Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
Part 7
Men moet hier ook Vinje's onvermogen, om het idealisme te begrijpen, in aanmerking nemen. Indien er iets is, wat hem zot moest voorkomen, dan is het wel, dat iemand zijn leven geeft voor een denkbeeld, dat in de practijk toch niet doorgevoerd kan worden. Bij al zijn eruditie is Vinje zijn leven lang de respectlooze boerenjongen gebleven, die hij door geboorte was. Een groot deel van zijn geestigheid berust op dat nuchtere gebrek aan respect, maar dit brengt ook mee, dat hij niet ziet, dat er dingen zijn, die boven zijn horizont uitgaan. Innig kan hij wezen, maar voor het verhevene heeft hij weinig begrip, en een religieuze gedachte is hem te abstract.
Van de andere zijde moet er hier de aandacht op gevestigd worden, dat, wanneer men Vinje's uitvallen tegen Ibsen niet alleen opvat als litteraire kritiek, maar ook als uitingen van een overtuiging omtrent practische politiek, zij in een ander licht komen te staan. De dichters konden gemakkelijk zeggen, dat Noorwegen aan Pruisen den oorlog moest verklaren; de staatslieden dachten er anders over, en zeker niet zonder grond. Maar onder de schoone geesten stond Vinje met zijn opvatting alleen. Zijn afkeer van het tot het uiterste gedreven idealisme hangt samen met zijn beter inzicht in de realiteit.
Vinje's belangrijkste levenswerk--men moge het prijzen of laken--is dat, wat hij voor het landsmaal gedaan heeft. Hij heeft er voor geijverd,--dat is één ding, maar vooral--hij heeft het gebruikt, en hij heeft het zóó gebruikt, dat na hem niemand kan zeggen, de Noorweegsche letterkunde te kennen, die niet ook landsmaal leest.
Als dichter toont Vinje dezelfde eigenschappen, die den prozaschrijver kenmerken, subjectivisme en den ironischen dubbelen blik. Dikwijls begint hij, met zich inderdaad of schijnbaar aan eene stemming over te geven, tot aan het slot de schalk om den hoek komt kijken en de stemming verstoort. Ook hierin herinnert hij aan Heine. Maar er zijn ook vele gedichten, waarin ééne stemming tot uiting komt en tot het einde toe is volgehouden. Als voorbeeld voor intieme schoonheid en innigheid moge de zang aan Jotunheim (het groote bergland in het Westland) genoemd worden, die opgenomen is in zijn gedichtencyclus _Storegut_.
Het ligt voor de hand, dat de begaafdheid van een dichter met de hierboven beschreven eigenschappen in de eerste plaats lyrisch is. Inderdaad zijn ook naast enkele prozastukken, vooral naast _Ferdaminni_, Vinje's lyrische gedichten de beste voortbrengselen van zijn geest. Tot de lyriek moet ook gerekend worden de zoo even genoemde cyclus _Storegut_. Wat de compositie betreft, kan men _Storegut_ vergelijken met _Arnljot Gelline_ of met Runeberg's _Fänrik Staals Sägner_: het is een groep lyrische en tevens vertellende gedichten, gegroepeerd om een historische persoon of gebeurtenis. Voortgang is er eigenlijk niet in het gedicht; de opmerking is wel gemaakt, dat sommige stukken zeer goed zouden kunnen gemist worden of op eene andere plaats staan, zonder dat de werking van het geheel daardoor geschaad zou worden. Ook de karakteristiek van Storegut gaat weinig in bijzonderheden; hij is sterk en goedmoedig; hij heeft het dikwijls hard te verantwoorden, maar hij kent ook oogenblikken van vreugde; hij komt door verraad van een valschaard om. Maar de gedichten worden hierdoor bijeengehouden, dat zij voor het meerendeel stemmingen van één persoon schilderen. En er zijn ware meesterstukken onder.
