Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
Part 8
Het drama toont duidelijk, hoezeer Ibsen, ofschoon als kunstenaar realist, toch ook nu nog als van ouds ideeëndichter is. De gedachte is zoo algemeen mogelijk; "de geest van waarheid en vrijheid",--abstracter kan het al niet. Deze geest groeit in de groote maatschappij en wordt van daar naar een bekrompen uithoek der samenleving gebracht, waar men bezig was, moreel onder te gaan in leugen en zelftevredenheid. Die geest wordt gebracht door een vrouw. Ook dit is bij Ibsen niet nieuw. Hij had een hoog denkbeeld van de offervaardigheid der vrouw, die samenhangt met haar onmiddellijkheid, en hij meende, dat zij in eene omgeving, waar ieder aan alle zijden door égards gebonden was, gemakkelijker haar onafhankelijkheid kon bewaren dan de man. Het type van de trouwe vrouw, die alleen naar de stem van haar hart luistert en zich aan geen enkele consideratie stoort, stamt uit zijne romantische periode, en het keert tot in zijn laatste stukken terug. Voorgangsters van Lona Wessel in dezen zin zijn reeds Aurelia in _Catilina_, later Solvejg in _Peer Gynt_. En Ella Renthejm in _John Gabriel Borkman_ behoort tot dezelfde categorie.
Het kan daarom niet verwonderen, dat waar Ibsen van algemeene maatschappelijke moraal tot de behandeling van een meer speciaal onderwerp overgaat, hij in de eerste plaats denkt aan de vrouwenzaak, die zich bovendien juist in algemeene belangstelling verheugde. _Et Dukkehjem_ is een tragedie van eene vrouw, die een hooggespannen opvatting heeft omtrent de liefde van haar man, maar wier verwachting teleurgesteld wordt, en die nu haar man verlaat, waar de werkelijkheid niet aan de illusie beantwoordt. Modern is de dichter ook hierin, dat noch de heiligheid van den huwelijksband, noch ook de banden, die de moeder aan de kinderen binden, de macht hebben, om haar van dien stap terug te houden.
In _Gengangere_ is de toon scherper. Men kan zien, dat de dichter weer met zijn omgeving in strijd geraakt is. De onvriendelijke ontvangst, die aan _Et Dukkehjem_ ten deel viel, wordt beantwoord door een scherper stellen van het probleem. De vrouw, die in een onwaardig huwelijk leefde en het niet verbroken heeft, maakt zich daarvan een verwijt, en zij eindigt, met zelf het leven van de ongelukkige vrucht van haar huwelijk uit te blusschen.
Nieuwe uitingen van zedelijke verontwaardiging in de pers drijven den dichter tot zijn prachtigen aanval op de publieke opinie en de courantenpers als leidster van deze. Er is geen stuk van Ibsen, waarin zich zulk een frissche strijdlust openbaart als _En Folkefiende_. De ontembare moed en het zelfbewustzijn, waarmee de dichter hier den strijd aanvaardt, brengen ons nog heden in verrukking als voor veertig jaar. Van Brand's idealisme heeft hij niets opgegeven. Maar Stockman is menschelijker dan Brand. Niet voor een abstracte gedachte treedt hij op, maar voor de eenvoudige plichtsvervulling, die men van een man verwachten mag. Dokter Stockman heeft bemerkt, dat het water der badplaats, waaraan hij werkzaam is, vergiftigd is. Hij juicht, dat hij de oorzaak der ziektegevallen, die voorgekomen zijn, heeft gevonden, maar alle partijen, conservatief en radicaal,--anders elkanders gezworen vijanden,--vereenigen zich tegen den man, die de waarheid wil zeggen. Want wanneer deze bekend werd, zou dat den oeconomischen ondergang van de badplaats ten gevolge hebben. De autoriteiten der stad en de oppositiepers werken broederlijk samen, om Stockman onmogelijk te maken, en een volksvergadering verklaart hem met algemeene stemmen met uitzondering van die van een dronken man tot een vijand van het volk. Maar Stockman verliest zijn goede humeur niet; immers, hij heeft een nieuwe ontdekking gedaan, en wel deze, dat de sterkste man ter wereld hij is, die het meest alleen staat.
