond, een herder gezeten, die langzaam een droevig liedje zingt, een dier klaagzangen, handelend over liefde en oorlog, waarvan sommige coupletten, in een klagend rhythme, dat aan het juk der Turken herinnert, dikwijls heerlijk naïef zijn. Zijn metgezel begeleidt hem op de fluit, terwijl de geiten, moe en loom van het zoeken naar het magere voedsel tusschen steenen, versuft schijnen door de drukkende warmte, waar de krekels zich over verheugen. Het is een bekoorlijk tooneel, en we besluiten, hier te wachten onder het aanroepen van de schim van Theocritus en Virgilius, tot onze rijtuigen komen, die niet ver meer kunnen zijn. Daar komen ze dan ook al in galop aan in een wolk van stof; we moeten ons thans haasten, als we vroeg genoeg te Andritsena willen zijn, om in den namiddag het uitstapje te maken naar Bassae. Dus werd het ontbijt maar in de soesta genuttigd, zoo goed en zoo kwaad, als het gaat en het werd met moeite verteerd. De paarden hebben een drafje aangenomen, en de bewegingen, die ze aan het voertuig bijzetten, zijn zoo gesaccadeerd, dat het haast onmogelijk is, een hapje naar den mond te brengen; glazen en flesschen, borden en messen dansen in de kist van het rijtuig een dollen rondedans, en het is een waar kunststuk, een slok te drinken, zonder bijna al het vocht over zich heen te storten. Eindelijk is daar Andritsena, liefelijk uitgespreid over de groenende hellingen der bergen, half verborgen tusschen de boomen, die langs de bochtige oevers van een paar riviertjes staan. De slanke cypressen, die zulk een kenmerkend karakter aan de landschappen van Griekenland geven, steken in grooten getale tusschen de platanen hun kruinen omhoog, als zooveel zwarte fabrieksschoorsteenen, en olijfboomen vullen de tuinen, waar bronnen murmelen en waar de roode daken der huizen in het groen schitteren.
De straten zijn zoo vol, dat onze soesta's zich slechts met moeite een weg banen door de krioelende massa menschen, die toegestroomd is, om ons te zien, en het is voor ons maar net mogelijk, aan de deur van de herberg uit te stappen, waar de paarden wachten, gezadeld en gereed voor het vertrek. Al die menschen lijken verbaasd, schreeuwen en gillen en maken allerlei bewegingen als razenden. Er worden uitroepen gehoord, opmerkingen van allerlei aard; men duwt elkander, om beter te kunnen zien, en dat met het gevolg, dat wij tegen den muur worden gedrongen. We gingen er toen ons maal gebruiken met een versterkend kopje koffie. Eindelijk na veel onderhandelingen en zuurzoete discussies tusschen Panayotti en de agoyaten, die het niet eens kunnen worden over een billijke verdeeling van onze bagage, na stroomen van woorden, die op niets uitloopen, komt onze karavaan in beweging en veroorzaakt in de menigte, nu door nieuwsgierigheid als versteend, een langdurige beweging, en dan begint de bestijging langs een voetpad, dat onder hooge eiken loopt boven het lachende dal.
De lucht is bewolkt; het liefelijke landschap van Andritsena verdwijnt om plaats te maken voor kale dalen en heuvels, waar we aanhoudend moeten stijgen en dalen; daarbij steekt de wind op, zwarte wolken drijven boven ons hoofd, alles versombert, en in de stilte weerklinkt alleen de stem van de agoyaten, die elkaar wat toeroepen van het eene naar het andere eind der karavaan. Ze zijn intusschen heel aardig en hulpvaardig, maar ook nieuwsgierig en babbelachtig. Ze willen onze namen en voornamen kennen, enkele gewone woorden in het Fransch hooren, die ze dan grappig herhalen, en toen de jonge meisjes de bloemen aan den weg bewonderen, haasten ze zich, haar die aan te bieden.
