Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 2

Chapter 23,975 wordsPublic domain

Deze manier van reizen, waarmee ik reeds kennis had gemaakt het vorig jaar in het vastelandsche Griekenland, is al bijzonder ongemakkelijk. Men stelle zich een zadel voor, dat in sommige opzichten gelijkt op het toestel, dat voor de circuspaarden in gebruik is, maar dan minder vlak, bestaande uit een samenstel van stukken gebogen hout, die, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, het lichaam van het muildier omsluiten, met een duidelijke helling van den hals naar achteren. De breedte is zoo groot, dat de beenen buitengewoon ver van elkander zijn, wat op den duur lastig wordt; men zit op een roode deken van grof weefsel en steunt de handen op de beide steunende handvatsels, die bevestigd zijn aan den boog van het zadel boven den hals van het paard, de voeten rusten in strikken van touw, die stijgbeugels verbeelden, en zoo laat men zich schudden over de slechte wegen op het martelinstrument en naar het welgevallen van een dier, dat nooit zich erin schikt ergens te loopen, waar het niet verkiest te gaan. Ik kan zonder overdrijving zeggen, dat twee uren van zulk rijden voldoende zijn om iemands ribben te breken. Hoe is het mij gelukt, het tien en zelfs vijftien uren achtereen vol te houden? Dat zijn inderdaad heldendaden geweest, die voor de stevigheid van mijn organisme pleiten.

Na een uur stijgens over een in de rots uitgehouwen weg, langs weinig geruststellende afgronden, kom ik, zonder dat het uitzicht mij is benomen door een enkelen boom, die dien naam verdient, op het plateau, dat ter hoogte van bijna zeshonderd meter boven de zee de zonderlingste opeenhooping van gebouwen draagt, die ik ooit heb gezien. Dat komt doordat sinds de vroegste tijden tot de gedenkwaardige gevechten van den vrijheidsoorlog dit plateau beurtelings tot schuilplaats heeft gediend voor de Pelasgen, de Franken, de Venetianen en de Turken.

Er is daar een ware chaos van ruïnen uit allerlei tijden; venetiaansche muren, tegenwoordig nog in zeer goeden staat, staan naast overblijfselen van christelijke kerken, opgericht in de oudste tijden van het christendom met de materialen van de heidensche tempels. Iets verder vindt men de versterkingen van den Islam, fondamenten van paleizen en moskeeën, op hun beurt gebouwd van antieke resten uit de christenkerken. Ik ga voorbij de beroemde fontein, waarop Bellerophon Pegasus aangrijpt; die later alle leidingen vulde, nu half verstopt, die men overal ontmoet binnen de muren van de vesting. Van hoeveel woelingen en omwentelingen verhalen aldus de steenen, die getuigen waren van zooveel plechtigheden, zooveel losbandigheid ook en mogelijk deel hadden aan zooveel heldendaden! En daar te midden van de ruïnen, die, om zoo te zeggen, de ver teruggeweken eeuwen grijpbaar maken, doet zich plotseling een tooneel uit het moderne Griekenland aan mij voor. Een oude vrouw zie ik, gekleed in den langen witten mantel zonder mouwen, die veel gelijkt op dien, welken de montenegrijnsche vrouwen dragen, een doek over het hoofd, het benedengelaat op zijn Turksch gesluierd; zij trekt een ezel aan een touw, die een kleinen voorraad hout voor haar draagt. De oogst is zoo gering, want er zijn haast geen boomen hier, en de vrouw schijnt in de algemeene verlatenheid al even arm als het land dat ze moet bewonen. Dat treffende beeld van de economische moeilijkheden van het moderne Griekenland, waarop ik nog van tijd tot tijd zal moeten terugkomen, voegt zich bij de vorige indrukken en in vrij melancholieke stemming hijsch ik mij van steen tot steen omhoog tot het hoogste punt van de acropolis.