De drager der ideale gedachte is hier de dichter zelf. Gelijk Stockman zal hij den strijd voortzetten. Maar de figuur is geen zelfportret, en evenmin eene abstractie. Het is een levend mensch, zóó waar geteekend, als men dien in een modern tooneelstuk verlangen kan. Maar indien al het karakter trekken van Ibsen heeft, niet zoo zijn wijze van optreden in het openbaar. Die Stockman, die in de volksvergadering tegenover de menigte staat, is niet de schuwe dichter, die zich van de aanraking met het plebs terughoudt, maar zijn rivaal Bjørnson. Den zedelijken moed hadden beiden, de gedachten zijn van Ibsen, de klinkende stem in de vergaderzaal is die van Bjørnson. Ibsen heeft, zooals G. Gran het uitdrukt, aan Stockman Bjørnson's stem gegeven. Ook de overige personen zijn scherper getypeerd dan in eenig vroeger stuk. Peter, de kleinzielige bureaucraat, Hovsted, de intrigeerende redacteur, Billing, de verslagenschrijver, die Hovsted's woorden als een echo napraat, en wiens originaliteit hierin bestaat, dat hij er een 'gud døde mig' aan toevoegt, Aslaksen, de drukker en huisjesmelker, de kleine burgerman, in wiens hoofd alleen plaats is voor de vraag, waar de kleine luiden van zullen leven, maar ook Stockman's moedige dochter Petra, die het nobele karakter van haar vader heeft en Hovsted's leugenachtigheid doorziet, Katrine, de bezorgde huismoeder, die bang is voor den dreigenden nood, als Stockman zal worden afgezet, maar op het kritieke oogenblik weet, welke keuze zij moet doen, en den vijand 'een oud wijf zal laten zien, dat voor een keer een man kan zijn'. Al deze figuren dragen het stempel der echtheid.
En dan komt _Vildanden_ (De wilde Eend), het mismoedigste stuk, dat Ibsen geschreven heeft. Het ziet er uit, of hij het geloof in den mensch geheel verloren heeft. Ook hier treedt, in Gregers Werle, een predikant van een hooger levensopvatting op, maar de man is niet meer een ideale figuur, maar een ideoloog, die met zijn predicaties, te pas gebracht, waar zij niet verstaan kunnen worden, slechts bereikt, dat de vrede van een gezin verstoord en een onschuldig kind tot zelfmoord gedreven wordt. De waarheid wordt in den mond gelegd van den cynicus Relling, die zegt: "mijn beste mijnheer Werle junior, gebruik niet het vreemde woord idealen; wij hebben het goede Noorsche woord leugens," en die verklaart: "neem je een doorsnee-mensch zijn levensleugen af, dan neem je hem te gelijk het geluk af." En eindelijk: "Och, het leven kon goed genoeg zijn, als wij maar vrij mochten zijn van die lummels, die ons arme lui de deur plat loopen met den idealen eisch." Bittere ervaringen moet de dichter van _Brand_ gehad hebben, voor hij zóó iets schrijven kon. Men wordt herinnerd aan zijn verzen: "At digte er at holde dommedag over sig selv" (dichten is oordeelsdag over zich zelf houden). Preeken helpt niet; de poëet, die zijn leven lang gepreekt heeft, wordt in Gregers Werle tot den onpractischen dwaas, die maar blij moet zijn, dat hij de dertiende man aan tafel is.
En toch--het bloed kruipt, waar het niet gaan kan. Ibsen's geloof verzaakt zich niet. Opnieuw heeft hij waarheid en toewijding gevonden en geïncarneerd, maar ditmaal niet in eene heldenfiguur, noch in eene vrouw, die zit te wachten op het wonder,--dat een ander verrichten zal,--maar in een kind, dat zich in haar eenvoud niet bewust is, hoe edel zij voelt. In smart over den twijfel van haar vader, om hem het bewijs te geven van haar liefde, waaraan hij een ongegronden twijfel heeft uitgesproken, geeft Hedwig zich zelf den dood. Zóó staat ook in _De wilde Eend_ een ideale figuur, die aan één zaak alles offert, tegenover een wereld van menschen, wier hooger leven in phrases is ondergegaan. Maar er is een verschil bij vroeger. Voor het eerst stapt hier het idealisme van zijn piedestal af en treedt niet op als eischer maar als levende kracht in een onbedorven gemoed. Het openbaart zich als offervaardigheid zonder pretentie. En daarmee is de mogelijkheid, om aan den mensch te gelooven, weer geopend. In de massa verdwijnt het ideaal; in den enkelen mensch kan het leven, en het leeft overal, waar heele gevoelens aanwezig zijn. Zoo wordt uit de wanhoop van _Vildanden_ het geloof opnieuw geboren. En zoo is het begrijpelijk, dat Ibsen's volgend drama handelt over de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden.