Wij stijgen steeds en beklimmen de hoogten van den Paleo Kastro, waar enkele magere eiken, afschuwelijk vergroeid, en bijna bladerloos, hun groote, kale takken uitspreiden. De stammen zijn hier afgeknaagd door de geiten, daar verbrand door de vuren der herders, en ik kan mij niets treurigers voorstellen dan die verspreide overblijfselen van vroegere bosschen, op het punt van sterven, en nu gesleurd door den hevigen wind. Nog een enkele snelle daling, een stijging door een boschrijker gebied en eensklaps liggen daar beneden ons als een verschijning uit een tooversprookje de zuilen van den tempel van Apollo, vol majesteit uit den grond verrijzend.
Ik geloof niet, dat ik sedert ik in Griekenland ben, een indruk heb gekregen, die zoo sterk was als bij het zien van dit schouwspel. Dat komt, doordien er inderdaad geen enkele tempel is, noch onder de prachtige monumenten van Paestum en Girgenti, die in zoo dichterlijke omgeving ligt en zoo, van uit de verte gezien, afgezonderd en eenzaam daar op een woest gebergte zich verheft te midden van donkere rotsen en dreigende steilten. Een puinhoop van dikke steenen omringt aan alle kanten de zes-en-dertig zuilen, die nog hun architraven dragen en precies den rechthoekigen vorm van het gebouw aangeven. Zoo is dan ook de aanblik van het zoo goed bewaard gebleven gebouw verrassend; er is hier geen marmer gebruikt, maar een soort van grijzen kalksteen, die wonderlijk mooi samenstemt met den algeheelen indruk van het landschap op dezen laten, donkeren, regenachtigen namiddag.
We betreden den tempel door den pronaos, gaan door de cella, nog duidelijk aangegeven door de lijn der instortende muren, waarboven de kale bergtoppen opsteken, en waar het gras groeit tusschen de reten der steenen. Het lijkt ons, dat we aan het eind zijn gekomen van een vrome bedevaart; ieder zwijgt, denkend aan de wonderbare oudheid, aan de gewijde ceremoniën, waardoor de glorie en de macht werden verheerlijkt van die goden, die nu begraven liggen onder de puinhoopen van hun altaren in de grootsche en plechtige omgeving van de droevig stemmende natuur.
Die herinneringen bestormen in massa onzen geest, en enkele oogenblikken later bereiken we den nabijzijnden top van den Kotylion, van waar men het uitzicht heeft op een wijd bergenpanorama. Ik herken den Taygetos, de vlakte van Messenië, de golf van Kalamata, nauwelijks zichtbaar in den opkomenden nevel; de sneeuw van den Erymanthos is in het Noorden zichtbaar, en dichterbij zien we het dal der Alpheus en de eentonige lijn van de golf van Kyparissia. Maar de blik wordt als vastgehouden door het heiligdom van Apollo, dat aan onze voeten ligt, vol majesteit in de eeuwenlange vergetelheid en waar groote roofvogels boven zweven. Met een diep bewogen gemoed en onder den indruk dier hooge kunst, dalen we eindelijk weer af door de bloeiende bremstruiken en door eikenboschjes, die alleen voor ons het eeuwige lied der lente zingen en die ons schijnen te zeggen, dat ten minste niet alles dood is op deze plek....
Geduldig wachten ons de agoyaten, pratend met een zonderling wezen, uit ik weet niet wat voor hol gekropen. Is het wel een man, niet eerder een vrouw? Welk bestaan leidt het? De kleeding doet het eerste vermoeden, maar het fijne gezicht, de lange haren, de zachte en droeve oogen doen ons aarzelen. Onnoodig, pogingen aan te wenden, om het wezen aan het spreken te brengen; het kijkt ons vast aan, zonder de lippen te openen en wij moeten weer vertrekken, zonder het geheimzinnig raadsel te hebben opgelost. De avond valt; nog eenmaal werpen we een blik op de zuilen, die weldra in een terreinplooi zullen verdwijnen en we slaan den terugweg in.