De ligging van den Akrokorinth tusschen twee zeeën op den drempel van den Peloponnesus en op de grenzen van het vastelandsche Griekenland maakt, dat men van de hoogte daar een wonderlijk feëriek schouwspel geniet. Aan mijn voeten de witte vlakte, waarop in een wolk van stof het oude en het nieuwe Korinthe liggen; hier en daar enkele groene plekken, olijvenbosschen of wijngaarden, de smalsporige lijn van den ijzeren weg, die aan den eenen kant naar Kalamata en aan den anderen naar Patras gaat, dan de blauwe wateren van de beide golven, gescheiden door den gelen drempel van de landengte, en verder de rechte lijn van het kanaal, dat die laatste doorsnijdt. Meer op den achtergrond de bergen van Phocis, Boeotië en Dorië, de Kitheron, de Helicon en de top van den Parnassus, die om dezen tijd nog wit is en dien ik reeds heb bezocht bij mijn tocht naar Delphi, zoodat ik hem een vriendschappelijken groet van herkenning toezend.

Naar het Oosten de Saronische Golf en de Aegeïsche Zee, bezaaid met eilanden, die nu door de naar den kant van Patras dalende zon met licht worden overgoten; ze rijzen uit zee in een feest van stralenden glans, kaal en dor, maar in zoo zuivere lijnen en zoo sober, dat ze bij die ongeloofelijke helderheid der atmosfeer een uitstraling schijnen der schoonheid zelve. Daar is Aegina, herkenbaar aan den kegelvormigen top, Salamis, dat den ingang afsluit van de baai van Eleusis en gedeeltelijk met het vasteland samenhangt. Boven de kale bergen van het eiland zie ik de bekende Pentelische hoogten; ik kan de wittere plekken onderscheiden van de schitterende marmeren gebouwen van de acropolis van Athene en de bontheid van de kapel van den Lycabettus; de kust van Attica rekt zich als een eindeloos voorgebergte naar den kant van Azië, naar die nog niet bevrijde deelen van de helleensche wereld, die in den vuurtoren van kaap Sunium een baken kunnen zien, dat hun vertrouwen in de toekomst geeft, omdat hij den reeds vrijen grond van het vaderland aanwijst. Achter mij verrijzen in onrustige gelederen de bergen van den Peloponnesus, de hoogten van Argos, die ik morgen zal bereizen, die van Achaja en Arkadië, door tallooze dalen doorsneden, die al donker zijn, en heel in de verte de grootsche bergen van den Taygetos en den Erymanthos, waar de blik wordt gestuit.

Intusschen is mijn agoyaat gekomen; hij raakt mijn schouder aan, en mij wijzend op de ondergaande zon aan den horizon, tracht hij mij te doen begrijpen onder een dolzinnig gelach, dat het hem noodig schijnt om het voorbeeld van rust te volgen. En inderdaad het is drie uur en ik wil nog, eer ik naar Korinthe terugkeer, een blik werpen op de oude necropolis. "Embros, vooruit!" zeg ik tot mijn gezel, en daar zijn we weer te midden van de waggelende steenen, waarboven de wind klagelijk door de toppen van armelijke dennen suist. Weldra is de laatste muur gepasseerd; daar is de weg weer met de rollende steenen, die nog lastiger zal wezen bij het dalen, dan hij reeds was bij het stijgen; ieder oogenblik glijdt mijn ezel met de vier pooten uit op een al te gladden steen, en ondanks al, wat men mij heeft gezegd te Athene over de vertrouwdheid van die dieren, meet ik met al grooter wordende ongerustheid bij elken misstap de diepte van den afgrond, waarlangs we rijden en waarin ik mijzelven al zie neerstorten.

Maar aan alle ellende komt een einde; een uur later hebben we het rijtuig weer bereikt, dat te Palaeo-Korinthos op mij had gewacht en dat mij over Hexamilia en Isthmia naar Korinthe moet terugvoeren. Ik zeg mijn muilezel vaarwel en groet den geleider, na aan dien laatste in de herberg een glas raki te hebben gepresenteerd, een soort van brandewijn, die heel uit de verte aan onze anisette herinnert, maar veel sterker is en minder lekker. Men gebruikt dien drank met een paar olijven in olie, en hij is ten minste eenigszins drinkbaar. Dat kan ik tot mijn spijt niet zeggen van de afschuwelijke brouwsels, die men mij nu en dan in den loop van mijn reis heeft voorgezet. De raki was dan in die moeilijke omstandigheden, als ik vóór alles zorg moest dragen de gevoeligheid van de brave lieden niet te kwetsen, een uitkomst, de gemakkelijke drank, die mij altijd in staat stelde mijn glas te ledigen op de gezondheid van mijn gastheeren en op de glorie van Hellas.

