# Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/noorwegens-letterkunde-in-de-negentiende-eeuw-13591/index.md

Maar al toonen deze boeken door de omgeving, waarin de vertelling speelt, een sterk locaal coloriet, zij hebben ook eene andere zijde. Het zijn tevens vertellingen uit het maatschappelijk en vooral uit het huiselijk leven, en daardoor staan zij niet zoo ver van die werken, waarmee de dichter later naam gemaakt heeft, en waarmee hij ook in deze periode reeds een belangrijk begin gemaakt heeft. Hier moeten genoemd worden: _Thomas Ross_ (1878), _Adam Schrader_ (1879), _Livsslaven_ (1883). Een eerste dramatische proeve is _Grabows Kat_ (1880). Een afzonderlijke plaats neemt het in dramatischen vorm geschreven gedicht _Faustina Strozzi_ (1875) in, het eenige werk, waarvoor Lie de stof aan de geschiedenis (Italië's vrijheidsoorlog) ontleent, belangrijk voor de kennis van des dichters vrijheidsidealen, maar als poëtisch werk niet van groote beteekenis.

Sedert 1883 verschenen achtereenvolgens: _Familien paa Gilje_ (1883), _En Malstrøm_ (1884), _Otte Fortællinger_ (1885), _Kommandørens Døtre_ (1886), _Et Samliv_ (1887), _Majsa Jons_ (1888), _Onde Magter_ (1890), _Trold_ (2 verzamelingen novellen 1891-2), _Niobe_ (1893), _Lystige Koner_ (1894), _Naar Sol gaat ned_ (1895), _Dyre Rein_ (1896), _Lindelin_ (1897), _Faste Forland_ (1899), _Wulffie & Comp_ (1900), _Naar Jernteppet falder_ (1901), _Ulfulgerne_ (1904).

Het is een eigenaardigheid van Lie, dat bepaalde karakters en bepaalde motieven bij hem bij herhaling weerkeeren. Men kan zelfs een niet gering deel zijner vertellingen groepeeren naar de hoofdmotieven, en het is in vele gevallen niet moeilijk, in de ervaringen van den held die van den dichter terug te vinden. Toch valt Lie niet in herhalingen; bij een nieuwe bewerking vindt hij telkens aan het geval een nieuwe zijde.

Een type, dat reeds in de zeemansvertellingen _(Lodsen og hans Hustru, Gaa paa_) optreedt, is de man, die met de zwaarste tegenspoeden te kampen heeft, maar deze door volharding te boven komt en zich een positie weet te verschaffen. In _Gaa paa_ is het een jonge man, die in armoe raakt, naar zee gaat, als scheepsjongen begint en als reeder eindigt. In twee andere romans wordt alleen verteld van de neerlaag in den beginne en het besluit, het niet op te geven.

_Thomas Ross_ vertelt van een jeugdig dichter, die het geluk gehad heeft, dat zijn eerste werk goed ontvangen werd. Hij gaat nu ijverig aan het schrijven, maar het eene fiasco volgt op het andere. Hij geraakt in bitteren nood en is op het punt, zijn roeping te laten varen en een bezoldigde betrekking te zoeken, maar wordt daarvan teruggehouden door een meisje, dat in zijn talent vertrouwen stelt. Zij verbindt haar lot met het zijne, en hij zal zich zelf herzien en zijn strijd voortzetten. Het is niet moeilijk, hier Jonas Lie te herkennen in de dagen, toen hij gebrek leed, en toen de kritiek zijn boeken ongunstig opnam, toen hij de tanden samenklemde en, gesteund door zijn wakkere vrouw, besloot vol te houden.