Het is donker onder de boomen, en de paarden struikelen telkens; maar we moeten haast maken, om aan een lange, moeilijke, nachtelijke reis te ontkomen. Maar ondanks onze pogingen en trots de flinkheid van onze paarden is het donker, als we tegen acht uur eindelijk te Andritsena aankomen. Panayotti wacht ons, om ons naar het gastvrije huis te geleiden van een notabele uit het stadje, waar we hopen degelijk te kunnen uitrusten van de vermoeienis der beide zware dagen. Daar wacht ons een aangename verrassing; zachte matrassen liggen op den parketvloer der kamers, die eenvoudig en zindelijk zijn; alles ademt hier welstand en een zeker comfort, die beide prettig afsteken bij de armoede der woningen, tot nu toe door mij gezien in Griekenland. Wij kunnen onze oogen niet gelooven en zijn nog onder de bekoring, die bij ons wordt gewekt door de gedachte aan een te verwachten goeden nacht, als zich een statige heer in de deur vertoont en de eer verzoekt van ons bezoek aan de stedelijke bibliotheek, waar, naar het schijnt, eenige oude fransche boeken aanwezig zijn uit den tijd der frankische bezetting. Die perkamenten zijn, daar twijfelen we niet aan, uiterst belangrijk, maar het oogenblik komt ons heel slecht gekozen voor, om ze te bezichtigen.
Wij kijken elkander eens aan, en ons gelaten in ons lot schikkend, volgen we zonder geestdrift den braven man, die gelukkig is door het genoegen, dat hij ons meent te verschaffen. Eenige oogenblikken later zijn we in de groote zaal der helleensche school, waar bij het licht van een waskaars, door den priester vastgehouden, we in haast de interessantste planken nagaan. Maar de vermoeidheid is grooter dan onze moed; ondanks alles glijden onze oogen, zonder te zien over de manuscripten, die het misschien de moeite waard zou wezen, rustig te onderzoeken, en na vele dankbetuigingen bereiken we zoo gauw mogelijk ons logies.
We werden eerst om zes uur den volgenden morgen wakker, juist op het oogenblik, toen de roode zonneschijf, van achter de bergen te voorschijn komend, een groot vuur schijnt te ontsteken. Het belooft een prachtige dag te worden, en vroolijk gestemd, zoeken we onze paarden op, die ons wachten met dezelfde agoyaten van den vorigen dag, om ons aan de golf van Kyparissia te brengen naar het kleine station Boezi, waar de spoorweg van Pyrgos langs gaat. Het vriendelijke dorp Andritsena, van waar men een uitzicht heeft naar het Noorden tot de toppen van den Olonos, half wegschuilend in den morgennevel, verdwijnt weldra in zijn bed van groen.
Dan volgt er eerst een aangename rit over zacht en bebloemd gras, waar gele margarieten licht zich wiegelen op den wind en nog vochtig zijn van den nachtelijken dauw; er staan primula's naast anemonen en roode papavers, terwijl verderop lange reeksen eglantieren hun wortels baden in de heldere bedding der beken. Maar spoedig gaat het pad stijgen; we rijden door een boschrijke streek, en dan komen weldra steenen met magere struiken en de uitloopers van kale gebergten. Gedurende meer dan drie uren beklimmen we aldus zonder ophouden steile toppen, waar de weg over loopt, om dadelijk aan de andere zijde weer te dalen.
De agoyaten, springend van steen op steen, glijden telkens uit, terwijl de wortels en takken hun tegen de beenen slaan; maar ze zijn te opgewekt, dan dat het hen zou verhinderen, luide te zingen. Soms laat een van hen een keelklank hooren, waarop het voorste paard zijn gang versnelt en dan weer kalm gaat draven; de anderen volgen en daar gaan onze mannen aan den haal onder het lachend geroep van: "Aïdé, aïdé!" om hun beesten nog maar meer aan te zetten. Maar we vragen al gauw om genade, want het is niet mogelijk, zoo'n proef lang te doorstaan op zulke wegen. De groote kinderen, die zich te onzen koste hebben vermaakt, gaan dan kalm hun gezang weer voortzetten.
Tegen elf uur vertoont zich het eenige dorp, dat we den geheelen dag te zien zullen krijgen; na een korte rust in de schaduw van de huizen beginnen we de helling van den pas te bestijgen, aan welks andere zijde zich het dal van de Neda bevindt. Het is moeilijk stijgen in den onverbiddelijken zonneschijn; maar het schouwspel, dat ons boven wachtte, beloonde wel voor de inspanning. Door reusachtige bosschen, die in zachte helling een groen tapijt spreiden tot beneden aan de zee, kronkelt zich de rivier sierlijk over de gele steenen. We hebben nu het aangename vooruitzicht, onder de groote boomen te rijden, verkwikt door de nabijheid van het koele water. Maar eerst moeten de paarden rusten, en wij maken van de halte gebruik, om te ontbijten niet ver van een bron, waar vrouwen haar armoedige linnen wasschen.
