"Nummer Elf"

Part 12

Chapter 124,194 wordsPublic domain

Wat gaf hij om toertjes in een rijtuig, wat om de stafmuziek en de sociëteit? Hij was veel ouder dan zij, hield niet veel van muziek en zat in het gewoon dagelijksch dienstleven al meer „tusschen de wielen” dan hem aangenaam was. Thuis in zijn nette woning, die hij voortdurend verfraaide, waar hij zijn eigen fijne sigaren rookte, zijn eigen goede dranken dronk, en lekker kon zitten in nachtbroek en kabaai,—dáár was hij graag; dáár was hij het liefst met Lena, en hij zou er óók het liefst zijn geweest... zonder Lena. Hij was echter wel zoo wijs, dat niet te zeggen; maar hij dacht eraan toen ze naar binnen ging om zich te kleeden, en hij glimlachte tegen de groote chineesche pullen, de fraaie japansche vazen, de kunstige bronzen beeldjes op voetstukken en de mooie schilderijen aan den muur.

Ook Voirey was ermeê ingenomen. Wel vond hij, dat ze ’n beetje overdreven waren, met hun popperig volproppen van het huis met fraaiigheden en hun overdreven vertoon van welgedaanheid, maar het nam niet weg, dat Vermey hem meeviel in diens zaakje.

„Ik ben er blij om,” zei Lena, en haar heele gezicht toonde dat.

George was nog in de stad, toen Voirey zoo onverwacht binnen kwam en ’n kop thee vroeg.

Hij liep rusteloos als altijd op en neer in de achtergalerij, blazend in de heete thee, die hij zonder suiker of melk dronk.

„Het doet me plezier,” zei hij „pff! dat George nog niet zoo’n grauwen, pafferigen hollander is, als de meesten, die lang hier zijn; pff! hij loopt soms nog.”

„Je lijkt wel mal!” riep Lena lachend.

Voirey keek schuin naar haar figuurtje, dat aardig begon te teekenen.

„Wezenlijk Lena, hij wandelt niet altijd, dàt bedoel ik; hij haast zich soms en gooit dan flink zijn lange beenen uit, juist als iemand, die meent dat tijd ook geld is.”

„Doen de andere heeren dat dan niet?”

„Wel neen. De meesten wandelen met een begrafenispas, alsof het leven duizend jaren duurt. Ze doen me altijd denken aan haagsche ambtenaren in de Veenestraat.”

„Nu, ik ben blij, dat je in de zaak over George niet te klagen hebt.”

„A propos, er is iets op til, hé?”

„Hoe bedoel je dat?” vroeg zij verwonderd; ze dacht er wezenlijk in het geheel niet aan.

„Nu je bent toch ook niet mevrouw Vermey geworden voor de aardigheid alleen,” schertste hij familiaar.

Ze keerde zich om en kleurde.

„Hè, dat is gemeen!”

„Ben je dwaas kind? ’t Is heel eenvoudig.”

„Ik vind het heel ongepast van George, en ik zal het hem straks ongemakkelijk zeggen.”

„Waarom van George?” vroeg hij met een komiek gezicht, „waarom van hem zoo in ’t bijzonder?”

„Wel, hij had daar niet over moeten spreken.”

„O, is het dat? Nu maar, stel je dan gerust; hij heeft er niet over gesproken, hoor!”

„’t Is wel waar!”

„Ik verzeker je....”

„Hoe zou je het anders weten?”

„Maar beste Lena, ik ben geen kind en ik heb gewoonlijk de oogen niet in den zak.”

Boos keerde zij zich.

„Jan, je bent ’n nare man.”

Hij had ’n pret van belang en lachte zooals hij maar zelden deed; de chineesche mandarijntjes op de étagère knikten met hun licht beweegbare kopjes; ’t was of de luide klank van zijn stem, hard door het vroeger veelvuldig spreken in de open lucht, ze aan den gang had gemaakt.

„De thee is goed, Lena; alleen wat warm; geef me nog ’n kopje.”

„Je drinkt ze af voor George,” zei ze hem half lachend, half verwijtend aanziende.

