# Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/noorwegens-letterkunde-in-de-negentiende-eeuw-13591/index.md

Maar Enok kan niet altijd op Tabor zijn. De spanning neemt soms af, en dan gevoelt hij zich van God verlaten. Daar komt bij, dat het zoo moeilijk is, de kinderen te leeren, hoe zalig het is, bij God te zijn. Zij zoeken deze wereld en willen van den verlosser niet weten. Vooral de oudste jongen, Gunnar, neemt iedere mogelijke gelegenheid te baat, om aan de prediking van het woord te ontkomen. Geweld is dus noodig. De schrift zegt: "Dwingt ze, om in te gaan," Maar het geweld heeft slechts deze uitwerking, dat het de kinderen van den vader, ten slotte ook de vrouw van den man vervreemdt. Enok begint te twijfelen,--niet aan Gods woord, maar aan Gods genade. Hij, Enok, is uit de genade gevallen, hij heeft de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven. Hij is verdoemd. Och, kwam de duivel en voerde hem naar de hel; dan wist hij ten minste, dat het niet erger kon worden!--De aanvallen van angst en twijfel nemen toe, in heviger mate, nadat Gunnar het huis heeft verlaten en Enok zich verwijt, dat hij hem de wereld en het verderf in heeft gezonden. En als Enok vernomen heeft, dat Gunnar zich met eene vrouw heeft ingelaten en nu naar Amerika vertrokken is, komt de catastrophe. Enok komt 's avonds thuis; allen zijn naar bed; hij is alleen,--en toch niet alleen, want ginds in den hoek zijn twee mannen. Zij naderen hem en doen zoo wonderlijk; zij grijpen naar hem. Het beste is, dat hij tracht, buiten te komen. Voorzichtig sluipt hij de deur uit. Maar daar buiten zijn zij ook, en als hij achter den stal komt, zijn er meer; het is een heele hoop, en allen strekken zij de hand naar hem uit. Hij vlucht, maar de troep vervolgt hem; hij komt bij een plas, die hem reeds herhaaldelijk in verzoeking bracht. Nu ziet hij om; de vreemde mannen zijn vlak bij hem; één onder hen, een heel groote, heeft horens! Enok doet een sprong, en zinkt in de diepte. Hij kwam niet meer boven. "De zuidenwind streek over het water met zijn zachte suizing. En het klotste en golfde, zacht en stil; klotste, golfde ... klotste, golfde...."

Het Christendom van Enok Haave voert ten ondergang. Maar bij dit resultaat blijft Garborg niet staan. Wat is de oorzaak, zoo vraagt hij. dat de strijd des geloofs, die zoo dikwijls de beste strijd genoemd wordt, Enok Haave tot een nederlaag voert? Garborg laat ons niet in onzekerheid. Indien er één ding is, waarop hij telkens terugkomt, dan is het dit. In zijne Knudaheibrev zegt hij o.a. (p. 118): "Het was het Christendom, dat de schuld kreeg. Maar de schuld had zeker minder het Christendom dan het Christiaandom, of de kerkleer uit den tijd van Christiaan den zesden. Deze was het, die nu in Jæderen de macht gekregen had." Deze leer vervulde de menschen met dogmatiek en angst voor de hel, maar gaf hun geen levend geloof.

Wat naar zijn meening het ware Christendom is, leert hij behalve in tallooze uitspraken in een reeks kunstwerken, die op _Fred_ volgen. Twee daarvan sluiten onmiddellijk bij _Fred_ aan. Zij verhalen de geschiedenis van het volgend geslacht. Twee zoons van Enok Haave, Gunnar en zijn jongere broeder Paulus, strijden op hun beurt den strijd, dien hun vader niet tot een goed einde kon brengen. Maar met een ongelijk gevolg. In beiden is veel van Garborg zelf.

