# Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/noorwegens-letterkunde-in-de-negentiende-eeuw-13591/index.md

Het is treffend, dat dit stuk, waarin Ibsen voorgoed afscheid neemt van de romantiek, in zeker opzicht het meest romantische van al zijn drama's is. Het wemelt er van onwerkelijke wezens, van figuren uit de sprookjeswereld, heksen, trold, dovregubben en zijn dochter; doode voorwerpen als het standbeeld van Memnon, de sphynx van Gizeh zijn tot personen gemaakt; inwendige stemmen krijgen gedaante. Het is, of de dichter er vermaak in geschept heeft, met al deze figuren, voor hij ze vaarwel zeide, nog eens naar hartelust te sollen. Ook het metaphysische slot is zoo onwerkelijk mogelijk. Van beteekenis is het, dat al deze wonderlijke figuren nog iets anders beteekenen, dan wat zij schijnen. Een trold is alleen voor het uiterlijk de reus uit het volksgeloof, in waarheid beteekent hij den egoïst; Memnon is de wijsheid der eeuwen, die aan Peer Gynt raadselen opgeeft; de vreemde passagier is het ontwakend geweten. De weg van romantiek naar realisme voert hier over symboliek en allegorie.

HOOFDSTUK III.

DE TAALBEWEGING EN DE OUDSTE SCHRIJVERS IN LANDSMAAL.

Gelijk in het eerste hoofdstuk reeds meegedeeld werd, was de taal, die in het begin der negentiende eeuw in Noorwegen geschreven werd, van Deensch nauwelijks te onderscheiden. Sommige schrijvers mogen in bescheiden mate woorden gebruikt hebben, die in het Deensch niet gangbaar waren, deze afwijking was niet grooter, dan ook het geval kon zijn, wanneer een gewestelijk schrijver woorden uit zijn dialect aanwendt. De gesproken taal, ook voorzoover zij Deensch-Noorsch was, stond verder van die van Denemarken af. De uitspraak en de accentuatie waren Noorsch, en de algemeene woordenschat bevatte ook een zeker aantal uitsluitend Noorweegsche woorden, die in de geschreven taal, waarvoor het Deensch eenigszins de norm aangaf, niet gebruikelijk waren. De sterke ontwikkeling van het nationale bewustzijn na 1814 bracht nu van zelf mee, dat zich ook in de taal een streven naar zelfstandigheid openbaarde, dat op den duur tot groote veranderingen zou voeren. Dit streven toont zich in twee richtingen, die parallel gaan: de vernoorsching van het Deensch-Noorsch en het scheppen van een eigen geheel-Noorsche taal.

De eerstgenoemde beweging is uit den aard der zaak de oudste. Zij begint met het hierboven genoemde opstel van J.A. Hjelm en de daardoor geïnspireerde pogingen van Wergeland. Dan volgen de sprookjes van Asbjørnsen en Moe, die een blijvenden invloed gehad hebben. De vernoorsching betreft hier vooral den woordenschat en den stijl. Sedert het midden der eeuw treedt ook de spelling op den voorgrond. Deze was hier niet uitsluitend eene zaak van uiterlijk. De tot nu toe gebruikelijke schrijfwijze gaf de Deensche uitspraak weer, die in belangrijke punten verder van den ouden toestand was afgeweken dan de Noorweegsche. De spelling drukte dus niet een klankstelsel uit, dat verouderd was of daarvoor werd aangezien,--integendeel, zij gaf uiting aan veranderingen, die men niet erkende, en de wijziging, die nu gewenscht werd, bestond voor een belangrijk deel in archaïseering. Wanneer men tot dusverre schreef _lade, rige, løbe_, dan sprak men _late, rike, løpe_, met harde consonanten, die van ouds in deze woorden gestaan hadden, en die het Deensch eener vroegere periode ook gekend had. Men begint nu op deze wijze te schrijven en brengt door deze archaïseering de spelling nader bij de uitspraak. En zoo deed men ook in andere gevallen.

De wetenschappelijke leider van deze grammatische beweging was K. Knudsen, die schreef _Haandbok i dansk-norsk Sproglære_ (1856). Tevens werd de strijd tegen de vreemde woorden voortgezet. Hier is het belangrijkste werk, van denzelfden schrijver _Unorsk og Norsk_(1879-81).

