Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 3

Chapter 33,953 wordsPublic domain

Een honigkoek van den Hymettus vormde het dessert. Ik herinner mij, dat toen ik in de eerste tijden van mijn verblijf te Athene naar de zoo zuivere lijnen van dien berg keek, waar zoo weinig plantengroei te zien was als in de oneindige woestijn, dat ik toen verbaasd mijzelven afvroeg, wat er voor de bijen wel te halen mocht zijn op die verlaten hoogten, waar de wandelaar slechts naakte rotsen ziet zonder eenige struik of bloem. Ik zocht al sedert lang naar de oplossing van dat raadsel, toen ik in een gesprek toevallig hoorde, dat die beroemde honig eenvoudig perenstroop was, waar de bijen niets of zoo goed als niets mee te maken hadden. Maar ik wil liever blijven gelooven, dat de Hymettus van de Oudheid werkelijk bloemrijk was en dat de bijen er een ruimen oogst van suikerhoudend sap konden vinden, want anders zouden de dichters, die den berg hebben bezongen, en wat zijn ze talrijk geweest, hun verbeelding de perken te buiten hebben laten gaan.

Terwijl ik mijn maal besluit, nieuwsgierig aangekeken door het kind van den huize, dat met de beide handen op den rug vóór mij bleef staan met wijd geopende oogen, zijn er nog een paar liefhebbers van de bruine soep binnen gekomen en jagen de vogels weg, die puffend van de hitte, een schuilplaats zijn komen zoeken onder de wankele tafeltjes. Er komt geen geluid van buiten, behalve nu en dan een ongeduldigen voetstap van een der paarden van mijn rijtuig, door een beest gestoken; de stoffige weg brandt, en op het veld schroeien enkele magere grassprietjes. Wat zal het hier zijn in den tijd van hoogsten zonnestand, als het in de lente er reeds niet is uit te houden van de hitte als in een fornuis?

Vastbesloten, mij niet door de indolentie te laten overweldigen, geef ik mijn koetsier een wenk, die al brommend, want het is middag en dus het uur van rust, met zijn span het brok muur verlaat, waarachter hij wat schaduw had gezocht. En weer zijn we op weg naar Mycene.

Pas zijn we de laatste huizen van Kharvati voorbij, of de weg loopt door een kloof van indrukwekkende schoonheid. We hebben rechts van ons een diep ravijn met de ruïnen van een brug uit den Cyclopentijd, terwijl rondom ons hooge, steile rotsen zich verheffen, zoo steil, dat ze onmogelijk op hun hellingen genoeg aarde kunnen vasthouden, om nog zoo'n kleinen boom te kunnen voeden. Daar vertoonen zich veel grijze steenen en puin en iets wat op fondamenten gelijkt. Het zijn de ruïnen van de eigenlijke stad, die in het smalle dal zich uitstrekte, waar ik nu ben. De stad werd verdedigd door een lijn van muren, waarvan nog overblijfselen te zien zijn op de bergen links en langs het verdroogde riviertje. Op den achtergrond, tegen den berg geleund, in een echten kring van rotsen, aanschouw ik eindelijk de vervloekte stad, rood in het licht der ondergaande zon.

Dit tooneel van de duistere heldendaden van het geslacht der Atriden heeft wel een decoratie, die erbij past, en denkend aan de verschrikkelijke drama's, hier afgespeeld, herinner ik mij plotseling, bij Edmond About te hebben gelezen, dat hij diep was getroffen geweest door de overeenkomst, bestaande tusschen het stroeve karakter van de woeste streek en de herinneringen, die rondwaren op deze plaatsen van sombere verschrikking.

Sedert de geruchtmakende opgravingen van den heer Schliemann dertig jaren geleden, is de aandacht der archeologische wereld meer en meer op Mycene gevestigd geworden, op de goudstad, zooals Homerus haar noemde. Men heeft zoo goed losgemaakt wat er restte van de bouwwerken der acropolis, dat de toeschouwer zich werkelijk een zeer heldere voorstelling kan maken van het leven in die lang vervlogen tijden. Ziehier eerst de prachtige cyclopenmuren, gemaakt van enorme blokken van meer dan een kubieken meter, en op elkander gestapeld tot een hoogte van zes meter. Ze omringen met hun imposante massa de beroemde Leeuwenpoort, met den driehoekigen steen, waarop ruw twee leeuwinnen zijn gehouwen, die tegenover elkaar op een zuil leunen. Daardoor treedt men de vesting binnen.