_Læraren_ (De Leeraar) is een tooneelstuk van machtige werking. Dit drama herinnert meer dan eenig ander aan Ibsen's 'Vijand des Volks'. In beide staat één man tegenover allen en overwint zijn tegenstanders zedelijk en verstandelijk, maar wordt uitgestooten, omdat hij de waarheid zegt. In beide is dezelfde frischheid en moed, de vroolijkheid van den man, die zich sterk voelt in zijn toewijding aan een ideaal, dezelfde superioriteit, de ronduitheid, waarmede slagen uitgedeeld worden, dat de veeren vliegen. Maar het onderwerp van discussie is een ander; bij Ibsen draait het om eenvoudige redelijkheid en waarheidszin, bij Garborg om een leven in overeenstemming met de leer. Paulus Haave behoort tot de 'gewekten', de piëtisten, die bidstonden houden, die klagen over de zonde, en wier taal de tale Kanaäns is. Hij is zelfs hun voorganger. Tot het voor hem opgaat, dat niet dit religie is, en hij op een avond zijn gespannen auditorium verrast met eene preek, waarvan de quintessens is, dat het niet aankomt op een dagelijksch berouw, telkens gevolgd door nieuwe zonde, maar op een nieuw leven, op een verloochenen van zich zelf. "Verkoopt, wat gij hebt," leert hij, "en geeft het den armen." Die preek is zóó frisch en zóó geestig, dat het moeite kost, er niet een groot stuk van mee te deelen. Ik geef hier alleen het slot.

"Kun je niet? Ik antwoord je in Jezus' naam: je wil niet! Altijd, als wij niet willen, vinden wij uit, dat wij niet kunnen. En met die leugen hebben wij het Christendom de wereld uitgedicht!--En noemen dan die leugen zelf ons Christendom! Voorwaar, het zal Tyrus en Sidon gemakkelijker gaan op den oordeelsdag dan ons.

"Kun je niet, dan wil je niet; en ga dan terug naar de wereld en zoek daar je troost; want Gods rijk kom je niet binnen! Want de weg is smal en de poort is eng, die daar binnenvoert; en zij, die binnen willen komen, moeten met macht naar binnen dringen,--met heel hun heetsten wil. Spot niet, want dit is ernstiger dan dat wat je vroeger Christendom noemde! Maar laat je ook niet afschrikken! want dezelfde, die den eisch stelt, geeft ook de kracht."

Een der toehoorderessen is in verrukking geraakt en gilt: "Zalig is de schoot, die je droeg, en zijn de borsten, die je zoogden." Er ontstaat schrik; men staat op. Maar Paulus ziet haar scherp aan en zegt: "Voert haar naar buiten. Zij is van zich zelf."--Daarmee valt het gordijn van dit bedrijf.

Wat ons in dit stuk stilistisch vooral treft, is de schitterende gebruikmaking van bijbeltaal, waardoor deze zwaarwichtige woorden in hun volle glorie midden in het alledaagsche leven schijnen. Paulus Haave leeft naar het voorschrift, dat hij in Jezus' naam aan zijn hoorders gegeven heeft. Hij verkoopt zijn goed en geeft het den armen, en gaat wonen in een hut op de heide, zijn brood verdienend en anderen helpend met den arbeid zijner handen. Maar hij geraakt in conflict met die vrienden van zonde en berouw, die hem een huichelaar noemen, en nu blijkt het, dat inderdaad de Christenen geen Christen onder zich dulden. De machthebbers zijn evenmin op hem gesteld; zij vreezen, dat hij de schare zal verleiden. Ook zijn vrouw verstaat hem niet; zij wordt verteerd van jalouzie op een der vrouwen, die religieuzen steun bij haar man zoeken. Als zij in een aanval van zwakheid vergif heeft genomen, ziet de overheid kans, om hem onschadelijk te maken. Hij wordt voor het gerecht gebracht. Al volgt er vrijspraak, zoo meent men, dan is het toch goed, als er een stempel op hem gezet wordt. Maar Paulus is niet meer te treffen; hij heeft het martelaarschap bereikt.

Een tweede stuk als _Læraren_ is zeker vroeger noch later ten tooneele gevoerd. De geheele handeling beweegt zich om de vraag, wat het is, een Christen te zijn. Litteratuur over dat onderwerp bestaat er zeker in voldoende hoeveelheid, maar de gewone vorm daarvoor is de verhandeling. Voor Garborg echter is deze vraag een persoonlijke zaak, de meest persoonlijke van zijn leven, en de drager van zijn denkbeelden wordt in die mate een man van handeling, dat het drama de eenige vorm is, waarin hij tot zijn recht kan komen. Het stuk is levendig en vol van een spanning, die geen oogenblik verslapt; de vlammende taal en de hooge gedachten houden het ver boven het niveau ook der goede tooneellitteratuur. Tegelijk is het realistisch. Het ideale is van allen uiterlijken pronk ontbloot. De maatschappij, waarin _Læraren_ speelt, is den dichter volkomen bekend; hij laat haar zien in al haar nuances. En wat men in een stuk van dezen inhoud het minst zou verwachten: ook de comische scènes behooren tot het schitterendste, wat ooit in het Noorsch geschreven is. Zij toonen, hoe door en door gezond de dichter is.