Voor Ibsen is het realisme een kunstvorm geweest, dien hij beter behandelde dan één zijner tijdgenooten. Nergens ontmoet men zóó levende personen als bij hem. Maar nooit is het voor hem een theorie geweest. Als dichter was hij zich zelf, niet een man van een school. Waar hij naar het leven teekende, deed hij dat niet, omdat dat op het oogenblik mode was, maar omdat hij de menschen zóó zag. En wat de 'problemenpoëzie' betreft, Ibsen heeft maatschappelijke problemen behandeld, omdat en voorzoover zij hem belang inboezemden. Maar altijd is zijn poëzie gedragen geweest door eene hoogere gedachte, en daarom zullen zijne tooneelstukken gelezen worden, wanneer de litteratuur van den dag zal vergeten zijn. De maatschappij en de menschen zijn toevallig; het menschelijke is blijvend. In Ibsen's toevallige menschen reflecteert zich het menschelijke.
In dezelfde periode ging Bjørnson over tot de behandeling van maatschappelijke vragen in realistische kunstwerken. Wat ons bij het lezen van deze boeken onmiddellijk treft, is, dat zij voor het meerendeel een sterk propagandistisch karakter dragen. Daardoor hebben zij in den strijd van den dag een zeer groote rol gespeeld. Maar daardoor verliezen zij ook aan blijvende waarde. Bjørnson was als kunstenaar gelijk in andere opzichten een zeer veelzijdig man, maar hij ontging niet aan de oppervlakkigheid, die dikwijls met veelzijdigheid gepaard gaat, en het gemak en de snelheid, waarmee hij werkte, zijn aan zijne kunst niet uitsluitend ten goede gekomen. Voor Noorwegen heeft hij veel beteekend; langen tijd was hij de meest populaire man van het land, en voor vele zaken heeft hij geijverd, daaronder voor Noorweegsche levensbelangen. De onafhankelijkheid van het land heeft in hem altijd een voorvechter gevonden. Als dichter heeft hij tooneelstukken, novellen, romans, gedichten geschreven, maar niet minder uitgebreid is zijne werkzaamheid geweest als dagbladredacteur, als spreker in volksvergaderingen, als theaterregisseur. Hij had eene ongelooflijke werkkracht. Maar vraagt men, welke beteekenis zijne werken voor de wereldlitteratuur hebben, dan valt er van dat alles heel wat af. Een eigen blik op de levensvragen kan men niet zeggen, dat Bjørnson gehad heeft. In tegenstelling met zijn grooten tijdgenoot, die elke vraag, die hem bezig houdt, doorgrondt en in een nieuw licht plaatst, stelt Bjørnson er zich mee tevreden, meeningen, die voor hèm nieuw zijn, te populariseeren. Niet het doorgronden der problemen, maar de algemeene verbreiding van gegeven opinies is zijn doel, en daaraan maakt hij ook zijn kunst ondergeschikt.
Een voorlooper van Bjørnson's 'nutidsdramer' is _De Nygifte_ (De pas-getrouwden) (1865), een tamelijk onbeduidend stukje, dat echter levendige scènes bevat en nog wel gespeeld wordt. De groote stroom begint in 1875 en zet zich tot zijn dood voort. Hiertoe behooren: _Redaktøren_ en _En Fallit_ (1875), _Kongen_ (1877), _Leonarda_ (1879), _Det ny System_ (1879), _En Hanske_ (1883), _Over Ævne_, I (1885), II (1895), _Geografi og Kærlighed_ (1885), _Paul Lange og Tora Parsberg_ (1899), _Laboremus_ (1901), _Paa Storhove_ (1902), _Daglannet_ (1904), _Naar den ny vin blomstrer_ (1909). Vertellingen uit dezelfde periode zijn: _Magnhild_ (1877), _Kaptejn Mansana_ (1879), _Stöv_ (1882), _Det flager i Byen og paa Havnen_ (1884), _Paa Guds Veje_ (1889), _Nye Fortællinger_ (1899), _Mary_ (1906).