Terstond begeef ik mij naar de agora, een cirkelvormig terrein met nog de concentrische rijen steenen banken, waar de leden van den raad der grijsaards plaats namen, die zoo dikwijls in de Ilias worden genoemd, en onder welks grond de graven zijn ontdekt. De weduwe van den heer Schliemann, die ik persoonlijk te Athene heb gekend, was nog diep ontroerd, toen ze mij van die opgraving vertelde. Toen de deksels der sarcophagen werden opgelicht, zag men geraamten, geheel bedekt met bladgoud, maskers van goud om de schedels, gebeeldhouwde rustingen, sieraden van de fijnste bewerking, schitterende diademen, en er ging een gevoel van onbeschrijfelijke geestdrift door de aanwezigen. Mocht men niet bezweren, dat men in de tegenwoordigheid was van de graven van Agamemnon en zijn lotgenooten in het ongeluk, volgens de overlevering in de acropolis begraven? Die hypothese heeft veel voor, en al zou ze worden betwist, toch blijft het gewicht van deze mooie ontdekking even groot en maakt van de zaal van Mycene in het museum te Athene een der schitterendste archeologische verzamelingen uit Europa.

Over de treden van een monumentale trap aan den ingang van het paleis van den koning der koningen, betreed ik een ruimte, waar nog de resten van een ronden haard zijn te zien. In deze ruimten zijn de bloedige tragedies afgespeeld, die door niets in gruwelijkheid kunnen worden overtroffen en die mij op dit oogenblik met aangrijpende duidelijkheid voor den geest komen. Met het hoofd vol oude homerische herinneringen, vermengd met gedachten aan mijn schooljaren, ga ik weer door de Leeuwenpoort, begeerig om nog, eer ik Mycene verlaat, de koepelgraven te zien, die buiten de vesting zijn opgericht, waarvan er een, naar men zegt, het lijk van Clytemnestra bevatte, die niet waardig werd gekeurd, om te rusten binnen de omheining, die door haar was onteerd.

Wat vaststaat is, dat die koninklijke graven, die in de nabijheid zijn aangelegd, van veel later datum zijn dan die uit de acropolis. Het merkwaardigste er onder, bekend onder den naam van den Schat van Atreus, is naar het zeggen van de aanvallers van den heer Schliemann niet anders dan het echte graf van Agamemnon. Het is ver van mij, partij te willen kiezen in deze oudheidkundige vraag, die niet tot mijn competentie behoort, en waarvan de oplossing in den eenen of den anderen zin niet toe of af doet tot het zeer wezenlijke belang van dit grafmonument. Een mooie laan, geopend langs de helling van den berg en door muren omringd, geleidt naar de poort van de onderaardsche ruimte; zoodra ik die ben doorgegaan, bevind ik mij in een prachtige zaal in den vorm van een bijenkorf, twaalf tot vijftien meter hoog en verwonderlijk goed onderhouden. De steenen, die op elkaar waren gezet, zijn daarna uitgehold, tot men de gewenschte bocht kreeg, en vervolgens werden in de openingen tusschen de steenen een zeker aantal kleine, spitse steenen gestoken, om aan het geheel de noodige stevigheid te schenken. Thans bestaat dit bouwwerk bijna drie duizend jaren, en ik weet niet, dat het ooit een reparatie heeft noodig gehad. Zou men hetzelfde kunnen zeggen van de gewelven onzer kathedralen of van andere bouwwerken, die nog moderner zijn en die zoo dikwijls verscholen zijn achter steigers, voor den teleurgestelden toerist het eenige, wat hij te zien krijgt?

Een tweede zaal, kleiner en lager, eenvoudig in de rots uitgehouwen en totaal donker, diende als grafkamer, terwijl de groote, die rijk versierd was, de offeranden bevatte, alsook de wapens en de sieraden van den doode. Juist dezelfde schikking vindt men terug in een ander van die koepelgraven, op enkele minuten afstands van het zooeven beschrevene en dat gewoonlijk het graf van Clytemnestra wordt genoemd, veel minder goed bewaard dan het eerste, en waar men slechts vrij onbeduidende voorwerpen in heeft aangetroffen.

