Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 6
Hij heeft aan het gezantschap geslachten van gezanten en secretarissen elkander zien opvolgen, en nu hij al zoo lang deel uitmaakt van het personeel, komt men in de stad er toe, hem een zekere diplomatieke waardigheid toe te schrijven. Het prestige, waarmee hij is getooid, belet hem echter niet, nu en dan te vechten met den een of anderen loustro, die zijn verontwaardiging heeft gaande gemaakt, en zoo heeft hij al eens kennis gemaakt met het stroo van de gevangenis van zijn land. Maar dat is zoo erg niet; "Dembirazi!" zooals hijzelf zegt, zich den linker oksel wrijvend, wat hier een teeken is van de grootste onverschilligheid.
Men moet hem hartstochtelijk zien disputeeren, hem allerlei fransche woorden hooren gebruiken, die hij niet begrijpt en die over elkaar struikelen in zijn mond, zooveel haast heeft hij, of hem zien volhouden, dat hij gelijk heeft, door zijn beide armen tegen het lichaam aan te drukken, terwijl de palmen van zijn magere handen, geopend naar den ander toe zijn gekeerd, als om het welsprekende woord te ondersteunen of zijn onmacht te betuigen, er nog een woord meer aan te verspillen. Hoe vaak heb ik mij vermaakt met naar hem te luisteren en hem over de straatsteenen naar mij te zien toekomen, altijd gedienstig, lachend en goedmoedig. En ik denk vandaag, dat het portret te schilderen van Panayotti, tevens is een in beeld brengen van de grieksche volksziel, hetgeen voor mij een verontschuldiging inhoudt van mijn vermetelheid, den lezer zoo lang te hebben bezig gehouden met dit merkwaardig personnage.
Op een van die mooie morgens, waarop de feestvierende natuur den mensch schijnt uit te noodigen, met haar in te stemmen, bereiken wij reeds om zes uur het station van den Peloponnesus, terwijl het Parthenon bloost onder de eerste stralen van de zon. Het zal warm worden vandaag, en de stad weerklinkt reeds van het geroep der dragers, die in zakken water van Amaroesi te koop aanbieden of coecoeria, een soort van kleine, droge koekjes, gewoonlijk bedolven onder het stof en door de menschen in hun koffie gedoopt. Toen alle leden der karavaan langzamerhand waren gearriveerd, stapten wij in den trein, waar onze bagage was opgestapeld; daar klinken de tonen van een spoorklok, achterblijvers worden aangeroepen; nog wat gefluit, want de grieksche treinen hebben heel wat moeite, om op dreef te komen, en daar gaat de optocht heen in een wolk van stoom.
Daar is Eleusis weer, en Salamis duikt in de verte op en het witte Megarae; dan de mooie witte kustweg, dien ik vroeger bewonderde bij het gaan naar Korinthe en de groote vlakten van steenachtige, roode aarde, waar donkere vlekken zich vertoonen door de dennen, doorloopend tot de zee, die zoo blauw is, dat de hemel daarnaast bijna bleek schijnt. Wij stoomen over het kanaal, rijden langs de baai met haar sierlijk afgeronde bochten, en na Korinthe een groet te hebben toegezonden, alsook aan de bergen, stralend in het licht, verdwijnen we in de kloof, die naar Argos voert. Weldra is de trein in de verstikkend heete vlakte en houdt als uitgeput stil bij het station Argos, waar we den tak naar Nauplia zich links laten verwijderen.
De spoorweg richt zich dadelijk naar den voet der bergen; er ontspringt een bron uit de rotsen en het stroompje brengt op zijn korten weg naar de zee veel molens aan zijn oevers in beweging. Dan krijgen we de moerassige terreinen, waarin de Erasinor en de Inachos zich verliezen, hoogoprijzend gras, waar, naar het schijnt, veel wild is te vinden, houten bruggen, die doorbuigen onder het gewicht van den trein, tot wij eindelijk aan het zeestrand komen bij het station Myli, het Lerna der Ouden. En terwijl we Nauplia bewonderen, dat daar beneden ligt aan de golf, denk ik aan de legenden, die deze plek tot een der beroemdste uit de Oudheid maakten, aan dien bekenden vijver, gevormd door de bronnen en beken, die van den berg Pontinos komen, waar Hercules een zijner twaalf werken verrichtte en die thans, door het groen omsloten, door de vrouwen wordt gebruikt, om haar wasch te spoelen.