Dezelfde figuur ontmoeten wij een aantal jaren later opnieuw in _Faste Forland_, en weer herkennen wij daarin Jonas Lie. De tegenspoed is van anderen aard dan die van Thomas Ross, maar ook deze behoort tot de ervaring van den dichter, en de oplossing is in beide gevallen dezelfde. Een verschil bestaat hierin, dat Faste Forland een tijd lang een onjuist inzicht in zijn eigenlijke roeping heeft. Faste is een plannenmaker, en hij bezit de gave, om zich en anderen voor zijn plannen op te winden, maar hij mist de practische gaven, die noodig zijn, om deze op de juiste wijze tot uitvoering te brengen. Dit gebrek is hij zich echter niet bewust, en daardoor sticht hij veel kwaad. Hij overreedt zijn stadgenooten, om geld bijeen te brengen, ten einde het stadje in een badplaats om te scheppen. Men gaat aan het bouwen, en Faste is de ziel der onderneming. Zijn veelzijdigheid kent geen grenzen. Tusschen de financiëele berekeningen en de ontwerpen voor nieuwe gebouwen werkt hij aan een tooneelstuk. De meisjes uit het stadje zullen een dilettantentooneel oprichten, en hij zal zorgen voor het repertoire. Het badhuis komt gereed en wordt feestelijk ingewijd, maar voor er nog een badgast aanwezig is, is de zaak failliet, en Faste moet vertrekken, door zijn verarmde stadgenooten gehoond. Maar niet allen hebben in zijn plannen vertrouwen gesteld. Onder de twijfelaars is een vriendin, die hij bij herhaling in zijn voornemens inwijdt. Maar telkens verlaat hij haar in arren moede, als hij stuit op het ongeloof van haar, die in hem geen zakenman ziet. Als de zaak echter verloren is, dan komt Bera hem te gemoet, en nu wordt Faste dichter.

Het klinkt als een sprookje--en toch is het werkelijkheid. Ook de mislukte zakenman Jonas Lie is dichter geworden, en niet zonder den bijstand van Thomasine.

Het hoofdmotief van _Faste Forland_ is de mislukte onderneming en het faillissement. Het was hier niet de eerste maal, dat Lie een faillissement tot onderwerp van een roman koos. Het is reeds het hoofdmotief in _En Malstrøm_, en het neemt een gewichtige plaats in in _Et Samliv_ en in _Niobe_. Ook hier geldt, dat niet geestelijke armoede de oorzaak is, wanneer Lie een motief bij herhaling behandelt, maar eer eene groote oprechtheid, die hem drijft, vooral over die dingen te schrijven, die hij het best kent. Ook dit onderwerp behandelt hij van zeer verschillende zijden. In _Faste Forland_ is de slechte zakenman toch een ernstig man, die er zwaar voor boeten moet, dat hij zich zelf niet gekend heeft; in _En Malstrøm_ en _Niobe_ ontmoeten wij twee variaties van den lichtzinnigen speculant, die het met het bezit van zijn medemenschen niet nauw neemt (in laatstgenoemd boek als bijfiguur), in _Et Samliv_ is het de familievader, die op het punt is, in den ondergang van anderen te worden meegesleept, die tegenover vrouw en kinderen het hoofd rechtop moet houden en den schijn van rijkdom aannemen, terwijl hij met iedere post het bericht wacht, dat hem den genadestoot zal toebrengen, die echter op het uiterste oogenblik door een vriend gered wordt. Met al die menschen leeft Lie mee, en hij doet ons hen verstaan, zoodat wij niet met een goedkoopen afschuw vervuld worden, maar ook in de zwakheden der zwakken het menschelijke zien. Lie is hier midden in de 'problemenpoëzie' geraakt; de vergelijking met anderen, die hetzelfde onderwerp behandeld hebben, toont het verschil in aard tusschen de dichters. Het faillissement was in die dagen in de litteratuur in de mode; zoowel Bjørnson als Kielland hebben het behandeld. Beiden zijn tendentieschrijvers, maar op verschillende wijze. Voor Kielland (in _Fortuna_) is het faillissement de onverantwoordelijke daad van een gewetenloos man, natuurlijk uit de hoogere klasse, en de schrijver laat niet na, zijn held met de leelijkste eigenschappen, valschheid en huichelarij, in hooge mate te voorzien. Die man is niets dan gemeenheid en laagheid. Er komen in _Fortuna_ prachtige bladzijden voor, maar licht en schaduw zijn op eene wijze verdeeld, die eigenlijk geen andere bedoeling heeft, dan hartstochten te wekken. Anders Bjørnson. Hem is het niet te doen om propaganda te maken tegen eene maatschappelijke klasse, maar voor eene moreele gedachte, deze namelijk, dat men geen vrede kan hebben, wanneer men leeft in onware verhoudingen. Zijn speculant is diep ongelukkig, zoolang de waarheid er niet uit is, maar nauwelijks heeft een edel advocaat hem tot bekentenis gedwongen, of de man voelt zich verlicht. In het laatste bedrijf leeft hij met zijn gezin idyllisch in een eenvoudige woning van een gering loon en is tevreden. Ook van dezen man is de psychologie wel wat al te weinig samengesteld, om ons belang in te boezemen. Van begrijpen van den bankroetier is ook hier geen sprake. Jonas Lie oordeelt niet, noch den man, noch de daad, maar hij vertelt, en als hij uitverteld heeft, kennen wij den faillent, en wij begrijpen, dat het zóó gaan moest, als het is gegaan.