Een oogenblik later rijd ik naar Hexamilia, een ellendig gehucht, dat men bereikt na den spoorweg te zijn overgegaan, die van Nauplia in de laatste jaren voortgezet is door den geheelen Peloponnesus tot Sparta en Kalamata. Op een der heuvels, die zich in grooten getale rechts en links van mijn weg verheffen, rijst op vier palen een landelijk hutje hoog boven den grond. Het dient om de herders voor de barheid van het weder te beschutten en maakt den indruk van een dier primitieve constructies, bedacht door de inboorlingen van Centraal-Afrika, om zich voor nachtelijke aanvallen van wilde dieren onbereikbaar te maken.

De velden langs den weg bevatten alle graven, waarin men zooveel van die mooie aardewerkfiguurtjes heeft gevonden, die bij ons onder den naam Tanagrabeeldjes bekend zijn; er is geen wijngaard, geen stuk gronds, waar men niet van die uitgegraven plekken ziet en dat wel over een afstand van bijna tien kilometer tot aan de plaats der oude isthmische spelen, die alle drie jaren werden gehouden in den tijd der korinthische grootheid, binnen de groote heiligdommen van Poseidon. Ongelukkig is mijn archeologische kennis gering en een beetje verward, wat mij niet belet, belang te stellen in die ingestorte tempeldeelen en die resten van theaters, die zelf al lang verdwenen zijn onder venetiaansche bouwwerken en turksche, op hun beurt weggevaagd. In de verte zie ik de plaats, waar de haven Kenkhreus lag aan de Sardonische Golf, oudtijds vereenigd met die van Lechaion achter in de golf van Lepanto door een vernuftig stelsel van houten rails, waarover men de booten kon laten glijden, die de landengte wilden passeeren. De scheepvaart in het moderne kanaal moge vol hinderlagen wezen, ze is dan toch een vooruitgang op die manier van vervoer, al ontbrak daar geen verrassende originaliteit aan.

Het was bijna geheel avond geworden toen ik te Korinthe aankwam, dat op dezen dag vol hing met reukjes van uien en gebak, vermengd met allerlei nog minder aangename geuren. De orthodoxe vasten is inderdaad zeer streng en wordt over het algemeen trouw in acht genomen, niet enkel in de weken, die aan Paschen voorafgaan, maar ook in den tijd van Kerstmis en Maria-Hemelvaart. Zoo hebben de Grieken drie perioden van boete, die te zamen misschien strenger zijn dan bij de Katholieken de laatste dagen der Heilige Week. Ik heb nog niet begrepen, waarom deze geloofsinrichting, die echtscheiding toelaat en die bij gevolg veel minder streng is uit het oogpunt van de leer dan de katholieke godsdienst, aan haar volgelingen zulke zware lasten oplegt, die niet passen bij de leer.

Hoe het zij, de verschillen van de beide kalenders veroorloven het mij, de onthouding van het vasten te ontgaan en integendeel voldoende eer te bewijzen aan het maal, dat de hotelhouder had laten klaar maken en dat zeer smakelijk was. Geen nationale schotels, maar een compromis tusschen een keuken, die op de spijskaart pompeus als fransch wordt aangeduid, en napolitaansche ragouts. Een lekker wijntje van Cephalonië besproeide het geheel. Er waren met mij aan tafel eenige Amerikanen, die uit Olympia komen, en een koopman uit Patras, die morgen naar Athene gaat en die ons veel vertelde over druiven en druivenoogsten.

Om den welbesteden dag goed te besluiten, ga ik nog op het plein, waar voor twee duizend jaar de priesteressen van Aphrodite haar dienst hadden, de nachtelijke processie zien van Goeden Vrijdag. De menigte vult reeds de breede en stoffige straten met flauw verlichte winkels. De kleine balkons, die aan geen huis ontbreken, zijn zwart van toeschouwers, die met een kaars in de hand wachten op het voorbijgaan der heiligenbeelden. Ik sla den weg naar de kerk in, waaruit de stoet juist is vertrokken, voorzien, als iedereen, van mijn kaars; al spoedig stippelen duizenden kleine lichtjes de duisternis; de jongens laten voetzoekers knappen te midden van de menigte; hier en daar wapperen blauw en wit gestreepte vlaggen aan de vensters, waar af en toe bengaalsch vuur wordt afgestoken. Daar hoort men de tonen van een fanfare en de processie nadert. Aan het hoofd de muziek van het garnizoen, die treurmarschen speelt; dan volgen de priesters in hun kerkgewaden, de vierkante muts op het hoofd, van wie sommigen Christusbeelden aan het kruis dragen en anderen een groot wit laken, dat een zweetdoek voorstelt.

