Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
Part 14
Jac. B. Bull is, wat zijn leeftijd betreft, een der oudste schrijvers van dit tijdvak,--hij is in 1853 geboren,--maar hij is betrekkelijk laat begonnen te schrijven. Een groot deel van zijn producten valt zelfs na 1900, maar een deel van die werken, die vermoedelijk het langst zullen gelezen worden, zijn tusschen 1890 en 1900 ontstaan. Hij begint met oppositie tegen sommige theorieën uit het vorige tijdvak, en wel vooral tegen de erfelijkheidstheorie, zooals die in de litteratuur van die dagen somtijds optreedt. Hij vindt deze theorie gevaarlijk voor het verantwoordelijkheidsgevoel, en hij schrijft een tooneelstuk _Uten Ansvar_ (Zonder Verantwoordelijkheid). Dit stuk trok weinig de aandacht, maar het is karakteristiek voor de conservatieve gezindheid van den dichter, die zich ook in zijn latere werken zou openbaren.
Het beste werk heeft Bull geleverd op het gebied van de boerennovelle. Zijn locaal is het Østerdal, waar hij door geboorte thuis hoort. Sedert 1892 gaf hij een groot aantal schetsen uit deze landstreek, eerst in kleine bundels: _Skisser, Fra Skog og Fjeld_, e.a. Deze zijn verzameld onder den titel _Folkelivsbilleder_ (1904). Jongere verzamelingen zijn _Fjeldfolk, Morosamme Kropper, Jagthistorier_. Tot hetzelfde type behooren langere vertellingen, die den omvang hebben van kleine romans: _Fonnaasfolket_ (1902), _Glomdalsbruden, Østerdalskongen_ (een breede uitwerking van een der Folkelivsbilleder), _Jutulskaret, Knut Veum_ (1910, het laatste).
Een man als Bull is een voorbeeld, hoe onjuist het is, de litteratuur van een tijdvak met een enkel woord te karakteriseeren. Zoo'n woord is dikwijls een leus, maar niet allen, die te gelijk leven, hebben dezelfde leus, en er zijn er ook, die het zonder leus doen, of die in opstand komen tegen den tijdgeest, of wat zij daarvoor aanzien. Tot dezen behoort Bull het naast, al laat hij zich na zijn eerste werk niet op polemiek in. Gelijk hij zich toen verzette tegen de erfelijkheidsleer, zoo komt hij later op tegen het op den troon zetten der willekeur van het individu. Voor een schrijver van zulk een aard is een maatschappij, waarin respect voor traditie bestaat, gelijk onder boeren het geval is, een natuurlijk onderwerp. Het is ook nauwelijks een toeval, dat juist in die vertelling uit het Østerdal, bij wier uitgave hij te kennen gaf, dat het de laatste zou zijn (Knut Veum), de verhouding tusschen individu en maatschappij ter sprake komt. De hoofdpersoon is een schoolmeester, die in tamelijk behoeftige omstandigheden leeft. De man is begaafd en heeft aanleg, om het verder te brengen. Hij wordt daartoe van verschillende zijden aangespoord, en hem wordt steun beloofd. Maar op de plaats, waar hij werkzaam is, heeft hij een roeping, en deze is hem meer waard dan oeconomische en maatschappelijke vooruitgang. Tegenover hem is een carrière-maker geplaatst, die het tot bisschop brengt. Maar Knut Veum is niet alleen de beste, maar ook de gelukkigste van de twee. Zoo spreekt Bull met bewustheid gedachten uit, die niet in de mode zijn, maar daarom toch ook gedachten van zijn tijd mogen heeten. Ja, in deze scherpte is zulk een gedachte alleen mogelijk als reactie tegen een mode; in tijden, wanneer het van zelf spreekt, dat ieder binnen zijn natuurlijken kring blijft, behoeft dat niet gezegd te worden.
Wat hier van den gedachteninhoud gezegd is, geldt ook van het kunstgenre en den kunstvorm. De boerenvertelling stamt uit de dagen der romantiek; hier is zij echter gemoderniseerd. Men behoeft slechts eene vertelling van Bjørnson en eene van Bull na elkander te lezen, om den afstand te zien. De analyse in bijzonderheden heeft hij bij de realisten geleerd.
Een andere schrijver van boerennovellen is Hans Aanrud (geb. 1863). Zijn belangrijkste verzameling bevat niet minder dan 53 korte vertellingen. Wij kunnen daarop niet ingaan en verwijzen naar het Decembernummer van De Gids van 1908. Aanrud schreef ook enkele langere verhalen van gelijken aard: _Sidsel Sidserk_, _Sølve Solfeng_, en een paar jongere bundels. De aandacht verdienen daarnaast een drietal comedies, _Storken, Høit Tilhest_ en _Hanen_, die door hun comische kracht aan Holberg herinneren.