Het andere werk, dat direct bij _Fred_ aansluit, is een boekje vol poëzie en vol wijsheid. _Den burtkomne Faderen_ (De verloren Vader). Het is het dagboek van Gunnar, den oudsten zoon van Enok Haave, die de wereld inging, om het leven te genieten, en nu, na zijn illusies verloren te hebben, oud vóór den tijd, aan zich zelf en aan de menschheid vertwijfelend, naar zijn geboorteplaats terugkeert, om eenzaam te sterven. Hier leert hij zijn broer Paulus kennen en vindt in hem iemand, in wien hij gelooven kan, en door wien hij het geloof wint in de menschheid en in den verloren vader. Rustig sterft Gunnar; hij heeft vrede gevonden met het leven--en met den dood.

Bijzonder fijn zijn de nuances van stemming, die de harmonische oplossing voorbereiden. Reeds de herinneringen, die bij het zien van bekende plaatsen opkomen, stemmen tot zachtheid. Gunnar houdt zich gaarne op het kerkhof op; hij zoekt ook het graf van zijn vader. Maar niemand kan het hem wijzen: "de rechtvaardigen hielden oordeel en zeiden: hij was niet als een van ons, dat hij zou worden onthouden." Maar Gunnar voelt zijne nabijheid; hij moet er zijn, want hij heeft hem iets te zeggen. "Ja, dat hij kwam, zoodat ik hem alles kon zeggen. En hem zeggen, dat ik alles begrijp. Want ik voel zijn angst; die beeft nu in mijn eigen boezem. En ik weet, dat hij, die zijn weg gaat, zijn hel vooruit gehad heeft. "Vaarwel, vader. Rust in vrede, in alle eeuwigheid. En vergeef. Want nu ben ik ziek en alleen als jij."

Het lijden heeft de stemming verzacht en het vermogen gewekt, om te begrijpen.

Paulus Haave spreekt met Gunnar en wijst hem den weg tot den verloren vader. In deze gesprekken is ieder woord als in marmer uitgehouwen.

Parallel met de beide laatstgenoemde geschriften ontstonden twee dichtwerken, _Haugtussa_, en de voortzetting daarvan _I Helheim_. Haugtussa, 'Heuveldeern' is een bijnaam, die in het dorp aan een visionnair meisje gegeven wordt, dat zich somtijds tusschen grafheuvels ophoudt; de dichter noemt haar Veslemøy, 'het stakkertje'. Het gedicht vertelt van haar eenzaamheid, haar liefde voor een jongen man, die haar in den steek laat, van de aanvechtingen, waarmee zij te worstelen heeft, om dit leed te dragen. Aan het slot valt zij in eene zware ziekte en ziet aan haar bed haar gestorven zuster staan en met haar eene wijze vrouw, die als _volva_ (profetes) aangeduid wordt. Dit tweetal zal haar dingen laten zien, die zij noodig heeft voor haar taak in het leven.

In _I Helheim_ (In de Hel) gaat daarop Veslemøy in haar koortsigen droom met haar beide begeleidsters op reis. Zij ziet de hel tot in haar diepsten afgrond en daarop den opgang der zaligen omhoog. Het gedicht heeft aanknoopingspunten aan middeleeuwsche visionnaire litteratuur, maar de opvatting der dingen is veel dieper. Alle hellestraffen zijn behouden en misschien vermeerderd, maar zij hebben alle een psychologische beteekenis gekregen; de straf is niet uitwendig kwaad, dat den ongelukkigen wordt toegevoegd, maar pijniging door het geweten. Daarom luidt dan ook het antwoord op de vraag, of aan deze smart geen einde komt:

"Een oogenblik in dit vuur is eeuwigheid zonder einde."

Zoo keert Garborg van zijne theoretische vrijdenkerij stap voor stap terug tot het Christendom. Maar zijn Christendom van heden is niet dat van zijne kindsheid. Het is losgemaakt van leerstelligheid; de nadruk wordt uitsluitend gelegd op de zedelijke persoonlijkheid.

Garborg heeft ook in de volgende jaren eenige werkjes geschreven, die een voortzetting vormen van de hierboven besprokene. Zij gaan nog directer op hun doel af; de inkleeding als vertelling wordt opgegeven; zij dragen bijna geheel het karakter van prediking. Maar als stilistische kunstwerken en uitingen van Garborg's zieleleven staan zij zóó hoog, dat zij niet alleen in de stichtelijke litteratuur, maar ook in de schoone letteren een allereerste plaats innemen. Zij zijn getiteld _Jesus Messias_ (1906), _Den burtkomne Messias_ (1907), _Heimkomin Son_ (1908).

