Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 4

Chapter 43,735 wordsPublic domain

Den volgenden morgen werd ik door een telegram naar Athene en mijn werk teruggeroepen; maar eenige maanden later was een gelukkige samenloop van omstandigheden de oorzaak, dat ik een week verlof kon krijgen voor een nieuwen tocht naar het Zuiden van den Peloponnesus. Het seizoen is gunstig, om een reis van dien aard te ondernemen; niets wijst er nog op, dat de herfst nabij is, maar de drukkende warmte van Juli heeft plaats gemaakt voor prachtige Septemberdagen, zonnig en helder en op deze breedte nog lang en warm, zoodat men zich in den vollen zomer kan denken. Ik was enthoesiast over het vooruitzicht, niet langer voor eenige dagen het scherpe stof van Athene in te ademen; ik droom van groene wouden, waar beekjes murmelen, ik verlang naar de koelte, naar de zuivere lucht, die ik in vier maanden niet heb genoten en die ik hoop te vinden eerst op de zee en dan in het eenzame bergland.

Mijn licht bundeltje is dan ook spoedig gesnoerd; verscheiden blikjes, die vernuftig ter plaatse kunnen worden warm gemaakt, insectenpoeder, een paar geneesmiddelen, die men moeilijk ontberen kan in warme landen, zijn met het strict noodige, een deken en de getrouwe kodak, de lijst van mijn hebben en houden.

Ik kom aan den Piraeus, waar de "Aphrodite", een boot van de Panhelleensche Maatschappij, naar Marathonisi gaat vertrekken. In de buurt van de eetzaal aan boord heerscht evenals op de "Haghios Nikolaos", die mij vroeger naar Korinthe bracht, een walgelijke geur, en, de kooien zien er al even weinig aanlokkelijk uit. Het zou wel kunnen zijn, dat ik mij van nacht aan lastige gevechten zal moeten wijden. Het is hier zoo vuil, dat ik mij afvraag, of het dek wel ooit wordt schoongemaakt, terwijl een blik in de keuken genoeg is, om iemand allen eetlust te benemen.

En ik zal hier achttien uren moeten blijven! Wij zouden om elf uur in den morgen van den Piraeus vertrekken, maar het werd twaalf uur. De kapitein verzekerde mij, dat we een prachtigen overtocht zouden hebben. Trouwens de zeeziekte verontrust mij niet erg.

Daar roept de bel de passagiers naar de eetzaal. Ik moet mee aan tafel, hoe weinig animeerend ook de keuken hier is door het gebruik van schapevet. Na verloop van een half uur kan ik eindelijk op dek gaan, om daar den namiddag door te brengen. Reeds wordt Aegina kleiner door den afstand en laat ons van dezen kant zijn steile wanden zien, bedekt met een donkeren plantengroei. Boeren zijn op het voorschip geïnstalleerd, sommigen zittend op veelkleurige koffers, anderen op ruwe dekens van roode wol; een van hen zingt onder begeleiding van een rustieke luit volksliedjes; en de anderen praten over de kleine gebeurtenissen van hun leven, steeds onder het aflezen van hun rozenkrans.

Bij het vulkanisch schiereiland Methana dringt de "Aphrodite" binnen in de nauwe doorgang, die Poros van Argos scheidt, waar de oranje- en citroenboomen beschut zijn door het prachtige scherm van de bergen. Er worden toebereidselen gemaakt voor een landing in het stadje, dat schilderachtig op de rotsen is gelegen en waar het eerste maritieme arsenaal van het jonge koninkrijk werd gevestigd. Booten, overvol met menschen, komen naar ons schip in groote wanorde. Pas zijn de passagiers en de goederen overhaast aan boord gebracht, of de schroef zet zich weer in beweging, terwijl ieder een plaatsje zoekt, door de vertrekkenden open gelaten. Het zal intusschen niet voor lang zijn, want deze menschen gaan naar het eiland Hyera, dat zich al gauw vertoont, als we om kaap Skyli zijn gevaren, die aan den oostkant de uiterste punt van den Peloponnesus vormt.