Het spreekt wel van zelf, dat de verhouding der geslachten, die een zoo groot deel der aantrekkelijkheid van de meeste romans uitmaakt, ook bij Jonas Lie een belangrijke rol speelt. Meer dan één van zijn boeken zou men huwelijksromans kunnen noemen. De dichter heeft daarin een belangrijke bijdrage geleverd in de discussie over de positie der vrouw. Ook hier onthoudt hij zich van het theoretisch proclameeren van één eenige waarheid. Bij hem komt alles op de persoonlijkheid aan, en hoezeer Lie ook een vriend is van de vrijheid, de vrouwen, die hun naaste plichten vergeten, om zich aan 'hoogere' dingen te kunnen wijden, vinden in den regel bij hem weinig sympathie. Van de andere zijde heeft hij menig gelukkig interieur geschilderd, waarin de vrouw het sterkste karakter heeft. Die grootere kracht kan, zoo meent hij, wanneer de liefde en het verstand niet te kort schieten, aan het gemeenschapsleven ten goede komen. Vrouwen van deze soort in verschillende levensposities zijn onder anderen Susanne in _Den Fremsynte_, Bera in _Faste Forland_, Ely Falk in _Adam Schrader_, Ellen in _Naar Jernteppet falder_. Op het juiste evenwicht komt het aan; de vrouw, die zich niet weet te handhaven, wordt de verdrukte huismoeder eener vroegere periode; zij, die niet kan geven, wordt de egoïste, de coquette, de ontrouwe vrouw. Al deze typen heeft Lie geschilderd, zóó dat zij lijken.

De hoogste deugd is voor Lie vastheid en betrouwbaarheid. En het grootste ongeluk in een huwelijk is twijfel. Twijfel is een motief, dat hij bij herhaling gebruikt heeft. Viermaal ontmoeten wij in zijn romans den twijfel van een man aan de trouw van zijn vrouw (_Livsslaven_, waar de vraag de trouw der geliefde geldt, is hier niet meegeteld). In drie van deze gevallen vergist de man zich, en de oplossing is hier overal dezelfde. Maar er is een climax in de kunst, waarmee de dichter het sentiment motiveert en op de ontknooping aanstuurt.