Wij noemen ten slotte nog een paar romanschrijvers, die in deze periode begonnen zijn, maar in hoofdzaak toch tot een volgend tijdvak behooren, Thomas P. Krag (geb. 1868), Peter Egge (geb. 1869), Hans E. Kinck (geb. 1865).
Den meesten stemmingsinhoud hebben de boeken van Thomas Krag. Het is een lyrisch bewogen dichter, die met voorliefde in voortreffelijk proza het diepere zieleleven schildert. Hij springt niet van den hak op den tak. Bij herhaling kiest hij als onderwerp het lot van eene familie, zich openbarende in meer dan ééne generatie. Zijne opvatting der levensvragen draagt dikwijls een mystiek-religieus karakter. De meest bekende werken zijner eerste periode zijn: _Jon Græff_ 1891, _Ensomme Mennesker_ 1892, _Mulm_ 1893, _Kobberslangen_ 1894, _Ada Wilde_ 1896, _Ulf Ran_ 1897, _Enken_ 1899.
Peter Egge heeft vooral naam gemaakt door vertellingen uit het volksleven, _Folkelivsskildringer_, waarvan de eerste bundel in 1894 uitkwam. Maar hij schreef ook populaire romans: _Almue_ 1891, _En Skibsgut_ 1892, _Straf_ 1893, _Gammelholm_ 1899, alsmede comedies: _Stridsmænd_ 1896, _Jakob og Kristoffer_ 1900. Ook daarna heeft hij ijverig doorgeschreven, ongeveer een boek jaarlijks; de laatste roman is van 1921 en draagt den titel _Inde i Fjordene_.
Hans E. Kinck is van deze schrijvers degene, dien men de meeste moeite heeft, te verstaan. Hij heeft zich van den beginne er op toegelegd, een origineel woordkunstenaar te zijn. Hij schrijft een zeer eigenaardigen, veelal abrupten stijl; hij zoekt naar zeldzame woorden en woordvormen, waaronder vele, die ook in het eigen land maar door weinigen verstaan worden, hij gebruikt ook dialect, wanneer daartoe aanleiding bestaat. Ook de gedachtengang beweegt zich veelal in wonderlijke associaties, zoodat men, ook wanneer men ieder woord verstaan meent te hebben, toch niet altijd weet, wat de dichter zeggen wil, en zich dikwijls niet onttrekken kan aan den indruk, dat de duisterheid gewild is, omdat de dichter zich nu eenmaal heeft voorgenomen, apart te zijn. Dit geeft aan zijne boeken iets kouds, ofschoon het subjectieve en impressionistische juist den indruk van warmte moeten wekken. Maar wanneer men de moeite doet, ze door te worstelen, kan men er veel in vinden; de schrijver heeft eigen gedachten en spant zich aanhoudend in, om zich te vernieuwen. In de jaren 1892--1900 gaf hij uit: _Huldren_ 1892, _Ungt Folk_ 1893, _Flaggermusvinger_ 1895, _Sus_ 1896, _Fra Hav til Hei_ 1897, _Hugormen_ 1898, _Trækfugle_ 1899. Van zijn latere werken is misschien het belangrijkste _Den sidste Gæst_ 1910.
FOOTNOTES:
[Footnote 21: Aan Kielland heeft hij ook zijn roman _To Damer_ opgedragen.]
LYRISCHE DICHTERS.
In het begin der eeuw was het vers de natuurlijke vorm voor de litteratuur. Niet slechts stemmingen drukte men in verzen uit, maar al wat men te vertellen had; zelfs pamfletten verschenen in dezen vorm. De romantiek was rijk aan lyriek. Ook het drama in verzen bloeide in dien tijd. Maar het realisme en de problemenlitteratuur maakten niet slechts aan het drama in verzen, maar ook aan de lyriek een einde. Ibsen, de groote verskunstenaar, gaat na _Peer Gynt_ geheel tot het proza over; de romanschrijvers van 1870 gebruiken uitsluitend den prozavorm. De laatste lyricus der oudere generatie, Vinje, legt in 1870 het hoofd neer, en daarmee zinkt de lyrische poëzie in een winterslaap, die met weinig onderbreking ca. 20 jaar duurt. Van Ibsen bestaan er uit die jaren enkele gelegenheidsgedichten; ook Lie gaf nu en dan een gedicht zonder vlucht in het licht. De jaren 1879 en 1880 brachten een korte onderbreking door het eerste optreden van Kr. Randers (geb. 1851) en Th. Caspari (geb. 1853). De eerste gaf in 1879 uit _Med Lyre og Lanse_ (Met Lier en Lans), in 1880 _Vaarbrud_ (Lentedoorbraak), de tweede in 1880 _Polemiske Sonetter_. Randers' gedichten hebben hoofdzakelijk politieken inhoud, Caspari viel de dichters van zijn tijd aan. Daarop zwegen beiden. In een jonger periode echter is Caspari tot de stemmingspoëzie overgegaan. In 1891 gaf hij uit: _Digte af Per Gynt_, in 1897 _Norsk Høifjeld_, in 1901 _Vintereventyr_.