De andere taalbeweging, de Noorsch-Noorsche, begint in dezelfde jaren, waarin Asbjørnsen en Moe optreden. Naarmate het platteland deel begon te nemen aan het cultuurleven, ontstond de gedachte, dat Noorwegen tweetalig is. Het verschil tusschen de taal van het platteland en van de stad is hier niet hetzelfde als in andere landen, waar de schrijftaal en de dialecten tegenover elkander staan als zusters, van welke ééne door het gebruik eene bijzondere positie gekregen heeft. Hier is de algemeene taal niet eene zuster, maar eene nicht der dialecten; zij stamt uit een ander gezin, en haar gezag wordt daarom, zoodra men over die verhouding gaat nadenken, minder bereidwillig erkend. Nu staan er mannen op, die ontkennen, dat het Deensch-Noorsch Noorsch is, die deze taal provincie-Deensch noemen, en die den eisch stellen van eene geheel Noorweegsche, d.w.z. in Noorwegen geboren, taal voor Noorwegen.

De moeilijkheid, om aan zulk een wensch te voldoen, bestond niet hierin, dat een geheel Noorweegsche taal niet bestond; zij was er, en zij werd gesproken. Maar het ontbrak haar aan eenheid; zij leefde alleen in dialecten, en de dialecten weken onderling sterk af. De eenige taal, die in alle deelen des lands gehoord werd, was het Deensch-Noorsch. Hetgeen te doen stond was, uit de dialecten eene taal te maken, die autoriteit kon doen gelden, en deze te gebruiken als schrijftaal.

Dat dit gelukt is, is wel een der merkwaardigste dingen, die het cultuurleven der negentiende eeuw heeft zien gebeuren. Wat men ook van kunstmatige talen mag zeggen--deze kunstmatige taal is eene levende geworden. Er dient echter bijgevoegd te worden, dat zij slechts tot op zekere hoogte kunstmatig, en dat zij niet in alle opzichten levend is. Zij is uit levende dialecten opgebouwd en heeft daarom niet de starheid, die aan de schematische schepselen van een dorre berekening eigen is, maar gesproken wordt zij eigenlijk nergens. Zij is een in verschillende streken eenigszins uiteenloopende schriftelijke representant van de eenheid der Noorweegsche dialecten.

Men moet de energie der menschen bewonderen, die dit tot stand gebracht hebben. Maar niet alleen hun energie,--niet minder hun genie. Want het verbazingwekkend succes, dat het landsmaal gehad heeft, is zeker voor het grootste deel hieraan toe te schrijven, dat kort na haar ontstaan een paar schrijvers van den allereersten rang het tot voertuig hunner gedachten gemaakt hebben.

De schepper van het landsmaal is eigenlijk één man geweest, Ivar Aasen, een boerenzoon uit Zuid-Møre (een landschap op de Westkust), die zijn jeugd in groote armoede heeft doorgebracht en als zoovele beroemde Noorweegsche schrijvers zich door ontberingen een weg heeft moeten zoeken. Aasen was een grammatisch genie. Als autodidact kwam hij zonder hulp van anderen tot de ontdekking, dat het dialect, dat hij sprak, de voortzetting was van die taal, die eeuwen geleden in Noorwegen gesproken _en geschreven_ werd, en die eene schoone letterkunde had voortgebracht. Eerst schreef hij van dat dialect eene grammatica (1841); daarna stelde hij zich een breedere taak, namelijk het bewerken eener spraakkunst van de Noorweegsche volkstaal: _Det norske Folkesprogs Grammatik_ (1848, in tweede uitgave van 1864 betiteld _Norsk Grammatik_), waarop een woordenboek volgde: _Ordbog over det norske Folkesprogs_ (1850; later _Norsk Ordbog_ 1873). Hierin is ook de woordenschat der andere dialecten opgenomen. Nu ontbrak er nog maar aan, uit die dialecten eene algemeene taal te scheppen, waarin wel het Westlandsch overwoog, maar toch ook uit andere dialecten zou worden opgenomen, wat algemeen verstaan kon worden. Zulk een taal heeft Aasen geschapen en in zijn geschriften gebruikt. Anderen volgden zijn voorbeeld; er ontstonden vereenigingen voor 'maalstræv' (_stræv_, het streven, werken voor iets), en het doel werd op den duur, deze taal te maken tot de eenige, die in Noorwegen burgerrecht had, en haar het Deensch-Noorsch te laten verdringen.

