Om en door den Peloponnesus De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 1

Chapter 13,886 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

OM EN DOOR DEN PELOPONNESUS.

Naar het Fransch van B. de Jandin.

Als men voor de eerste maal in een onbekend land aan wal stapt, volkomen verschillend van de streken die men kent, gebeurt het niet zelden, dat de indrukken uit den eersten tijd het levendigst zijn en ook het meest juist blijken, omdat ze volkomen natuurlijk en spontaan zijn. Zoo is mijn indruk van de aankomst te Athene, waar ik de betrekking van attaché bij onze legatie zou waarnemen, diep in mijn geheugen gegrift. Ik was inderdaad bewogen door de oneindige majesteit van de ruïnen en de grootschheid der mij omringende herinneringen aan het verleden, maar veel dieper troffen mij nog de troostelooze dorheid van Attica, die cirkel van bergen, op welker kale toppen geen aasje van plantengroei zichtbaar is, de aanblik van die vlakte, uit niets dan stof en steenen bestaande, waar enkele vergroeide olijven hier en daar een plekje schaduw werpen, de dorre beddingen van de Kephisos en Ilissus vol brandend heete steenen en de droeve verlatenheid van een natuur die wonderlijk wel harmoniëert met de wankelende gebouwen der doode beschavingen.

Daarentegen viel er te bewonderen de verrassende helderheid der atmosfeer, waardoor men met het bloote oog heel in de verte de minste oneffenheden van het terrein, de verschillende berggroepen en de minste bochten der rivier kan volgen. Dat mooie licht van het Oosten, die vlammengloed der zon, schept de heerlijke kleuren van zacht rose tot geel, van geel tot rood, tot violet en donkerblauw, die leven bijzetten aan het antieke marmer der tempels en over de witte, schitterende gebouwen van het moderne Athene een glans spreiden, waardoor ze passen bij het warm getinte geheel.

De meeste Hellenen, aan wie ik mijn gewaarwordingen meedeel, vertellen mij, dat er in hun land streken zijn, waar de natuur zich minder zuinig toont met haar goede gaven dan in de buurt der hoofdstad. "Ga naar den Peloponnesus," voegen ze mij toe, "daar zult ge platanen vinden en eiken bij duizenden; ge zult door provincies reizen, waar ge slechts met moeite u door de planten een weg kunt banen, ge zult wouden aantreffen van moerbeiboomen en olijven, en ge zult er de vreemdste indrukken krijgen van een beschaving, die nog primitief is, gevoegd bij de genietingen, u verschaft door de stralende zuiverheid van onzen hemel en de pracht van onze ruïnen."

En ziehier hoe het komt, dat ik na een vol jaar verblijvens in Athene, moe van het woestijnachtige landschap, besloot om, zonder mij te bekommeren om de overdrijving, eigen aan het grieksche volkskarakter, waardoor ze alles bekijken in een licht, dat wel wat lijkt op dat van hun neven te Marseille, in Morea eens te zien of werkelijk Griekenland geen vervolg is op de Sahara in Europa. Ik verkreeg gemakkelijk van mijn chef verlof, eenige dagen op reis te gaan, en zoo ben ik op een stralenden lentemorgen op weg naar den Piraeus, waar ik de boot zal nemen, die mij naar Korinthe zal voeren.

Het is Goede Vrijdag, op het uur, waarop de menigte der geloovigen te Athene en in den Piraeus naar de byzantijnsche kerken begint te stroomen, die gewoonlijk microscopisch klein zijn en waar al gauw de ondragelijke waslucht zich vermengt met slechte odeurs en een verstikkende hitte. Het is nog geen zeven uur, en reeds zitten de café's aan de haven vol menschen. Sommigen slurpen met kleine teugjes de beroemde donkere koffie uit het Oosten, die op elk uur van den dag en den nacht welkom is; anderen stellen zich tevreden met een glas frisch water; de meesten gebruiken in het geheel niets of rooken rustig hun narghilé, die op het trottoir staat.