Intusschen was een jonger dichter, Nils Collett Vogt (geb. 1864), Caspari op dit gebied vóór geweest. Zijn eerste verzameling is van 1887, nieuwe bundels volgden in 1894 _Fra Vaar til Høst_, 1896 _Musik og Vaar_, 1900 _Det dyre Brød_, 1904 _Fra Kristiana_. Uit deze verzen sprak een oorspronkelijk kunstenaar, die besloten was, zijn eigen wegen te gaan, en dien het gelukt was, een eigen vorm te vinden.
Tot de lyrische dichters der laatste periode behoort ook Vilhelm Krag, een jongere broeder van Thomas, die in 1891 en 1892 bundels uitgaf, getiteld _Digte_ en _Nat_, waarin deels, onder den invloed van Deensche dichters, Jacobsen, Drachmann, nieuwe tonen werden aangeslagen. Zoowel Nils Collett Vogt als Vilhelm Krag hebben zich daarna ook met succes op het drama en den roman toegelegd.
UITGAVEN EN LITTERATUUR[22].
ALGEMEENE WERKEN.
Henrik Jæger, _Illustreret norsk Literaturhistorie_, 3 dln. Kristiania 1892-1896. Loopt tot 1890. Eene voortzetting vormt Carl Nærup, _Illustreret norsk Literaturhistorie 1890-1904_, Kristiania 1905.--Gehrard Gran, _Nordmænd i det 19de Aarhundrede_, 3 dln. Kristiania 1914. Houdt biographieën in van vooraanstaande mannen op ieder gebied door bekende Noorsche geleerden. (Hieronder geciteerd als _Nordm. 19. A._)--_Just Bing, Norsk Litteraturhistorie til Skolebrug._ 1915.--J.B. Halvorsen, _Norsk Forfatter-Lexicon._--Edv. Bull, A. Krogvig, G. Gran, _Norsk biografisk Leksikon._ Verschijnt sedert 1921.
HOOFDSTUK I.
_Henrik Wergeland_. Wergeland, _Udvalgte Skrifter_. Kristiania en Kopenhagen 1896-1897. In deel I eene karakteristiek door Carl Nærup. In deel VII eene autobiographie, getiteld _Hasselnødder_.--O Skavlan, _Henrik Wergeland_, Kristiania 1892.--G. Gran, _Henrik Wergeland_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
_Johan Sebastian Welhaven_. Welhaven, _Samlede Digterværker_, 3e uitg. Kristiania en Kopenhagen 1921.--_Digte i Udvalg_, 1919.--A. Löchen, _J.S. Welhavens liv og skrifter_, Kria 1900.--G. Gran, _Joh. S. Welhaven_ in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
HOOFDSTUK II.
_Asbjørnsen en Moe_. De verzamelingen zijn talrijke malen uitgegeven. Eene volledige uitgave bestaat onder den gemeenschappelijken titel _Norske Huldre-Eventyr og Norske Folke-Eventyr_ (deel I: _Huldreeventyr og Folkesagn_, deel II: _Folkeeventyr_). Hiervan bestaat eene volksuitgave en eene geïllustreerde. Aanbeveling verdienen ook de kleinere geïllustreerde bundels: _Norske Folke- og Huldre-eventyr i Udvalg_; _Udvalgte Folkeeventyr_; _Eventyrbok for Børn_.--Moltke Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd (Asbjørnsen, Moe, Aasen)_ in _Nordm. 19. A._ dl. 2 (zeer leerzaam).
_Jørgen Moe_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Jubilæumsudgave.
_Folkeviser_. M.B. Landstad, _Norske Folkeviser_, Christiania 1853, is sedert lang uitverkocht. Evenzoo S. Bugge, _Gamle norske Folkeviser_, Kria 1858. Van eene nieuwe uitgave der _Norske Folkeviser_, door Knut Liestøl en Moltke Moe, is in 1920 een deel uitgekomen.