Het is natuurlijk gekomen tot een strijd tusschen de aanhangers van het landsmaal en het bymaal ('stadstaal'). De invloed van dien strijd op het bymaal is geweest, dat ook deze taal zich in een nog sneller tempo in nationale richting ontwikkeld heeft, dan misschien anders het geval zou zijn geweest. De tegenstelling is daardoor een gansch andere geworden dan die, welke een paar tientallen jaren vroeger bestond in den boezem van het toen alleenheerschende Deensch-Noorsch. De vraag was toen: aansluiting bij Denemarken of eigen ontwikkeling? Thans willen beide talen Noorsch zijn, maar de aanhangers van een van beide talen ontkennen het Noorsch karakter der andere, terwijl die der andere (van het bymaal) den nadruk leggen op het willekeurige, dat er in eene gemaakte taal is. Van tijd tot tijd ontstaat een compromis; weldra ontbrandt de strijd dan opnieuw. De taal, die de meeste concessies doet, is het bymaal; de laatste concessie bestaat in een overeenkomst omtrent gelijkheid in spelling voor de beide talen. Maar sommige flexievormen uit het landsmaal zijn tegelijk toegelaten. Het landsmaal is van het project van een man, die bij velen voor een zonderling doorging, geworden tot eene taal, door de regeering erkend en beschermd, die in scholen onderwezen en van vele kansels en in meer dan één theater gehoord wordt.

De ontwikkeling van het landsmaal is gegaan in de richting van nader aansluiting aan de gesproken taal. De blik van Aasen was door zijn taalhistorische studiën in hooge mate gericht op het Oudnoorsch. Hij heeft eene voorliefde voor oude vormen, en ofschoon hij de levende taal wil gebruiken, steunt hij niet alleen voornamelijk op die dialecten, die het meest van de oude taal bewaard hebben, dat zijn de Westlandsche dialecten, maar hij heeft ook een neiging tot archaïseeren, die voornamelijk is toe te schrijven aan den invloed van de groote autoriteit dier dagen, den historicus P.A. Munch. Zelf gebruikt hij het landsmaal in zijne gedichten, maar zoowel door uitsluitend gebruik in poëzie als door de genoemde archaïstische tendenties behield deze taal een aristocratisch karakter. De eerste, die haar in proza gebruikte, was Aasmund Vinje, over wien hieronder gesproken wordt. Dit beteekent tevens een eerste poging tot democratiseering van het landsmaal; het moet de gewone schrijftaal voor het volk worden. Tegen het uitsluitend gebruik van Westlandsch dialect kwam daarna Fjørtoft op, een politiek schrijver van zeer radicale richting. Hij wil, dat ieder zich eenigszins naar zijn dorpsdialect zal richten, en dat door het op deze wijze ontstaande contact der dialecten op den duur een gemeenschappelijke taal zal ontstaan. Zelf schreef hij in zijn blad _Fram_ (1871-73) een dialect uit Zuid-Møre, maar met elementen uit het Oostlandsch en het Nordenfjeldske (de streek ten Noorden van het Dovrefjeld). Ook andere richtingen deden zich gelden. Den sterksten invloed heeft Arne Garborg gehad door de groote uitbreiding zijner boeken. Zijn taal is ook in hoofdzaak Westlandsch, maar al wat archaïstisch is, laat ook hij vallen. Zijn taal is het voorbeeld voor vele jongere schrijvers. Volkomen eenheid is echter in het landsmaal nog niet bereikt.

Maar wel is de macht en het prestige dier taal aanhoudend toegenomen. Sedert 1889 is het een verplicht onderwijsvak in de kweekscholen voor onderwijzers; sedert 1892 wordt het ook in de volksscholen onderwezen en is aan de gemeenteraden overgelaten, of de school leerboeken in landsmaal of in bymaal zal gebruiken, en sedert 1897 worden wetsvoorstellen in beide talen ingediend.