Een klein citaat moge van het hier uitgesproken oordeel rekenschap geven. Na in 'De verloren Messias' betoogd te hebben, dat het geloof aan den duivel in verlichte kringen afneemt, gaat hij aldus voort:

"Met het volk is het erger. In plaats van den ouden, goedmoedigen katholieken duivel heeft het eindelijk den boozen en geweldigen protestantschen Satan in de wereld van zijn voorstellingen opgenomen, en wat erger is, het volk heeft meer en meer dien duivel noodig. Want het volk ziet, hoe weinig rechtvaardigheid er in de wereld is; en de eenige troost, dien het heeft, is deze: in de eeuwigheid zal Lazarus het goed hebben, maar de rijke man zal branden, heeter dan heet, van eeuwigheid tot eeuwigheid en in eindeloosheid zal hij branden, branden--.

"De ware Messias spreekt uit den vergeten Bijbel nog het woord, dat macht heeft, de wereld te verlossen: je moet je naaste beminnen, liefhebben, zooals je je zelf bemint, lief hebt. Komt de wereld ooit zoo ver, dat zij dit verlosserswoord kan hooren en verstaan?"

Geen modern Noorweegsch schrijver is in die mate als Garborg een zedelijk opvoeder van zijn volk geweest.

In dit verband noemen wij een paar andere schrijvers in landsmaal, die in dezelfde periode optreden.

Rasmus Løland (1861-1907), een fijnbegaafd schrijver, autodidact gelijk zoo velen, door ziekte aangewezen op een huiszittend leven, heeft een groot aantal korte vertellingen geschreven, meest van droevigen inhoud, handelend over personen, die in het leven mislukken, maar zachtmoedig en vol levenswijsheid. Tot zijn allerbeste werken, tevens tot het allerbeste, wat op dit gebied in Noorwegen verschenen is, behooren zijn kinderverhalen _Det store Nashorne_ (De groote Neushoorn) en _Kvitabjörnen_ (De IJsbeer). Een korte levensbeschrijving gaf A. Garborg aan het begin van den na Løland's dood verschenen bundel _Paa Skuggesida_ (Aan den Schaduwkant).

Van Jens Tvedt (geb. 1857), Ivar Mortensen (geb. 1857), Per Sivle (± 1905) laat de plaatsruimte mij helaas slechts toe, de namen te noemen.

Van de dramatische dichters uit het einde der eeuw is de meest bekende en de vruchtbaarste Gunnar Heiberg. Als kunstenaar onderscheidt hij zich door zijn bij uitstek aesthetisch standpunt. Hij plaatst zich op een afstand en satyriseert. Een moreelen maatstaf legt hij niet aan. Wanneer hij iets schijnt te prediken, is het de vrijheid van den hartstocht. In het gedicht, waarmee hij reeds in 1878 debuteerde, _Menneskets Genesis_, is de zondeval de eerste daad van vrijheid van den mensch. In zijn strijd tegen de godheid schiet de mensch soms te kort, maar gelukkig leeft het geslacht van Kaïn nog.