_J.S. Welhaven_. Zie bij Hoofdstuk I.
_Bjørnstjerne Bjørnson_. Bjørnson, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 19 dln. Kria en Khvn. De meeste stukken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--P.A. Rosenberg, _Bjørnstjerne Bjørnson_, 1915.--G. Gran in _Nordm. 19. A._ dl. 3.--G. Brandes in _Det moderne Gjennembruds Mænd_, 2. uitg. 1891--R.C. Boer, _Bjørnstjerne Bjørnson_ in _De Gids_ (Nov. 1899). dez., _Laboremus_ in _De Gids_ (Aug. 1901).
_Henrik Ibsen_. Ibsen, _Samlede Digterværker. Standardudgave_, 7 dln. Kria en Khvn 1919. De meeste stukken afzonderlijk verkrijgbaar.--_Ibsens Episke Brand_, udg. af Karl Larsen 1907.--_Ibsens Efterladte Skrifter_, 3 dln. 1909. (Beide van groote waarde voor de studie van den dichter.)--_Breve fra Henrik Ibsen_, 2 dln. 1904.--Henrik Jæger, _Henrik Ibsen, Et literært Livsbillede._--G. Brandes, _Henrik Ibsen_ 1898.--Albert Dresdner, _Ibsen als Norweger und Europäer_.--John Paulsen. _Samliv med Ibsen_, 1906. _Ny Samling_ 1913.--Een voortreffelijke studie over Ibsen's werken geeft de inleiding der reeds genoemde _Efterladte Skrifter_.--R.C. Boer, _Peer Gynt_ (_De Gids_ van Oct. 1893). dez., _Kleine Eyolf_ (_De Gids_ van Febr. 1895). dez., _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.; o.a. over opvoeringen op het Nationaltheater). dez., _Ibsen's Epische Brand_ (_Onze Eeuw_, 1909), dez., _Ibsen's Nagelaten Werken_ (_Onze Eeuw_ 1910). dez., Ibsen's Peer Gynt (_Neophilologus_ 1919). Jacqueline E. van der Waals, _Brand en de brieven van Ibsen_ (_Onze Eeuw_, Mei 1919).--Een uitvoerig commentaar op _Peer Gynt_ schreef H. Logeman (Den Haag 1917).
HOOFDSTUK III.
_Ivar Aasen_, _Skrifter i Samling_, 3 dln. Kria en Khvn.--Moltke Moe, _Det nationale gjennembrud og dets mænd_ (zie bij Hoofdstuk II).
_Aasmund O. Vinje_. A.O. Vinje, _Skrifter i Utval_, utgjevne af Det norske Samlaget. Kria 1882 vv. (Uitverkocht).--_Dikt og prosaskrifter i utval_ ved Halvdan Koht Kria, 1903.--_Ferdaminni_ en _Storegut_ zijn herhaaldelijk afzonderlijk uitgegeven in de geschriften van Det norske Samlaget.--Vetle Vislie, _Aasmund Vinje_, Bergen 1890.--Een kort werkje van denzelfde in de _Norske Folkeskrifter_ udgj. av Norigs Ungdomslag og Studentmaallaget no. 28.--Halvdan Koht, _A.O. Vinje_ in _Nordm. 19. A._ dl. 3.
_Landsmaal_. Regelmatige overzichten over hetgeen er in het landsmaal verschijnt, geeft het door Det norske Samlaget uitgegeven tijdschrift _Syn og Segn_.
HOOFDSTUK IV.
_Camilla Collett_, _Samlede Verker Mindeudgave_, 3 dln. Enkele boeken ook afzonderlijk verkrijgbaar.--Alf Collett, _Camilla Colletts Livs Historie_. 1911.--Lilly Heber, _Camilla Collett_, 1913.--Mathilde Schjøtt in _Nordm. 19. A._ dl. 1.
_Ibsen en Bjørnson._. Zie bij Hoofdstuk II.
_Jonas Lie_. J. Lie, _Samlede Digterverker, Standardudgave_, 10 dln. Kria en Khvn 1920. De meeste boeken afzonderlijk verkrijgbaar.--Arne Garborg, _Jonas Lie, En Udviklingshistorie_, Kria 1893.--Erik Lie, _Jonas Lies Oplevelser_, Kria en Khvn 1908.
_Alexander L. Kielland_. A.L. Kielland, _Samlede Digterverker. Standardudgave_, 5 dln. Kria en Khvn 1920. _Breve_, met inleiding van G. Gran, 1907.--Brandes, _Essays, Fremmede Personligheder_, Khvn 1889, p. 17.--R.C. Boer, _Alexander L. Kielland_ (_De Gids_, Mei 1897).