Een der merkwaardigste dichters, die Noorwegen gekend heeft, in sommige opzichten wel de origineelste van allen, is Aasmund Vinje geweest. Zijn originaliteit hangt samen met de bijzondere omstandigheden, waaronder hij zich ontwikkeld en geschreven heeft. Er is in zijn leven een tegenstelling, die op zijn denken inwerkt, eene, die bij een aantal Noorweegsche schrijvers en dichters bestaat, maar misschien bij geen ander zoo groote proporties aanneemt als bij hem. Hij is de zoon van een _husmand_, d.i. een kleinen boer, die op een _plads_ (kleine boerenwoning, in tegenstelling met boerderij) woont. In armoede is hij opgegroeid; de beste jaren van zijn jeugd heeft hij den arbeid van een boerenknecht verricht. Tot de studie komt hij langs den volgenden weg. Zijn vader is soldaat geweest en wil den jongen tot elken prijs van den krijgsdienst vrijhouden. De eenige wijze, waarop een onbemiddeld man, die zich niet met geld kan vrijkoopen, hieraan kan ontkomen, is, dat hij den staat als schoolmeester dient. Daarom wordt den knaap met zoo gering mogelijke kosten de kennis bijgebracht, die hij daartoe noodig heeft. Verder is hij aan zich zelf overgelaten. Maar zijn lust, om te leeren, is zoo grenzenloos, dat hij in een oogwenk heeft opgestoken, wat op den cursus, dien hij volgen moet, te halen is, en nu werkt hij zich al hongerend omhoog op de geestelijke ladder, tot hij, wat kennis betreft, tot de bekwaamste mannen van het land behoort. Die kennis echter vervreemt hem van de klasse, waaruit hij is voortgekomen, maar zij bewerkt niet, dat hij in eene andere klasse wordt opgenomen, en er ontstaat in hem een tweespalt. Door geboorte en natuurlijke sympathie is hij een man van het volk; door zijn ontwikkeling is hij geestesaristocraat, althans gedurende een lange periode van zijn leven. Hij gevoelt zich in geen enkele maatschappelijke klasse thuis en wordt in geene klasse gewaardeerd. De menschen, met wie hij van gelijken oorsprong is, gevoelen den afstand in levensopvatting, die gevolg is van het aangeleerde; van diegenen, met wie hij door zijn lectuur in nader aanraking zou kunnen komen, scheiden hem niet alleen natuurlijke sympathieën, maar ook al dat, wat uit boeken niet geleerd kan worden. Maatschappelijk bruikbaar is hij niet, en dat juist mede ten gevolge van zijn deugden. Immers, de sterke geestelijke ontwikkeling, die hij ook op rijper leeftijd blijft doormaken, is oorzaak, dat hij ieder oogenblik zijn meeningen verandert, ook op zulk gebied, waar het voor een eer geldt, eene vaste overtuiging te hebben. Daar hij zich gaarne op politiek gebied beweegt, bezorgen deze veranderingen van overtuiging hem aan alle zijden vijanden. Hij bezit ook niet de gave, om zich op andere wijze bemind te maken; hij is onhandig en mist de eerste beginselen van goede manieren. Zelfs eten kan hij niet zóó, dat hij geen aanstoot geeft. In zijn oordeel over personen en zaken is hij volkomen subjectief, en hij bedenkt zich geen oogenblik, om op alle tijden en plaatsen met dat oordeel voor den dag te komen, ook daar, waar hij door zulke openhartigheid zich zelf slechts schaden kan. Zoo is hij dan tot eenzaamheid gedoemd, en zóó geschiedt het, dat, wanneer al eens een deur voor hem geopend wordt, het in den regel niet lang duurt, alvorens hij daarbuiten gezet en de deur weer gesloten wordt. Een korten tijd heeft hij een ondergeschikte betrekking op een regeeringsbureau bekleed. Toen deed hij een heftigen aanval op de regeering--en werd ontslagen.

Vinje gevoelde zich in het leven ter zijde gezet, en van zijn standpunt niet zonder grond. Hij was zich bewust, dat hij veel meer kennis bezat dan vele anderen, die goed betaalde ambten bekleedden, en dat hij gedoemd was, gebrek te lijden, omdat hij het niet over zich kon verkrijgen, een blad voor den mond te nemen. Een diepe bitterheid kon zich van hem meester maken. Maar deze kwam in strijd met zijn aangeboren optimisme, met zijn onmiddellijk natuurgevoel, met zijn niet te schokken geloof aan vooruitgang. Zoo kreeg Vinje den dubbelen blik op het leven, die voor hem zoo karakteristiek is; zoo komt hij er toe, tegelijk de lichtzijde en de schaduwzijde te zien. Hij wordt een ironicus en een humorist.