Dadelijk daarna de prettige rit onder de boomen in de heerlijke schaduw, die aan de boschjes van Frankrijk doet denken. Beneden in het dal aangekomen, volgen we aanvankelijk den rechtschen oever van den stroom, om daarna te waden naar den linkeroever. Vijfmaal achtereen moet diezelfde overtocht worden volbracht; onze agoyaten hebben hun schoenen uitgetrokken en loopen door het water, en als dat laatste tot hun knieën stijgt, springen ze vlug op de schouders van hun voorganger, om niet nog dieper te zinken.
Op dit oogenblik gebeurt er iets komieks. Panayotti, die zich wijselijk langs den geheelen weg in de achterhoede van de karavaan had gehouden, op het muildier, dat het proviand droeg, wil een bewijs geven van zijn onafhankelijkheid en op eigen wieken drijven. Maar het bekomt hem slecht. Toen hij zich juist midden in de rivier bevindt, gaat het zadel, waarop hij is gezeten, verschuiven, en in een oogenblik is onze tolk te water geraakt, broederlijk vereenigd met de mand met eieren, de blikjes en de waterflesschen. De drenkeling, die zelf zijn redding bewerkstelligt, komt geheel doorweekt weer aan den wal en houdt triomfantelijk alle proviand omhoog. Hij wordt omringd en met vragen bestormd, en toen we de opmerking maakten, dat dit niet precies de juiste behandeling is voor de rheumatiek, waaraan hij lijdt, haalt hij grappig de schouders op en wijst naar de zon, die inderdaad zich haast, al het vocht van het onvrijwillige bad op te zuigen.
Een half uur later zijn we te Boezi, waar de beschaving, die wij uit het gezicht hadden verloren sinds drie dagen, zich aan ons voordoet in de gedaante van de rails van den spoorweg. En onder het wachten op den trein, liggend onder de olijven, beginnen wij de bekoring van dit vrije leven recht te waardeeren, wetend, dat we het zullen betreuren. De scherpe fluit van een moderne locomotief stoort ons in onze droomerijen.
Van Boezi naar Pyrgos heeft men maar drie uren te sporen. Door de raampjes van ons compartiment, waarvan de schokken al heel onbeduidend schijnen na de ritten van Andritsena en Bassae, begroeten wij voor de laatste maal het lachende en grootsche dal der Neda, dat de spoorweg passeert over een brug, om daarna langs het lage, vlakke strand te midden van rijke wijngaarden te belanden aan het zuidelijk uiteinde van het meer van Kaïapha, enkel van de zee gescheiden door een smalle strook lands en waar de visch, naar het schijnt, overvloedig is.
De trein gaat langs den oever, waar de netten hangen te drogen, houdt een oogenblik op te Kaïapha, waar zwavelbaden met die van Loetrako bij Korinthe en die van Aedipso op Euboea dingen om de gunst der helleensche clientèle, overschrijdt de hoogte, waar men de ruïnen vindt van de versterkte vesting Samikon en komt eindelijk over Agoelenitza en de prachtig bebouwde velden aan de lagune bij het station Pyrgos, waar we tot acht uur des avonds op de aansluiting naar Olympia moeten wachten.
Wat al dien tijd anders te doen dan door de stad te wandelen, die intusschen niets belangwekkends heeft? Ze lag vroeger veel dichter bij de zee dan tegenwoordig, maar de aanslibbing van de Alpheus heeft langzamerhand de kustlijn verlegd. De citroen- en moerbeiboomen en de olijven groeien er heerlijk in de moerassige vlakte, waar veel veen in den grond zit, en waar wijngaarden een der beroemdste wijnen uit den Peloponnesus leveren. Pyrgos, dat na Patras en Kalamata het belangrijkste handelscentrum is, voert over Katakolo groote hoeveelheden krenten uit. Al die zaken geven aan de stad een voorkomen van welvaart, dat aan den dag treedt in de hoofdstraat met haar vele winkels; het is er zoo vol, dat we nauwelijks vooruit kunnen komen.