Ik ben nu aan het einde van het bezoek aan deze in nevelen gehulde en prehistorische stad; nog eenmaal omvat ik met den blik alle steile rotsen met hun vergeeld gras. Overal vertoont het zaaisel zijn kracht in enkele donkergroene plekken; groote uitgestrektheden katoenboomen en korenvelden, die al goudkleurig zijn, wisselen af met tabaksvelden; de citadel van Argos steekt in de vlakte vooruit op haar rotskaap; de cyclopische massa van Tirrhyns springt alleen naar voren uit de gele velden, en heel in de verte ziet men Nauplia en zijn witte huizen, met schaduw overtogen door de rots van Palamedes, die, van hier uit gezien, door de steile helling gelijkt op de rots van Gibraltar, en eindelijk in de verte de blauwe golf, waar lichte zeilen zich op vertoonen.

De weg is stoffig, en de hagen aan de zijden zijn geheel wit; op de velden is het druk, want het oogenblik is reeds gekomen, waarop haver en rogge moeten geoogst. Boerinnen gaan voorbij met de kruik van roode aarde op den schouder; de sierlijke beweging van den arm, die lichtelijk is gebogen, doet de vormen van haar lichaam onder de lichte bedekking goed uitkomen. Met haar korte rokjes en op de bloote voeten, gaan ze drinken brengen aan de arbeiders op het land, lachend om het stof, dat ze opjagen en om den wind, die in de laatste oogenblikken heviger is geworden en die haar loop vertraagt en haar in het gezicht striemt. "Wees welkom onder ons", zoo roept mij een der vrouwen toe met haar helderen blik, "en kom eens kijken naar het werk der boeren van Argos!"

Er is daar juist een groep mannen bezig niet ver van den weg; het is nog niet laat genoeg op den namiddag, om te weigeren aan die onverwachte uitnoodiging te voldoen. Men komt om het rijtuig heen staan, er worden mij warme en vochtige handen toegestoken en daar ben ik onder de boeren verzeild, die vertrouwelijk en goedig zijn te midden van de rijpe aren op den grond. Ze hebben hier een eigenaardige manier van dorschen; ik had reeds opgemerkt, dat er langs den weg op geregelde afstanden ronde, ruw geplaveide plekken waren, en ik vroeg mijzelven af, waar die wel voor mochten dienen. Ik kreeg spoedig een antwoord, toen ik mijn vrienden aan het werk zag.

Zoodra de halmen zijn afgesneden, gewoonlijk met de sikkel, brengen kinderen ze naar den dorschvloer, waar ze worden uitgespreid. Twee paarden, gespannen voor een soort van houten kist vol steenen, waarop, ten einde het gewicht te vermeerderen en ook voor amusement, jongens en meisjes zijn gezeten, loopen aanhoudend in een kring rond en dorschen het graan. Als die bewerking is afgeloopen moet men, eer een nieuwe voorraad koren op den vloer wordt gebracht, het graan zuiveren van de onreinheden. Om dat te doen werpen vrouwen, voorzien van een soort van houten schoppen, het koren omhoog in den wind, en weldra zijn er twee hoopen gevormd, de eene van het kaf, dat eraf is gevlogen en een andere van het zwaardere, in de buurt gevallen graan. Het is een bewerking, die te verdedigen is, als de wind niet te hevig is, maar als er een frissche bries waait zooals nu, bespeur ik, dat een aanzienlijke hoeveelheid wegvliegt en dat de menschen op die wijze een goed deel van hun oogst verliezen. Als men bedenkt, dat ondanks de uitstekende hoedanigheid van sommige gronden in Griekenland de opbrengst lang niet is, wat ze moest wezen, door de zorgeloosheid en de weinige geldelijke hulpmiddelen, waardoor de boeren er niet toe komen hun gronden te verbeteren, dan kan men nagaan, wat ervan terechtkomt na zulk een weinig rationeele behandeling.

Maar de tijd is gevorderd onder deze overdenkingen; Argos is thans vlakbij. Daar verrijst de kegelvormige berg van Larissa; de wind doet van het witte klooster Panaghia op de helling klokketonen tot mij overkomen, aankondigend, dat Christus is opgestaan, terwijl hooger op den berg een frankisch kasteel in puin zijn vervallen kanteelen toont. Aarden muren, gelijk aan die uit de oasen van Soedan, dragen platte daken of terrassen. De café's uit de hoofdstraat zijn vol menschen; boeren uit de vlakte en zelfs uit het binnenland van den Peloponnesus doen er zaken, en daar ze allen nog al heftig zijn, gaat het er luidruchtig toe. Maar het is gelukkig veel geraas en weinig wol, en de vuile politieagent, die in zijn blauwe uniform rondwandelt, kijkt zelfs niet om, als er aan zijn oor scherpe woorden klinken. Hij weet wel, dat ze naar alle waarschijnlijkheid geen gevolgen zullen hebben en dat er altijd nog wel tijd zal wezen, om, als het noodig wordt, een mooi verzoeningsspeechje te houden.