„Da’s niks; dan doe je er maar wat bij; intusschen wou ik je iets ernstigs zeggen.”

„’t Zal wat wezen!” pruilde ze, de thee schenkend.

„Als het ’n jongen is....”

„Schei je nu haast uit!”

„Wees toch niet dwaas; het is geen ijs en ’t zal niet smelten. Als het ’n jongen is, dan heet hij Jan en op zijn geboortedag doe ik vijf duizend gulden in zijn spaarpot.”

Het viel Lena als een bom op het hart. Dat was nu wel haar laatste wensch, dat haar eerste zoon zoo’n ordinairen hollandschen naam zou dragen. Zij had hem al in stilte en zonder met haar man erover te spreken, George genoemd; dat vond ze ’n prachtigen naam. Nu ja, die vijf duizend gulden konden haar zooveel niet schelen. Voirey was er ook net een, die dacht, dat alles voor geld te koop was; zelfs de klank van een kindernaam voor een moederoor!

Zij wilde het niet weigeren, maar ze hield zich toch goed en liet dat niet blijken.

„Ja,” zei ze, nadenkend over het gewichtig voorstel, „daar moet ik eerst met George over spreken; hij heeft ook ’n stem in het kapittel.”

„Hm! Dat is waar; nu, doe het dan.”

Het scheen Voirey teleur te stellen, dat het niet dadelijk ging, zooals hij ’t wilde; maar hij moest erkennen, dat ze gelijk had, en hij deed het.

Zij had een zoete hoop op verzet tegen Voirey’s voorstel door haar man; zij zou hem dan ongetwijfeld hebben gesecondeerd. Maar toen hij ’t hoorde, dadelijk bij zijn thuiskomst, zette hij ’n vroolijk gezicht en scheen zeer verheugd; hij vond het „prachtig,” en dat verdroot haar.

„Ben je er dan niet op gesteld, dat ons oudste kind naar jou heet?”

„Dat is te zeggen.... al was dat nou zoo.... We hebben groote verplichtingen aan neef Jan. Hij heeft ons altijd geholpen en wij zijn er nu geheel boven op. Zonder hem was ik nooit in de zaak gekomen, en dus hebben wij, en zullen later onze kinderen, hem veel te danken hebben. Hij is zeer rijk en ongetrouwd. Het is waarachtig een buitenkansje, voor ons, dat hij zelf vraagt peet te worden voor ons oudste kind.”

„Dus jij ziet er van af,” vroeg ze teleurgesteld.

„In dit geval, natuurlijk! Een volgend maal is het mijn beurt.”

„Maar er kon wel eens geen volgend maal komen,” zei ze sentimenteel.

Vermey lachte binnensmonds.

„Laat dat maar loopen!” zei hij.

Ze gaf hem een klap en lachte mee; en ze kusten elkaar in de binnengalerij dat het klapte.

„Neen, heusch Lena,” zei hij daarna ernstiger. „Wij moeten er „lekker” meê zijn. Geen beter bewijs, dat hij ons bijzonder genegen is dan dát. Ik zie er meteen het teeken in, dat onze zaken ook naar zijn zin gaan.”

Ze had er zich aan onderworpen, maar met grooten tegenzin, en ze kon er zich niet aan gewennen. Ze dacht veel aan die naaste toekomst, maar het deed haar geen goed; het gaf haar iets, wat ze nooit had gehad vroeger: een sterke neiging tot te bed liggen en in luierstoelen zitten; ze kon dat zoo drie kwart dagen doen zonder noemenswaardige beweging; dan las ze heel veel in populair geneeskundige boeken over bevallingen en al wat daaraan gepaard kon gaan, en er uit kon voortvloeien.

Altijd was ze gewoon geweest aan een werkzaam bewegelijk leven, en nu daar zoo lui en moedeloos toe te geven aan een neiging tot droomerijen, bracht haar gestel in de war.

„Scheelt er wat aan?” vroeg George op een middag, terwijl hij haar met bezorgdheid aanzag.

„Ik heb hoofdpijn.”