_Kristian Elster_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria 1904.--_Brandes, Essays, Fremmede Personligheder_, p. 1,--A.L. Kielland in de uitgave van Elsters _Solskyer_.
_Amalie Skram_. Hare romans zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--_Samlede Skrifter_, uitverkocht.
_Arne Garborg_. Arne Garborg, _Skrifter i samling. Jubilaeumsutgaave_, 7 dln. Kria 1922. Ook afzonderlijke werken.--Erik Lie, _Arne Garborg, En Livsskildring_, Kria 1914.--Zie ook de Garborg-aflevering van _Syn og Segn_ (Januari-Februari 1921).--R.C. Boer, _Reisherinneringen uit Noorwegen_ (_De Gids_, Dec. 1908 en vv.).
HOOFDSTUK V.
_Gabriel Finne_. De werken zijn afzonderlijk verkrijgbaar.--R.C. Boer. _Gabriel Finne_, (_De Gids_, Juli 1898).
_Sigbjørn Obstfelder_, _Samlede Skrifter_, 2 dln. Kria en Khvn 1917. De werken ook afzonderlijk.
_Arne Garborg_. Zie bij Hoofdstuk IV.
_Rasmus Løland_. Een biographische schets door Arne Garborg is hierboven bladz. 225 genoemd.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
_Gunnar Heiberg_. _Samlede dramatische Verker_, 4 dln. Kria 1917-1918.
_Knut Hamsun_. _Samlede Verker_, 12 dln. Ook afzonderlijk.--John Landquist, _Knut Hamsun, En studie över en nordisk romantisk diktare_.--R.C. Boer. _Knut Hamsun_ (_De Gids_ November 1896), dez., _Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April 1912), dez., _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
_Jacob B. Bull_. _Folkelivsbilleder_, 4 dln., 3e uitg. 1919. _Folkelivsromaner_, 3 dln., 2e uitg. 1918--_Nutidsromaner_, 3 dln. 1918.--_Historiske romaner_. 4 dln.--De meeste werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pag.).
_Hans Aanrud_, _Fortællinger_, 2 dln. 1917. Eene verbreeding der uitgave van 1906. Verscheidene werken ook afzonderlijk.--R.C. Boer, _Reisherinneringen_ (zie vorige pagina).
_Thomas Krag_, _Samlede Skrifter_, 9 dln. De werken ook afzonderlijk.
_Hans E. Kinck_. Over zijn drama _Den sidste Gæst_ zie R.C. Boer, _Uit de jongste Noorweegsche Litteratuur_ (_De Gids_, Maart en April 1912).
FOOTNOTES:
[Footnote 22: Deze opgave bevat uit den aard der zaak slechts een zeer beperkt aantal boektitels. Vertalingen zijn niet opgenomen.]
REGISTER VAN AUTEURS.
Aanrud, H. Aasen, I. Arnim Asbjørnsen, P. Chr. Auerbach, B. Bjerregaard, H.A. Bjørnson, B. Brandes, G. Brentano Bugge, S Bull, J.B. Caspari, C.P.F. Collett, C. Dostojewski Drachmann, H. Dybfest, A. Egge, P. Elster, Kr. Faye, A. Finne, G. Fjørtoft, O.J. Garborg, A. Goldschmidt, M. Grimm, J. en W. Gran, G. Hamsun, K. Hansen, M. Heiberg, G. Heiberg, J.L. Heiberg, P.A. Heine, H. Herre, B. Hertz, H. Hielm, J.A. Holberg, L. Ibsen, H. Jacobsen, J.P. Jæger, Hans Jæger, Henrik Kielland, Al. L. Kinck, H.E. Knudsen, K. Krag, Th. Krag, V. Krogh, Kr. Landstad, M.B. Lie, J. Løland, R. Mill, Stuart Moe, J. Moe, M. Munch, A. Munch, J. Storm Munch, P.A. Novalis Nærup, C. Obstfelder, S. Randers, Kr. Runeberg, J.L. Sagen, Lyder Sars, E. Schjøtt, M. Schiller, Fr. von. Schultze, H. Schwach, C.N. Seip, D.A. Sivle, P. Skavlan, O. Skram, A. Snorri Sturlason Spencer, H. Tvedt, J. Vinje, A. Vislie, V. Vogt, N. Collett Welhaven, J.S.C. Wergeland, H. Øhlenschläger, A.G. Østgaard, N.