Weer een illusie, die verdwijnt in de droeve werkelijkheid van het moderne leven! Hoewel al deze moerassen in het geheel geen slangen meer herbergen, door helden te bedwingen, is hun nabijheid niet minder gevaarlijk, vanwege de koortsuitwasemingen, die eruit opstijgen. En wat buitendien te zeggen van die verschrikkelijke muskieten, die ons beginnen te hinderen? Dit is wel een land, waar ik niet graag zou willen wonen; ik heb te Athene te goed de kwellingen leeren kennen van de slapelooze nachten en het wreede alternatief, waarin ik mij dikwijls bevond, om of te stikken onder het muskietennet, of dadelijk de prooi te worden van den vijand, als het instrument even wordt opgetild, dan dat ik er spijt van zou hebben, dat we niet langer blijven op een plek, waar men zooveel moet lijden.
De trein vertrekt weer en rijdt langs het haventje, waar eenige kleine bootjes liggen te schommelen, en treedt dan bijna terstond het bergland van Arcadië binnen. Niets dan kale steilten, bedekt met ellendige heide of wild struikgewas. Is dit dan het gelukkige land, dat door de dichters werd bezongen? Waar zijn dan de bronnen, de boschjes, het tooneel der herderszangen, de bloeiende weiden en de vreedzame bosschen? Nauwelijks vertoonen zich op de hellingen van den Parthenion of den Ktenia, die de dalen met hun sombere grijze toppen beheerschen, enkele roeden bebouwden grond; nauwelijks verbergen enkele armoedige huizen hun ellende onder oasen van egelantieren, of verlevendigen enkele schapen, die, gehoed door zwaarmoedige herders, mij minder aan de helden van Theocritos doen denken dan aan mijn makkers van den Taygetos, vandaag de eenzame plateau's!
Het landschap blijft hetzelfde, tot we in de vlakte van Tegea komen, een dier te zeldzame en te kleine kommen in den Peloponnesus, waar aan landbouw kan worden gedaan. Daar zijn waarlijk velden met bijna rijp koren, wijngaarden, die er goed uitzien, en boomgaarden, die bloeien en een goeden oogst beloven. Dan nog weer moerassen, die het gevolg zijn van het ontbreken eener afvloeiing van de Saranda Potamos, en die met de vochtigheid van Mantinea van deze plaats een der gevaarlijkste centra van slechte lucht maken uit het geheele land. De leden van onze School van Athene, die er twintig jaren geleden opgravingen deden, weten daarvan mee te praten en moesten meermalen, overwonnen door ziekten, den geregelden gang van hun arbeid staken. Dus waren we verheugd, eindelijk te Tripolis te komen, de hoofdstad van de provincie Arcadië, die tegenwoordig dank zij den spoorweg en de goede ligging uit handelsoogpunt een zekere welvaart geniet.
Op het perron wemelt het van een schilderachtige en luidruchtige menigte menschen, met veel kooplieden ertusschen, die aan de reizigers de producten van hun industrie komen aanbieden. Hier worden vervaardigd een gedeelte van die rood lederen voorwerpen, die alle bazars van het Oosten vullen. Het zijn gordels, met figuren opengewerkt, allerlei portretlijstjes, handtaschjes, tabakzakken, pantoffels en muiltjes. Twee of drie verkoopers haasten zich, onze coupé binnen te treden en werpen inderhaast op onze knieën enkele van die kunstvoorwerpen, waarvan ze ons den prijs in de ooren schreeuwen. Er wordt een twistgesprek begonnen; men onderhandelt, en wanneer men ten slotte wat minachting aan den dag legt of een kalme onverschilligheid, verkrijgt men gemakkelijk, ook met de hulp van het naderend sein tot vertrek, een verrassenden afslag in den prijs.