Een uur later gaan we Spezzia in open zee voorbij aan den ingang van de golf van Nauplia; die haven is met Salamis de voornaamste oorlogshaven, maar ze kunnen beide niet wedijveren met de groote oorlogshavens. Het was een heerlijke avond aan boord, en het gezang van de eenvoudige lieden uit het volk wiegde mijn gedachten aangenaam in zoete rust. Een poging om beneden slaap te vinden liep op niets uit, en al spoedig was ik weer aan dek, om daar den morgen af te wachten.

De dag brak aan, toen we de golf van Marathonisi voorbijvoeren en den steven naar het Noorden wendden, om tegen acht uur aan de moderne kade van de gelijknamige stad te landen. Daar word ik aan wal gezet en wandel dadelijk de stad uit naar een weg over de rotsen langs de zee, waar ik de "Aphrodite" een laatsten groet kan brengen, zooals ze daar voor anker ligt achter in de baai; de hoeven van het muildier slaan luide op de steenen, terwijl de schoenen van den agoyaat en van den gendarme, van voren opgewipt als een voorsteven van een schip, zacht voorschuiven. De brave militair ziet er niet bar uit in zijn vuilblauwe uniform, en ik moet onderweg meermalen denken, dat, als ons iets overkomt, zijn tegenwoordigheid mij van weinig nut zal zijn. Er worden mij, sinds ik in Griekenland ben, zooveel verhalen verteld van den moed der inwoners van dit land, dat ik geëindigd ben met er niet veel van te gelooven en te denken, dat er weinig durf onder hen is en dat in het bijzonder degenen, die mij vergezellen, wel in staat zouden zijn, om in geval van gevaar met den vijand te heulen. Voor het oogenblik stellen ze zich tevreden met het zingen van een lied; om beurten heffen ze een couplet aan, en dat zal zeker wel duren tot bij kaap Matapan. Dus heb ik alle gelegenheid, zwijgend het prachtige land te bewonderen, dat we zijn binnengaan.

Een afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging, de Mavromichalis, die reeds meermalen minister is geweest en die te Athene een geziene staatkundige positie bekleedt, had mij dikwijls aangeraden deze reis te doen; hij zei mij, dat de bewoners van dit smalle schiereiland vreemde gewoonten hadden behouden in hun woeste schuilhoeken en dat ze verdienden, dat men hen beter leerde kennen. Toen ik dan ook besloten was, te gaan, zocht ik den heer Mavromichalis op, toen minister van Binnenlandsche Zaken, en hij kondigde mijn reis niet enkel aan de autoriteiten aan, maar moedigde zijn partijgenooten aan, mij vriendelijk te ontvangen. Ik stelde die daad te meer op prijs, omdat de gesprekken, die ik met den staatsman had gehad, mij voldoende op de hoogte hadden gebracht van de sociale toestanden in het zonderlinge land.

De Mainoten, die zich de rechtstreeksche afstammelingen noemen van de Spartanen die voor de barbaren vluchtten, hebben van die vermeende voorvaderen het onbuigzame karakter en de strenge zeden. Ze hebben krachtig weerstand geboden aan de Turken, die hen nooit hebben kunnen onderwerpen. Al den tijd van de ottomaansche overheersching was er een aristocratie van familiehoofden, zooals de Mavromichalissen, die tegenwoordig in hun salons te Athene de reeks hunner voorvaderen in de kleeding der Palikaren vertoonen, en betwistten elkander het bergland in een onophoudelijken strijd, bestaande in vendetta's, roof- en moordpartijen. Toen we door het kleine dorpje Mavrovoeni reden, merkte ik op, dat enkele huizen van schietgaten zijn voorzien. De mannen kijken mij aan met een trotsch en vijandig voorkomen.

Al spoedig hebben we het riviertje de Vardoenia achter ons gelaten, en op den Passaheuvel bespeur ik de overblijfselen van een kasteel, dat oudtijds bestemd was, de aanhoudende opstanden in het land te beteugelen, dan een ander, waar niemand zich vertoont, en we verlaten de nabijheid der zee, om aan zijn voet het voorgebergte af te snijden, dat in kaap Pagania uitloopt. Tusschen kleine eiken en wat heidekruid loopt de weg, en aan alles is te merken, dat de streek weer armer wordt.

