Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 5

Chapter 53,877 wordsPublic domain

Door tuinen omringd, liggen de witte, lage huizen van de moderne stad, die door koning Otto in den loop van zijn kortstondige regeering werd gesticht, tegen een heuvel aan, waar broodboomen en heide den grond bedekken. Ze waren reeds verdroogd door de zon, wat ik opmerkte toen ik den volgenden morgen een tocht ondernam door de breede, rechte en eentonige straten aan den voet van den kolossalen Taygetos. Groote zwarte cypressen, ook al weer onder een laag stof, rezen er ten hemel. Onder luifels etaleerden de winkels van den bazar op gevlochten rietmatten de mooie vruchten van Laconië, meloenen en fluweelige vijgen, en boeren, gekleed in een lang, rood gewaad, met een koord om het midden, loopen af en aan onder het gehinnik van hun paarden, de sandalen door touwen vastgebonden aan hun gebronsde enkels. Ik ontmoet vrouwen in ruime hemden, met mooi, laag voorhoofd, energieke kin, en terwijl ik moet erkennen, dat ze waard zouden wezen door haar physiek de afstammelingen te zijn der oude Spartanen, kom ik over een grasvlakte bij de plek, waar enkele overblijfselen de plaats der antieke stad aanduiden; resten van graven, fondamenten van muren, ruïnen van een schouwburg, die naar de strenge wetten van Lycurgus alleen bestemd was voor lichaamsoefeningen. Hier, beweert men, is het overblijfsel van Leonidas' graf, het stadion, waar de jongelieden zich in wedloopen oefenden, en wat verderop, een door de Eurotas gevormd eilandje, waar de rivier zich splitst, een boomgroep, waar de moderne Lacedemoniërs hun openbare wandelplaats hebben aangelegd. Het is de Platanistas, waar men onder het oog der grijsaards oudtijds de kinderen sloeg, om ze aan pijn te gewennen, waar de jongelieden elkander geregelde gevechten leverden en zonder een klacht in den dood gingen. En ik bereik weer de nieuwe stad door moerbeiboschjes en denk aan al die ruwheid uit het verleden, aan de woeste geestkracht, die hier aan den dag werd gelegd, aan die ruwe zeden, die aan de Spartanen, met de verachting van den rijkdom, tevens een diepe minachting inboezemden voor de onsterfelijke kunstwerken.

Tegen tien uur moet ik op het oogenblik, dat de warmte verstikkend wordt, door het dal trekken, om mij eerst naar Misthra te begeven en dan door den Taygetos naar Messenië te dalen. Daar de wegen over de bergen, naar het schijnt, niet volkomen veilig zijn, hebben de autoriteiten mij nog een gendarme meegegeven, wiens nietig uiterlijk niet geschikt is om mijn gevoel van veiligheid te vergrooten; daarentegen is mijn agoyaat een stevige vent en tevens door onze "symphonie" ook een goede verdediger. Hij heet Christo, zooals zoovele van zijn mannelijke landgenooten, die, als ze dezen voornaam niet dragen, stellig antwoorden op dien van Georgi, Janni of Panayotti. En al pratend met twee metgezellen, die zonder gewetensbezwaar en dat nog wel voor een vertegenwoordiger van het gezag, de boomen van hun vruchten berooven, komen we in een uur aan den voet van de majestueuse keten bij het tegenwoordige dorp Misthra, gekroond door de indrukwekkende ruïnen van de middeleeuwsche stad.

Een catastrofe schijnt den berg over zijn geheele lengte te hebben gescheurd, en de diepe kloof, die de Grieken "langada" noemen, daalt in een chaos van rotsen van schitterende kleuren. Vrouwen zitten voor haar armoedige huisjes, het hoofd bedekt met een zwarten sluier, die ze op religieuses doet gelijken; ze spinnen in stilte, en heffen slechts even de oogen op om ons te zien voorbijgaan. De helling van Meso-Khori is weldra bestegen, en we houden stil in de schaduw van prachtige platanen, waar een van die kleine turksche fonteinen onder springt, die zoo dichterlijk zijn en waar het water te midden van arabesken te voorschijn komt, om zachtjes neer te vallen in een steenen bekken, dat geheel vochtig is van iriseerende droppels. Ik kan een kreet van bewondering niet weerhouden; vóór mij, zeer hoog op de bergen, liggen trapsgewijze en in een driehoek de ruïnen van het oude Misthra, het frankische, door Villehardouin gesticht, die vorst van Morea, de plaats, die om beurten daarna turksch of venetiaansch is geweest en eeuwen lang de hoofdstad van Laconië was. Die stad der kruisvaarders, die sedert de schepping van het koninkrijk verlaten werd voor het moderne Sparta, maakt nu een droefgeestigen indruk van verval onder het weemoedig toezien van haar drie oude cypressen, die reeds de getuigen waren van haar oude grootheid.