Wanneer Vinje in andere litteraire genres zijn kracht beproeft, dan schiet hij te kort, dan blijkt het, dat het hem zoowel aan psychologie als aan inzicht in de eischen der compositie ontbreekt. Aan Vinje kan men een onderscheid bestudeeren, dat dikwijls over het hoofd wordt gezien, het onderscheid tusschen dichter en kunstenaar. Dichter was hij in hooge mate, kunstenaar in zeer geringe. Onmiddellijkheid bezat hij in dien graad, dat hij alleen daarom een genie mag heeten. Hij bezat ook oor voor den klank van de taal. Maar hij bezat niet het overleg, het inzicht in de eischen der kunst, dat noodig is, om eene stof zoo te verdeelen, dat de onderdeelen tot hun recht komen. En hij had daartoe ook niet het geduld. Wat hij schreef, drukte hij af; voor herzien bleef geen tijd over. En het kan ook niet verwonderen, dat een dichter, zoo subjectief als Vinje, die _Brand_ voor een farce aanziet, geen psycholoog was. Het gebrek aan deze eigenschappen kon door geen theoretiseeren over de kunst, waar Vinje zich somtijds, ofschoon op wonderlijke wijze, aan overgeeft, worden vergoed. Vinje heeft een drama geschreven, _Olav digre_, dat niet uitgegeven is, maar waarvan de proeven, die zijn biograaf meedeelt, zoo verbijsterend zijn, dat men zich afvraagt, hoe een dichter van dezen rang zulke platheden heeft kunnen schrijven. De verklaring ligt hierin, dat hij ook zich zelf niet kende en zich de grenzen van zijne gaven evenmin bewust was als de grenzen der stijlsoorten. Dit hangt samen met zijne naïveteit, waaraan wij ook zooveel moois te danken hebben. Het zijn zulke gebreken, die aanleiding hebben gegeven, dat men Vinje den geniaalsten dilettant genoemd heeft. Toch is dat oordeel niet geheel billijk, wanneer men let op de zekerheid, waarmee hij binnen zijn grenzen het juiste treft.
Vinje heeft ook een satyrisch gedicht geschreven, dat niet voltooid is. De stukken, die gereed waren, heeft hij in _Dølen_ uitgegeven. _Staale_ heet het gedicht. Het moet de meening illustreeren, dat een onafhankelijk man, die zijn eigen weg gaat, in de maatschappij mishandeld wordt. Dit zijn dingen, die in den dichter zelf zijn omgegaan. Maar de wijze, waarop dat in beeld gebracht wordt, vereischt toch weer compositie, en de schildering van maatschappelijke kringen vereischt intieme kennis van die kringen, waarin Vinje weer te kort schiet. _Staale_ is dan ook veel minder gelukt dan _Storegut_.
Een bijzondere plaats onder Vinje's werken neemt een boek over Engeland in: _Bretland og Breterne_. Het is geschreven in den tijd, toen Vinje nog de hoop had, een Europeesch schrijver te worden. Zijn gering succes in Noorwegen schreef hij aan de kleine verhoudingen in het vaderland toe. Hij reisde toen naar Engeland, om de Engelsche maatschappij te bestudeeren, en tevens misschien met de heimelijke hoop, om daar voor zich een weg te vinden. Zijn eindoordeel was niet gunstig; de tegenstelling tusschen rijk en arm vond hij er erger dan in het eigen land, en de menschen vond hij er niet beter. Hij heeft met den ransel op den rug groote stukken van het land doorreisd en zich overal opgehouden, waar hij maar toegang kon krijgen. Toen heeft hij zijn bevindingen opgeschreven en zoo eene zeker niet objectieve, maar zeer belangwekkende bijdrage gegeven tot de kennis der Engelsche maatschappij. Maar door zijn onzacht oordeel heeft hij het Engelsche publiek afgestooten--de Times liet zich zeer onvriendelijk uit--, en daarmee was zijn uitzicht op succes in den vreemde afgesneden.