En weer hervat de trein zijn loop door de kleine vlakte. Dit is de plek, ingenomen door de drie antieke steden Pallantion, welker overblijfselen hebben gediend, om Tripolis te bouwen, een stad, die dus betrekkelijk modern was ten tijde van de verwoesting door de Turken in 1825. Dadelijk daarna komen we weer te midden van bergland en heuvels, die aansluiten bij de voorbergen van den Taygetos en te midden waarvan Megalopolis is gelegen, waar we tegen vier uur in den namiddag aankomen.
De eerste persoon, dien we bij het uitstappen ontmoetten, is de brave Panayotti, die hier al gisteren is aangekomen, om voor ons rijtuigen op te scharrelen en te huren. Hij heeft natuurlijk aan de heele stad verteld, dat de gezant van Frankrijk er den volgenden dag zou aankomen, zoodat een groote menigte het station vult. De vreemdelingen zijn zeldzaam te Megalopolis, en dus begrijpt men, dat de nieuwsgierigheid der menschen in sterke mate is gaande gemaakt, nu de tegenwoordigheid zal zijn waar te nemen van een officiëel persoon van beteekenis, en slechts met heel wat moeite, baant de eenige politieagent ons een weg tusschen al die stijf tegen elkander dringende schouders door.
Op het kleine, stoffige marktplein met lage huizen er omheen wachten ons twee zonderlinge voertuigen, waar ik vrees, dat ons een marteling te wachten staat, die, hoewel verschillend, niet zal onderdoen voor de gruwelijke kwellingen op den muilezel. Het zijn karren op twee wielen, slecht hangend in roestige veêren, en waarvan de carrosserie, schitterend rood en blauw gekleurd, van boven een galerij van kleine, gele zuiltjes draagt. Als zitplaatsen twee houten planken, die er niet op schijnen berekend, de schokken van den weg te matigen. Die soesta's, zooals men de wagentjes noemt in het land, worden getrokken door een klein, gezadeld paard, dat strakjes te drinken krijgt uit een blikken emmer, die met een zak haver achter aan het voertuig is bevestigd. Wij installeeren ons met ons drieën in elk der rijtuigen, die, ze mogen dan al niet sierlijk of gemakkelijk zijn, toch het voordeel bieden, dat ze van echt lokale kleur zijn. "Embros!" (Vooruit!) en daar vertrekken we naar Karytena.
De eerste oogenblikken zijn afgrijselijk; diegenen onder mijn lezers, die hun militairen dienst bij de artillerie hebben doorgebracht, en die vele uren achtereen hebben moeten zitten op kanonnen, die over het bouwland stoven in een galoppade, zullen beter dan iemand begrijpen, wat wij moesten doorstaan. De weg is als naar gewoonte, erbarmelijk afgebroken door diepe plassen, waar we in neerstorten, vol losse steenen, die tegen de rijtuigen opspringen en dan zwaar op den grond vallen, terwijl het vervelende drafje, dat aan den wagen een aanhoudende schudding van voren naar achteren geeft, ons volkomen radbraakt. En dan te weten, dat dit ten minste drie uren moet duren! In welk een staat van ontwrichting zullen we ten slotte in dat afgelegen Karytena aankomen?
Intusschen begint de avond te vallen, en dikke, zwarte wolken komen op aan den nog helderen hemel. Zal dan mogelijk het weder toch het succes van onze expeditie bederven en zal het ons verhinderen, morgen te genieten van dat heerlijke licht, zonder hetwelk dit land, dat een zonnevriend is, schijnt te slapen onder een grooten rouwsluier? De weg, gelijk aan een onzer slechtste zandwegen, loopt om bergen, die hier en daar bosschen dragen en gaat dan een klein dal binnen, waar we eenig bouwland zagen. Tegen zeven uur, toen de bijna totale duisternis ons belette, iets van het landschap te zien, begonnen enkele regendruppels te vallen, en tegelijkertijd nam een hevige rukwind mijn hoed mee en deed dien verdwijnen in een roggeveld.