En door nauwe straatjes, die als trappen zich door tuintjes kronkelen, tusschen boogvormige arcaden door en binnenpleinen, waar in het natte gras schildpadden slapen, klim ik omhoog tot de oude kerk van Pantanassia, met de sierlijke zuilengalerij en met in het inwendige een nis, waar de fransche leliën boven zijn gehouwen. Daar zijn kleine gothische gebouwtjes en een grooter bouwwerk met hoogen gevel, door den tijd verweerd en voorzien van talrijke vensters. Dat is het paleis van Villehardouin met zijn gekanteelde torens en struikgewas aan den voet, waar reptielen zich ophouden. Ik blijf nog stijgen, tot ik eindelijk de citadel bereik, omgeven door versterkte muren, waarbinnen veel puin ligt en waar waterreservoirs zijn aangebracht. Alles is thans in de stad uitgestorven, die daar aan mijn voeten ligt in de ruïnen, en alleen de wilde duiven, die in de verlaten ruimten rondvliegen, zetten leven bij aan de indrukwekkende eenzaamheid.

Op een sarcophaag gezeten, van waar ik de groene vlakte van Sparta kan overzien, die door de groote schaduw van den Taygetos wordt getroffen, denk ik terug aan de verre tijden, toen onze voorvaderen over het land regeerden; ik roep de herinnering aan onze beschaving op, die ik hier, ver van het vaderland, terugvind in de bogen, de latijnsche kruisen, de leliën; ik vergeet de byzantijnsche wereld, om door tijd en ruimte te gaan tot den tijd van onze Middeleeuwen, welker heroïsme vol edelmoedigheid geschreven staat op alle steenen van de ineenstortende stad. Daar op eens begint de klok van de oude metropool, overblijfsel van de grieksche stad, die ook al vervallen is, nadat ze gebouwd was op het oudere puin van het kasteel onzer voorvaderen, te klinken; een priester treedt uit het aartsbisschoppelijk paleis en achter hem verdwijnen eenige vrouwen in de kerk, gelijkende op groote, zwarte vogels, dwalend tusschen de graven.

Nu haast ik mij naar beneden, telkens struikelend over verbrokkelde wapenschilden, waar de hagedissen hun zonnebad nemen, en ik treed de kerk binnen, terwijl het gebed bijna is afgeloopen. Ik bezie een oogenblik den groenen koepel, de ruwe fresco's aan de wanden en de oude grieksche opschriften, die uit de veertiende eeuw afkomstig zijn, en toen ik opnieuw den drempel overschrijd, verblind door de felle helderheid van het licht, voegt de geestelijke zich bij mij en zegt: "Sto kalo, wees gezegend!" en wenkt mij, want het kost mij moeite zijn dialect te begrijpen. Hij voert mij mee tot aan het oude aartsbisschoppelijk paleis, dat dicht in de buurt is, en waarvan de muren de sporen dragen van de turksche verovering.

Die lagere grieksche geestelijken, die maar zoo weinig onderwijs hebben genoten ondanks de pogingen en de milde giften van den rijken Rhizaris, ontzeggen zich door te trouwen den toegang tot het episcopaat. De niet gehuwde monnikken worden dus tot bisschoppen en aartsbisschoppen benoemd, en de arme pappa's leven daar te midden van hun onbeteekenende schaapjes in voortdurende onwetendheid. Nauwelijks hun godsdienst kennend, niet in staat de dogma's er van te verklaren, onopgemerkt door den staat, die hen niet betaalt, zijn ze wel genoodzaakt om, ten einde in de behoeften van hun gezin te voorzien, uit alles geld te slaan. Sommigen drijven handel, andere doen aan landbouw, allen speculeeren op de lichtgeloovigheid van het publiek of laten zich hun diensten zoo duur mogelijk betalen. En zoo ontmoet men dikwijls de bleeke broeders met hun donker cylindervormig hoofddeksel, hun lang zwart kleed en de haren in den nek tot een wrong opgestoken, wandelend zonder eenig prestige onder groote parapluies, die hen tegen de zonnehitte beschutten.