Hier zijn we weer eens het voorwerp van een onbescheiden nieuwsgierigheid, waar ten slotte een gendarme medelijden mee krijgt. Een vlugge uitdeeling van eenige muilperen links en rechts, die in het Oosten het meest doeltreffende argument zijn van een miskende overheid, maakt weldra onzen weg vrij, en we kunnen onze wandeling voortzetten, voorafgegaan door onzen redder, die de gewone belooning voorziende, niet van ons af is te slaan. Na met hem het verre panorama te hebben bewonderd van het eiland Zante, dat in een rooden nevel zich baadt in het licht der ondergaande zon, en na ons natuurlijk te hebben opgehouden in een der café's van de stad, om er raki, olijven en turksche koffie te gebruiken, bereiken we het station weer, waar al spoedig de trein voor Olympia, komend van Patras, binnenkomt.
En nu volgt een kort nachtelijk reisje van nauwelijks een uur door een licht golvend, door de maan beschenen land. Eindelijk houdt de trein aan een klein station stil, dat geheel donker is en waar de dienstmannen en hôtelbedienden spoedig zich van onze bagage hebben meester gemaakt. Eenige oogenblikken later sluit zich de deur van het Groote Spoorweghôtel achter ons. Het is oogverblindend, mollige tapijten liggen in de corridors en op de trappen; de kamers zijn zeer zindelijk, en er is overvloedig electrisch licht. Men mag aannemen, dat de waakzame oplettendheid van onze Touring Club hier aan het werk is geweest, en dat het land bijna dagelijks wordt bezocht door rijke vreemdelingen, die men op alle manieren het naar den zin moet maken, opdat diegenen, die worden aangetrokken door den roep van Olympia, ook den lof kunnen zingen van de hôtels aldaar.
Welk een verschil met de onmogelijke verblijven, waar we de laatste nachten hebben doorgebracht! Wat een weelde, hoeveel comfort, maar ook welk een ontzettende banaliteit! We verbazen ons over alles, over de duizenderlei kleinigheden, die zoo onontbeerlijk lijken in het dagelijksche leven, en waar wij het toch drie dagen lang wonderwel buiten hebben kunnen stellen. Maar onze met stof bedekte kleeren, onze gezichten, die geen water hebben gevoeld en niet met het scheermes in aanraking zijn geweest, zouden ons doen gelijken op een troep boeren van de Donau, plotseling in de tegenwoordigheid gebracht van de ongekende wonderen der moderne beschaving. Dit alles is zonder twijfel aangenaam, maar ik blijf er niettemin bij, dat een reis in Griekenland, om iemand waarlijk kunstindrukken te geven, meer onverwachts moest meebrengen. Onze hedendaagsche gewoonten vloeken, om zoo te zeggen, met de hier grijpbare overblijfselen uit de oudheid; ze passen wel slecht bij de nog primitieve zeden der tegenwoordige Hellenen en bij de te weinig bekende pracht van het landschap.
In ons tegenwoordig Europa, dat gebanaliseerd is door de spoorwegen, de reisagentschappen en de prentbriefkaarten, is Griekenland nog een der te weinig talrijke landen, waar de toerist een mooie onafhankelijkheid kan genieten en de vreugde mag voelen of ten minste de illusie mag koesteren, dat hij moedig weinig betreden paden heeft gekozen. Laat ons hem zoo lang mogelijk vrij laten en hem in de gelegenheid stellen, zijn onderzoek voort te zetten; laat ons niet al te veel haast maken met het moderniseeren van het land en laat ons doordrongen zijn van het besef, dat comfort de vijand is van het schilderachtige en dat, om dat laatste te vinden, we het eerste moeten kunnen opofferen.
De heer Benner, met wien ik mijn kamer deel, is te veel kunstenaar, om het niet met mij eens te zijn, en wij zouden nog lang over dit onderwerp hebben doorgepraat, als de groote vermoeienis van den dag ons niet had bewogen, om eindelijk het welbehagen te genieten van de aanlokkelijke bedden met de spierwitte lakens. Toegevend, dat de beschaving toch ook wel iets goeds heeft, slapen we in, in slaap gewiegd door het gekwaak van duizenden kikkers in het stilstaande water der moerassen.