In bijna al deze stukken maakt Bjørnson zich tot advocaat van een of andere meening of waarheid,--dikwijls eene zeer juiste,--die, naar hij meende, hoog noodig gezegd moest worden. Bij voorbeeld: de noodzakelijkheid van opvoeding in _Det flager_, van verdraagzaamheid in _Paa Guds Veje Kongen_ is een preek over het thema, dat de republiek de eenig juiste regeeringsvorm is. _En Hanske_ handelt over de geslachtsmoraal. De dichter is hier zóó vervuld van de leer, die gepredikt moet worden, dat hij op het stuk een reeks voordrachten over hetzelfde onderwerp laat volgen, die weer aanleiding hebben gegeven tot breede polemiek, ook in litterairen vorm. Daar echter Bjørnson niet alleen verkondiger, maar ook dichter is, komen in al die stukken mooie bladzijden voor, en wanneer hij zijn propagandistisch doel eens vergeet, kan diezelfde naïveteit, die hem op zulk een toon van gezag wijsheid uit de tweede hand doet verkondigen, de bekoorlijkste schilderingen doen ontstaan. Zijn populariteit dankt Bjørnson ongetwijfeld voor een groot deel aan deze beminnelijke eigenschappen, maar toch ook aan zijn behoefte, om te verkondigen. De groote meerderheid der menschen wil gaarne in litteratuur en op het tooneel haar eigen meeningen tegenkomen en hooren uitgalmen als diepste wijsheid. Daartoe bestaat bij Bjørnson gelegenheid. Hij strijdt niet altijd voor waarheden als koeien, die iedereen erkent, maar nooit als dokter Stockman voor zulke, die alleen de voorpostvechters kunnen inzien. Neen, liefst voor zulke, die ongeveer de helft van het publiek voor zich hebben; dan is er pro en contra; dan is er strijd, en dan is de dichter in zijn element. Hij kent ook de tooneelknepen goed. Wanneer een man ontevreden is over gebrek aan vrijheid in zijn huwelijk, dan kan het niet met minder afloopen, dan dat hij een stoel omver schopt, en dat wordt, helaas! niet alleen op het schellinkje, zeer gewaardeerd.
Maar wanneer men het eerste gedeelte van _Det flager_ leest, waarin Bjørnson den stijl namaakt van een bekrompen copist, die met eerbied de gewelddaden der familie Kurt beschrijft, dan ziet men, hoe deze schrijver vertellen kon, wanneer hij de moeite deed, zich in eene situatie in te denken. Voor ons buitenstaanders, die het verlichtingswerk van Bjørnson niet noodig hebben, en die in vreemde litteratuur vooral datgene zoeken, wat zij tot verrijking van het Europeesche geestesleven heeft bijgedragen, is het moeilijk, een dichter als Bjørnson op zijne juiste waarde te schatten. Wij trekken de schouders op, wanneer wij zien, hoe in oudere stukken alle deugd van godsvruchtigheid komt, of wanneer een hoofdman uit de elfde eeuw ongevraagd een verklaring aflegt omtrent zijn geloof aan het leven hiernamaals, terwijl dat plotseling anders wordt, zoodra Bjørnson ca. 1876 tot de overtuiging komt, welke voor ons weinig nieuws bevat, dat het met de dogmatiek van het Christendom niet alles pluis is, waarop plotseling alle boosheid in de wereld aan de onverdraagzaamheid der orthodoxie wordt toegeschreven. Wij meenen, dat ketterjagerij ook elders wel voorkomt, en dat een dichter zijn licht en schaduw anders verdeelen kon. Maar men moet niet vergeten, dat in Noorwegen in die dagen een groot verlichtingswerk te doen was, en dat door Bjørnson's poëzie duizenden bereikt zijn, die eene wetenschappelijke litteratuur, en dat nog wel in vreemde talen, nooit bereikt zou hebben. Neemt men dat in aanmerking, dan kan men iets verstaan van de groote beteekenis, die in Noorwegen aan de geheele persoonlijkheid van Bjørnson gehecht wordt. En dan begrijpt men ook, dat de dichter soms overschat wordt. Want in het oordeel speelt de liefde eene rol,--en de liefde is naijverig.
Jonas Lie (1833--1905) neemt onder de romanschrijvers van de tweede helft der eeuw de eerste plaats in. Het geslacht, waaruit hij stamt, is, wanneer men ver genoeg teruggaat, eene boerenfamilie uit het Nordenfjeldske (d.i. het land ten Noorden van het Dovrefjeld), maar de overgrootvader van den dichter sloeg de juristenloopbaan in, en zoo stamt Lie in drie leden uit eene ambtenarenfamilie. De moeder was uit het Noordland, misschien heeft zij een element Lappen-, mogelijk ook Zigeuner-(Tater-) bloed in de familie gebracht. Van vaderszijde erfde Lie aanleg voor het practische leven en strenge logica, van zijne moeder poëtischen aanleg en fantasie, welke laatste soms voor de helderheid van denken gevaarlijk kon worden. Van jongs af heeft Lie den strijd tusschen heterogene elementen in zich gevoeld, maar hij was een krachtige natuur, die het gelukt is, het evenwicht te bewaren en een kunstenaar te worden, in wien de tegenstrijdige krachten samenwerkten. Zijn practische natuur maakt hem tot realist; zijn fantasie doet hem poëzie vinden ook in het dagelijksch leven; zijn aanleg tot het abnorme gaat juist zóó ver, dat hij abnorme individuen kan verstaan, maar zijn verstand helpt hem, om deze te objectiveeren.