Mijn pappa uit Misthra maakt geen uitzondering op den regel, in geen enkel opzicht. Zijn vrouw, een grove boerin, zeker nog onwetender dan hij, gaat opstaan bij ons binnentreden, kust haar man de handen en trekt zich bescheiden terug, alsof het niet bij haar rang zou passen, bij ons plaats te nemen. Maar ze treedt een oogenblik later weer binnen met een pot bessengelei, waarin wij ieder op zijn beurt ons houten lepeltje moeten steken, om dan een glas te vullen met helder water, dat mij wel zoo gepast lijkt bij deze temperatuur dan het gesuikerde hapje, dat eraan voorafging.

Na enkele oogenblikken van een nog al traag vloeiend gesprek, wil ik mijn gastheer voor zijn gastvrijheid bedanken en, de gewoonten van het land kennend, laat ik een cadeau van enkele drachmen in zijn hand glijden. Men moet aannemen, dat de offerande hem niet onwelgevallig is, want ik begrijp uit de woorden, die onder een stroom van dankbetuigingen schuilgaan, dat hij mij nog wel eens weer tot gids wil dienen. Het helpt niet, of ik hem al zeg, of liever hem toeschreeuw, want hij praat veel en luistert slecht, dat mijn bezoek is afgeloopen en dat ik mijn muildier weer ga opzoeken, om mijn weg te vervolgen, wat ik reeds op het punt was te doen toen ik hem ontmoette, hij wil niet hooren, en, mij bij den arm nemend, sleurt hij mij naar buiten en herhaalt onophoudelijk: "Pantanassia, Pantanassia!" Ik moet er mij wel in schikken, hem te volgen naar het kerkje, dat ik zooeven al heb gezien en waarvan hij mij in bijzonderheden de merkwaardigheden verklaart; daarna treden we het naburige klooster binnen, waar mij het graf van keizerin Theodora wordt getoond, de vrouw van Constantijn Palaeologus, den laatsten byzantijnschen keizer. Maar dat alles wekt veel minder mijn belangstelling dan het voorkomen van de oude frankische stad, waar ik de herinnering aan onze voorvaderen terugvind; de spraakzame pappa vindt die beleefd ook interessant en laat mij eindelijk vertrekken, mij overladend met zijn zegeningen.

En nu begint de bestijging van de Taygetostoppen; in plaats van dien avond in Trypi te slapen, waar we in een uur marcheerens kunnen wezen, heb ik besloten, op raad van mijn agoyaat en na een verzoek te hebben gericht tot den demarch of burgemeester van Sparta, die mij volkomen veiligheid heeft gewaarborgd, den nacht in de bergen door te brengen te midden van de herders. Weldra verdwijnt de heuvel van Misthra, en we bereiken tegen drie uur de huizen van het dorp, die hun roode daken verbergen onder prachtig, donker cypressenloof. Aan alle zijden borrelen bronnen in de rotsen, en ik geniet een heerlijk welbehagen na de hitte van de vlakte, nu ik de koele frischheid mag voelen. Vrouwen wasschen haar linnen aan den rand der beken, en ik denk aan de echtgenooten der homerische helden, handig in de huishoudelijke plichten, maar met wie deze dames slechts heel in de verte verwant zijn.

Maar daar gaapt aan een voetpad onder meidoorns in den berg een wonderlijk hol. Dat is de langada van Trypi, in welker nabijheid men de plaats heeft meenen te herkennen van de kloof van Caeadas, waar de oude Spartanen de misdadigers in wierpen evenals de krijgsgevangenen. En inderdaad van een voorgebergte boven den afgrond, kijk ik neer in een spleet tusschen de rotsen, en de bodem schijnt er niet anders te zijn dan een opeenhooping van menschenbeenderen en stof. Een heftige indruk van afschuw doet mij die lugubere plek ontvluchten, en langs een steenachtigen weg, die den loop van de Trypiotiko volgt, daal ik af in het aangrenzend ravijn.