Want werkelijk wordt hier een café beschouwd als een openbare plaats, waar ieder vrij mag binnengaan, zonder daarom gehouden te zijn, er iets te gebruiken. Het is de moderne agora, waar de Griek, die in dat opzicht de overlevering der Ouden heeft behouden, langen tijd kan zitten in de drukte van hartstochtelijke politieke discussies. De plaatselijke bladen of de couranten van de hoofdstad zijn in aller handen, en luidruchtig laat men de vragen van den dag die voor het oogenblik de openbare aandacht boeien, over de tong gaan. Het geknoeide papier gaat van de eene hand in de andere; hier uit er een zenuwachtig zijn verontwaardiging, daar slaat er een ander de bloedige daden van Bulgaren en Macedoniërs aan den schandpaal, en ginds roept er een de regeering ter verantwoording, wier vrienden en vijanden elkander met felle woorden te lijf gaan. Die menschen worden werkelijk dronken van hun eigen woorden; hoe minder ze drinken, des te opgewondener worden ze. Hoe zou het wel zijn, als ze al den tijd, dien ze aan hun tafeltjes doorbrengen evenals in het Noorden velerlei soorten van gegiste dranken gebruikten!

Intusschen heeft het rijtuig mij afgezet bij de aanlegplaats in den Piraeus, welke pier vernuftig is gebouwd bij de uitmonding van een riool. De kleine schoenpoetsers of loustroi, die in Griekenland uit het plaveisel zelf schijnen op te komen, dringen om mij heen in de hoop, mijn schoeisel onder handen te mogen nemen, dat toch volkomen vlekkeloos is, en de roeiers betwisten elkaar onder een concert van vloeken de twijfelachtige eer, mij naar het schip te brengen. Enkele riemslagen bevrijden mij van die ondernemende lieden en weldra beklim ik de wankele trap, hangend langs de zijde van de Haghios-Nikolaos, op het punt van naar de landengte te vertrekken. Daar de overtocht maar kort zal duren, behoef ik mij gelukkig niet te bekommeren om het krijgen van een hut, als men dien naam mag geven aan de ongemakkelijke hokjes van het tusschendek rondom de algemeene tafel en daarvan alleen gescheiden door een gordijn. Snel loop ik door de bonte menigte, die in de gangpaden staat en begeef mij naar het dek, waar ik hoop te ontkomen aan de verschillende uitwasemingen om mij heen.

Helaas, ik ontvlucht de menschen, om bij de dieren aan te landen! Honderden schapen en lammeren, die al sedert den morgen aan boord zijn, worden met ons naar Korinthe vervoerd, om er den volgenden dag te worden geslacht en het Paaschmaal te vormen voor de Palikaren. Onmogelijk een plaatsje te vinden te midden van de kudde, die het dek in een viezen, stinkenden poel heeft veranderd. Vastbesloten, zooveel mogelijk van den overtocht te profiteeren, bespeur ik daar tot mijn groote vreugde een ledig vat, dat door een gezegend toeval in een hoek is blijven staan. Ik baan mij een doortocht door de dichte groepen van mijn zonderlinge reisgezellen, en dan mijn valies achter in de ton zettend, kruip ik in die grappige schuilplaats en ben daardoor beveiligd tegen een hinderlijke buurschap, terwijl de geest van Diogenes om mij waart.

Al spoedig begint de schroef te wentelen; langzamerhand beginnen de praatjes. Men wijst elkaar met den vinger den Gallos, den Galliër, die daar zit uit te kijken, en ik kan wel gissen, dat ze mijn denkbeeld vreemd vinden, om zoo den overtocht van drie uren te doen. Maar dat kan mij niet schelen; ik ben nu in de beste luim en geniet van de schoonheid van het tooneel rondom mij. Badend in de morgenzon, wordt de vlakte van Athene al kleiner achter ons. Op den achtergrond van den kring van Parnassus, Pentelicon en Hymettus teekent zich de voorgevel van het Parthenon schitterend af tegen het blauw van den hemel, terwijl rechts de verlaten en rotsachtige oevers van Salamis voorbijgaan en links het eiland Aegina, beheerscht door de zuilen van zijn beroemden tempel, als een vooruitgeschoven post den weg naar de Cycladen verspert. De lucht is ijl, en het diepe donkerblauw van de zee vertoont hier en daar sierlijke zuilen of rookpluimen van stoombooten.