Dit onbeteekenende voorval, dat zijn grappige zijde had, dreigt mij met ernstige gevolgen; ik heb natuurlijk geen ander hoofddeksel bij mij, en we komen in een streek, waar ik niet de geringste hoop behoef te koesteren, den hoed, dien ik verloren heb, te kunnen vervangen. Als ik dus niet drie dagen lang mijn hoofd wil blootstellen aan de brandende zon en een doodelijken zonnesteek oploopen, moet ik of mijn hoed opzoeken of de pet van een herder leenen. Daar ik dat tweede alternatief niet dan met een zekeren schroom overdacht, haast ik mij op den grond te springen en ga dan, geholpen door Panayotti, op den tast aan het zoeken in de duisternis. Na eenige minuten vind ik het gewenschte terug.
Eindelijk beginnen we onduidelijk een donkere massa te onderscheiden, die de donkere berg moet wezen, gekroond door het versterkte kasteel van Karytena; maar de slingerende weg maakt zooveel bochten, dat het doel zich schijnt te verwijderen, naarmate we intusschen er dichterbij komen. Plotseling wordt een vuur op den top ontstoken, dan volgt een ander en daar doemen de oude kanteelen van het feodale kasteel helder op in het licht der vlammen. Tegelijkertijd begeven honderden van lichtjes zich op weg langs de hellingen, waar de huizen schilderachtig over zijn uitgestrooid in boven elkaar gelegen reeksen. Een heele menigte is op weg, om ons tegen te komen; de wegen zijn verlicht; daar in de hoogte worden de groote vuren talrijker en bestralen al spoedig het geheele land; een oud kanon, dat alleen op feestdagen wordt gebruikt, dondert met korte tusschenpoozen en wekt de slapende echo's in de verre bergen.
De boeren hebben den gezant van Frankrijk eer willen bewijzen, omdat zijn naam al lang in Griekenland populair is geworden, en het is hun gelukt, want deze nachtelijke ontvangst in het afgelegen land, bij het dreigend onweêr en in het licht der toortsen, heeft een verrassende uitwerking. Het is acht uur in den avond, als we aankomen aan den voet der steilte; de bewoners wachten ons op ter hoogte van de eerste huizen, en zoodra de soestra's uit de duisternis te voorschijn treden, gaat er een luide kreet uit aller borst op van: "Zito o kyrios presvis, zito i Gallia! Leve de Gezant, leve Frankrijk!" De burgemeester treedt naar voren, richt tot graaf d'Ormesson eenige welkomstwoorden en verzoekt hem met zijn gevolg in het burgemeesterlijk huis zijn intrek te willen nemen. Panayotti, die meer of minder getrouw de kleine toespraak heeft vertaald, is verrukt en opgewonden, trotsch, dat hij de rol van tolk mag spelen tegenover de saamgestroomde menigte van zijn landgenooten. En terwijl wij antwoorden met helder opklinkende: "Zito i Ellas!" op de vreugdekreten der toortsdragers, begint de beklimming van de lastige, steile straatjes. De geheele bevolking begeleidt de rijtuigen, die in de golvende menigte verdwijnen; een sterke harsgeur stijgt ons naar de keel, en onze schaduwen dansen reuzengroot langs de gevels van de roodgekleurde huizen.
Vermoeid en doof van al het lawaai, komen we eindelijk aan de deur van het huis van den demarchos, dat hooger is gelegen dan de andere huizen, zooals past voor de woning van een gemeentelijk magistraatspersoon. We worden eerst gebracht in een vrij groot vertrek, met witgekalkte muren en nog al zindelijk onderhouden; een divan, die op een smalle houten bank gelijkt, bedekt met een rood tapijt van inlandsch weefsel, neemt één wand van het vertrek in, terwijl het sobere ameublement verder bestaat uit een withouten tafel, een vermolmde commode, een vettigen armstoel en eenige stoelen met matten zitting. Tegen den muur hangen op een eereplaats twee chromo's, die Koningin Olga en Koning George voorstellen; dan eenige gravures, die betrekking hebben op den onafhankelijkheidsoorlog, een vrome schilderij, waarvoor een kaars brandt.