Plotseling verdwijnt de zon en de koude wind der hoogten slaat mij onaangenaam in het gezicht. Ik moet een warmer jas aantrekken daar tusschen de kale, roode rotsen, die er dreigend uitzien. Van Trypi af was de weg steeds gestegen; nu hadden we het hoogste punt bereikt, om dan weer tot de oppervlakte van het water te dalen. Christo waarschuwt mij, dat ik moet afstijgen, want dat het pad gevaarlijk begint te worden. Inderdaad lagen er groote marmeren steenen, glibberig en vuil, waar men licht zou kunnen uitglijden en in den afgrond storten. Terwijl ik langzaam voortloop, houdt de agoyaat den teugel van het muildier vast, terwijl de gendarme den staart pakt, en het arme dier, zoo opgehouden, loopt met moeite, dikwijls uitglijdend en een massa steenen in de diepte werpend.

Ik heb werkelijk het gevoel, dat de dood van nabij dreigt, en met een gevoel van groote verlichting bereik ik eindelijk de bedding van de rivier, waar de weg overheen leidt, om aan den rechteroever weer te stijgen. Maar de kalmte zou niet lang duren. Terwijl de Trypiotiko hoe langer hoe meer onder ons wegzinkt, gaan we steil omhoog langs de rots, die ten laatste zoo ver over de kloof heen hangt, dat wij het geluid van den onstuimigen stroom zelfs niet meer hooren. Nu eens stijgend, dan dalend langs dien gevaarlijken weg, gaat het verder, tot tegen zes uur toen de schemering valt, we de rivier terugvinden, die nu kalmer vloeit tusschen mooie platanen. De kale toppen boven ons, roodgekleurd door de ondergaande zon, komen mij voor als een booze droom. Daar klinkt een woedend geblaf niet ver van ons, en twee groote, zwarte honden storten zich op onze karavaan. Christo en de gendarme maken een beweging, alsof ze met steenen willen gooien, en dat is voor het oogenblik voldoende, om die wilde beesten in bedwang te houden, die verbazend woest kunnen zijn en die ik wel heb zien bijten in de steenen, naar hen toegeworpen, of ze van woede met hun bek weer in de lucht heb zien opgooien. Op hun achterpooten zittend en gereed om op ons aan te vliegen, als we naderbij komen, maken die honden een geluid, dat in het oneindige door de rotsen wordt weerkaatst. De aandacht der herders, die in de buurt zijn, wordt eindelijk getrokken en daar verschijnen eenige bergbewoners; op hun bevel houdt het geblaf op, en Christo treedt alleen naar voren, om te onderhandelen.

Waarlijk, die menschen zien er niet aantrekkelijk uit. De groote bruine mantel, dien ze over hun schouders dragen, hangt tot op de vroeger witte slobkousen, die met een zwarten kouseband worden opgehouden. Hun gebruind gezicht verdwijnt onder een ruwen baard; enkelen van hen hadden lange haren, die rondom hun mutsen en petten uitstonden; allen leunden op den langen, gebogen stok als een bisschopsstaf, dien ze altijd bij zich hebben, en keken mij dreigend aan. Eindelijk was er een overeenstemming getroffen en we begaven ons op weg naar het kamp, ditmaal geëscorteerd door de honden, die schijnen te begrijpen, dat wij nu burgerrecht hebben verkregen. Al spoedig wordt het schijnsel van een vuur onder de boomen zichtbaar; we gaan een landelijke omheinde ruimte voorbij, waar de schapekaas, die er wordt bereid in vaten van geiteleer, een afschuwelijken stank verspreidt, en komen eindelijk tegenover een reeks verblijven, die van een vlechtwerk van bladeren zijn opgetrokken en waar de vloeren met dennetakken zijn belegd.

Die herders zijn een ware plaag voor de boomen in Griekenland, die ze brutaal exploiteeren en waarvan hun schapen de jonge spruitjes nuttigen. De bijl en het vuur doen geleidelijk heele bosschen verdwijnen, die mogelijk door een nauwlettender toezicht gespaard hadden kunnen blijven. Hier is de eerste oorzaak van de ontwouding, die de droogte en de dorheid veroorzaakt, waar het land zoozeer onder lijdt. Men moest die lieden doen begrijpen, dat hun eigen belang meebrengt, dat ze de boomen eerbiedigen, dat het onvoorzichtig is, ze te vroeg te vellen, hun zonder noodzaak de takken te ontnemen of altijd maar weer onder de bescherming van hun stammen vuren aan te leggen, die ze langzaam sloopen. Maar dat is een moeilijk uit te voeren werk, want dit volk is totaal onwetend; men heeft wel getracht, op sommige plaatsen nieuw bosch aan te leggen; maar de plantjes, die ondanks de brandende zon en de droogte juist wat op streek begonnen te komen, hebben al gauw gediend tot voedsel voor de geiten, en de overige zijn van watergebrek omgekomen. En zoo gaat het van kwaad tot erger, terwijl de openbare macht er nog niet in is geslaagd, een middel tegen de kwaal te vinden.

