# Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/noorwegens-letterkunde-in-de-negentiende-eeuw-13591/index.md

Reeds de realistische debatlitteratuur had een pessimistisch element; zij was polemisch. Zij wendde zich tegen de maatschappij, zooals die is. Ook indien de schrijvers geloofden aan de mogelijkheid van verbetering, stonden zij toch tegenover het bestaande vijandig, en hun tendentie voerde hen er toe, den nadruk te leggen op de schaduwzijde. Heel duidelijk is dat bijvoorbeeld te zien bij Kielland. Het zuivere naturalisme plaatst zich meer op een afstand; het wil objectief zijn. Maar de onderwerpen, die het kiest, menschelijke ellende, geestelijk en stoffelijk, en de koelheid, waarmee de schrijvers dat aanzien als een zaak, die nu eenmaal in de natuur gegeven is, zijn zeker niet geschikt, om hoop en geloof te wekken. Het is slechts noodig, aan deze schilderingen een weinig lyriek toe te voegen, met deze realiteit de gevoelens te verbinden, die zij bij een sensibel dichter wekken, en men vervalt in het pessimisme, een der kenmerken van niet weinige dichters van het jaar 1890. Aanwezig is dit reeds bij Hans Jæger; wij vinden het terug bij Gabriël Finne. Bij een dichter van den rang van Garborg, die alles mee doormaakt, wat zijn tijd beweegt, ontmoeten wij deze stemming als een overgangsstadium. Sommigen blijven in het pessimisme steken; anderen slaan dit stadium over of maken het door vóór den tijd, waarin zij als schrijver optreden. Een verdere stap, waartoe het pessimisme voert, is, dat men aan de harde realiteit den rug toekeert. Men kan dan zich opsluiten in een droomwereld (Obstfelder); men kan zich zelf tot god maken, maar zonder de macht te bezitten, zijn goddelijkheid te realiseeren, en zich ten ondergang wijden (A. Dybfest). Men kan ook, wanneer men eene krachtige natuur is, zich verzetten tegen het schijnbare noodlot of in de diepten van het eigen gemoed afdalen en daar de schatten vinden, die men daarbuiten te vergeefs zocht. Men kan eindelijk zooveel vinden, dat er wat overblijft, om aan anderen mede te deelen. En wanneer men den schat gevonden heeft, die geloof in het leven heet, dan is een volkomen tegenstelling met het punt van uitgang bereikt. De stemming kan verschillend zijn. Men kan hebben leeren resigneeren; men kan als nieuw geboren het leven opnieuw met naïeve oogen aanzien; men kan in religieuze en moreele overwegingen zijn troost gevonden hebben. En zoo zijn er meer mogelijkheden. De periode, die voor ons ligt, geeft de genoemde en andere nuances te zien.

Tot het tijdvak, waarover wij hier spreken, behooren in de eerste plaats de latere drama's van Henrik Ibsen. Reeds in _Vildanden_ is het eerste der hierboven aangeduide stadia bereikt,--een diep pessimisme. Niet lyrisch getint, voorzoover het zijn persoon betreft, want zijn eigen persoon houdt hij altijd op den achtergrond, maar een pessimisme tegenover den mensch. Weg is de blijde strijdlust, die _En Folkefiende_ kenmerkt; de leer van _Vildanden_ is, dat het niet loont, voor de menschen een hooger levensopvatting te prediken. De man, die het in dit stuk doet, is een dwaas. Maar in Hedwig is reeds de kiem van iets nieuws aanwezig. En die kiem is tot een volle plant geworden in _Rosmersholm_ (1886). De maatschappij, de huichelachtige, is ook hier nog aanwezig, maar zij is tot den achtergrond geworden, waarop zich het drama tusschen werkelijke menschenzielen afspeelt. Het is nu onverschillig, of rector Kroll dan wel Peder Mortensgaard een politieke overwinning zal behalen; de vraag is, wat er van Rosmer en van Rebekka wordt. En van het standpunt des dichters is de afloop goed; zij manifesteeren de waarheid van hun idealisme door het offer van het leven. Hier is het ook niet de vraag, of zij goed of slecht zijn; slechts of zij heel zijn. Rebekka is misdadig, maar het verblijf op Rosmersholm heeft haar geadeld; zij, en de dichter met haar, erkent 'de mogelijkheid van den mensch, om geadeld te worden'. Dat het het leven kost, is bijzaak, of liever--daaruit blijkt de vernieuwing pas. Dat is andere taal dan die, welke Relling in _Vildanden_ voert. Het is de taal van den man met den paardenhoef in _Peer Gynt_, die zielen, welke zich verkeerd gefotografeerd hebben, zoolang met zwavel en andere ingrediënten bewerkt, tot het juiste beeld voor den dag komt.