Reeds gewonnen door de glanzende schoonheid van de oostersche natuur, begin ik onder de bekoring te komen van een groote intellectueele rust. Hoe heerlijk is het, met niet anders dan een paard, een valies en een goede deken door de wijde ruimten te trekken, te kunnen stilhouden, waar men wil, te slapen, waar de nacht u overvalt, te droomen onder olijven aan den oever van een zingend beekje, terwijl een boer in de buurt langzaam het grieksche lied neuriet, dat den grooten strijd voor de onafhankelijkheid in het geheugen roept. De hitte van den middag doet zelfs het snerpend gepiep van de krekels zwijgen, en onderwijl treden ons voor den geest de Oudheid met haar legenden, de Middeleeuwen en de fransche heldenzangen van een Villehardouin en Champlitte. Men ontmoet bij iedere schrede het onverwachte, ja, waarlijk hier is stof, die hart en geest in feeststemming brengt van dengene, die, als ik, gezonde en sterke ontroering zoekt en ze hoopt te vinden in dit land, dat vroeger werd verhelderd door burgerdeugd en moed en door den eenvoud van zeden der Spartanen, wier stoïsche lijdzaamheid het, tusschen twee haakjes, goed zal zijn na te volgen.

Terwijl ik zoo aan het droomen ben, passeeren wij de westpunt van Salamis; op groote hoogte gaat langs de berghelling een trein van de lijn Patras-Athene; de rook teekent de duizenden bochten van de steile oevers en blijft lang zichtbaar in de stille lucht. Dan wordt de kust lager; we komen bij de landengte in het gezicht van Kalamaki, een ellendig visschersdorp, bij den ingang van het kanaal, waar we eenige oogenblikken moeten stoppen voor de vereischte formaliteiten van de doorvaart.

Van hier gezien, maakt het kanaal van Korinthe werkelijk een zonderlingen indruk. Twee wanden, zoo loodrecht, dat de breedte der spleet boven bijna niet breeder is dan beneden, ter gemiddelde hoogte van 50 meter, begrenzen den zes kilometer langen doorgang, die 22 meter breed is en door den gelen, onvruchtbaren grond loopt tusschen de Saronische Golf en die van Lepanto aan de andere zijde, daarginds waar men het uitzicht heeft op de bergen van Phocis. Alles is rustig, alleen wordt de stilte verbroken door het geblaat van de lammeren, die te Kalamaki wachten op het voorbijgaan van de eene of andere boot en hun smart schijnen mee te deelen aan de trieste collega's van de Haghios Nikolaos.

Eindelijk gaat de stoomfluit; de rechten zijn geïnd, wij varen het kanaal binnen; plotseling verdwijnt de zon, alsof er een gordijn voor werd getrokken; we gaan met zeer langzame schroefslagen vooruit, want de diepte van het kanaal is zoo gering, dat men ieder oogenblik moet vreezen, aan den grond te raken. Ik heb later zelfs vernomen, dat tijdens de vaart het verstandig is te zwijgen, terwijl de fluit zich niet mag laten hooren, en dat wel om de weinige stevigheid van de wanden, die, in vrij losse aarde aangelegd, de bedoelde steile afsluitingen vormen en met het oog op de zuinigheid zoo zijn gebouwd. Alles aan deze onderneming trouwens verraadt de zorg, die men had, om geen te groote kapitalen aan te spreken. Het faillissement van de maatschappij, die reeds in 1822 met de werkzaamheden was begonnen, onder de leiding van den hongaarschen generaal Türr, onlangs gestorven na een leven van buitengewone avonturen, heeft zeker de helleensche maatschappij voor oogen gestaan, toen ze eindelijk, zoo goed en zoo kwaad, als het ging, het denkbeeld volvoerde van de doorboring van de landengte, dat Nero al koesterde.

De zaak is inderdaad altijd treurig geweest en is dat nog; er gaan niet veel schepen door, want het gevaar van vastraken maakt het voor schepen van niet al te weinig tonneninhoud onmogelijk, zich te wagen aan de doorvaart van die slecht onderhouden en zelden uitgebaggerde wateren. Ze geven er altijd de voorkeur aan, als ze zich van de eene zee naar de andere willen begeven, den Peloponnesus om te varen en de meerdere uitgaven goed te maken door een lading van grooter waarde zonder gevaar voor stranding en zonder tolrechten. Zoodat de onderneming moeite heeft, rond te komen, haar agenten te betalen, voor de verlichting van haar vuurtorens te zorgen en de andere kosten te dragen en dat ieder vooruitzicht op verbetering, dat noodzakelijk kosten mee moet brengen, moet worden ter zijde gesteld op straffe van dadelijk faillissement.