De ernstige stemmen van de geestelijken mengen zich onder de treurige tonen van het koper en de vroolijke geluiden en verwekken een vreemde dooreenwarring van een kerkelijke plechtigheid en een volksfeest. Eindelijk komen de burgerlijke autoriteiten en de militaire, de prefect en de kolonel van het regiment, die ook de traditioneele kaars dragen; dan de menigte in dichte gelederen, onverschillig voor de wasdruppels, die van de balkons vallen, en blij gestemd door het licht en de muziek. Veel ernst bespeur ik niet onder de menschen, al zijn de Grieken een volk, dat graag zijn gevoel naar buiten toont; het karakter van deze groote kinderen leent zich nu eenmaal niet tot uitingen van droefheid, die toch eigenlijk bij de omstandigheid zouden passen. Het is niet zeer waarschijnlijk, dat de bewoners van het antieke Korinthe zulke harde bedden hebben gehad om op te slapen, als dat waarop mij de hotelhouder uit het moderne Korinthe tracteerde, anders zou hun naam van verwijfdheid al heel weinig verdiend zijn. Ik geloof eerder, dat dit dunne plakje van paardehaar, dat dadelijk op de planken rust en waarin men moeilijk de samenstellende deelen van een matras herkent, een der eigenaardigheden is van het moderne Griekenland en dat men vermoeienissen als die, welke ik ondervond bij het bestijgen van den Akrokorinth, moet hebben doorstaan, om er behoorlijk op te kunnen slapen. Maar mijn nacht werd dan ook niet gestoord door eenigen onwelkomen beet, en zeer verkwikt werd ik wakker, klaar om weer op weg te gaan.

De zon staat al hoog aan den hemel als ik bij het station kom, waar spoedig de trein verschijnt, die mij naar Mycene zal voeren, een vroeger beroemde stad en die thans haar naam geeft aan een onbeduidende halte van den spoorweg van Athene naar Kalamata. Zoo is de werkelijkheid van het moderne helleensche leven op het nauwst verbonden met de grootsche herinneringen aan de oudheid, en ik moet bekennen, dat de aureool, waarmee onze beschaving al wat grieksch is omgeeft, wel te lijden heeft van die vereenzelviging. Wij zeggen in Frankrijk, dat het belachelijke doodend is; gelukkig, dat dit aphorisme niet gangbaar is in Griekenland, want dan zou er tegenwoordig niet veel overblijven van al die beroemde helden, van die legenden en heldendaden, welker namen de menschheid slechts met eerbiedige aandoening uitspreekt. Sedert ik een waschman en een bediende heb gehad, die respectievelijk Alcibiades en Pericles heetten, kan ik niet zonder een glimlach het beeld van hun beroemde peten mij voor den geest roepen, en ik begrijp uitstekend, dat de spotzucht van een About of een Offenbach door die amusante tegenstellingen is gewekt.

Maar de trein komt in beweging; die kleine spoorwegen, die Griekenland beginnen te doorkruisen, loopen wanhopig langzaam. Een veertigtal kilometers scheiden Korinthe slechts van Mycene, en we zullen bijna twee uren noodig hebben, om dien afstand af te leggen. Ik moet echter zeggen, dat het terrein nog al effen is, dat er talrijke en scherpe bochten zijn te maken; maar dat alles verhindert niet, dat men gemakkelijk tijd kon winnen, als de weg goed was aangelegd, het materiaal solieder en het personeel beter geoefend was. Maar daar is altijd in Griekenland die lastige geldquaestie, die elke ernstige verbetering tegenhoudt. In zijn geheel is het land arm en weinig bevolkt; de opbrengsten van de spoorwegen, die buiten enkele tijden van het jaar zoo goed als niets vervoeren, zijn zoo problematisch, dat vele maatschappijen moeite hebben om rond te komen. In die omstandigheden kan er van vooruitgang geen sprake zijn, omdat men eerst, om daartoe te komen, den ondernemingsgeest zou moeten wekken en den economischen toestand van het land zou moeten verbeteren.