Het is moeilijk, in weinige woorden te zeggen, waarin de beteekenis van Vinje gelegen is. Het oordeel zal verschillend zijn, naar gelang men let op de onderwerpen, waarover hij geschreven heeft, of op zijne meest bijzondere gave. Vinje had eene groote veelzijdigheid van belangstelling en eene uitgebreide kennis, en hij heeft over tal van dingen geschreven. Maar als kunstenaar had hij een beperkt en eenzijdig talent, en hierin is de eigenlijke eenheid van zijn persoon te zoeken.

Het grootste deel van Vinje's geschriften is in de jaren 1858-1870 verschenen in een blad, dat hij zelf uitgaf en bijna geheel alleen gevuld heeft, _Dølen_ ('De Dalbewoner'). Hij schreef daarin over alle denkbare zaken. Vinje was behalve dichter vooral populair philosoof; hij had echter ook groote kennis van litteratuur, van natuurwetenschappen, van oeconomie, landbouw, politiek en nog vele andere dingen.

Een eigenlijk man van de wetenschap in den zin van een zelfstandig onderzoeker was hij niet, maar evenmin was hij een popularisator van wijsheid van anderen, want hij had op alle dingen een eigen blik, en wanneer hij, wat uiteraard dikwijls het geval was, zakelijk niets nieuws had te zeggen, dan sloeg hij toch een eigen toon aan, dan verbond hij toch met de wijsheid uit de tweede hand een eigen gevoelsinhoud, en het zijn die gevoelsinhouden, die stijl, die eigenaardige combinaties, die humor, die maken, dat hij zoo vermakelijk is, en die aan zulke geschriften een blijvende beteekenis geven. De bedoeling dier geschriften was, de verlichting te brengen, waaraan de Noorweegsche plattelandsbewoner in zoo hooge mate behoefte had, en die hij nu toegediend kreeg door een van zijn allernaasten, die hem door en door kende. _Dølen_ werd dan ook veel gelezen; de geestige toon trok aan. Maar betalen deed men niet of slecht, en bij herhaling heeft het blad moeten ophouden bij gebrek aan bedrijfskapitaal. Na verloop van eenige maanden, wanneer men hem dood waande, stak _Dølen_ dan plotseling weer het hoofd op.

Maar in hooger mate dan populair philosoof en verbreider van nuttige kennis was Vinje dichter. Dat blijkt reeds uit hetgeen hierboven gezegd is over de ware beteekenis van zijn populaire geschriften. Niet altijd komt de dichter voor den dag. Wanneer Vinje niet in de stemming was, kon hij dor en soms vervelend schrijven. Maar geraakt hij op dreef, dan tintelen zijne geschriften van geest. Onder zijne prozaïsche werken staat hier bovenaan _Ferdaminni_ (Reisherinneringen), een boek, dat eerst stuksgewijze in _Dølen_ is verschenen. _Ferdaminni_ is de beschrijving van een tocht naar Trondjem, dien de schrijver in 1860 maakte, om de kroning van koning Oscar bij te wonen. Vinje vertelt hier op frissche wijze van land en volk. De conceptie doet denken aan Heine's Reisebilder, met name aan de Harzreise; wij vinden hier bovendien dezelfde ontvankelijkheid voor indrukken van de natuur, dezelfde verrassende sprongen van geest. Maar Vinje's boek is rijper; men kan zien, dat het door een man van ervaring geschreven is, en dat zijn geestigheid minder de vrucht is van jeugdige opgewondenheid en overmoed dan van den dubbelen blik, waarop hierboven reeds de aandacht gevestigd werd.

Een eigenschap, waardoor Vinje zich van zijn tijdgenooten in hooge mate onderscheidt, is zijn uitgesproken realisme. Dit kan onder meer blijken uit de kritiek, die hij in 1859 schreef op Bjørnson's _Arne_ (de tweede dorpsvertelling). Die kritiek heeft vele gebreken, maar in één verwijt heeft de geschiedenis hem recht gegeven, namelijk hierin, dat Bjørnson de boeren niet goed kende en hun gevoelens toedicht, die aan de stadsmenschen van dien tijd ontleend zijn. Vinje stond in die dagen met dat oordeel alleen. Wel moet hier in aanmerking genomen worden, dat Bjørnson's boeren en Vinje's boeren niet dezelfde menschen zijn. Het verschil tusschen een rijken boer, die eene hoeve bezat, en een _husmand_, tot wier klasse Vinje behoorde, was misschien even groot als dat tusschen een stadskoopman en een arbeider, maar toch vormen de boeren, groote en kleine, tegenover ambtenaren, waartoe ook de predikanten behooren, uit wier stand Bjørnson is voortgekomen, een kring met bijzondere kenmerken, en deze kende Vinje. De groote boeren zag hij niet met vriendelijke oogen aan; misschien heeft hij ze ook niet altijd billijk beoordeeld, maar wanneer hij in _Ferdaminni_ en elders hun zwakke zijde laat zien, dan geeft hij toch werkelijkheidsbeelden en geen romantiek.