Intusschen gaat de Haghios Nikolaos voorzichtig verder. Daar hebben we de brug, waar de spoorweg naar Korinthe over gaat; wij kunnen enkele herders over de leuning zien hangen, om in de diepte te kijken en ons nieuwsgierig te beschouwen, want de aanblik van een schip, dat door het kanaal vaart, is zeldzaam genoeg, om de aandacht te trekken. Eindelijk wordt het scherm, dat ons van de wereld afscheidt, lager; de betrekkelijke duisternis, waarin wij gedompeld waren, maakt langzamerhand plaats voor helder licht en weldra voor den fellen zonneschijn, toen ons schip uit de kloof te voorschijn kwam, om zich dadelijk links te wenden naar het dichtbij zijnde Korinthe.

Die eertijds zoo beroemde stad maakt van hier een klagelijken indruk; ik zie, naarmate we nader komen, een opeenhooping van lage huizen, die een 4000 of 5000 menschen kan herbergen, eenige straten zonder trottoirs, een ellendig station, alles grijs en somber van tint. De omstreken van de landengte aan dezen kant van het kanaal zijn al even woestijnachtig als aan de zijde van de Saronische Golf. Tegenover Korinthe verrijst een groote, akelig kale berg, aan welks voet Loutraki ligt; achter de stad naar het Zuiden staat de indrukwekkende rots van den Akrokorinth. Maar de kust naar het westen is groen, want daar beginnen de wijngaarden, waar men binnen enkele maanden de heerlijke korinthische druiven zal oogsten, de kleine, die als krenten het hart van iedere goede angelsaksische huishoudster verheugen. Het is elf uur in den morgen; de boot gaat nu niet meer vooruit dan met de reeds verkregen snelheid, en ofschoon we nog niet geheel stil liggen, kan het koeltje uit zee maar juist genoeg de hitte temperen van de in Griekenland reeds brandende Aprilzon. Wat zal het zijn, als ik straks den Akrokorinth zal bestijgen?

Plotseling klinkt een geluid van het ontrollen van een ketting; men heeft het anker uitgeworpen; dus wordt het tijd, dat ik mijn vat verlaat. Ik stap over de poelen van het dek en daal af naar de lagere terreinen, waar de gewone luidruchtigheid heerscht, die bij elke lading in dit land voorkomt. Ieder haast zich naar de veelkleurige zakken en pakken, die in vuile poelen en vet rondslingeren, van alle kanten hoort men uitroepen, en de buitensporigste bewegingen doorklieven de lucht. Men baant zich een weg en duwt zonder omslag ieder, die het ongeluk heeft u in den weg te komen. Ik doe als de anderen, maar rustiger, en eindelijk ben ik daar, waar de booten wachten op passagiers, om hen naar den wal te brengen. En weer zijn er hevige disputen te midden van de onontwarbare roeiriemen, die hun best doen, om zoo dicht mogelijk tot de scheepsladder te naderen, dienstaanbiedingen met de hand op het hart, smeekende "kyrie's", in één woord de strijd om de drachmen in al zijn rauwe werkelijkheid. Een bonte menigte vult de booten, en na enkele oogenblikken ben ik aan land ten prooi aan een wolk van loustroi of dragers, die mij alles ontnemen zouden, wat ik bij mij heb, als ik er mij niet met hand en tand tegen verzette.

Het door mij gekozen hotel leek nog al goed, en de eigenaar, die een beetje Fransch brabbelt, meent mij te moeten ontvangen met vurige betuigingen van toewijding, die ik afsnijd door terstond naar den Akrokorinth te vertrekken, voorzien van eenig proviand, dat ik onderweg denk te gebruiken.