„Je moet rust houden.”

„Neen,” zei ze met een glimlach, „dat is het niet. Integendeel, ik houd te veel rust.”

„Nu ja, ik weet hoe bedrijvig je altijd geweest bent over dag en in huis.”

„Geloof me, dat is heelemaal over. Ik kan tegenwoordig uren achtereen zitten luieren.”

„De meeste jonge vrouwen zien er in hun zwangerschap heel goed uit, heb ik weleens gehoord,” meende George aarzelend.

„Ja zie je, ik heb gelezen, dat veel wandelen goed is. Ga je straks meê?”

Natuurlijk ging hij meê; met het grootste genoegen; en zij, leunend aldoor, ’n beetje vermoeid, zwaar op zijn arm; hij rechtop den neus in den wind, zijn lange beenen dwingend tot kleine stapjes, zoodat ze in schijn erg geaffecteerd langs den weg tripten, zonder eenig streven van dien aard.

Op eens schrikte hij. Tien pas voor hen uit zag hij Yps aankomen; Yps die hij haast vergeten had; dat levend souvenir uit een afgesloten tijdperk in zijn leven; Yps die in zijn herinnering even veel jaren uit zijn tegenwoordig bestaan scheen te zijn gebannen, als het metterdaad maanden waren!

Waarom hij schrikte wist hij niet. Hij had niets met die vrouw te maken. Wat deed het er toe of hij destijds met haar had geleefd? Dat was voorbij, en voor goed, want zijn positie was, door zijn wettig huwelijk geregeld, zoo heel anders geworden. Zij had niets van hem te vorderen; hij niet van haar.

Hij keek haar niet aan, maar zag rechtuit over haar hoofd heen in de blauwe lucht. Of zij keek of niet, wist hij niet, en ’t kon hem niet schelen. Maar zij deed dat evenmin. Langzaam kwam ze hen te gemoet, onder den strakken sarong, die haar heupen afteekende, de beenen als het ware om elkaar heen naar voren schuivend; het was een mooie solosche sarong, die hij onwillekeurig met een oogopslag had herkend; hij had haar die cadeau gegeven toen hij eens ’n goede bui en ’n volle geldbeurs had; met haar sneeuwwitte korte kabaja met breede uit de hand geborduurde strooken, haar gouden en bloedkoralen armbanden en halsketting en den zwaren opbollenden rand poney-haar op het voorhoofd, was zij volmaakt dezelfde Yps van voor twee, drie jaren.

„Wat ’n mooie nonna is dat!” zei Lena, toen ze voorbij was.

Zij zou dat vroeger nooit gezegd hebben, al had ze het gedacht; nu was ze getrouwd en haar oordeel over de soort van vrouwen, waaruit het meest zij voortkomen, die indische huwelijken in den weg staan, was zachter geworden.

Nu ze zelf „een huishouden” had, zag ze ontzaglijk veel gebreken in de huishoudens van andere dames, waarop ze vroeger nooit zoo had gelet, al „deed” ze toen ook het huishouden harer moeder.

„Zou dat er nu ook zoo een zijn?” vroeg ze voort.

„Misschien wel,” antwoordde George. „Waarom vraag je dat zoo? wat kan het je schelen?”

„Och, zoo maar! Ik zou het zonde vinden. ’t Is zoo’n net meisje.”

Heer bewaar ons! dacht hij in z’n eigen, wat een net perceeltje! Maar hij mocht natuurlijk niets laten blijken. Verbeeld-je, dat hij daar eens zei....!

„Nu ja, in sarong en kabaai!”

„Och, ze zien er anders ook zoo kwaad niet uit! In een donkere japon....”

„’n Zwarte, moet je zeggen,” zei hij lachend, blij dat hij van het bijzondere in het algemeene kon overgaan. „’n Zwarte japon, dat is de ware kleur van tempo doeloe. Toen had elk harer ’n kast vol sarongs en kabaja’s en één japon; ’n zwarte!”

Lachend zei Lena:

„Het schijnt, dat jij heel veel in zulke kasten hebt gekeken.”