De eerbied van den Griek voor woorden is slechts te vergelijken met zijn liefde voor de mooie geste; de zinnen van het gewoonste gesprek gaan bij hem altijd gepaard met betoogingen door handen of armen; maar als hij in een twistgesprek is of zijn belang moet verdedigen, stijgt die hartstocht voor bewegingen tot het hoogste; het lichaam wordt voorover gebogen, de oogen puilen uit hun kassen, en men gaat meenen, dat er een vuistgevecht ophanden is, terwijl een seconde later alles tot de grootste kalmte is teruggekeerd. De opwinding heeft een gewonen uitweg gevonden.

Veel van die vermakelijke tooneelen doen zich voor terwijl ik door Argos loop, dat nu wel zeer vervallen is van zijn vroegere grootheid. Een alleenstaand gebouw, de schouwburg, die aan de stad door de Romeinen werd geschonken, is het eenig overblijfsel, dat herinnert aan de rol, die de stad heeft gespeeld. Op de halfvergane treden van dien schouwburg werd indertijd de eerste vergadering gehouden, toen in den vrijheidsoorlog het nieuwe koninkrijk gesticht was. Verschanst in de acropolis, hield Ypsilanti roemrijk stand tegen het turksche leger, en dat verscheiden dagen achtereen. Argos bewaart die kostbare herinneringen uit het mooiste gedeelte van de moderne grieksche geschiedenis als iets kostbaars, en de ligging der stad te midden van een vruchtbare streek in de nabijheid der zee moet haar een waarborg zijn, dat er weer tijden van voorspoed zullen volgen.

De bergen werpen reeds groote schaduwen over de vlakte, die ik nu in de volle breedte moet oversteken, om van Argos naar Tirrhyns te gaan. Twee vermolmde houten bruggen zijn over de bedding der Charadros geslagen en over die van de Inachos, waar nog een weinig water in is om dezen tijd van het jaar. Dan passeeren we windmolens, die luidruchtig draaien met hun groote wieken en gescheurde zeilen. Die bouwsels schijnen dan toch te zeggen, dat de boeren hun oogst niet naar de vier windstreken laten vliegen! Weldra houdt het rijtuig stil onder het afdak van een kleine khani; ik ben aan den voet van de acropolis van Tirrhyns.

Deze hoogte, alleen staand te midden van de velden en zich niet hoog boven de vlakte verheffend, ziet er niet zeer indrukwekkend uit. En toch was het volgens, de legende hier, dat Menelaus al zijn huiselijk leed ervoer. Terwijl ik door de bouwvallen dwaal, door de ruimten, waar het huisaltaar stond, waar de slaven en bedienden woonden in dat oude tijdperk van primitieve grootheid, moet ik mijzelven afvragen, hoe de menschen zulke kolossale steenen omhoog hebben kunnen krijgen, door welke hulpmiddelen zij ze op elkander hebben kunnen stapelen, en ik ben verstomd van bewondering en verbazing.

De wind blaast door de spleten van de steenen en schudt de boompjes, die met hun groene takken de resten overdekken van een voor altijd ondergegane beschaving. Mycene rechts van mij is in den nevel bijna niet te onderscheiden; de citadel van Argos vóór mij, die van Nauplia links zullen alleen worden verlicht door de laatste stralen van de ondergaande zon, die achter de bergen verdwijnt; een gevoel van onbestemde somberheid en melancholie vervult mijn gemoed; het is of het gehuil van den wind een klaagtoon is van al, wat hier gestorven is in den loop der eeuwen. Het is mij, of de grootsche stem der natuur protesteert tegen de tegenwoordigheid van den vreemde hier in deze doodenstad van reuzen, wier eeuwigen slaap men niet moet storen. Ik haast mij om uit dit neerdrukkende groote verleden weer voeling te krijgen met mijn tijdgenooten, en met een echt kinderlijke vreugde hervind ik in de khani den trouwen amaxa, die mij terug zal brengen naar Nauplia.