Ik neem plaats in een van die ouderwetsche landauers, met wapens overdekt, waarmeê men zegt, dat de Duitschers een groot deel van de krenten, die ze koopen, betalen. Die ongelukkige voertuigen, die ongetwijfeld in hun jeugd de menschen hebben gereden die men tot de grooten der aarde rekent, hebben inderdaad hier op de gruwelijke wegen van Griekenland, waar ze spoedig geruïneerd zijn, een treurig einde. En terwijl ik bij het rijden door de stad aan dien droevigen loop der dingen hier beneden denk, wordt mijn aandacht plotseling getrokken door een gebouw van bescheiden voorkomen met groote staven voor de vensters. Het schijnt de gevangenis van Korinthe te wezen, maar men moet het mij uitdrukkelijk zeggen, eer ik het kan gelooven. Achter de tralies staan halfnaakte mannen te kijken naar de kleine voorvallen op straat; ze schelden op de voorbijgangers, die ze kennen, en vragen aan de vreemdelingen om aalmoezen. In de vuile, donkere zalen zijn sommigen bezig in de afschuwelijk slechte lucht kleine houten voorwerpen te maken, anderen, die luier zijn, rooken kalm hun sigaret, hun door vrienden gebracht. En de ambtenaar, die het toezicht heet te houden over deze interessante wereld, wandelt onverschillig heen en weer; hij heeft zijn geweer binnen neergezet en maakt nu en dan vóór zijn wachthuisje een praatje met de gevangenen, den elleboog leunend op de vensterbank. Dat lijkt al heel weinig op een repressiemaatregel, als men zoo'n vrijheid toelaat, en ik vermoed, dat de bedreiging met deze gevangenis niet veel indruk zal maken op het gemoed van de lieden. Het moet erkend, dat het juist zoo gaat bij bijna alle volken van het Zuiden, waar alles huiselijk toegaat in die dingen, en waar het met de zedelijkheid toch niet zooveel erger of beter is gesteld dan in onverschillig welk noordelijk land.

We bevinden ons enkele oogenblikken later op den weg, die naar het sombere plaatsje voert, dat Paleo-Korinthos heet, en waar een aardbeving in het midden van de vorige eeuw groote verwoestingen aanrichtte, waarna het tegenwoordige Korinthe aan zee is gebouwd. Van de grootheid uit veel vroegeren tijd is niets meer over; de stad van 300 000 inwoners, wier roem de gansche wereld vervulde, al viel er misschien wel wat op af te dingen, is door de aanvallen der barbaren, Franken en Turken, zoo goed als met den grond gelijk gemaakt, zoo dat enkel een paar zuilen van een tempel, die, denkt men, aan Aphrodite gewijd was, nog een rest zijn van oude glorie.

Daar draait mijn koetsier, mijn amaxa, zich om, ten einde er mij opmerkzaam op te maken, dat we nu op het plateau komen; plotseling zie ik de roode zuilen van den tempel te voorschijn komen met den machtigen Akrokorinth op den achtergrond. De gekanteelde muren, die van beneden zichtbaar zijn, steken tegen den vlammenden hemel af: "Poly, poly aureo, zeer, zeer mooi!" roept mij de waardige Helleen toe, met alle teekenen van een echte geestdrift, die inderdaad gevoeld wordt, en waarin de hartgrondige wensch zich uit, dat ik zijn kinderlijke bewondering voor de nationale schoonheden moge deelen.

Ik heb vaak opgemerkt, dat de Griek, tot welke klasse van de maatschappij ook behoorend, vast overtuigd is, dat alles, wat er op den bodem van zijn geboorteland te vinden is, prachtig en heerlijk is, zonder weerga, en dat, als de vreemdeling het daar niet mee eens is, hij zich schuldig maakt aan de misdaad van Hellenisme-schennis. Dat is een zeer lofwaardig vaderlandsch gevoel, gevoegd bij een kinderlijkheid, die een der kenmerken is van het ras. Mijn gids is zich zonder twijfel maar zeer flauwtjes bewust van de redenen, die hem in opwinding brengen; maar hij geeft er zich heel goed rekenschap van, dat hier een vreemdeling is en dat die man volstrekt in geestdrift moet worden gebracht en dat hij daar duidelijk blijken van moet geven.