In _Lodsen og hans Hustru_ bestaat voor de verdenking eenige aanleiding, en dit maakt de vrouw zwak in haar houding tegenover den man. Veertien jaar lang zwijgen zij tegenover elkander, maar de man ontwikkelt zich in dien tijd tot een tyran, en de vrouw onderwerpt zich daaraan, om hem niet te verliezen. Eindelijk gaat het voor haar op, dat dit de zekerste weg is, om hem geheel kwijt te raken, en nu verzet zij zich. De omstandigheden brengen mee, dat zij hem tegelijk een bewijs van haar onschuld kan geven; de man voelt zich beschaamd over zijn gebrek aan vertrouwen, en hij verbetert zich. De wederzijdsche verbittering is in dit boek mooi geschilderd, maar de verzoening geschiedt nog in hooge mate volgens een roman-recept. Men twijfelt met recht, of het dien man, die zóó lang de alleenheerschappij heeft gevoerd, gemakkelijk zal vallen, voortaan met parlement te regeeren. In _Adam Schrader_ is het conflict in een hoogere gedachten- en levenssfeer getrokken. Het neemt hier een vorm aan, waarin het daarna nog tweemaal optreedt. De man is een goed huisvader, maar prozaïsch; de vrouw is muzikaal; een vriend van den huize dringt zich in de intimiteit en ontmoet de vrouw op het gebied der kunst, waarvoor de man geen gevoel heeft. De man wordt jaloersch, maar het karakter der vrouw is zóó oprecht en flink, dat aan haar deugd geen twijfel kan bestaan, en de zaak eindigt hiermee, dat zij hem flink de waarheid zegt, waarop Adam Schrader bakzeil haalt. Ook dit boek behoort tot Lie's eerste periode. Later heeft hij gevonden, dat twijfel van dezen aard toch te ernstig is, om door een strafpredikatie te worden weggenomen, en hij heeft ook die ontmoeting der zielen in eene hoogere wereld minder onschuldig gevonden, dan toen hij _Adam Schrader_ schreef. Hij vertelt dan nog twee gevallen, waarvoor een ernstiger kuur noodig is. Het eerste is een tragisch geval, de hoofdhandeling in _Naar Sol gaar ned_. Wederom is het de wereld der muziek, waarin de vrouw en de vriend des huizes elkander ontmoeten. De vrouw is schuldig. En haar man, een dokter, doorziet haar. Maar geen woord komt over zijn lippen. Hij wil zekerheid hebben, en deze verschaft hij zich op eene wijze, die haar het leven kost. Zoo heeft hij zelf justitie gehouden. Het kost hem zijn levensvreugde en zijn werkkracht; hij verzinkt in doodsche melancholie. Maar de eer van zijn huis heeft hij gered.

Het is karakteristiek voor den optimistischen dichter, die zoo gaarne alle dingen ten beste leidt, dat hij daartoe in dit geval geen kans heeft gezien, maar geen anderen uitweg vond dan een gewelddadigen dood. Waar geen fundament is, zoo meent hij, daar kan geen gebouw staan.