Eigen levenservaringen hebben voor een belangrijk deel de stof geleverd voor Lie's romans. Men kan in zijn leven eenige momenten aanwijzen, die bij herhaling als poëtische motieven in zijn werken terugkeeren. Als zoodanig noemen wij: zijn jeugd in het Noordland, voornamelijk in Tromsø, waar hij indrukken van natuur en volksleven opdeed, die vóór hem in de litteratuur niet verwerkt zijn. Dan zijn huwelijk met zijn nicht Thomasine, eene vrouw van buitengewone eigenschappen, die niet alleen een goede vrouw voor hem geweest is, maar ook een steun bij zijn poëtischen arbeid, een versterking van het kritisch element. Voorts zijn leven als advocaat te Kongsvinger, waar hij levendig deel heeft genomen aan het gezelschapsleven, en aan het einde daarvan een groote handelscrisis, waarbij hij betrokken is geweest, en waarin hij de angsten heeft leeren kennen, die aan een faillissement voorafgaan.
Lie toonde als knaap weinig ijver, om zich de wijsheid der school eigen te maken. Voor litteratuur heeft hij zich betrekkelijk vroeg geïnteresseerd, en zelfstandige pogingen, om te dichten, dateeren uit zijn jeugd. Een eersten bundel gedichten gaf hij uit in 1866. Maar bij de gedeeldheid zijner belangstelling bleef het langen tijd dilettantenwerk. Wat zijn jeugd heeft bijgedragen, om den dichter te vormen, bestaat minder in oefening in het handwerk dan in vorming van het karakter en van den blik op het leven. De crisis, die den dichter geheel doet ontwaken, is zijn faillissement.
Toen Lie zijne eerste vertelling _Den Fremsynte eller Billeder fra Nordland_ (De Man met het tweede Gezicht of Beelden uit het Noordland) uitgaf (1870), was hij 37 jaar. Het boek brengt geheel nieuwe stof in de litteratuur. De dubbele titel beantwoordt aan een inhoud, die tot op zekere hoogte ook dubbel is. Het vertelt hoofdzakelijk in den vorm van een dagboek de geschiedenis van een zieken man, maar het houdt tevens zeer levendige en belangrijke schilderingen uit het bijgeloof in het Noordland in. De hoofdpersoon, David Holst, vertegenwoordigt ééne zijde van den dichter, den fantast, met ziekelijken aanleg tot het mystieke, zich openbarend in tweede gezicht. De dichter heeft zich gesplitst; zijne andere zijde leeren wij kennen in den medicus, die den zieke behandelt. De kwaal van David Holst is aangeboren; reeds in zijn jeugd hebben de dokters hem opgegeven. Er bestaat voor hem hoop op redding in de liefde van een gezond jong meisje, dat een vast geloof heeft in de alles overwinnende macht der liefde. Het meisje komt in een storm om, en David Holst krijgt het bericht daarvan in een visioen. Daarmee zijn voor hem de verwachtingen, die hij voor het leven koesterde, vernietigd. Maar de herinnering en de hoop op een weerzien houden hem staande, en wanneer hij in zijn moeilijkste oogenblikken de eenzaamheid opzoekt, keert hij niet terug, voor hij haar gezien heeft en uit dat visioen kracht heeft geput, om het leven vol te houden.
Het boek staat op de grens van romantiek en realisme. In de stof is veel romantisch; de behandeling is modern. David Holst wordt voorgesteld als een zieke van zeer fijne organisatie, wiens psychologie uiterst belangrijk is, maar toch als een zieke, niet als een wezen van hooger orde, dat geheimen ontdekt, welke voor den prozaïschen mensch verborgen blijven. Hij is zich ook zelf zijn toestand bewust, en het valt hem niet in, zich te verhoovaardigen. Hij weet, wat hij in het maatschappelijk leven te kort schiet.