In de schaduw van een niet uitgegroeiden den houden we stil en ik gebruik een vluchtig ontbijt, terwijl mijn oog rust op de ingesneden toppen van den Taygetos, wijkend naar het Zuiden nu onder den naam van Kako Voeni, dat is "slechten berg". En inderdaad dit is een somber land, een opeenhooping van steile rotsen onder de brandende zon, met hier en daar kloven en afgronden, waarboven arenden en gieren zweven. Den geheelen namiddag volgden we de hellingen van dit reusachtige en woeste bergland, waarbij we slechts twee of drie dorpen passeerden, arme gehuchtjes eigenlijk, en door afgelegen kloven gingen met een dicht struikgewas en vele donkere grotten. Het gevoel van eenzaamheid komt over mij; ook mijn metgezellen loopen zonder spreken voort. Het begint duister te worden, als we Lagia passeeren, en aan de zee is het volkomen nacht. Zij schittert, waar ze tegen de rotsen slaat in het koude licht der maan, en met een gevoel van echte verlichting bereik ik tegen zeven uur in den avond de eerste huizen van Porto-Quaglio.

Terwijl de agoyaat bezig is een onderkomen te zoeken voor het muildier, en de gendarme naar zijn collega's is gegaan, stap ik de zaal binnen van de herberg, waar het lekker ruikt naar gebraden kwartels. We waren juist in den tijd van den vogeltrek, waarbij dit geurige wild, dat hier overvloedig is, komt uitrusten op de uiterste punt van Europa, eer het zijn vlucht neemt naar Egypte. Ik profiteer dankbaar van de gelegenheid; eenige harde eieren en de onvermijdelijke harswijn, waaraan ik trouwens reeds gewoon raak, voltooien het geurige maal, en dan ga ik opzoeken wat met een stoutmoedig euphemisme mijn bed zou kunnen worden genoemd, een eenvoudige houten krib, goed voorzien van stroo. Maar het kan mij weinig schelen, de vermoeienissen der beide laatste dagen zijn zoo groot geweest, dat een diepe slaap, niet door eenig onaangenaam gesteek afgebroken, dadelijk mijn oogleden sluit.

Om zes uur in den morgen wacht mijn muildier mij reeds, geheel gezadeld, aan de deur van de eenvoudige herberg te Porto-Quaglio, waar ik den nacht heb doorgebracht. Ik haast mij, het zadel te bestijgen. En terwijl de schuine stralen der zon reeds de ontmantelde kanteelen van het kasteel vergulden, dat de stad beheerscht, rijd ik den chaos binnen van de granietbergen aan kaap Matapan; omgevallen menhirs, grotten en holen, waar de zee bruisend binnen dringt, en een sterke reuk van wier en zeegras in de holten tusschen de zwarte rotsen. Het rijden is moeilijker geworden door de hevigheid van den wind, die den voet der gesteenten met schuim omzoomt; daar is eindelijk het uiteinde van het donkere voorgebergte, waar de zeemeeuwen met groote, witte vleugels hun doordringend geschreeuw doen hooren.

De verlaten zee heeft overal witte koppen, en het kleine kapelletje "ton hagion Asomaton", dat tegenwoordig op de plek staat van het beroemde heiligdom, gewijd aan Neptunus, schijnt te hangen boven een donkeren afgrond. En als ik mij verwijder, geheel onder den indruk van de grootsche doodschheid van deze plaatsen, die getuigen waren van zooveel zeerampen, maakt mijn agoyaat, wiens gevoelens met de mijne schijnen samen te stemmen, devotelijk een kruis, met oogen vol afschuw.

Een uur later is opnieuw de voet van de landengte bereikt, en langs een verschrikkelijk moeilijk voetpad stijgen we weer langs de westkust omhoog, en gaan in de richting van kaap Grosso, die den horizon afsluit met haar hoogen marmeren muur. Deze strook lands, ingesloten tusschen de zee en de gekanteelde toppen van den Taygetos, is het merkwaardigste deel van het land der Mainoten, een streek, bedekt met lage struiken en myrten, waar het strand overal kleine kreken vertoont en veel rotsachtige kapen vol holen, plaatsen, waar de zeeschuimers hun buit verborgen. Het zijn door de zon geroosterde bergen, met veel woeste kloven, waar zich, hangend boven afgronden, verborgen in de groeven tusschen het gesteente, arme dorpjes verschuilen, echte arendsnesten, schuilplaatsen van roovers, het tooneel van vendetta's met bloed en tranen, en geboorteplaatsen van helden.