Nogmaals schildert hij den twijfel in een zijner laatste werken _Naar Jernteppet falder_ in een der talrijke parallel loopende vertellingen van de ervaringen van een aantal menschen, die samengepakt op een oceaanstoomboot voor den tijd van negen dagen aan gelijksoortige lotswisselingen blootstaan. De belangstelling is hier geheel geconcentreerd op hetgeen in de echtelieden omgaat. Den vriend leeren wij zelfs niet kennen. Man en vrouw bevinden zich met hun kind aan boord; de man wil in de nieuwe wereld zijn horizont verbreeden, nieuwe kennis opdoen, naar het heet. Maar de kennis, die hij zoekt, is kennis van het gemoed zijner vrouw. Wat gaat er in haar om? Wat verbergt zij voor hem? De reis brengt geen verlichting, noch inzicht; iederen dag neemt de spanning toe. Ook de vrouw houdt het niet uit; zij vergaat van angst, als zij haar man ziet. De lezer weet niet, of zij schuldig is; wanneer de man spreekt, gelooft hij het; wanneer de vrouw spreekt, gelooft hij het niet. Dan komt er een oogenblik van gevaar, waarin het schip dreigt onder te gaan. Vrouwen en kinderen worden in de booten geladen; voor de mannen is geen plaats. Op dit moment komt voor den dag, wat er in de menschen steekt. Een arme dominee ontpopt zich als een weggeloopen kassier, een gelukzoeker, die zich een dag te voren met eene rijke Amerikaansche verloofd heeft, stoot haar van zich, daar hij meent, zich beter te kunnen redden, als hij alleen is. Maar mevrouw Arna Angell weigert, in de boot te gaan. Zij heeft haar man verloren, terwijl hij bij haar was,--thans wil zij in haar laatste oogenblik hem bezitten en met hem sterven. Dat is echter de wetenschap, die Dr. Angell zocht; nu kan hij naar zijn land terugkeeren, en nu voor het eerst spreekt hij tegenover haar uit, dat _zij_ het is, aan wie hij getwijfeld heeft. De twijfel vindt zijn einde, zonder dat man en vrouw een enkel woord daarover met elkaar wisselen, zonder dat een rekening wordt opgemaakt. De nabijheid van den dood heeft beiden voor elkander geopenbaard; het gevaar is de rechter geweest; wat leugen is, is ondergegaan; wat waarheid was, stond tot nieuw leven op. Een fijne, romantische gedachte in een geheel modern kleed.

Een mindere rol speelt in Lie's werken de ontrouw van den man. Slechts één tooneelstuk, _Lystige Koner_, is op dit motief opgebouwd. De behandeling is gansch anders dan die van het vorige geval. Hier wordt niet geschilderd, hoe de vrouw twijfelt, maar welke verandering bij haar plaats heeft, wanneer haar liefdedroom door de ongevraagde bekentenis van den man, dat hij ontrouw is geweest, verstoord is. De man neemt het er niet zoo nauw mee en wenscht, dat ook zij de zaak niet zwaar zal opvatten, en aan dat verzoek voldoet zij; zij wordt eene vrouw, met wie het gemakkelijk is te leven. Maar de innigheid is weg.

Dieper heeft Lie dit onderwerp niet behandeld. Een andere ondeugd echter is het, die bij vele van zijn mannen op den voorgrond treedt, namelijk de zelfzuchtige hardheid. Een heele galerij van huistyrannen heeft hij geschilderd, onder wier gevoellooze hand het familieleven verkwijnt. Zulke zijn: de Kaptein in _Familien paar Gilje_, Mads Foss in _En Malstrøm_, de directeur in _Onde Magter_. In zulke families vinden wij huismoeders, die tot sloven geworden zijn, zooals 'Ma' in _Familien paa Gilje_, misschien het meest treffende voorbeeld van dit type, dat de Noorsche litteratuur kent. In zulke gezinnen heerscht een atmospheer van gedruktheid, waarvan ook de kinderen het offer worden.

Bij een dichter van het familieleven als Jonas Lie neemt uiteraard de vraag, wat er onder de omstandigheden, die hij beschrijft, van het jonge geslacht wordt, een eerste plaats in. Weer treft het ons, dat de dichter, in plaats van over de verhouding tusschen ouders en kinderen eene theorie gereed te hebben, de zaak van verschillende zijden kan zien. Het is zeker geen toeval, dat de latere werken zulke andere beelden te zien geven dan de vroegere. In den beginne ontstaan er bijna altijd conflicten door eene soms verschoonbare, maar toch altijd af te keuren bekrompen heerschzucht der ouders of van één van beide. Bij de jongens kan de strijd loopen over de beroepskeuze, bij de meisjes gaat het meest om het huwelijk. De jongen, die zich verzet, kan niet zelden een eigen weg zoeken; bij het meisje is de kans geringer, maar in elk geval is haar levensgeluk er mee gemoeid. Alles is echter verloren, wanneer zij zwak zijn en toegeven. In _Rutland_ wil de jongen naar zee. De vader, die de bezwaren van het zeemansleven bij ervaring kent, wil dat niet toestaan; de jongen loopt weg, wordt een flink zeeman en verzoent zich later met den vader. Dit is het gunstigste verloop. In _Familien paa Gilje_ moeten de dochters uitgehuwelijkt worden, omdat dit de eenige wijze is, om hen te verzorgen; in _En Malstrøm_ is het nog erger; hier dienen zij, om de schulden van den vader af te doen; in _Kommandørens Døtre_, waar de moeder de drijfkracht in huis is, is het de eerbied voor conventie, die aan het geluk der kinderen in den weg staat. Het zijn al te gader ouderwetsche milieu's, dat wil zeggen, in die dagen ouderwetsch, thans nog slechts bij hooren zeggen bekend, waarin denkbeelden heerschen, die in strijd komen met een modernen drang, om zelf de smid van zijn geluk te zijn.