Over de blijvende beteekenis van Vinje is het laatste woord nog niet gesproken. Tijdens zijn leven is hij onderschat, al had hij ook enkele vrienden, die hem waardeerden, en al wist de menigte ook, dat hij een dekselsche grappenmaker was. Zijn maatschappelijke gebreken zoowel als zijn weifelende houding in politieke vragen, die door de tijdgenooten niet werd begrepen, stonden hem in den weg. Na zijn dood is strijd over hem geweest. Hij is diep verguisd, en hij is ten hemel verheven. Maar bij het oordeel over hem heeft dikwijls een omstandigheid den doorslag gegeven, die in dat verband ten onrechte op den voorgrond werd gebracht: men heeft hem geprezen, omdat hij maalsman was, en men heeft hem gelaakt, omdat hij maalsman was. De zaak is echter, dat hij maalsman was uit overtuiging en dus als zedelijk persoon hiervoor lof verdient, dat hij de zaak, waaraan hij zijn hart gegeven had, trouw gediend heeft. Maar zijn beteekenis als dichter hangt niet hiervan af, welke taal hij geschreven heeft, maar _hoe_ hij geschreven heeft, eerst in bymaal, daarna--het meeste en het best--in landsmaal. Die beteekenis zal pas algemeen gewaardeerd kunnen worden, wanneer de taalstrijd zoover zal bedaard zijn, dat een oordeel zonder hartstocht mogelijk is. Bij velen is dit thans het geval. Maar zoolang de uitersten der maalsmannen voortgaan, aan de taal van Ibsen het recht te ontzeggen, Noorweegsch te heeten en in Noorwegen gesproken te worden, zullen zij zelf verhinderen, dat aan Vinje recht gedaan wordt. En dat is een verlies voor Noorwegen, want Vinje is een der grootste dichters van dat land geweest.
HOOFDSTUK IV.
HET REALISME.
Een nieuwe tijd stond voor de deur. Een harde werkelijkheid had de idylle verstoord, en men begon in te zien, dat het niet alleen in de practijk, maar ook in de poëzie noodig was, rekening te houden met de wereld, zooals zij was, niet alleen, zooals men wenschte, dat zij wezen zou. In Ibsen's productie gedurende de in hoofdstuk II, 3 besproken periode is reeds te zien, dat iets nieuws in wording is. Er komen nu invloeden uit vreemde landen bij, in de eerste plaats uit Frankrijk, waar de gebeurtenissen van 1870 niet minder ontnuchterend gewerkt hadden dan in het Noorden die van 1864. Hier ontstaat de realistische roman en begint zijn zegetocht over Europa. Daarnaast doen zich invloeden der Engelsche philosophie gevoelen (Stuart Mill, Spencer) en veranderen het geheele wereldbeeld. De alleenheerschappij der orthodoxie is gedaan; de litteratuur wordt critisch ten opzichte van maatschappij, staat, godsdienst. In Denemarken doet de nieuwe richting haar intocht in de epoque makende geschriften van Brandes en in de litteraire voortbrengselen van een reeks jongere schrijvers als Drachmann, Jacobsen en anderen, en Noorwegen blijft niet achter. Kenschetsend voor dit land is het, dat de nieuwe denkbeelden niet uitsluitend door eene jongere generatie gedragen worden. Het zijn de machtige dichters der vorige periode, die zich verjongen en wederom vooraangaan; Ibsen en Bjørnson zijn opnieuw banierdragers. Maar weldra treedt naast hen een groep romanschrijvers op, die van gelijken geest bezield zijn.
Wanneer men in den hier bedoelden zin van 'realisme' spreekt, dan beteekent het woord dus niet precies hetzelfde, als wanneer het gebruikt wordt, om een eigenschap te kennen te geven, die litteratuurvoortbrengselen uit iedere periode kunnen bezitten en altijd in meer of minder mate bezitten. Realistisch is een kunstwerk, dat trouw is aan de werkelijkheid, maar daar litteraire kunstwerken in den regel afbeeldingen der werkelijkheid zijn, bestaat er altijd een zekere graad van realisme. Het eigenaardige van de periode, waarover wij nu spreken, is, dat het begrip tot leus wordt, en dat dus geproclameerd wordt, dat de bedoeling der kunst afbeelding der werkelijkheid is, en dat dus de waarde van een kunstwerk gemeten wordt aan den graad, waarin het gelukt is, dit doel te bereiken. De leus kon trouwens gepaard gaan met andere leuzen, soms met zulke, die in den diepsten grond met haar in strijd waren. Een formuleering van den eisch voor een modern kunstwerk, die men in die dagen dikwijls leest, is, dat het 'problemen onder debat moet plaatsen'. Sommige dichters hebben dat met groot talent gedaan. Maar wie debatteert, verdedigt eene opvatting, waarnaast eene andere, die op zich zelf bestaanbaar is, niet wordt toegelaten. Hij verlaat dus het standpunt der objectiviteit en wordt tendentieschrijver. Vele schrijvers van die dagen zijn tendentieschrijvers. Hun realisme bestaat dan hierin, dat zij den indruk willen wekken, de realiteit te geven, zooals zij is. Inderdaad geven zij haar, zooals zij haar zien,--en dat hebben alle dichters van alle tijden gedaan. Van het bewustzijn uit, dat er toch altijd nog een verschil bestaat tusschen het kunstwerk en de zaak, die voorgesteld wordt, ziet men dan theorie en practijk zich in twee richtingen ontwikkelen. Òf men gaat den eisch van het realisme steeds strenger stellen en tracht door veelheid van details de werkelijkheid nabij te komen,--het zoogenaamde naturalisme,--òf men laat het realisme als theorie varen en behoudt slechts de techniek er van als kunstmiddel, dat den kunstenaar, die zich weer souverein maakt, ten dienste staat. Wij zullen voorbeelden voor het eene en voor het andere ontmoeten.