Het landschap is trouwens van zulk een woeste schoonheid, dat het mij geen oogenblik moeite kost, om in den toon te blijven; ik stap uit het rijtuig en wachtend tot het paard, dat mij aanstonds het steile pad van den Akrokorinth zal opvoeren, is aangekomen, zet ik mij er toe, om eer aan te doen aan de harde eieren, mij door mijn hoteleigenaar meegegeven. Overal zie ik heidestruiken, waaronder zich graven en doodengrotten verbergen; ik koos een der heuveltjes uit, mogelijk wel dat, waar Paulus volgens de overlevering zijn Brief aan de Korinthiërs heeft geschreven. Die hadden, naar het schijnt, behoefte aan een zedepreekje, om hen in hun weelde wat in toom te houden. De Korinthiërs van tegenwoordig zouden niet veel hebben aan een dergelijke toespraak. Over dat alles dacht ik bij mijn frugaal ontbijt onder het gesjirp der krekels, die dronken waren van den zonneschijn en het warme heidekruid.

De velden zijn bijna geheel verlaten; alleen ploegen twee ossen, gespannen voor een primitieven ploeg, een armoedig stukje grond; overal elders is het land verlaten. De landverhuizing, die de hooge plateau's van den Peloponnesus ontvolkt, begint hier ook al haar uitwerking te doen gevoelen; de economische crisis, die de laatste jaren op de druiven van Korinthe heeft gedrukt, heeft reeds een deel van de noordkust ontvolkt. En toch is de bodem hier minder dor en onvruchtbaar dan in de streken van het midden, waar de grond zijn bewoners niet kan voeden, zoodat ze in massa hun land verlaten, om naar Amerika te gaan in de hoop, daar een spaarduitje te kunnen maken. Ze houden verblijf in de groote steden van het Noorden en houden er zich bezig met de kleine bedrijven, bij voorbeeld dat van bloemenverkoopers. Daar ze zeer matig zijn en weinig behoeften kennen, bovendien verstandig en zuinig, gebeurt het niet zelden, dat ze na een vijf- of tiental jaren terugkomen met de enkele duizenden drachmen, waarvan ze zullen kunnen leven. Want al die emigranten, in tegenstelling met Italianen en Angelsaksers, keeren terug; men zal ze zelden of nooit zich zien vestigen in het vreemde land; hun familie blijft in Griekenland en niets is roerender te zien dan het geduld, waarmee de vrouwen en kinderen en de grijsaards hopen op den terugkeer van dengene, die hun droevig lot van ontbering zal verbeteren.

In dien tusschentijd kwijnen de stumpers in ellende; het lijkt wel, dat in sommige dorpen geen enkel valide man is overgebleven; de velden zijn verlaten en de landen blijven braak liggen, ook als er zeer goed iets op kon worden verbouwd. Het gaat maar net, om een vergadering van den gemeenteraad te vullen of een stembureau, als er een verkiezing voor de vertegenwoordiging moet plaats hebben. Die toestand is ongetwijfeld nadeelig voor de normale werking van de instellingen van het rijk; maar hij heeft nog veel nadeeliger gevolgen uit economisch oogpunt, want meer en meer blijkt, dat niet het aantal over de welvaart beslist, maar het gebruik, dat van de natuurlijke hulpbronnen van een land wordt gemaakt.

De grieksche regeering heeft wel getracht, maar te vergeefs, door de wetgeving die beweging tegen te houden, maar ze moest, om tot eenig resultaat te komen, liever de levensomstandigheden verbeteren, den ondernemingsgeest aanmoedigen, kapitalen tot zich trekken. Maar allen, die in Griekenland zijn geweest, zullen met mij moeten erkennen, dat die taak boven haar krachten gaat, ten minste voor het oogenblik, en ik zie nog geen afdoend middel in het verschiet tegen de plaag der landverhuizing, die verwoestend werkt, nu ze niet door overbevolking noodzakelijk is, en die een ramp wordt voor den Peloponnesus en vele andere provincies van het rijk.

Terwijl ik zoo aan het mijmeren ben, verschijnen mijn paard en zijn agoyaat, die het dier geleidt en er ook meestal de eigenaar van is; hij blijft erbij al den tijd, dat de verhuring duurt en brengt het dan naar het punt van vertrek terug. "Kalimera sas, kyrie, goeden dag, Mijnheer!" roept de nieuw aangekomene mij toe en reikt mij de hand, want dit democratisch land is er ook een van vriendschapsbetuigingen. En hij begint een lang gesprek, dat nog voortduurt terwijl we al lang onderweg zijn.