Maar weldra toont Lie, dat hij ook oogen heeft, waarmee hij de excesses van dezen drang kan zien. De vrijheid wordt losbandigheid; de wil wordt niet geoefend, en er komt een geslacht op van veeleischende kinderen zonder plichtbewustzijn, voor wie brave ouders alles offeren. Zulk een gezin is dat van Dr. Baarwig in _Niobe_.

De verhouding der standen in de maatschappij, een geliefkoosd onderwerp van de letterkunde dier dagen, wordt door Jonas Lie zelden of nooit tot hoofdthema van een boek gemaakt, en geen enkel maal heeft hij zijn pen misbruikt, om de klassen der bevolking tegen elkander op te hitsen, Hij zelf behoort tot de hoogere klasse, maar sedert zijn kindsheid heeft hij met menschen uit zeer verschillenden kring omgegaan, en zoo heeft hij vroeg gezien, dat de tegenstelling tusschen arm en rijk slechts een der vele tegenstellingen van het leven is. Ook zijn romans bewegen zich onder menschen van iederen rang, en zij toonen, dat hij overal thuis is. Er is in deze boeken dan ook nooit sprake van een principiëele vijandschap tusschen de standen. Ook dit hangt ongetwijfeld met eigen ervaringen samen. Hij heeft reeds in het milieu, waar hij opgroeide, gezien, dat een goede verstandhouding mogelijk en voor beide partijen heilzaam is. Niettemin heeft hij oog gehad voor het onrecht, dat de sterkere den zwakkere kan aandoen, maar ook hier wacht hij zich voor een schildering uitsluitend in wit en zwart. Twee van zijn romans kan men in dezen zin 'maatschappelijke' romans noemen, te weten _Livsslaven_, uit de eerste periode, en _Majsa Jons_, een van zijn rijpste werken. _Livsslaven_ is de geschiedenis van den onechten zoon eener dienstbode, die het nu eenmaal moet ontgelden, dat hij niet wettig geboren is, en niettegenstaande alle pogingen, om zijn roer recht te houden, tot misdaad wordt gedreven. Hier komen inderdaad rijke menschen voor, die daaraan mee schuldig zijn. Maar zij zijn niet de eenige; niet minder wordt de man geplaagd door zijn klassegenooten. Het boek is dan ook meer een--nog eenigszins sentimenteele--poging, om meegevoel met den onschuldig-schuldige te wekken, dan een pleidooi in den strijd der standen. Veel belangrijker is de historie van _Majsa Jons_, het naaistertje, dat inderdaad in de koopmansfamilie, waar zij haar oogen bederft, erg gemaltraiteerd wordt en ten slotte uit overwegingen van familiepolitiek gedwongen wordt te trouwen met een schoenmaker, dien zij niet liefheeft. Maar ook hier valt het sterkste licht niet op het onrecht, dat zij lijdt, maar op den kleinen roman, dien zij beleeft in de vriendschap met een armen student en op de resten van blijmoedigheid, die zij uit de schipbreuk van haar leven redt.