„’t Was vóór mijn tijd, kind! Er is nu veel veranderd, maar beter is het er niet op geworden.”

Hij praatte druk door over de tegenwoordige modes en hoe bespottelijk sommige indische meisjes die droegen, met reusachtige tournures, die bij haar draaienden gang van bakboord naar stuurboord sloegen enzoovoort, en zoo pratend kwam hij op de heeren, hun allures en hun kleeding, enkel maar om ver, heel ver af te dwalen van dat erg hinderlijke onderwerp: Yps.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

YPS DUIKT WEER OP.

Een paar dagen later was Lena door het geregeld wandelen al veel beter; zij had geen hoofdpijnen meer en voelde zich flinker.

„Zeg,” zei ze zachtjes, terwijl ze ’s avonds aan tafel zaten, „nu heb ik toch nog vergeten je iets te vertellen.”

„Wat dan?” vroeg hij maar half belangstellend.

„Je weet wel, dat hiernaast die twee heeren wonen.”

„Jawel, de jongelui, die onlangs ’n visite hebben gemaakt.”

„Nu ja, en herinner je je wel, dat we voor ’n paar dagen toen we wandelden, zoo’n mooie nonna ontmoetten?”

„En wat is daarmee?” vroeg hij haast angstig.

„Die is hiernaast in huis!”

„Wel gévédé!” vloekte Vermey onwillekeurig, en verschrikt en verbaasd keek Lena hem aan; dat had hij nog nooit gedaan!

„Wat mankeert je toch, George? Is dàt nu tegen me uitvallen!”

„Och, kind, het is immers niet tegen jou.”

„Ik zou niet weten tegen wie anders.”

„Wel natuurlijk tegen die kerels. Het is geen manier van doen.”

Lena wist niet wat ze hoorde. Zij had een uitstekend herinneringsvermogen, en wist meestal wat iemand vroeger gezegd had; ze onthield dat gewoonlijk beter, dan de „iemand” zelf. Hoe kon hij nu zoo vloeken over de omstandigheid dat anderen precies deden, wat hijzelf ook had gedaan en aan haar had voorgesteld als iets dat om zoo te zeggen onvermijdelijk was; als ’n soort noodzakelijk kwaad. Ze zei het hem ook, ronduit.

„Och, dat is het niet, Lena,” repliceerde hij, „ik sprak toen in het algemeen. Natuurlijk, dan blijft dat waar!”

„Waarom is er dan nu iets zoo bijzonders in?”

„Ze moeten haar achterbaks houden! Het komt niet te pas, dat ze overal rondloopt en jij haar ziet.”

Mevrouw Vermey haalde de schouders op; zij vond haar man onbegrijpelijk en overdreven. Die jongelui waren óók ’s morgens naar hun kantoren, en ze konden zoo’n mensch toch gedurende dien tijd niet vastbinden of opsluiten! Ze sprak er niet verder over en dacht er evenmin aan; het interesseerde haar in het geheel niet. Maar George zooveel te meer. Wat moest hij daartegen doen? was de vraag, die hem bezighield. Wat kon hij ertegen doen, heette het eigenlijk, en het antwoord was: niets. Hij stond er machteloos tegenover. Hij kon zelfs niet verhuizen, want dat zou krankzinnig hebben geschenen, zoo pas in het nette huis, dat hij altijd zoo roemde, en waarmeê zijn vrouw zoo in haar schik was.