Overal ziet men versterkte kasteelen en torens met kanteelen, pyrgoi geheeten, voorzien van schietgaten. Het verbaast mij nu niet langer, dat het een dergelijk land is gelukt, door de eeuwen zijn volkomen onafhankelijkheid te bewaren, en dat men er thans nog de oorspronkelijke woestheid van land en bewoners aantreft. Alles verraadt die bij de Mainoten, vanaf den trotschen trek van hun magere gezichten, omlijst door wapperende haren en met een langen knevel, waarboven de oogen fonkelen, tot de plechtige manier van loopen, de groote physieke kracht en de wijze, waarop ze de wapens dragen, die ze nooit afleggen. Te Kyparisso, te Alika, in alle dorpen die ik doorreis, kijkt men mij vast aan, zonder nieuwsgierigheid, zooals een man zijns gelijke aanziet, en dat is iets, waar mijn reizen mij niet aan aan hebben gewend, sedert ik in Griekenland ben.

Wij houden stil om te ontbijten aan den rand van die groote hoogvlakte, die zich uitstrekt van de kaap tot den voet der bergen, en terwijl ik mijn blik laat weiden over het azuur van de golf van Koroni, in de verte eindigend in kaap Gallo, die met haar zusters, kaap Matapan en kaap Malée de laatste vormt van de drie vingerspitsen dier grove hand, die de Peloponnesus is, herinner ik mij alles, wat de heer Mavromichalis mij heeft verteld van zijn woeste kiezers. Ze zijn dapper en trouw en hebben opgehouden, onder elkander, zooals ze eertijds deden, bloedige gevechten te leveren; maar de politieke strijd neemt nog onder hen een zoo heftigen vorm aan, dat men zich midden in een barbaarsch land waant, zoodra de tijd der verkiezingen is genaderd. In hun wezen rebellisch, wars van alle gezag, verdragen ze slechts met moeite het stelsel van den verplichten militairen dienst, en de afstammelingen van die helden uit den vrijheidsoorlog hebben de grootste moeite, zich te schikken naar de tucht, hoe weldadig die ook zij, van het regiment. Met den geest nog vol van het heidensch bijgeloof, gelooven ze aan de godheden van de zee, aan die Nereïden, die hun holen en grotten bewonen, aan de orakelspreuken, door de rookende ingewanden van dieren gegeven, en als er een der hunnen sterft, laten ze nooit na, onder in zijn doodkist, met proviand voor de sombere reis, ook het kleine geldstukje te leggen, dat Charon van hen zal eischen aan den oever van de Styx.

Hun zeden hebben de oude zuiverheid behouden, en de deugd der vrouwen is enkel te vergelijken bij haar strenge schoonheid. De overspelige vrouw wordt gedood door haar man, en haar medeplichtige wordt door het volk met den dood gestraft. Wee dengene, die de vrouwen hier te nadrukkelijk aanziet, wee hem, die een jong meisje compromitteert! Hij moet haar onmiddellijk trouwen en als hij verdwijnt, zonder de zaak in het reine te brengen aan het eind van de enkele weken, die de gewoonte hem toestaat, is het met het ongelukkige kind gedaan, dat door de ouders koelbloedig wordt gedood, liever dan dat ze haar schande haar laten overleven. En zou men zich hier niet in de tijden van het oude Sparta terugdenken, als men de moeders gevoelloos en met wilde gebaren ziet in de tegenwoordigheid van de lijken van haar bij de vendetta's gedoode zoons, als die laatste niet in de borst zijn getroffen?