Geheel onvoorbereid treedt het realisme in deze dagen in Noorwegen niet op. Onder de oudere schrijvers was er een, en wel een vrouw, die haar aandacht aan eene bepaalde zijde van het maatschappelijk leven gewijd had, namelijk aan de positie der vrouw. Dat is Camilla Collett. In 1813 is zij geboren, in 1895 stierf zij. Zij heeft dus het litteraire leven van bijna de geheele eeuw meegemaakt. Maar pas op rijperen leeftijd is zij begonnen te schrijven. Haar eerste groote, tevens haar belangrijkste boek is van 1855; het valt midden in de periode der romantiek.
Camilla Collett was eene zuster van Henrik Wergeland, slechts weinige jaren jonger dan hij. Toch behoort zij als schrijfster geheel tot een anderen tijd. Toen zij begon, was hij reeds gestorven. Ook haar geestesrichting was een andere dan die van haar broeder. Zij is de ontwikkelde dame uit de beschaafde kringen van die dagen. Zij gevoelt zich niet aangetrokken tot het wilde leven der patriotten van den tijd, waartoe haar broeder behoorde; zij heeft meer sympathie voor de andere clique. Hiermee hangt de reeds vroeger genoemde vriendschap voor Welhaven samen. In 1841 trouwde zij met P.J. Collett, toen lector in rechtswetenschap, die in de vroegere twisten tot Wergeland's tegenstanders had behoord. Niettegenstaande den afstand in levensopvatting, die haar van haar broeder verwijderde, heeft zij sympathieke karakterschilderingen van hem gegeven.
Op raad van haar man begon zij te schrijven, feuilletons in een dagblad (den Constitutionelle), en in denzelfden tijd ontstonden enkele korte vertellingen, die later uitgegeven zijn. Na den dood van haar man in 1851 maakt zij ernst met het schrijvershandwerk, en dan verschijnt in 1855 haar hoofdwerk _Amtmandens Døtre_, het eerste der talrijke Noorsche boeken, die aan de vrouwenzaak gewijd zijn. Behalve deze maatschappelijke beteekenis heeft deze roman waarde voor de litteratuurgeschiedenis als het beste prozawerk uit die dagen. Met tusschenpoozen heeft Camilla Collett daarna uitgegeven: _Fortællinger_ (1861), _I de lange Nætter, Sidste Blade_ (3 verzamelingen 1868-73), _Fra de stummes Leir_ (1878), _Mod Strømmen_ (1879). Op den duur neemt zij een steeds meer naar het uiterste gaand standpunt in; terwijl haar eerste roman opkwam voor de liefde--in plaats van conventie--als grondslag voor het huwelijk, maar overigens tegen de bestaande verhouding tusschen man en vrouw niets heeft in te brengen en op den voorgrond stelt, dat de man de natuurlijke steun der vrouw is, komt de schrijfster later steeds meer voor de rechten der 'onderdrukte' vrouw op en laat de mannen heel wat harde woorden hooren. Soms gaat haar polemiek in het potsierlijke; mannen als Goethe en Byron vinden weinig genade in haar oogen.
Camilla Collett heeft het voorrecht gehad, populair te worden; haar boek _Mod Strømmen_ (Tegen den Stroom) mocht eerder _Med Strømmen_ heeten; toen zij het schreef, was het modezaak geworden, te vinden, dat de vrouwen verdrukt werden, en zoo deden toen alle schrijvers, die voor modern wilden doorgaan.