Intusschen is het geheel donker geworden. Ik heb mij in mijn hut geïnstalleerd, waarvoor een groot vuur brandt; Christo en de gendarme hebben zich bij hun nieuwe vrienden gevoegd op eenige schreden afstands en geven hun inlichtingen over mijn persoon en mijn reis; de oogen der nu gekalmeerde honden schitteren in de duisternis. Er is vóór mijn hut een flinke hoeveelheid hout opgestapeld, opdat ik het vuur zal kunnen onderhouden, dat mij verwarmt, en bij het schijnsel waarvan ik thans mijn maal gereed maak. Nu of nooit moet ik een paar van die blikjes nuttigen, die met wat spiritus dadelijk gereed zijn te maken. En terwijl ik op mijn kleine verwarmings-toestelletjes een heerlijke portie kalfsvleesch met worteltjes klaar maak, en een niet minder smakelijken ragoût van schapevleesch, komen de herders naderbij, gaan in een kring om mijn vuur zitten, en een onuitsprekelijke verbazing teekent zich op hun ruwe gelaatstrekken. Voor deze halfwilde menschen is het gezicht van mijn vernuftige keuken iets geheel nieuws; ze doen uitroepen, vragen, stooten elkaar met den elleboog aan en lachen. Geen enkele mijner bewegingen ontgaat hun en altijd worden er lange besprekingen over geopend. Voor mij is die omgeving ook iets vreemds en nieuws, daar zoo in de bergen te zijn, ver van alle beschavingsmiddelpunten, met deze roovers, wier oogen op mij gericht zijn door den rook en het schijnsel van het vuur heen.

Zoodra mijn maaltijd is afgeloopen, gaan de leege blikjes van hand tot hand; ik bied een sigaret aan, waarvan allen gretig profiteeren en er begint een gesprek, waaraan ik maar gebrekkig kan deel nemen, zoodat ik allen tijd heb, mijn zonderlinge makkers op te nemen, wier gelaat en handen met een dikke laag vuil zijn bedekt. Nu herinnerde ik mij, dat toen ik eens den Pentelicon beklom met een atheenschen vriend, wij op den top een herder ontmoetten van het slag van deze lieden, en dat hij ons had bekend, dat in zeven jaren, dat hij in de bergen leefde, hij zich nooit gewasschen had. Die man had nog eenige verontschuldiging, want het water is schaarsch in de omstreken van Athene; maar wat te zeggen van zijn kameraden van den Taygetos, die, terwijl er bronnen in de nabijheid zijn, evenmin als hij de behoefte voelen met het verfrisschende water kennis te maken?

Weldra gaat ieder opstaan, niet zonder mij beleefd een goeden nacht, kale nycta, te hebben gewenscht; ik werp op het vuur een nieuwen armvol brandstof, want het is vinnig koud, en Christo heeft mij opgedragen, het niet te laten uitgaan. We hebben afgesproken, slechts om beurten te rusten, een maatregel, die gepast lijkt in onze omstandigheden.

Ongelukkig komt het uur om te waken nog al vroeg voor mij, en ik merk, toen ik wakker word, dat het meer is gaan waaien; de groote boomen om ons heen klagen luid, en de vlammen drijven telkens hun rook in de hut. Er zijn veel onverwachte geluiden, en in de bergen hoor ik klagelijk janken. Is het een hond, die de afnemende maan aanblaft, of misschien een wolf, die voedsel zoekt? De nacht schijnt mij eindeloos en onze houtvoorraad begint te verminderen. Ik wacht met verlangen den morgen, dien ik nooit met zooveel vreugde heb begroet, zoo drukkend is de eenzaamheid.