Als ik dan ook, na Pyrgos te zijn voorbij gereisd, in den laten namiddag aan de poorten van Areopolis kom, waar de geheele bevolking met den burgemeester aan het hoofd is samengeloopen, om mij welkom te heeten, en die brave lieden meen te moeten doen begrijpen, dat ik als een goed Franschman hun edel en trotsch karakter bewonder, dat ik een vijand ben van list en leugen, eindig ik mijn toespraakje, dat ik met behulp van het woordenboek zorgvuldig had voorbereid, met de geheiligde formule: "Evcharisto, adelphoi, zito Areopolis! Dank, broeders, en leve Areopolis!" Toen weerklonken er eindelooze kreten en toejuichingen, roode mutsen vlogen in de lucht, er werd geestdriftig in de handen geklapt, het kruit liet zich hooren, en de scherper stemmen van de vrouwen, die ik op mijn woord slechts tersluiks heb aangekeken, mengen zich onder die der mannen, en duizendmaal herhaald klinkt het vol enthousiasme: "Zito o Gallos, zito i Gallia! Leve de Franschman, leve Frankrijk!"

Men ziet, dat de afgevaardigde uit de streek, meer nog dan de minister van Binnenlandsche Zaken, het is geweest, die mijn doortocht heeft aangekondigd, want ik kan geen voet verzetten, zonder dat oogenblikkelijk een sympathiek gestemde menigte op mij toesnelt; men ziet mij nieuwsgierig aan; in de herberg, waar ik ben binnengegaan, om een glas ouzo, nationalen brandewijn, te drinken en eenige olijven te gebruiken, zie ik de kinderen lachen en elkander aanstooten, toen ik in uitstekend Grieksch om kafé kai loucoumia vraag, de geparfumeerde olijven, die lang niet zoo lekker zijn als die uit Konstantinopel.

Het is overal ongewoon druk; groepjes in feestkleedij verzamelen zich aan de deuren; de vrouwen hebben haar beste kleeding aangetrokken, haar boezelaars, met schitterende kleuren geborduurd, haar witte tunica's of de lange mantels zonder mouwen, die de armen laten zien en een gedeelte van de borst; ze hebben het hoofd bedekt met mutsjes, waar gouden versierselen op zijn aangebracht, meestal in penningen bestaande, op de borst dragen ze allerlei zilveren en koperen sieraden, en om den hals is een lange gazen sluier geslagen.

De mannen in de fustanella, schitterend van witheid, hebben hun crêmekleurig buis aangehouden en de pantoffels met de rozetten van blauwe wol, de vesten vol bonte arabesken en de gordels, waar degens en patroontasschen aan hangen; of wel ze hebben gele laarzen van leder aangedaan, met gouden figuren bestikt, die passen bij de versierselen van hun overkleed. Er wordt mij verteld, dat een notabele gisteren zijn dochter heeft uitgehuwelijkt; naar grieksche gewoonte is de pope laat in den avond aan het huis der bruid gekomen, waar een voorloopig altaar is opgericht; driemaal is de trouwring van de hand des bruidegoms aan die van het jonge meisje gestoken; ze hebben van hetzelfde brood gegeten en uit hetzelfde glas gedronken, om aan te duiden, dat voortaan alles voor hen gemeenschappelijk moet zijn, en, gekroond met oranjebloesem, zijn ze om het altaar heengegaan, gevolgd door de bruidsmeisjes en de bruidsjonkers, terwijl de priesters en de ouders, geknield in een kring, over de jonggehuwden de zegeningen des hemels hebben afgesmeekt. En de bevolking heeft aan het feest deelgenomen; ze is naar het hoogste deel der stad gegaan, waar er schapen voor hen geslacht zijn geworden en waar wijn en confituren zijn uitgedeeld; er is toen den geheelen nacht gedanst op de tonen van allerlei liederen.

Een rijstsoep, die nog al lekker is, olijven in pekel en een stuk rhalva, soort van honingkoek met saffraan en anijs, vormen het menu van het uitstekende maal, dat mij op een hoekje van een wankele tafel wordt voorgezet door een zeer mooi meisje van het land, wier haren, sierlijk in het midden gescheiden, op de schouders hangen. En dan word ik naar mijn kamer gebracht, ditmaal in het geheel niet van een bed voorzien, en waar dit meubel, dat men voor onontbeerlijk zou houden, is vervangen door wat stroo, op den grond uitgespreid. In mijn deken gewikkeld en doodop door de afschuwelijke duwen en stooten, waarop mijn muildier mij zoo ruimschoots had getracteerd op de plaatsen waar de wegen slecht waren, denk ik er slechts aan, nieuwe krachten in te zamelen, om even dapper als vandaag de groote vermoeienissen van morgen te verdragen.