Zoo toont Jonas Lie zich overal als een 'humaan' dichter in den edelen zin van het woord. Hij heeft menschen bestudeerd en getracht, eene verklaring te vinden voor hun doen en laten, voor hun wonderlijkheden, ook voor hun misstappen. Hij beoordeelt hen niet summarisch naar de vraag, of zij ouderwetsch of nieuwerwetsch, rijk of arm zijn, of zij tot deze of die politieke partij behooren. Hij vraagt alleen, of zij een fond van levenswaarheid bezitten, en wanneer dit het geval is, moet het al heel gek loopen, als er niet ergens een uitweg voor hen is. Verliezen zij één ding, dan vinden zij mogelijk iets anders. Want er is veel, waarvoor het waard is, te leven. In dezen zin is Lie een echt optimist.

Een eigenaardige tegenstelling met de talrijke romans uit het familieleven en de maatschappij vormen de vier en twintig kleine vertellingen, die in de jaren 1891-92 onder den titel 'Trold' in twee bundels verschenen. Deze toonen, dat de fantast, waarmee Jonas Lie in zijn jeugd te kampen had, wel ondergehouden, maar niet ondergegaan is. Zij doen het meest denken aan de spookhistoriën uit _Den Fremsynte_. Maar tusschen het oudere werk en de jongere vertellingen liggen vele jaren van reflexie. Voor Lie hebben de duivels van het volksgeloof nu ook een symbolische beteekenis gekregen. Zij beteekenen de elementaire natuurkracht, zoowel buiten als in den mensch. Zoo vinden wij naast elkaar staan stukken als _Moskenæsstrømmen_, waarin natuurkrachten gepersonificeerd zijn, zonder dat de mensch met hen in aanraking komt, _Bylgja_ en _Kværnkallen,_ die de mystieke indrukken schilderen, welke de mensch van de overmachtige natuur ontvangen kan, en zulke als _Hauk og Hadding_, waarin de menschelijke hartstocht de ongetemde duivel in den mensch is, die hem tegen beter weten in beheerscht. In dezen vorm speelt het trold ook wel in de romans een rol, al wordt het niet met name genoemd. Als een daemonische tweede persoon in den mensch, onafhankelijk van zijn wil, treedt het alleen op in den hierboven kort besproken roman _Dyre Rein_. Interessant is in dit licht ook de korte novelle _Østenfor Sol og vestenfor Maane_, waar tusschen de hoofdstukken, die de eigenlijke vertelling inhouden, korte stukken voorkomen met beelden uit het dierenleven en den strijd op leven en dood, die in die wereld wordt gevoerd. Zóó, meent de dichter, is het ook onder de menschen. De cultuur legt over het geheel een vernis, maar daaronder woont het dier, het trold, de duivel. De hoogste inspanning is noodig, om dezen te overwinnen. Hoe dat gelukken kan, kan men op die talrijke plaatsen in zijn boeken lezen, waar liefde sterker blijkt dan egoïsme. Hier onderscheidt Lie zich van sommige jongere schrijvers, die de cultuur als leugen beschouwen en het als de hoogste wijsheid--en moraal--proclameeren, het trold zijn gang te laten gaan.

Dat Jonas Lie in den prozaroman den kunstvorm heeft gevonden, die voor hem het best paste, blijkt niet alleen uit zijn talrijke praestaties van den eersten rang op dit gebied, maar ook uit de vergelijking met zijn overige productie. Zijn tooneelstukken _Grabows Kat, Lystige Koner, Lindelin, Wulffie & Cie_, ofschoon niet van belang ontbloot, staan verre bij zijn romans achter. En ook zijne werken in verzen, _Faustina Strozzi_ en twee bundels gedichten, toonen wel gemak van versificatie, maar zelden die macht van uitdrukking, die ontzag inboezemt. Zij leveren echter eene niet onbelangrijke bijdrage tot de kennis van des dichters persoon.