Heiberg's eerste tooneelstuk _Tante Ulrikke_ (1884) houdt zich bezig met den politieken strijd van den dag. De dichter is nog niet partijloos; hij neemt het op voor de radicalen en maakt volgens een bekend recept den vertegenwoordiger der tegenpartij niet slechts tot een nietswaardig karakter, maar ook tot een zwak, ijdel man, over wiens invloed men zich slechts kan verbazen. In zijn volgend stuk, _Kong Midas_ (1890), heeft Heiberg zich losgemaakt van politieke vooroordeelen, en hier en later zoekt hij zijne dwazen, waar hij ze vinden kan. In dit geval is het een waarheidsverkondiger, die met zijn zucht, om zijn licht te laten schijnen, bijna een groot onheil sticht. Het denkbeeld heeft verwantschap met _Vildanden_, maar niet alleen het type, ook het stuk is gansch anders uitgevoerd. Heiberg's werken missen de diepe motiveering en evenzoo de rijke handeling en de dramatische spanning, die aan Ibsen's drama's eigen zijn, en ook zijn psychologisch inzicht is gering. Eer doen zijn karakters zonder ontwikkeling en zijn plat trappen van eenzelfde motief door alle bedrijven van een stuk aan de komedie der achttiende eeuw denken, maar hij mist weer den vroolijken schaterlach van Holberg; hij is scherper en persoonlijker, en soms spaart hij ook het private leven niet. Maar hij schrijft een voortreffelijken dialoog en houdt de belangstelling gaande. Op _Kong Midas_ volgden een aantal andere werken, waarvan wij noemen _Kunstnerne_ (1893), waarin de tweespalt tusschen kunstenaar en mensch geschilderd wordt, _Det store Lod_ (1895), _Harald Svans Mor_ (1899). Een gansch ander karakter dragen een paar tragische stukken, _Balkonen_ (1894) en _Kærlighedens Tragedie_ (1904). Beide drama's schilderen de liefde als een macht, die alles verwoest, leven, eer, deugd, verantwoordelijkheidsgevoel. De inhoud van de beide stukken is kort; de handeling heeft geen andere motiveering dan de onweerstaanbaarheid van den hartstocht. Een enkel woord kan hem wekken, en de catastrophe is aanwezig. Een sensueele razernij maakt zich van den mensch meester, en het is met zijn wil gedaan. De; schildering is knap, de lezer huivert,--maar hij wenscht van zulk een liefde verschoond te blijven.

Onder de schrijvers, die in deze periode voor het eerst optreden, maar wier productie voor het grootste deel na 1900 valt, heeft zeker niemand meer naam gemaakt, en dat met recht, dan Knut Hamsun. Een krachtige geest van groote subjectiviteit, die van zijn eerste optreden af een stijl heeft, die hem alleen eigen is, vol geest en pit, bijna te overladen, en die door voortgezette studie en zelfopvoeding het tot klassieke schoonheid brengt. Aan zijn werken kan men moeilijk zien, dat hun begin ligt in de periode van het vertwijfelde pessimisme. En toch, indien hij een zwakkeling geweest was, dan had hij ook licht in pessimisme kunnen vervallen. Er waren althans twee dingen, die hem daartoe hadden kunnen brengen: hij heeft armoede gekend, en hij is van nature stemmingsmensch. Maar hij bezit andere eigenschappen, die hem behoed hebben,--een ijzeren wil en een onbescheiden blikken afwerenden trots. Groote armoede kan een zware druk zijn, maar het is toch een druk, die van buiten komt. Den sterke daagt zij tot verzet uit en wekt zoodoende de sluimerende kracht. Hamsun is begonnen met de tanden op elkaar te zetten en te vroolijker te worden, naarmate hij het moeilijker had. Hij zwelgt dan in galgenhumor en paradoxen, maar niemand moet het wagen, een woord van medelijden te spreken, of hij kan een niet zeer vriendelijk 'wat belieft u?' toegesnauwd krijgen.