In een gansch andere sfeer verplaatst ons _Fruen fra Havet_ (De Vrouw van de Zee). Toch is de grondgedachte dezelfde. Het geval is echter van minder tragischen aard, en de oplossing kan daarom niet slechts van een ideaal, maar ook van een practisch standpunt bevredigend zijn. Ellida leeft in een huwelijk, waarvan de band haar als een dwang voorkomt. Haar vrijheidszucht geeft voedsel aan eene ziekelijke fantasie, die haar met ondergang bedreigt. Haar redding wordt bewerkt door de niet-zelfzuchtige behandeling van de zijde van haar man, die op het uiterste oogenblik, wanneer hij vreest, dat dwang haar tot waanzin zal voeren, haar haar vrijheid geeft, haar tevens wijzende op de daarmee onafscheidelijk verbonden verantwoordelijkheid. Ellida is genezen. Wangel heeft door overwinning van het egoïsme het onmogelijke tot werkelijkheid gemaakt, en Ellida heeft geleerd, dat vrijheid alleen waarde heeft voor hem, die een plicht erkent. Hier gaat voor een enkel maal bij onzen dichter het hooger leven met het dagelijksch leven een verbond aan.

Met deze beide stukken verwant is ook de gedachtengang in _Lille Eyolf_ (1894). Het huwelijk van Allmers en Rita is onherroepelijk bankroet, nadat hun kind, dat reeds vroeger door hun schuld zijn gezondheid verloor, nu ook door gebrek aan zorg is omgekomen. Door wederzijdsche verwijten en zelfverwijt komen zij tot helderheid, en met verlies van wat men het levensgeluk noemt, vinden zij een doel voor hun samenleven, door het aan het heil van anderen te wijden. Ook hier wordt door smart en het opgeven van het egoïsme een nieuwe en hoogere levensmogelijkheid geschapen. Opnieuw blijkt de mogelijkheid voor den mensch om 'geadeld te worden'.

Het streven naar het onbereikbare is een grondtrek van Ibsen's poëzie. Vanouds heeft hij helden geteekend, die zich niet tevreden stelden met het mogelijke, maar die het onmogelijke wilden. Ook Rebekka en Ellida behooren tot deze soort; het is tot op zekere hoogte slechts incidenteel, dat het ideaal, waarvan hier sprake is, het 'geadeld worden' en de vrijheid, tot het gebied van het moreele leven behoort. In de volgende stukken komen sommige zeer anti-sociale idealisten voor, en hun streven omhoog kan zeer eenzijdig en ziekelijk zijn. Niettemin is zulk een streven aanwezig, en de consequentie, waarmee het wordt volgehouden, geeft dezen figuren relief. De meest negatieve van hen is wel Hedda Gabler (1890), de genotzuchtige intrigante. Maar zij heeft toch haar ideaal van onverschrokkenheid, van schoonheid in het sterven, en op hare wijze is zij daaraan getrouw. Bouwmeester Solness (1892) is een heerschzuchtig egoïst, die niemand naast zich duldt, maar hij is ook een trotseerder, niet slechts van menschen, maar van de macht, die het leven regeert. Het hoogste moment uit zijn leven, dat hij zich herinnert, is dat, toen hij, boven op een toren staande, aan God den dienst opzeide, en het is de hoogste triomf voor Hilde Wangel, dat zij hem er toe krijgt, dat moment te herhalen. Dat hij daarbij het leven inschiet, is slechts natuurlijk en bovendien onverschillig. Wat zou hij hierna nog kunnen? hij staat op zijn hoogtepunt. Ook John Gabriël Borkman blijft zich zelf tot het laatst. Hij heeft ruïne over anderen gebracht, hij heeft vijf jaar in de gevangenis gezeten en loopt nu acht jaar in zijn vertrek rond, zonder uit te gaan, maar hij is overtuigd, dat niemand anders dan hij in staat is, met kapitaal om te gaan, en hij wacht dag aan dag het uur af, waarop de autoriteiten tot hem zullen komen, om hem het bestuur over de bank aan te bieden. De verwijten van Ella Renthejm, dat hij haar in haar jeugd voor de betrekking van bankdirecteur verkocht heeft, dat hij het liefdeleven in haar gedood heeft, dat hij de zonde begaan heeft, waarvoor geen vergeving is, stuiten bij hem op een pantser van hoogmoed af. Men moet niet de vraag stellen, of Ibsen dezen menschen gelijk geeft. Hij laat ze ons zien, en hij spreekt geen zedelijk oordeel uit. Maar in al hun ziekelijkheid zijn zij toch vertegenwoordigers van dezelfde geestesrichting, die die zijner ideale personen is. Het zijn kreupelgeschoten idealisten.