In dit opzicht is het nog mogelijk, dat de spoorweg, die pas geopend is van Athene naar de turksch-grieksche grens, tot goede resultaten leidt, vooral als de aansluiting bij het europeesche spoorwegnet eindelijk werkelijkheid wordt. De nieuwe lijn, ondersteund door de oostenrijksch-hongaarsche regeering, die den Piraeus in gemeenschap met Middel-Europa zal brengen, zou zeker een staat van zaken scheppen, die, daar ben ik van overtuigd, weldadig zou terugwerken op het geheele net van de helleensche spoorwegen. Maar ik vrees, dat de laatste nog lang hun slechten naam zullen verdienen, die op dit oogenblik voor mij zoo duidelijk wordt gedemonstreerd door de vervelende halten van de kleine locomotief, waarmee ik naar Argos word gebracht.

En inderdaad, na door Hexamilia te zijn gereden, dat ik gisteren per rijtuig passeerde, komen we in een bergpas met een kloof, in welker diepte een stroom moest bruisen en waar ik niet anders zie dan gele steenen. Evenwijdig met den weg van de spoorlijn loopt een onduidelijk pad vol diepe plassen en losse steenen; dat schijnt een rijksweg. Wat moeten dan de gemeentewegen zijn in dit land! We rijden enkele kleine ezels voorbij, waar mannen op zijn gezeten met de beenen terzij. Ze dragen de fustanella of het korte rokje en slaan met de vrij hangende beenen de maat op den buik van hun rijdieren, om die sneller te doen gaan, maar zonder eenig succes meestal. Zeker hebben ze vrienden in den trein, want men hoort, ondanks het lawaai van den stoom, stukken van zinnen en gelach aan het adres van een compartiment naast het mijne. Spoedig daarna komen we op een klein plateau, waar enkel dennen en heide groeien en hier en daar toefen reeds verdroogd gras, hoewel we nog maar April hebben. Het klokje van een eenzame geit doet zich hooren, maar ik kan het dier niet te zien krijgen, zoo weinig steekt het af tegen den bruinen grond.

Daar zijn we eindelijk op de hoogte, de machine zwijgt, de optocht gaat wat sneller, we beginnen te dalen naar de kloof van Longopotamos. Ik bespeur links een of twee huizen, tegen de helling van den berg geleund, niet ver van de ruïnen van een kasteel, dat stellig uit de Middeleeuwen stamt. Dat zijn sedert Hexamilia de eerste huizen, die ik ontmoet, en deze weg is een der economische hoofdaders van het verkeer in Griekenland! Dan wordt de pas nauwer, de grond lijkt minder onvruchtbaar, want ik zie enkele tuberozen in de diepte van een ravijn. Dus moet er water in de buurt zijn, en inderdaad daar verschijnt vlak naast het station Dervenaki, waar de trein stilhoudt, een khani, herberg, bekoorlijk gelegen, aan den oever van een ruischend beekje in de schaduw van prachtige moerbeiboomen, waarvan het donkere groen heerlijk samenstemt met het zachte rose van andere bloemen. Het schouwspel komt zoo onverwacht, is zoo nieuw voor mij, dat ik een kreet van bewondering niet kan onderdrukken. Men moet als ik zoo langen tijd beroofd zijn geweest van het rustgevend gezicht van een rijk en frisch plantenleven, om te begrijpen wat ik gevoel. Het lijkt mij, of ik uit een woestijn kom; daar zijn dan eindelijk boomen en water, een weldadige vochtigheid, die het groen doet ontluiken, gras, dat het vocht vasthoudt, hetwelk zoo noodig is voor het leven. Het is, omdat Griekenland geen bosschen heeft, dat er geen water is te vinden; het is omdat een onvoorzichtige ontwouding al sinds jaren de bergen heeft beroofd, dat nu de bronnen niet meer vloeien en de rivieren droog zijn. Geen bosschen zonder water en geen water zonder bosschen, dat is een waarheid, welker miskenning den treurigen toestand heeft verwekt voor den landbouw, waaronder het land nu zoozeer lijdt, en waaraan het thans zoo moeilijk is, doeltreffend een einde te maken, zooals ik later nog gelegenheid zal hebben, in het licht te stellen.

Maar de trein is weer vertrokken; het land wordt dadelijk weer kaal, terwijl het dal breeder wordt; we komen in de vlakte van Argos, beheerscht door de kale bergen, die over den weg heen hangen; nog enkele minuten en daar is het station Phyktia-Mycene, waar het rijtuig mij wacht, dat ik uit Nauplia heb laten komen.