Een officiëele landbouwschool, gesticht door Capo d'Istria, die hier goed ter plaatse is te midden van de vruchtbare alluviale landerijen, ligt aan onzen weg. Ik wenschte voor Griekenland, dat men erin slagen mocht, geslachten van kundige boeren er te kweeken, die voor goed zouden breken met de verouderde methoden, waar ik staaltjes van heb gezien. Maar ik durf het niet vast te gelooven; de school bestaat al meer dan zeventig jaren en ik vraag mij af, welk onderwijs de leerlingen, die er zijn opgeleid hebben genoten en hoe ze het in practijk hebben gebracht.

Nu komen de moerassige terreinen, grenzend aan de diepte van de Golf; de weg, omzoomd met mooie platanen, loopt langs de zee; Nauplia, in verdiepingen opgestapeld op de rotsen van den heuvel Itsch-Kalé, kijkt in de vlakte van Argos; hoorngeschal klinkt uit het fort Palamedes, dat, half gevangenis, half kazerne, als een zwaar blok boven ons hangt. Wij gaan door den ringmuur der stad en dan door een doolhof van straatjes, vol modderpoelen, waar mijn rijtuig met totalen ondergang wordt bedreigd en bereiken eindelijk de haven en het vreemdelingenhotel. Uit de vensters van de eetzaal bespeur ik de Golf, welker water nu paars is, terwijl een lichtrose tintje nog op de bergen hangt van Arcadië. De wind is bijna geheel gaan liggen, en de laatste booten met witte en roode zeilen van verschillenden vorm, komen de eene na de andere aanleggen aan de kade, waar reeds, in afwachting van den nachtdienst van Paschen, de heele wereld van Nauplia tusschen de blauwe uniformen der officieren van het garnizoen heen en weer wandelt.

En terwijl ik mij vermaak met de gezellige drukte, merk ik op, dat de mannen in het algemeen, voor zoo ver ze tot het volk behooren, de roode fez dragen en de lage muilen. Er zitten er ook naast mij, die kalm de narghilé rooken, die hun wordt gebracht geheel klaar, zooals men in Europa de vertering brengt; anderen laten met de oogen in het vage de grove kralen van den rozenkrans door de vingers glijden, die in het Oosten zoo algemeen is, en welke machinale beweging meer een tijdverdrijf schijnt dan een werkelijk gebed.

De nacht is warm en helder; de klok van een kerk begint te luiden met versnelden pas; daar antwoorden andere met scherper of doffer klanken, en het is een vreemde cacophonie, waarin zich zoo nu en dan de zware tonen mengen van het carillon der kathedraal. Christus is opgestaan, en de menigte vult de kerken. Ik ging binnen in die van den Heiligen Geest, waar Capo d'Istria verraderlijk werd vermoord en maakte, als iedereen, het teeken des kruises met de aaneengesloten drie voorste vingers van de rechterhand, achtereenvolgens gebracht naar het voorhoofd en naar de borst ter rechter en ter linker zijde. Het heilige is als in alle byzantijnsche kerken gescheiden van het overige gebouw door een wand, bedekt met vrome platen, die door de geloovigen worden gekust onder aanhoudend maken van het teeken des kruises; in het midden staat het altaar, overgoten van licht en zichtbaar door een getraliede poort. De koorzangers zingen psalmen zonder begeleiding; ze zijn als de priesters in een lang zwart gewaad gekleed met hoog opgestoken haren onder de hooge cylindrische muts.

Maar daar komt de priester in zijn met goud geborduurd misgewaad; zijn lange baard en zijn spierwitte haren omringen het patriarchengelaat met de zachte en toch mannelijke trekken; hij zingt langzaam enkele woorden, en de menigte knielt met het gelaat tot den grond gebogen. Toen, terwijl het koor een litanie begint, die mij treft door haar grootschheid, worden de kaarsen aangestoken in de handen der geloovigen; daarboven in den toren worden de klokken heftig bewogen; dit is het plechtige oogenblik; de deur van het koor wordt geopend, de pope verschijnt in al zijn waardigheid met een gevolg van geestelijken op den drempel: "Broeders," zegt hij met bevende stem, "Christus is opgestaan, Christos anesti!" Dadelijk vallen de geloovigen elkander in de armen en kussen elkaar op het voorhoofd, terwijl ze met het koor meezingen het Paaschhalleluja. Buiten maken de voetzoekers lawaai, vensters worden met bengaalsch vuur verlicht, en de vreugde zal den ganschen nacht duren.