Reeds om vier uur opgestaan, want ik moet ten einde des avonds in Sparta te zijn, vijftien uren per muildier rijden, verlaat ik het gastvrije plaatsje Areopolis, en terstond aan de zee den rug toekeerend, begin ik de hellingen van den Taygetos te bestijgen, waar een diepe insnijding mij een weg door zal banen naar Marathonisi. Voor de laatste maal groet ik het schoone land, dat mij zulke nieuwe en schoone indrukken heeft gegeven en verdwijn in de woeste kloof, waar ik afwisselend eikenboschjes tref, hooge rotsen aan steile afgronden, voetpaden, die nauwelijks te onderscheiden zijn in het rotspuin, en bergwanden, die wonderlijk mooi verlicht zijn en in trotsche majesteit verrijzen. Zoo bereik ik het dorp Karyopolis en zijn ellendige hutten, in het bergland verloren. De menschen hier loopen in lompen, en ik vraag mijzelven af, waar ze van leven op dezen grond, waar de bebouwbare lagen ver te zoeken zijn. Maar ik heb geen tijd, een economisch probleem te doorgronden; nog een paar inzinkingen en daar is de zee weer, daar is het dal van de Vardoenia en spoedig daarna Marathonisi.

Het is tien uur; ik neem, niet zonder eenige ontroering, afscheid van mijn braven gaïdoeri en mijn beide metgezellen, die natuurlijk bij de gewisselde handdrukken een toespraakje houden. En op een anderen muilezel, geleid door een nieuwen agoyaat, begeef ik mij enkele oogenblikken later weer op weg naar Sparta en het dal der Eurotas.

Gytheion vertoont op twee tweelingheuvels zijn wankelende stukken muur tot aan den rand van den weg, die nauw wordt ingesloten tusschen de zee en de bergen. Niet ver van daar springt een bron, waarvan het gemurmel over de steenen mij heerlijk toeschijnt. Het is in Griekenland zulk een zeldzaam schouwspel, dat ik er mij een poosje ophoud, om mijn door de heete middagzon gloeiend hoofd af te koelen, terwijl de agoyaat een rietstengel afsnijdt, om er een fluitje van te maken. Dan volgt het in puin liggende fort Khaki-Skala, en dan begint de weg de hellingen van den Taygetos te bestijgen, namelijk het voorgebergte Vardoeno Khoria, waar de Eurotas, die uit de vlakte van Sparta komt, zich een weg doorheen moet banen.

Weldra onttrekt een eerste pas Marathonisi aan ons oog en we gaan verder met stijgen door boschrijk bergland, van waar de vlakte van Helos te overzien is en waar Cytherae zich aan den zuidelijken horizon vertoont. Nog een laatste stijging, en bij het dorp Levetzova begint de daling naar de vlakte van Sparta, die daar voor mij ligt in een goudgeel waas van rieten daken. Een rij laurieren en platanen wijst den loop van de Eurotas aan, die hier en daar fonkelend straalt langs den prachtigen muur van den Parnon, terwijl de hooge keten van den Taygetos zijn reeks van indrukwekkende toppen tegen de lucht afteekent.

Hoewel de zon snel begint te dalen, is het in de diepte van de kom ondragelijk warm; de bleeke olijven, de vijgeboomen en de moerbeiboomen met hun donker groen, dat ongelukkig onder een laag stof schuil gaat, de oranje- en citroenboomen, met gouden vruchten beladen, omringen de velden, waar reeds het zaaisel voor het volgend jaar is uitgestrooid. Dit is Laconië, een mooie en rijke provincie met veel landbouw, waar sierlijke dorpen zich in het groen verbergen en op den achtergrond waarvan zich in den vallenden avond achter de acropolis van Amyclae de heuvels van Sparta in flauwe omtrekken vertoonen, waar ik eindelijk om acht uur in den avond aankom, uitgeput van warmte en vermoeienis.