Camilla Collett is in zooverre een voorloopster der beweging van 1870, als zij haar stof ontleent aan het dagelijksch leven, en over 'een probleem debatteert'.
Aan schilderingen der werkelijkheid bestonden daarnaast de beelden uit het volksleven, die uit eene zijde der romantiek waren voortgekomen, de werken van Asbjørnsen, Østgaard en enkele anderen. Voorts een deel van Vinje's geschriften en Bjørnson's boerennovellen, die echter weinig realistisch waren. Nu zou het anders worden.
Bij Ibsen openbaart zich het nieuwe realisme niet als eene richting van den tijd, waarbij hij zich aansluit, maar als eene consequentie van zijn eigen ontwikkeling. Ibsen was van nature tegelijk idealist en realist. Hij had een hoog denkbeeld van de mogelijkheden, die in den mensch zijn, en hij had de neiging, om de realiseering dier mogelijkheden als zedelijken eisch te stellen. Dit houdt hij vol, ook in zijn 'realistische' drama's. Hij was te gelijk een groot menschenkenner en bezat het vermogen, menschen natuurlijk te laten spreken en handelen, zoodat wij meenen, hen te kennen. Dit deed hij reeds in zijne oudere werken. Kritiek op de maatschappij--een der hoofdpunten van het jonge programma--komt bij hem reeds in 1862 voor in _Kærlighedens Komedie._ Toch is er ook bij hem een groote afstand tusschen vroeger en later. Deze bestaat hierin, dat hij dieper studie maakt en precieser beelden geeft van het leven van zijn eigen tijd, en dat de tegenstellingen tot uiting komen in de werkelijk bestaande conflicten van het maatschappelijk leven. In _Kærlighedens Komedie_ is het nog een bijzonder menschenpaar, dat in naam van een idee strijd voert tegen de maatschappelijke orde, zooals die zich voordoet. Maar feitelijk zijn Falk en Svanhild een utopie. In _En Folkefiende_ daarentegen is de held een dokter, die slechts gewone redelijkheid en eerlijkheid wil,--wat alle anderen ook zeggen te willen,--en die met zijn omgeving in strijd raakt, omdat hetgeen bij hem waarheid is, bij de overigen alleen phrase is, die niet verder reikt dan het eigen belang. Door deze toespitsing van het conflict op iets, dat werkelijk gebeuren kan, wordt het beeld der maatschappij concreter. In overeenstemming met deze behandeling is het, wanneer thans in plaats der verzen, die voor lyrische stemmingsuiting het meest geschikt zijn, de taal van het dagelijksch leven, het proza, gekozen wordt, en dat de personen meer geïndividualiseerd zijn dan vroeger. Ieder spreekt zijn eigen taal, en deze toont het karakter van den spreker, zoodat men hem dikwijls aan een enkele repliek kent.
Het oudste van Ibsen's 'Nutidsdramer' is _De Unges Forbund_ van 1869. Het is het eenige blijspel, dat hij geschreven heeft. De afstand van het vaderland en de tijd hebben de hooge golven der verontwaardiging, die hem na 1864 bezielde, doen bedaren; de dichter beziet nu uit de verte het inwendige politieke leven van zijn vaderland, dat in de groote politiek zijn roeping verzaakt had, en dit leven komt hem klein en kinderlijk voor. Vooral het radicalisme dier dagen, met zijn nationale en democratische snoeverij, moet het ontgelden. In Stensgaard herleeft de phrasenheld Peer Gynt, maar ditmaal draagt hij een meer bepaalde physionomie; hij behoort nu tot een ondertype; hij is een politicus van twijfelachtig gehalte. De taal, waarmee hij een tot oordeelen onbevoegde menigte opwindt, is het politiek jargon van de volksvergaderingen dier dagen. Het beste bewijs voor de juistheid van het beeld geeft de verontwaardiging van Bjørnson over het stuk; het waren zijn eigen phrases en zijn naïef zelfvertrouwen, die hier op het tooneel werden gebracht. Ibsen heeft zeker niet geloofd, dat Bjørnson niet eerlijk was. Maar aan zijn politiek geschetter heeft hij zich geërgerd[17]. En hij heeft aan dezen meest in het oog loopenden vertegenwoordiger van eene bepaalde soort demagogie zekere trekken ontleend[18].