"Kaloi crisete, weest welkom!" herhalen nog eens de burgemeester en zijn vrouw, die in alle bescheidenheid ons de handen komt kussen, en terwijl Panayotti onzen maaltijd gaat bereiden met behulp van een walmende lamp, worden wij gebracht naar de beide vertrekken van het huis, die ons welwillend voor den nacht worden aangeboden. Welke hokken! We vinden er een opeenhooping van onnoembare dingen, van voddige kleeren, die over de meubels hangen, alles van terugstootende vuilheid. De muren hebben gaten, zoo groot, dat men er de hand in kan leggen; de vloeren en de zolderingen zijn zwart; de bedden voorzien van ruwe lakens, die men niet voor andere schijnt te zullen verwisselen, en die door den nacht in een afgrijselijk mysterie zijn gehuld. Ons besluit was dan ook weldra genomen; we zullen in de ontvangkamer blijven, die thans onze eetzaal is en die dan in slaapzaal zal worden veranderd, want hier zullen we beter in staat zijn, de ontberingen van ons lot te dragen. Onze gastheer schijnt zeer verbaasd over dat onverwachte besluit, en we hooren hem langen tijd met zijn vrouw praten, terwijl die laatste haar zorgen wijdt aan een lamsgebraad, dat straks ons menu van spijzen uit blikjes moet aanvullen.
Wij moeten het meest mogelijke nut trekken uit de aanwezige meubels, die te onzer beschikking staan. De gezant, die zijn veldbed heeft meegenomen, is al gered; dus blijven er voor ons vijven een tafel, vier stoelen, een leunstoel en de ongemakkelijke divan. Het is er nu om te doen, die ongelijksoortige dingen in bedden veranderen, of ten minste in iets, dat er een beetje op gelijkt! De taak gaat inderdaad boven onze krachten, en we moeten al spoedig afstand doen van het vooruitzicht, een oogenblik gekoesterd, dat we een weinig zouden kunnen uitrusten van de vermoeienissen der reis. De tafel, waaraan we juist hebben gegeten, wordt toegekend aan mejuffrouw d'Ormesson, die er zich op uitstrekt, in haar deken gewikkeld. De beide andere jonge meisjes en ik nemen plaats op den divan, terwijl de heer Benner zich in den armstoel installeert. Den geheelen nacht brengen we zoo door bij het zwavelkleurige licht van bliksemstralen, die voor een oogenblik telkens de huizen bestraalden van het aan onze voeten in het donkere dal der Alpheus sluimerende dorp.
Om zes uur in den morgen waren we op, zonder dat het opstaan ons eenige moeite kostte, ofschoon we veel vermoeider waren dan den vorigen dag. De eenige waschkom uit het huis wordt op een steen vóór het huis neergezet, en ik vermoed, te oordeelen naar de belangstelling, die wij bij de inboorlingen gaande maken, dat het schouwspel van een persoon, die zijn morgenwassching doet, en die een handdoek gebruikt, iets zeer zeldzaams is hier. Weldra verschijnen de beide soesta's van den vorigen dag bij een bocht van den weg. "Kalin antamosin, dat God u een aangename ontmoeting bezorge!" klinkt het uit den mond van den burgemeester, die daarbij ernstig zijn oogen ten hemel heft, en wij herhalen dezelfde formule, zonder er iets bij te denken, terwijl de beleefdheid ten overvloede nog eischt, dat we er bedankjes bij voegen voor een gastvrijheid, die inderdaad niets beteekende. Daarna beginnen wij langzaam de hellingen af te gaan, gevolgd door kinderen in lompen, die op bloote voeten over de scherpe steenen draven op hoop van een laatste aalmoes.