Daar is eindelijk een bleek licht, en omdat ik besloten ben vroeg op te breken, wek ik Christo, die zich haast het muildier te zadelen. De herders zijn al op, en de honden zijn aan het spelen, nat nog van den dauw. Ik leg enkele geldstukken in de vereelte handen, die mij worden toegestoken, en huiverend in den morgen wind, beklimmen we de hoogte aan het eind der langada. Binnen een uur is de top bereikt, juist op het oogenblik dat de roode zonneschijf de transen van den Parnon bestraalt. De vlakte, waarin Sparta is gelegen, is nog donker achter ons, terwijl de lijnen van den Taygetos achteruitwijken.

De wind blaast als een storm; het is koud en spoedig gaan we verder naar Sitsova, waar we een half uur later aankomen. Bij Khania bereiken we de vlakte, waarvan de rijkdom en de vruchtbaarheid wonderlijk afsteken tegen de woeste eenzaamheid van den Taygetos. Hier zien we citroen- en oranjeboomen, velden met tabak, waar moerbeiboomen tusschen staan, en eindelijk daagt Kalamata voor ons op met zijn door aloë's omzoomde tuinen en zijn mooie cactussen. In de straten is het geducht warm, en ik veroorloof mij eenige uren van welverdiende rust. Om acht uur in den avond vertrekt de boot naar Athene. Mijn reis is afgeloopen, en als de schroef het kalme water begint te slaan in de baai, groet ik voor de laatste maal de zwarte massa van den Taygetos, die mij zulke onvergetelijke uren heeft bezorgd.

Er is een halfjaar verloopen, sedert ik den nacht heb doorgebracht tusschen de herders van den Taygetos ter hoogte van bijna 2000 meter boven de zee; de winterregens zijn voorbij en al sinds langen tijd zijn de toppen van den Hymettus en den Parnassus van hun licht sneeuwkleed ontdaan en worden in hun kaalheid geblakerd door de warme zon van April. Nu de mooie lentedagen zijn teruggekeerd, die zoo helder en vroolijk zijn in dit gezegende Oosten, ga ik opnieuw droomen van heerlijke uitstapjes en lange ritten te paard in de dichterlijke eenzaamheid van het bergland.

Waar zal ik anders heengaan, nu het continentale Griekenland mij bijna volkomen bekend is, dan maar weer naar dien schilderachtigen Peloponnesus, dien ik thans eens wil doortrekken van Korinthe af naar de golf van Kyparissia? En nu treft het, dat juist onze gezant te Athene, graaf d'Ormesson, mijn naaste chef, mij voorstelt, hem op diezelfde reis te vergezellen. Zonder een oogenblik te verliezen, maken wij toebereidselen voor een echte expeditie, waaraan ook drie bekoorlijke jonge meisjes zullen deelnemen, wier tegenwoordigheid wij met vreugde begroeten, mejuffrouw Yolande d'Ormesson, mejuffrouw Boulard, haar vriendin, die voor eenige maanden in Griekenland vertoeft en mejuffrouw de Cernowitz, dochter van den opperstalmeester van Z. M. Koning George.

Wij besluiten, tot Megalopolis, dat midden in Arcadië ligt, met den spoortrein te gaan, dan per rijtuig Andritsena te bereiken, om weer te dalen langs den tempel van Apollo in de omstreken van Kyparissia, waar we den spoorweg weer zullen treffen, die ons naar Olympia en Patras zal brengen.

Spoedig is alles gereed; de muildieren en rijtuigen wachten ons; de autoriteiten zijn gewaarschuwd, en ons troepje, versterkt met een jong schilder van talent, den heer Many Benner, die zonder te vermoeden, dat men hem zou uitnoodigen, deel te nemen aan den tocht, zijn opwachting aan de legatie kwam maken, zal zich morgen op weg begeven. De gezant neemt ook nog het factotum van zijn huis mee, een zekeren Panayotti, die als tolk moet dienen en nu al in de drie jaren, dat ik hem ken, mij dikwijls heeft geamuseerd. Die jongen, die zijn Athene kent tot in de kleinste bijzonderheden, en wiens diensten in dat opzicht werkelijk onschatbaar zijn, is wel een volkomen type van den modernen Griek. Babbelachtig en demonstratief, nu eens onrustig en verward, dan weer langzaam en lui, ook ietwat geslepen en met zin voor straatslijperij, heeft hij als al zijn landgenooten, een gebruind, olijfkleurig teint en een baard, even glanzig, als zijn haren moeten zijn geweest in den tijd, toen hij die schoone kroon nog op zijn hoofd droeg.