Niemand gaat tegenwoordig naar Griekenland, zonder een bezoek te brengen aan Delphi en Olympia, die beide archeologische middelpunten, waar alles is opgegraven door de fransche en duitsche scholen, waardoor de leeken zich een denkbeeld kunnen vormen van de pracht der Oudheid. Het laatste was minder een stad dan wel een groot heiligdom, waar altaren waren voor de meeste goden en waar prachtige periodieke feesten werden gegeven, bekend onder den naam van Olympische spelen. Er was alle macht van het Christendom noodig, om eindelijk aan dien eeuwenouden eeredienst een einde te maken. De tempels vielen langzamerhand in puin, de olijvenbosschen, die hun schaduw wierpen over de altaren, werden de prooi der vlammen, de barbaren kwamen en de aardbevingen voltooiden het werk der menschen. Ze overdekten met een dikke laag aarde de oude schatten, die thans weer aan het licht zijn gebracht.
Daarom is er niet veel over van al die pracht; de monumenten zijn gesloopt; sommige gaan nog schuil in het hooge gras, andere laten niet anders zien dan de treurige massa van hun fondamenten. En een gevoel van onzegbare droefenis, gelijk aan dat, wat men ondervindt bij het bezoek aan een doodenstad, komt over ons, als we door de poort der processies binnenkomen in de reusachtige, gewijde ruimte of de Altis, waar zich alle tempels bevonden. Dat ruime vierkant, aangelegd tegen de groene helling van den berg Kronos, gelijkt veel meer op de werf van een steenhouwer dan op een archeologische reconstructie, en men is eigenlijk verbaasd, er niet de slagen te hooren van hamers of het geknars van zagen.
Noch het Heraion, de oudste, zegt men, van de bekende dorische tempels, noch die van Herodes Atticus, een der romeinsche maecenassen van Griekenland, die met groote kosten naar het terrein der offeranden het water liet voeren, dat er ontbrak, noch het Terras der schatten, waar een reeks kleine kapelletjes stond, die met de offeranden van de steden ook de trofeeën bevatten, door die steden in de gymnastische spelen behaald, noch het Stadion, noch zelfs de reuzentempel van Zeus, waarvan niets over is dan de onderlaag van grijs tufgesteente, kunnen den somberen indruk uitwisschen, op ons teweeggebracht door den aanblik van de onherstelbare ruïne.
Toch krijgt men van daar een overzicht van het geheele terrein der ruïnen, vanaf het Metroon of den tempel van de moeder der goden, tot het Paleis van den Olympischen Senaat, van het Hippodroom en het huis van Nero, dat hij zich had laten bouwen, om de spelen te kunnen bijwonen, tot het reusachtige Leonidaeon dat, met het Prytanaeum, de beroemdste bezoekers ontving. Maar dat alles is thans niet anders dan een opeenhooping van voetstukken, die daar eenzaam en verlaten staan of van afgebroken zuilen, en men moet, als men niet in zijn diepste wezen archaeoloog is, zulk een groote dosis verbeeldingskracht hebben en zulk een goeden platten grond, om zich thuis te voelen te midden van de vormlooze overblijfselen, die vaak ver van hun primitieve standplaats zijn getransporteerd, dat we verlangen naar het zien van meer wezenlijke dingen.
Door resten van vestingen en byzantijnsche kerken naast romeinsche fondamenten en helleensch beeldhouwwerk bereiken wij den heuvel Droeva, waar een rijk bankier uit Athene, de heer Syngros, op zijn kosten het Museum heeft laten oprichten, dat thans den prachtigen Hermes van Praxiteles herbergt, die bijna ongeschonden werd teruggevonden in het Heraion onder een dikke laag leem, naast de uitgezocht schoone figuur der Gevleugelde Overwinning, in sierlijk stoute beweging haar voetstuk verlatend. Het Hermesbeeld is gehouwen uit een schitterend wit blok marmer; het schijnt mij het zuiverst ideaal van mannelijke schoonheid te verwezenlijken, zooals het majesteitelijke hoofd zich buigt in teederheid tot Dionysos, dien hij in zijn armen draagt, en we gevoelen tegenover dit magistrale werk een zoo heftige ontroering, dat we op eenmaal de teleurstelling vergeten, die over ons kwam op het terrein van de opgravingen.