Aanvankelijk had hij gedacht, dat het een toeleg was van Yps, maar langzamerhand ontgaf hij zich dat. Ze begreep toch wel, meende hij, dat er van hem niets meer te halen viel, en zoo ze misschien gedacht had, dat hij gek genoeg was om zijn tegenwoordige positie voor haar te vergooien, zou ze wel gauw merken, dat ze het mis had.—Want zijn positie met al wat daaraan vast was, huis, vrouw, rust, vrede,—kortom zijn heel geregeld comfortabel bestaan, was hem boven alles lief en dierbaar. Hij overdacht dit bij stukjes en beetjes in den loop van dien avond. Geen oogenblik kwam het idee daarbij ooit weer iets met Yps te doen te hebben; hij was zóó boos, dat hij haar in stilte alle kwaads toewenschte, en in gedachten met alle denkbare scheldnamen overlaadde. Ten slotte meende hij, zou het verstandigste wezen in het geheel geen notitie van haar te nemen, en als het toeval wilde, dat hij haar zag of ontmoette, net te doen of hij haar nooit had gezien. Mocht zij het hem op de een of andere manier lastig maken, dan zou hij in stilte de hulp der politie inroepen. Een oogenblik had zich het denkbeeld aan hem voorgedaan open kaart te spelen tegen Lena, maar hij had het verworpen. Als hij haar alles vertelde, kon dat een bron van soesah en onaangenaamheden worden; het geval rechtvaardigde als ’t ware haar vroegere weigering zijn vrouw te worden, wat zeer onplezierig voor hem was. Zoo’n jong, braaf, fatsoenlijk vrouwtje, voor de eerste maal in „omstandigheden”, mocht men, vond hij, met zulke dingen niet lastig vallen; kwam ze er zonder zijn toedoen achter, dan was het al beroerd genoeg.

Natuurlijk gebeurde het, dat hij „haar” zag. Hij had op zijn achtererf een collectie fraaie planten laten zetten, waarnaar hij ’s ochtends vroeg en in den namiddag, als hij thuis kwam, zoo ’reis kijken ging, soms met Lena samen, soms alleen; ze haalden dan hier en daar dorre blaadjes af en praatten over de chevelures, die de een goed, de ander minder gelukten. Onwillekeurig keek hij dan schuin over de pagger, en als hij alleen was, zag hij meermalen Yps op het aangrenzende erf. Hij deed dan alsof hij haar in ’t geheel niet had bespeurd, en keek ’n anderen kant uit, wat haar niet naar den zin scheen, want dan zong ze zacht, maar hard genoeg, dat hij het hooren kon, of kuchte en hemde om zijn aandacht te trekken. Vermey bleef onvermurwbaar; alleen maakte hij zich inwendig nijdig. Wat verbeeldde zich zoo’n dit en dat wel! Dacht ze misschien, dat hij ’n kwajongen was, en zich nu aan haar zou verslingeren?

Intusschen kwamen in den toestand van Lena de gebruikelijke vorderingen. Het begon haar nu werkelijk langzamerhand moeilijk te vallen zich te kleeden, ondanks het verwijdingsproces harer kleederen en het eene „gemakkelijke” lijf, dat ze op aanraden van een ondervindingrijke vriendin voor de geheele campagne had laten maken.

Voirey begon meer en meer belang te stellen in het kleine huisgezin, en in de werkzaamheid van zijn aangetrouwden neef, die bepaald erg zijn best deed in de stad, en die zelfstandig werkende, veel meer energie aan den dag legde en coulanter in zaken was, dan hij van hem verwacht had.

Zoo nu en dan viel neef Jan als ’n bom ’s avonds met de deur in huis en bleef tot heel laat. Daar was Vermey erg lekker mee; hij maakte zelf met zorg het amerikaansche grogje klaar en het streelde hem, dat die man, die in zooveel zaken zat en daarvan zooveel wist, zich dikwijls vertrouwelijk tegen hem uitliet. Lena was dan al naar bed gegaan; die „zaken” interesseerden haar niet; ze was moe; ze had slaap en de heeren drongen er ook op aan, dat zij op tijd naar bed zou gaan.

Het was haast twee uur in een nacht van Zaterdag op Zondag toen Voirey opstond om heen te gaan; het was een der onvergelijkelijk fraaie indische nachten met maneschijn; rustig gleed het licht tusschen het fijne groen van asem en tjemara, den weg teekenend als een in het verschiet verloopende witte lijn, grillig uitgehakt door de donkere schaduwen der boomen aan één kant.

„Het is het eenige, wat me met dit beroerde land verzoent; ’t is nu wezenlijk lekker.”

„Ja,” antwoordde Vermey. „’t Zijn prachtige avonden.”