Het nachtelijke onweêr heeft de temperatuur in het geheel niet opgefrischt en het is al broeiend heet nu in den vroegen morgen; wat zilveren nevelen hangen in het dal, waaruit geblaat van schapen weerklinkt; de hanen roepen elkaar hun morgengroet toe en begroeten de eerste stralen der zon, die boven den Valtetso Voeni verrijst. Langzamerhand trekt de nevel op; de oude huizen van Karytena met hun houten balkons worden achtereenvolgens verlicht, en het indrukwekkende kasteel, dat door Hugo de Brière werd gesticht, en waar Kolokotroni weerstand bood aan het leger van Ibrahim Pacha, teekent trotsch de kroon van zijn hooge gekanteelde muren tegen den bleekblauwen hemel af, waar kleine wolkjes als rose vlokken in drijven.
Wij komen ten laatste aan de diepe bres, waarin de Alpheus bruist tusschen twee kale, steile wanden; er is een mooie brug over den stroom gebouwd en dan begint de weg te stijgen met groote kronkelingen langs de berghelling. De kloof schijnt dieper te worden rechts van ons, naarmate we hooger stijgen; de klank van de watervalletjes wordt flauwer, terwijl de alleenstaande berg van Kalytena steeds majestueuser oprijst boven de valleien, waar het rijpe koren reeds een gele tint over legt. Nog een golving van den bodem, een laatste bocht van den weg, en we verliezen de Alpheus uit het oog, die naar het Noorden haar weg vervolgt. Het fort verdwijnt dan uit ons gezicht, omringd, als het is door hoog oprijzende toppen.
Er komen dan een reeks van plateau's, nu eens mager beboscht met dwergeiken, bloeiende heide en distels, dan weer rotsachtig en onvruchtbaar of wel bedekt met armoedig bouwland. Het land is totaal verlaten, en daar de weg toevallig niet al te slecht was, komen de paarden vrij gauw vooruit. In de verte daagt de Khalasmeno Voeno op, omringd door met groen overdekte hoogten aan den overkant van een diep dal, waar we steeds langs rijden. Het oog rust op een chaos van bergen, die op elkander gestapeld schijnen en waarop kudden geiten loopen te grazen tusschen de struiken. Geen geluid van een vogel, geen menschelijke stem! Die zware stilte begint wezenlijk drukkend te worden, en toen we dan ook tegen tien uur bij een eenzame khani komen, waar onze koetsiers water vinden voor de paarden, zijn we gelukkig, dat we eindelijk eens uit de gruwelijke wagens komen, die sinds gisteren onze ledematen hebben geteisterd, en eens enkele minuten ons vrij kunnen bewegen.
Boeren, die ons tegemoet treden, schijnen erg verbaasd, die groep van Europeanen te ontmoeten, die te voet onderweg zijn. Ze vragen ons natuurlijk, wie we zijn en van waar we komen en blijven staan nadenken, toen ze hooren van Frankrijk en Parijs. Inderdaad beschouwen de Grieken, ook die niet, die tot de hooge kringen behooren, hun land niet als deel uitmakend van Europa. Is dat een natuurlijk gevolg van de ligging van het koninkrijk zoo dicht bij Azië, waar het uit politiek, zoowel als uit sociaal oogpunt eigenlijk bij behoort? Of komt het door het feit, dat het land niet met Europa verbonden is door een spoorweg, of wel moet men die zonderlinge opvatting toeschrijven aan de woeste bergen van Macedonië, die wel een waren slagboom vormen tusschen Griekenland en de andere beschaafde landen? Ik weet het niet, maar zeker is het, dat elken keer, dat een Helleen Athene verlaat, om zich naar een der steden van het vaste land te begeven, hij nooit zal zeggen, dat hij naar Frankrijk of naar Duitschland gaat, maar eenvoudig, dat hij naar Europa vertrekt, en niemand komt het in de gedachte, die manier van spreken zonderling te vinden.
Daarom zijn wij voor onze brave boeren eenigszins legendarische personen, door geheimzinnigheid omringd; we zijn hen al lang voorbijgegaan, als ze nog staan om te kijken, als vastgeworteld op den weg, en eerst als we bij een bocht van den weg geheel zijn verdwenen, zetten ze hun reis voort; ze hebben voor den geheelen dag een onuitputtelijke bron van discours.