Die kreet van "Christos anesti", die door heel Griekenland vandaag weerklinkt, wekt mij vroolijk te Nauplia, zoodra deze mooie Paaschmorgen is aangebroken. De kellner van het hotel heeft terstond behoefte, zijn geestdrift te uiten. De menschen omhelzen elkaar allen onder de begroeting met dezelfde formule.

Een officier uit Athene had mij een brief van aanbeveling meegegeven voor een van zijn kameraden te Nauplia, opdat ik toegang zou kunnen krijgen tot de kazerne en de traditioneele Paaschfeestelijkheden zou kunnen bijwonen. Eer ik mij naar hem toe begaf, werp ik een blik op den obelisk aan de haven, opgericht ter herinnering aan den daadwerkelijken steun, dien Frankrijk aan Griekenland verleende in de epische tijden van den vrijheidsoorlog. Het moge waar wezen, dat de Grieken babbelachtig en oppervlakig zijn, ik merk toch met genoegen op, dat ze niet vergeten, en dat ze in hun geheugen de namen bewaren van een Fabvier en een Maison. En nadat ik dan door de breede, goed geplaveide straat heb geloopen met de rijen mooie platanen, kom ik in een labyrinth van nauwe straten, waar uithangborden met gevleugelde leeuwen aan de venetiaansche overheersching herinneren, terwijl een huis met een door sierlijk traliewerk afgesloten balkon de turksche regeering voor den geest roept.

Het fort Palamedes, dat ik natuurlijk moest bestijgen, is alleen toegankelijk van den kant der stad. Een duizendtal treden, in de rots gehouwen tusschen cactusstruiken door, voeren naar de wallen der citadel. Van een torentje uit, dat letterlijk over de huizen van Nauplia heen hangt, bewonder ik een oogenblik het prachtig panorama aan mijn voeten. Op het binnenplein der kazerne dansen de soldaten, en het feestrumoer der stad klinkt tot hier door. Daarachter het schiereiland Itsch-Kalé, dat de haven beschermt tegen den zeewind. Door de plechtigheid van het Paaschfeest ben ik verhinderd geworden, om de noodige stappen te doen ter verkrijging van de machtiging tot een bezoek aan de citadel; niet, dat ze zoo ingewikkeld zijn, maar de plaatsbureau's waren dezen morgen verlaten, en ik heb den dienstdoenden officier niet te spreken kunnen krijgen. Ik bekijk het kasteel dus van den buitenkant. Het is door de Franken gebouwd, versterkt door de Venetianen en voorzien van zeven redoutes, waarvan twee de onverwachte namen dragen van Miltiades en Themistocles. Mijn blikken bleven lang hangen aan de duizelingwekkende steilten, afdalend naar de zee, waar in de diepte het eiland Spezzia lag, terwijl tegenover mij Arcadië gloeide in de zon en rechts de groene vlakte van Argos zich ontrolde naar de dorre eenzaamheid van Mycene.

Eindelijk begaf ik mij naar beneden en vond in de kazerne de officieren en de soldaten nog bezig met de toebereidselen van het Paaschmaal. Er brandden op het plein groote vuren, waar lammeren in hun geheel op werden gebraden. Een groote stok, door hun lichaam gestoken, rustte op twee kruiselings staande stokken, geplant in de aarde aan weerszijden van het vuur, en een soldaat deelde aan het primitieve toestel een zacht draaiende beweging mee, terwijl de anderen hem aanmoedigden met gezang, en met welbehagen onderwijl de geuren opsnoven van het gebraad. De tafels zijn klaargezet onder groene priëelen, waar aanstonds de maaltijd zal beginnen. Behalve het lamsvleesch, het hoofdgerecht, bestaat het menu uit harde eieren, brood en sinaasappelen, alles besproeid met den harsachtigen wijn, waarvan ik zonder smaak een glas drink op de gezondheid der soldaten. De officieren meenen zeker, dat ik dien drank afschuwelijk moet vinden, maar ze kunnen op mijn gezicht geen enkel teeken van afkeuring lezen, en ze lachen er om op een manier, die mij niet weinig amuseert.