En stil rookend liepen ze samen een eindje op, Vermey in slaapbroek en kabaja en op sloffen, beiden genietend van de koelte door de uitstraling van den bodem in den vollen oost-mousson.

„Kom, ik stap maar in mijn rijtuig,” zei Voirey, toen de gardoes twee slagen sloegen, „’t is al laat.”

De paarden, met vurig verlangen naar huis, waren achter hen nauwelijks te bedwingen geweest en Voirey kon alleen met ’n vluggen sprong in de mylord komen; van stilstaan wilden ze niet weten.

Op zijn dooie gemak wandelde Vermey terug. Hij was gelukkig en tevreden; hij was een voldaan man; hij genoot van het leven, volop. Ruimte van middelen, een jonge, goede vrouw, het vaderschap in het verschiet, een keurig huis, lekker eten en drinken, fijne sigaren,—wat ter wereld, dacht hij, zou ’n mensch op deze booze aarde meer verlangen? Als de zaken zoo bleven gaan, was hij over ’n jaar of tien op zijn vijf, zes en veertigste jaar een man in bonus; dan kon hij naar Europa gaan met een aardig fortuin, waarbij nog dat van zijn vrouw kwam, en dan was hij nog jong genoeg om van de genoegens der centra van beschaving te genieten. Welk een benijdenswaardige positie, dacht hij, vergeleken bij.... Doch hij wilde niet denken aan vroeger. Zelfs in gedachten wilde hij niet terug naar dien boheemschen tijd; het eenige wat hij niet begreep, was, dat hij het daarbij zoolang had uitgehouden. Enfin, het was een slimme zet van hem geweest dien ochtend naar den Boom te gaan om de familie af te halen, en als ooit wat belangstelling en eenige opoffering beloond waren geweest, dan waren het wel die door hem voor den ouden Bruce aan den dag gelegd. Het was heel leuk geweest, waarachtig, en hij glimlachte in de donkere schaduw der boomen tegen die leukheid, welke hem van een maatschappelijk pas grand chose tot een „mensch” had gemaakt.

Zoo slenterde hij voort op zijn sloffen, genietend van het mooie frissche weer en van de gedachten aan al de voortreffelijkheden zijner tegenwoordige positie, toen hij schrikte van het besef, dat er iemand naast hem liep.

Het was erg zwart in de dikke schaduw, zoodat men er niet zoo gemakkelijk kon onderscheiden; daarbij waren zijn oogen er niet krachtiger op geworden en had hij tegenwoordig een lorgnet noodig, dat hij nu juist niet bij zich had.

„Siapa itoe?” vroeg hij heftig, zich zijwaarts buigend om te kunnen zien.

„Dag Sors! Jij schrik van mijn? Tobat, zoo komiek toch, ja!”

Yps lachte weêr met ’n rolslagje en liep nu dicht tegen hem aan, haar zijden baadje tegen zijn kabaja schuifelend. Het was of hem een straal koud water langs de ruggegraat ging. Nu was hij werkelijk geschrikt, nu daar te midden van zijn bevredigende droomen over het lieve van het heden, als het ware de incarnatie van het ellendige, vieze verleden in alle stilte voor hem was verrezen. Doch de schrik duurde niet lang en ging heel gauw in toorn over.

„Zeg ’reis,” zei hij heel uit de hoogte. „Wat mot jij?”

„Jij gaat mee, ja Sors? Jij wilt weer goed worden? Zij zijn uit naar de Soos. Je kunt gerust. Ze komen nooit thuis dan tegen het schot.”

Was het mogelijk? Dat wilde hem, den heer Vermey, chef van de firma enz. meê hebben op ’n clandestiene manier in het huis van ’n paar ongetrouwde employé’s...

„Ajo, donder op!” zei hij zacht maar gloeiend kwaadaardig om de beleedigende propositie.

„Toe Sors,” zei ze nu smeekend, half huilend. „Kan niet schelen waar, maar gaat meê met mijn, ja! Ik wil met jou, heelemaal met jou!”