Tot dezelfde categorie als de beide laatsten behoort Professor Rubek in _Naar vi døde vaagner_ (Als wij dooden ontwaken) (1899). In tegenstelling met John Gabriël wordt Rubek zich den tweespalt in zijn leven bewust. Het is de tragische tweespalt tusschen kunstenaar en mensch. Aan den kunstenaar offert Rubek den mensch, maar deze wreekt zich en neemt den kunstenaar de vreugde in zijn werk af, zoodat hij arm en eenzaam blijft staan in eene wereld, die hem vreemd is. Hij en zijne geliefde, die hij niet aanroerde, om zijn model hare ideale reinheid te laten behouden, doen--te laat--een poging, om het verzuimde in te halen. Ook voor hen is geen levensgeluk meer weggelegd, maar wel een gemeenschappelijk hijgen naar het onbereikbare, dat gesymboliseerd is in een bergtop, die schittert in de opgaande zon. Terwijl zij dien bestijgen, gaan zij samen onder.

Vergelijken wij de hier kort besproken stukken met die der onmiddellijk voorafgaande periode, dan kunnen wij constateeren, dat er wel geen breuk aanwezig is, maar toch een onderscheid. Meer dan ginds is hier het zieleleven van enkele individuen het middelpunt, waaromheen het geheele drama gecrystalliseerd is. Dat is een verschijnsel, dat ook bij andere schrijvers der periode voorkomt, en men kan met recht zeggen, dat Ibsen ook hier weer een voorganger geweest is.

Omstreeks 1890 treden drie jonge dichters op, in wie het pessimisme diep heeft wortel geschoten, en die de kracht missen, om er zich aan te ontworstelen. Het openbaart zich echter bij hen op verschillende wijze. Alle drie stierven na een onrustig leven jong, Gabriël Finne in 1899 op drieëndertig jarigen, Sigbjørn Obstfelder in 1900 op vierendertigjarigen, Arne Dybfest in 1892 op vierentwintigjarigen leeftijd.