In Griekenland wil het gebruik, dat als men een voertuig huurt, het zij een wagen, een paard of een muildier, dat men dan met den koetsier of geleider een, wat men noemt, symphonie sluit, die daarin bestaat, dat het programma van den rit wordt vastgesteld, dat de prijs tusschen de beide partijen wordt besproken en dat men het eens is geworden, wat nooit het geval is zonder lange beraadslagingen. Als die symphonie is gesloten, houdt de Griek zich er angstvallig aan, al is hij anders niet juist bekend om de stiptheid waarmee hij zich houdt aan eenige afspraak. Hij zal wel op het oogenblik, dat de prijs wordt vastgesteld, trachten zooveel mogelijk voordeel te trekken van de kans, die zich hem biedt, maar hij zou zich schamen, wanneer hij na afloop van den rit een enkele lepta te veel vroeg. Het moet echter erkend, dat hij zich schadeloos stelt bij de ongeoefende toeristen, die onvoorzichtig genoeg zijn geweest, niet vooraf een contract met hem te sluiten, en dat hij er geen bezwaar in zal zien, hen twee- of driemaal de waarde van den rit te doen betalen. Ze zullen op dat oogenblik natuurlijk nog kunnen protesteeren, maar het zal hun moeite kosten een afslag te krijgen, gelijk aan wat ze zouden hebben gedaan gekregen, als ze vooraf hadden geaccordeerd.

Natuurlijk zorg ik wel, geen inbreuk te maken op den algemeenen regel, en volle vijf minuten besteed ik in den brandenden zonneschijn aan het verdedigen van mijn belangen met al de scherpte, waartoe mij de nog zeer rudimentaire toestand van mijn kennis van het Nieuw-Grieksch in staat stelt. Eindelijk wordt mijn reiszak opgeladen, en een half uur later kom ik te Kharvati, waar ik zal ontbijten. Ik heb zelden iets ellendigers gezien dan dat droevige gehucht met zijn huizen van gedroogde aarde, waar enkele vrouwen in lompen zitten te weven aan primitieve weefstoelen, waarop ze grove katoenen stoffen vervaardigen. De herberg deelt in de algemeene sjofelheid; onder het groote strooien afdak, dat de algemeene zaal slecht beschut tegen de brandende zon, woelen zwarte varkens in het vuil; binnen zitten eenige dorpelingen aan een waggelende tafel; de gewitte muren zijn gescheurd, een vloer is er niet, en er hangt een keukenlucht van schapevet, die iemand allen eetlust moet benemen.

Ik verheug mij, dat ik te Korinthe vóór mijn vertrek wat mondkost heb meegenomen, want het menu bestaat slechts uit een soort van soep, waarin vettige vezels drijven in een bruin en schuimend vocht. Voor niets ter wereld zou ik dat gerecht willen proeven, en ik stel mij tevreden met mijn koud gerecht, dat ik besproei met den harsgeurigen wijn, door het huis verstrekt. Toen ik de eerste maal dat vocht proefde, dacht ik waarlijk, dat men mij bij vergissing een medicijn voorzette. Het was te Delphi het vorige jaar, waar ik in het gezelschap was van een lid van onze school van Athene, die al aan Griekenland gewend was, en zich wel wachtte mij te waarschuwen. Het was mij, of ik terpentijn dronk. De beginselen van de wijnfabricage zijn in Griekenland nog zoo weinig bekend, dat men, om den wijn eenige jaren te kunnen bewaren, in het vat een stuk hars werpt, dat er een afschuwelijken smaak aan geeft. Vooral de roode wijn, dien de Grieken mavro crassi noemen of zwarten wijn, heeft allen natuurlijken smaak verloren door de rare toevoeging en krijgt iets scherps, dat zich voegt bij de zwaarte, die aan de zuidelijke wijnen eigen is. Voorwaar het is geen pretje, zulk een drank, die zelfs niet de verdienste heeft versch te zijn, in die warmte in een vuile herbergkamer te moeten drinken, en ik twijfel eraan, of de oude Grieken, voor wie het druivennat nectar was, zoo weinig kieskeurig zijn geweest, om hun gehemelte, aan goede en lekkere dingen gewend, te onderwerpen aan de proef van dezen harswijn, die mij al tot de minst wenschelijke nieuwigheden schijnt te behooren, door het moderne Griekenland ingevoerd.