Overigens was litteraire kritiek niet het fort van Vinje, en dit is ook zeer begrijpelijk. Vinje was subjectivist en mensch van stemming; wat hem sympathiek was, kon hij waardeeren; ontbrak de sympathie, dan ontbrak ook het vermogen, om te verstaan. Op eigenaardige wijze is dit onder anderen gebleken in zijn uitingen over Ibsen's _Brand_. In de dagen, toen hij zich pas in Kristiania ophield, heeft hij een korten tijd met den toen nog jeugdigen Ibsen samengewerkt. De beide dichters hadden elkander leeren kennen in Heltberg's studentenfabriek, die in dien tijd door iedereen bezocht werd, die student wilde worden en niet den gewonen weg wilde of kon gaan. Zij hebben toen in het jaar 1851 te zamen met nog een derden man, Botten Hansen, een blad uitgegeven, dat eerst naar eene vignetteekening den naam _Manden_ (De Man) kreeg en later omgedoopt is tot _Andhrimnir_ (de naam van den kok in Valholl). Dit blad was een navolging van het Deensche blad _Corsaren_, dat door Goldschmidt werd uitgegeven. De jonge mannen lieten zich daarin op harcelleerenden toon uit over de maatschappij en alles, wat daarin omging. Hun satyre lieten zij los en zij oefenden zich, voorzoover oefening nog noodig was, in een vrij gebruik van den mond. De uitgevers ontmoetten elkander alleen in dit negatieve doel, om kritiek te oefenen. Bij gebrek aan positieven inhoud legde Andhrimnir het na negen maanden af. Ibsen ging toen als theaterregisseur naar Bergen, en een geestelijke toenadering heeft later niet meer plaats gehad. En wederzijdsche waardeering was er ook niet. In _Peer Gynt_ ontmoeten wij Vinje als Huhu, die naar Marokko gaat, om de zoo oorspronkelijke taal der orangoetangs te spreken. Toen _Brand_ verscheen, heeft Vinje dit dichtwerk bij herhaling besproken. Hij begint, met het te prijzen, maar op een zeer wonderlijke wijze; hij vat het namelijk als een welgelukte farce op. Het idealisme van Brand kan hij slechts als scherts verstaan. "Hij is te razend krankzinnig, om ernstig te wezen," zegt Vinje. Een paar maanden later (in den herfst van 1866) is ook deze lof te veel; Vinje fulmineert nu tegen Ibsen, omdat hij onvriendelijke dingen over Noorwegen gezegd heeft. Wanneer Vinje door hartstocht werd gedreven, kon hij veel zeggen, dat hij moeilijk kon verantwoorden. Zijn vijanden hebben niet nagelaten, in zijn kritieken op _Arne_ en op _Brand_ uitingen van afgunst te zien tegen twee jongere dichters, die door het geluk zooveel meer begunstigd waren dan hij. Het is moeilijk, iemands drijfveeren te kennen. Iedere menschelijke handeling, ook ieder oordeel, is het gevolg van meer dan één oorzaak. Maar wanneer men vraagt, of die hypothese van afgunst noodzakelijk is, om Vinje's houding te verklaren, dan moet het antwoord ontkennend luiden. Vinje's hartstocht laat zich begrijpen uit zijne geheele positie tegenover zijn tijd. Vinje stond alleen, en hij meende alleen te staan met de waarheid. Waar sprake was van litteratuur, daar was de vraag naar de waarheid in zijn oogen bijna identiek met de vraag naar de taal. Vinje was met hart en ziel landsmaalsman, en het succes van dichters, die het bymaal gebruikten, kwam hem in zijn eenzijdigheid voor, een succes van het Deensch te zijn tegenover het Noorsch. Wanneer nu zulk een dichter, die 'Deensch' schreef, bovendien nog aan Noorwegen verweet, dat het Denemarken niet te hulp was gesneld, dan moest een man van Vinje's geestesgesteldheid al spoedig vinden, dat hij klappen verdiende in plaats van litterair succes.