Van deze drie toont Gabriël Finne het duidelijkst den samenhang met de vroegere periode. Kielland is zijn vroegste voorbeeld geweest[21], maar hij ontwikkelt zich in eene zelfstandige, maar ook zeer eenzijdige richting. Aan den meester herinnert het heldere en distincte in den vorm, de voortreffelijke caricatuurteekening, de onversaagdheid in de keuze en behandeling zijner stof, die echter bij hem tot ruwheid wordt, het zich verdiepen in het leven eener kleine plaats. Maar zijn horizon is beperkter, en hij heeft een voorliefde voor het abnorme en het disharmonische. Hij begint natuurlijk met oppositie, en zijn eerste oppositie is gericht tegen de geldende wetten der zedelijkheid. Reeds de titel van zijn eersten bundel verhalen, _Unge Syndere_ (Jonge Zondaars), toont, uit welken hoek de wind waait. Er is wel ontwikkeling in zijn standpunt. Hij begint met het op te nemen voor de ontuchtigen, die de maatschappij veroordeelt. Bij nader kennismaking vallen dezen hem niet mee en verliezen zij het heiligenschijntje, dat zich in zijn fantasie om hun hoofd gevormd heeft. Hij wordt dan cynisch gestemd, en het cynisme is eigenlijk de toon, waarin zijn werken gestemd blijven. Hij geeft nu schetsen van het leven, waaraan alle idealiteit ontbreekt; de wereld is hem een kampplaats om voedsel, waarin de menschen door elkaar wemelen, sommigen van deugd pratende, anderen brutaal voor hun ondeugd uitkomende, allen slechts bezield door hebzucht en eigenbaat. Hij is dan schijnbaar geheel objectief, maar zijn scherp sarcasme toont het eigen lijden, en zóó is er in deze schijnbaar zoo onverschillig geschreven romans een belangrijk deel lyriek. In zijn laatste werken treden enkele personen op, in wie uit het inzicht van eigen ellendigheid de behoefte ontstaat naar hooger levensvormen. Men krijgt hier den indruk, dat Finne bezig is geweest, een uitweg uit het pessimisme te zoeken. Maar de dood heeft hem verhinderd, dien te vinden. De roman _Rachel_, waarin de nieuwe gedachten vooral uitgesproken worden, is onrijp en toont, dat Finne hier nog niet tot helderheid is gekomen, althans nog niet den vorm heeft gevonden voor het nieuwe, dat zich in hem ontwikkelde.

Finne's belangrijkste werken zijn: _Filosofen_ (1889), _Unge Syndere_(1890), _Doktor Wangs Børn_ (1890), _To Damer_ (1891), _Uglen_ (De Uil) (1893), _Konny_ (een tooneelstuk) (1895), _Rachel_ (1895).

Finne is een zeer origineel schrijver en een voortreffelijk stilist geweest. De middelen, die hij gebruikte, waren soms zeer brutaal, maar hij heeft daarmee niet zelden sterke effecten bereikt.

Op eene gansch andere wijze reageert Sigbjørn Obstfelder op de harde indrukken der werkelijkheid. De uitwerking is bij hem, dat hij zich van de realiteit afwendt. Hij is een individualist, die in de eerste plaats het eigen inwendig leven waarneemt en dat in bewuste tegenstelling plaatst tot de wereld daarbuiten. Obstfelder is, zooals reeds op grond hiervan vermoed kon worden, in hoofdzaak een lyrisch talent. Dit blijkt niet alleen uit zijne lyrische gedichten, maar ook uit zijne vertellingen. Obstfelder geeft de voorkeur aan de vertelling in de eerste persoon, soms zelfs den dagboekvorm, en in zijn 'ik'-held, die in hoofdzaak altijd hetzelfde type representeert, is het gemakkelijk, den dichter te herkennen. Deze held is een eenzame, die zich onder de menschen niet thuis gevoelt en opgaat in een mystiek stemmingsleven. Het dagelijksch leven komt hem ruw en onwerkelijk voor; de stemming is beurtelings pantheïstisch-religieus en twijfelend. Hij verbeeldt zich soms in eene andere wereld thuis te hooren dan die, waarin hij leeft; deze vindt hij zoo wonderlijk. In meer dan één vertelling ontmoet deze 'ik'-persoon eene vrouw, insgelijks eenzaam, door bijzondere innerlijke of uiterlijke omstandigheden, hetzij ziekte, hetzij schuld, eene paria onder de menschen. Een mystieke bekoring gaat van die figuren uit; Obstfelder weet haar zóó te schilderen, dat inderdaad de verworpene reiner is dan anderen. Er bestaat hier slechts een uitwendige overeenstemming, maar te gelijk een diepgaand verschil met Finne, die de onzedelijkheid om haars zelfs wille schildert. Obstfelder zoekt de ziel der bevlekte en vindt, dat deze in de uitzonderingsexemplaren, die hem belang inboezemen, juist door het leed, dat met het onreine leven gepaard gaat, gelouterd en reiner kan wezen dan die van normale individuen. Met groote fijnheid heeft hij dat geschilderd; een prachtig voorbeeld leeren wij in _Korset_ (Het Kruis) kennen. Obstfelder toont zich hier verwant met de groote Russische schrijvers, met name Dostojewski.