De hier beschreven stemming is die van vele van Hamsun's helden, hetzij nu de nood van stoffelijken of van anderen aard is. In _Sult_ is het honger, in _Pan_ is het liefde; in beide gevallen doorstaat hij de heftigste kwellingen, maar hij handhaaft zijn karakter. In _Mysterier_ hebben wij slechts met een zonderling te doen, die in een vlaag van waanzin een einde aan zijn leven maakt. Men kan in dit geval de wereld, die van den heer Nagel--zoo heet de man--niet weten wil, nauwelijks ongelijk geven, maar als studie over hetzelfde type, dat in zoo vele van Hamsun's romans terugkeert, en waarin wij tot op zekere hoogte een zelfportret moeten erkennen, is ook dit boek interessant. En tevens als een eerste poging, om tegenover zijn subjectieven held een geheele maatschappij te plaatsen. Een maatschappelijke schildering van zijn hand bestond reeds in _Fra det moderne Amerikas Aandsliv_, een persifflage, naar den vorm verhandeling, naar den geest geheel kunstwerk, niet objectief, maar schuimend van geestigheid. Gelijk hier de maatschappij, zoo is in _Sult_ het 'ik' aanwezig. _Mysterier_ is de eerste poging, om die twee tegenover elkander te plaatsen. Daarop volgen een paar voortreffelijke maatschappelijke romans, _Redaktør Lynge_, waarin de verderfelijke invloed eener machtige en tegelijk oneerlijke dagbladpers behandeld wordt, en _Ny Jord_, die een troep ijdele kunstenaars, voornamelijk schrijvers, in tegenstelling plaatst met eenvoudige kooplieden, die hun dagelijkschen plicht doen. Het is het Bohême-leven, van zijne keerzijde gezien. In beide boeken treedt Hamsun's capricieus, onmaatschappelijk 'ik'-type onder verschillenden naam als een achtergrondsfiguur op, schuw en geminacht, maar nu en dan plotseling een niet verwachte geestelijke meerderheid toonend. Tot hoofdpersoon wordt hij weer in _Pan_, dan in het drietal samenbehoorende tooneelstukken _Ved Rigets Port, Livets Spil_ en _Aftenrøde_ en in het wonderlijke gedicht in dramatischen vorm _Munken Vendt_ (1902). In latere werken komen nog bij herhaling figuren voor, die aan het type herinneren, maar zij domineeren zelden meer. Een der interessantste is telegrafist Bardsen in _Børn af Tiden_ en in _Segelfoss By_, een aristocratisch voelend en onafhankelijk man, maar te gelijk een dronkaard en onbetrouwbaar in geldzaken, die met volkomen kalmte zijn ondergang, waaraan hij zelf schuld is, te gemoet gaat. In de plaats van dit type, dat wel zijn oorsprong heeft in eene zijde van Hamsun's karakter, maar toch reeds van den beginne af niet alles bevatte, wat in den schrijver steekt, en bovendien op den duur sterk gevarieerd is en tot een litterair type wordt, treedt in enkele jongere romans (_Under Høststjernen, En Vandrer spiller med Sordin, Den sidste Glæde_) een nieuwe 'ik'-figuur op, die weer korter bij den dichter staat. Deze schrijft nu, gelijk in _Sult_, in de eerste persoon. Wij leeren hem nu kennen op rijper leeftijd. De verandering is groot. De onafhankelijkheid is gebleven, maar de paradoxist is geworden tot een schalk met een ironischen, maar tegelijk dankbaren blik op het leven. Hij deelt ons nu aan de hand van zijn vertellingen zijn levenswijsheid mee. Deze is, dat een man, die vijftig jaar geworden is, geleerd heeft, een toontje lager te spreken, niet _alles_ van het leven te wachten, maar het toch met dank aan te nemen. 'Want het was aardig, te leven'.

In Hamsun's laatste werken verdwijnt de 'ik'-figuur geheel. Des dichters subjectiviteit bestaat nu nog alleen in den blik, waarmee hij de wemelende menschenmenigte aanziet. Het is de blik van den liefdevollen beschouwer, die ziet, hoe dwaas de menschen zijn, maar hun toch zijn belangstelling niet onthoudt. Zóó is de wereld, vindt hij, en zóó is het leven, en dat alles is interessant als de boomen, als de vogels, als de zee. Het zijn beelden uit de enge maatschappij van kleine kustplaatsen. Drie van deze boeken, _Børn af Tiden, Segelfoss By, Markens Grøde_, behooren tot zijne allerbeste. Ook binnen deze groep is in den schrijver nog eene ontwikkeling te zien. In de beide eerstgenoemde werken stelt hij den ouden tijd tegenover den nieuwen, en de vergelijking valt ten gunste van den ouden tijd uit. Hamsun heeft sympathie voor menschen, die weten te bevelen en te gehoorzamen, en die zich zelf kunnen bedwingen. In de plebeïsche behoefte aan genot, in den eeuwigen honger naar meer van den arbeider ziet hij teekenen van decadentie. In _Markens Grøde_ echter wordt een nieuwe aristocraat geschilderd, een man zonder geestelijke ontwikkeling maar met groote arbeidskracht, die het land bewerkt en zich daardoor opwerkt tot zelfstandigheid, welstand en aanzien onder de zijnen. Geld bezit hij niet; een som, die hij door toeval krijgt, wordt door een van zijn kinderen, den eenige, die mislukt, opgemaakt. Maar hij heeft huis en hof, vee en land, bosch en weide, en dat alles is het zijne, omdat het het product van zijn vlijt is. Het boek is eenigszins utopistisch, maar het is eene moderne idylle vol idealisme. Hamsun's laatste, minder gelukte, roman draagt den titel _Konerne ved Vandposten_.

Behalve de hierboven reeds genoemde boeken heeft Hamsun nog eenige andere geschreven, van welke hier niet onvermeld mogen blijven een paar interessante bundels novellen (in één van deze het uitgelaten vroolijke stuk _Dronningen af Saba_). En dan het meesterwerk _Livet i Vold_, uitmuntend door originaliteit en zekerheid van uitvoering.