Zij had met beide handen zijn arm gegrepen, en klemde er zich aan vast met zenuwachtige kracht; hij slingerde haar weg met één zwaai zoo forsch, dat hij er een kerel mee omver geworpen zou hebben. Yps viel op een hoop grind langs den weg met een onderdrukt Adoe! en Vermey stapte voort met groote schreden, zoo snel zijn lange beenen en zijn sloffen ’t hem veroorloofden.

Bevend van opgewondenheid, ongerust en vol vrees kwam hij terug in zijn achtergalerij. Hij greep de flesch cognac, maar kon het glaasje haast niet volschenken. Als zij nu eens een ongeluk had gekregen! Of, wat nog erger was, ook woedend werd en hem achterna kwam om op haar gemeene manier standjes te maken. Het angstzweet brak hem uit. Hij moest wachten; hij kon niet naar binnen gaan, meende hij, en in de onaangenaamste gemoedsstemming, hem in lang overkomen, wachtte hij, onrustig, glaasjes cognac drinkend om zich te kalmeeren.

Yps had zich maar ’n heel klein beetje bezeerd; zij was ook werkelijk zoo kwaad geworden, dat ze tot alles in staat zou geweest zijn, maar ze zag bij de naaste gardoe beweging; wellicht hadden de kerels iets gezien en kwamen erop af. Nu had ze in ’t minst geen lust door de nachtpolitie opgepakt te worden, en daarom liep ze hard haar tijdelijk en onwettig home binnen.

In haar kamer in de bijgebouwen ging ze in alle stilte te keer, meer verlangend naar Vermey dan ooit; voor een oogenblik razend om de manier, waarop hij haar had teruggestooten. Zij koelde haar woede aan een ouden stroohoed met linten, dien ze vroeger eens zoo dwaas was geweest te koopen, dien ze nooit droeg, maar die, als een onmisbaar meubel, altijd op haar tafel lag, vol stof en verkleurd. Zij vernielde dien totaal, wat haar aanmerkelijk opluchtte en haar kalm maakte. Eerst had ze stil gezeten ’n oogenblik met gloeiende starende oogen; toen dwaalde haar blik door het met een kleine petroleumlamp verlichte vertrek; zij zag den hoed en nam hem voorzichtig op; zachtjes trok ze het naaisel van het lint los, doch naarmate het hield en weerstand bood, trok en rukte ze heviger, tot ze de laatste gevlochten reepen stroo uit elkaar haalde en met een tèrr! tèrr! wat: daar! daar!, moest beduiden tegen den grond smeet.

Zij ging naar buiten en loerde over den pagger. Daar zat hij, de gemeene vent! dacht ze. Maar ze zou hem wel krijgen! Ze had er haar zinnen op gezet; hij zou weer bij haar komen, net als vroeger. Daar moest zij haar wil in hebben! Zachtjes begon ze te neuriën. Haar oude pantoen, de eenige die ze kende, van een meisje, dat in de kali sprong, omdat haar meneer haar had verlaten. Vermey hoorde het met een diepen zucht van verademing. Zij was dus niet verwond en had ook niets brutaals in den zin.

„Zoo’n slet,” dacht hij, stond op, draaide het licht uit en ging naar zijn kamer.

Het bezorgde hem een rusteloozen nacht. In den laatsten tijd sliep hij in de logeerkamer, en vermoeid, ’s avonds, van den langen, warmen arbeidsdag, rustte hij lekker uit en ontwaakte ’s morgens frisch en uitgeslapen. Dien nacht scheen het bed hem bijzonder hard en ongemakkelijk; de nacht benauwd en onfrisch. Hij deed als het ware een reis door het ledikant, nu eens aan het boven-, dan aan het voeteneinde. Zijn gedachten dwaalden in halve sluimeringen telkens terug naar de genoegens, die Yps hem in haar beste momenten had aangeboden. Dan was hij kwaad op zichzelven, ging „om” liggen, fronste in de duisternis achter de klamboe de wenkbrauwen en beproefde aan iets anders te denken.

„Ben je niet lekker, George?” vroeg Lena den volgenden ochtend.

„Niet erg.”