Tegenover den sluwen phrasenmaker Stensgaard en zijn aanhang, vooral vertegenwoordigd door een uit de heffe des volks opgekomen speculant, staat eene aristocratie, die wel eerbaar is, maar achterlijk, die den samenhang met den nieuwen tijd verloren heeft. De dichter verwacht heil van een hervorming van dezen stand. Eerlijkheid en eerbaarheid moeten een bondgenootschap aangaan met de jeugd en nieuwe gedachten opnemen; tegen dit verbond--het ware verbond der jongeren.--is de vooze demagogie niet bestand.
Men heeft Ibsen verweten, dat hij in _De Unges Forbund_ zich tegen 'de partij van den vooruitgang' heeft gekant. Zoo redeneert bij voorbeeld Vetle Vislie in zijn boek over Vinje. Ibsen zou in dit stuk de woordvoerder zijn voor den teruggang; gelukkig zou hij later zich van dien weg hebben bekeerd. Een kortzichtiger oordeel is niet mogelijk. Geen ding toont misschien duidelijker dan _De Unges Forbund_, hoe ver de dichter er vandaan was, zich tot trompet van een partij te maken. Het komt voor hem in het geheel niet op eene partij aan, maar op waarheid en heelheid der persoonlijkheid. En dat na de ervaringen van 1864 het juist de luidruchtigste partij was, wier doopceel hij het eerst lichtte, is volkomen begrijpelijk. Het is karakteristiek, dat hij toen nog beter verwachtingen had van de oude aristocratie--mits deze zich vernieuwde. Later zou hij ook over deze een ander oordeel vellen en de meening uitspreken, dat de waarheid alleen gediend wordt door de weinigen, die hun tijd vooruit zijn en tot geen partij behooren.
Tusschen _De Unges Forbund_ en _Samfundets Støtter_ liggen acht jaar (1869-77). In dien tijd was Ibsen voornamelijk bezig met _Kejser og Galilæer_, waarover naar aanleiding van de historische drama's gesproken is.
Met _Samfundets Støtter_ (1877) begint een ononderbroken reeks moderne drama's. Weldra volgen _Et Dukkehjem_ (1879), _Gengangere_(1881), _En Folkefiende_ (1882), _Vildanden_ (1884). In al deze stukken wordt de werkelijkheid getoetst aan een zedelijk ideaal, en in den regel treedt ook een vertegenwoordiger daarvan op. Inzoover vormen deze stukken een samenhangende groep. Wat de stemming van den dichter betreft, vormen zij een climax naar het bittere. Uit de verzoenende stemming, die hij na jaren bereikt had, gaat hij stap voor stap weer over tot het diepste pessimisme.
In _Samfundets Støtter_ geldt de kritiek den zedelijkheidstoestand in een kleine Noorweegsche stad. Verschillende zijden van het private en het publieke leven worden aangeroerd, en de conclusie is, dat men zich wel is waar voor beter houdt dan anderen, maar dat het eenige verschil tusschen deze maatschappij en die in groote landen is, dat men hier meer verbergt. Konsul Bernick heeft in zijn jeugd fouten begaan; een vriend heeft de schuld op zich genomen en is toen naar Amerika uitgeweken; Bernick heeft toen den naam van dien vriend gebruikt, om zich ook uit andere moeilijkheden te redden. Nu keert de vriend na jaren terug en dreigt, hem te ontmaskeren, en Bernick ontziet zich niet, een onzeevaardig schip de zee in te sturen, in de hoop, dat de bewijzen tegen hem, die zijn vriend in handen heeft, met dat schip zullen vergaan. Tegenover Bernick staat eene vrouw, die hem in zijn jeugd heeft liefgehad, die insgelijks naar Amerika reisde, en die nu terugkeert, om Bernick's geweten wakker te schudden. Zóó groot is het geloof van den dichter, dat hij dit experiment laat gelukken. Lona overwint, zij het ook met hulp van een schrik, die Bernick op het lijf valt, als het blijkt, dat ook zijn zoon zich op het slechte schip bevindt. Het schip wordt echter bijtijds teruggeroepen, en de blijdschap daarover werkt Bernick's bekeering uit. Voor eene menigte, die komt, om hem te huldigen, bekent hij zijn misstappen, en hij huldigt de vrouw als den waren steunpilaar der maatschappij. Lona brengt deze hulde over op de geesten van waarheid en vrijheid.