De schilderingen uit het bijgeloof zijn een natuurlijk element van het dagboek. In een omgeving, waar dat geloof leeft, is David Holst opgegroeid, en deze voorstellingen hebben bijgedragen tot de vorming van zijn abnormen geestestoestand. Men kan dus niet zeggen, dat het boek daardoor uiteenvalt, en in zooverre is de dubbele titel eenigszins misleidend. In de Noorweegsche letterkunde nemen deze schilderingen eene zeer bijzondere plaats in. Ook de romantiek hield zich gaarne bezig met mythische wezens als _nøkken, draugen, tomtegubben_, en hoe zij meer mogen heeten. Maar op eene andere wijze dan hier. Voor de romantiek zijn deze wezens poëtisch, soms ook symbolisch, of zij worden vereenzelvigd met hun natuur-element; Ibsen eindigt, met er den draak mee te steken. Maar de bevolking van het Noordland gelooft aan hen, en de schipper, die in den storm den draug in zijn halve boot ziet varen en zijn geschreeuw hoort, weet, dat zijn laatste uur geslagen is. De angst, die dezen schipper bezielt, is in de beelden van Jones Lie. En zoo zijn deze teekeningen van fantastische wezens niettemin werkelijkheidsbeelden.
Het type David Holst treedt in de werken van Jonas Lie maar zelden op. Zijn fantasten zijn in den regel gemengde karakters, gelijk hij zelf. Misschien heeft hij in _Den Fremsynte_ voor goed of voor langen tijd afrekening willen houden met die zijde van zijn natuur, waaraan hij zware ervaringen te wijten had. Maar dat hij David Holst niet voor goed van zich afgezet had, blijkt uit een zijner latere romans, te weten _Dyre Rein_ (1896). Ook hier treedt een held op, die erfelijk belast is. Hij leeft in het idee fixe, dat op zijn familie een vloek rust, en in den angst, dat die vloek in hem in vervulling zal gaan. Ook hij zoekt zijn heul in liefde, maar vergeefs. Op den dag, waarop hij in het huwelijk zal treden, maakt hij door zelfmoord een einde aan zijn leven.
Met _Den Fremsynte_ had Jonas Lie zich plotseling een naam gemaakt. Daarop volgt een lange periode, waarin het den dichter moeite gekost heeft, dien naam te handhaven. Hij had zijne leerjaren nog niet geheel achter den rug, en zijn eerstvolgende boeken zijn in zeker--niet in ieder--opzicht voorstudiën voor zijn latere meesterwerken. _Den Fremsynte_ was een geniale greep geweest, maar de techniek beheerschte hij nog niet geheel, en vooral--hij had zich nog niet dien bijzonderen stijl eigen gemaakt, waaraan later iedere bladzijde, die hij schreef, zou te kennen zijn. Niettemin, de technische moeilijkheden was Lie weldra te boven, en de meeste dezer werken toonen reeds den schrijver van groote bekwaamheid. De koelheid, waarmee Lie's boeken in den beginne ontvangen zijn, is ongetwijfeld mede aan andere oorzaken toe te schrijven, en wel aan een zijner beste eigenschappen. Lie is niet een propagandist, zijn toon is gedempt; het is hem te doen om het begrijpen van menschen, niet om het verkondigen van meeningen. Maar in de jaren, waarin Lie zijne eerste romans schreef, was een andere toon juist mode geworden, en het is misschien zijn grootste overwinning, dat hij, zonder zijn natuur te verloochenen, alleen door voortgezette oefening van zijn talent de plaats heeft veroverd, die hij met zooveel eer heeft ingenomen.
De periode van Lie's mindere populariteit duurde tot 1883, toen hij met _Familien paa Gilje_ zijn naam voorgoed vestigde. In die periode heeft hij een aantal werken geschreven. De belangrijkste van deze zijn vooreerst zijn schipperromans _Tremasteren Fremtiden_ (1872), _Lodsen og hans Hustru_ (1874), _Rutland_ (1880), _Gaa Paa_ (1882). Deze sluiten in zooverre bij _Den Fremsynte_ aan, als zij schilderingen bevatten uit het leven der kustbevolking, slechts met dit: onderscheid, dat de dichter zich thans niet tot het Noordland beperkt. Reeds hierdoor zijn deze boeken een gebeurtenis in de Noorsche litteratuur; er wordt een nieuw gebied geopend. De behandeling getuigt van groote kennis van het onderwerp; de schippers van Lie zijn schippers en geen stadsmenschen. Hij kent hen van kind af aan.