In de vertellingen van Obstfelder is veel, dat onwerkelijk is, maar daarom niet onwaar; het is de subjectieve waarheid van eene lijdende ziel, die in half visionnairen toestand verborgen dingen meent te zien. Vruchtbaar was deze schrijver niet, maar zijn boeken zijn met hartebloed geschreven, en wie ze leest, verbaast zich niet, dat de schrijver niet oud geworden is.

Obstfelder's verwijdering van de wereld en zijn medegevoel met al, wat lijdt, geven hem te gelijk een stempel van voornaamheid en van zachtmoedigheid. Dit karakter toont zich ook in het portret met den weemoedig vragenden blik, dat Oda Krogh heeft geschilderd, en waarvan eene afbeelding de litteratuurgeschiedenis van Carl Nærup siert.

In dezen schrijver wordt het inderdaad duidelijk, dat een tegenstelling met het realisme van 1870 bereikt is. Maar daarom keert hij niet terug tot de oude romantiek. Zijne psychologische analyse--zelfanalyse--daalt veel meer in bijzonderheden af. De nauwkeuriger waarneming is de vrucht der periode, die achter hem ligt.

De belangrijkste werken van Obstfelder zijn: _Digte_ (1893), _To Novelletter, Korset, De røde Draaber_ (De roode Droppelen), _En Præsts Dagbog_. Van deze heeft _Korset_ het meest de aandacht getrokken.

Arne Dybfest heeft een nog korter werktijd gehad dan de beide hiervoor genoemden. Bij hem wordt de zwakheid, die het leven niet beheerschen kan, tot een bedwelmenden roes, die ijlt naar zelfvernietiging. Drie boeken heeft hij geschreven, genoeg, om eene bijzondere begaafdheid te toonen, die, met grooter wilskracht gepaard, den schrijver misschien tot een der besten zou hebben gemaakt. Het eerste van deze drie, _Blandt Anarkister_, is interessant als schildering van het milieu, waarin hij op zeer jeugdigen leeftijd zich in Amerika heeft opgehouden. Van de drie verhalen, die de beide volgende boeken (_Ira_ en _To Noveller_) bevatten, behandelen er twee een zelfde thema, de geschiedenis van een zwak, ijdel jong man, die de prooi wordt van eene zinnelijke vrouw, veel ouder dan hij. Het best gelukt is het laatste van deze (_En Ensom_); naast de lyriek, die anders den boventoon voert, treedt hier ook de psychologische analyse op. Maar toch is ook hier het lyrisch element aanwezig, en daarin de samenkoppeling van wellust en streven naar ondergang. Op ziekelijke wijze smelten deze gevoelens samen. In het licht van deze boeken krijgt Dybfest's dood eene bijzondere beteekenis. Hij maakte een einde aan zijn leven, nadat hij aangeklaagd was, omdat hij een vriend niet van zelfmoord had teruggehouden.

Arne Garborg heeft in het begin der periode, die hier besproken wordt, eene diepe crisis doorgemaakt. Maar in tegenstelling met de het laatst behandelde dichters is hij daaruit als een nieuw man te voorschijn gekomen. Feitelijk kan men niet spreken van een breuk in zijn ontwikkeling, maar van een doorbraak, van een te voorschijn komen van dat, wat het diepste in hem was, zijn eigendom door afstamming en het positieve deel van zijn opvoeding. Voor wie nader toezag, was het wel te zien geweest, dat hij ook vroeger niet van een gehoorzaam naprater eener oude leer tot een gehoorzaam naprater eener nieuwe leer was geworden; het naturalisme, het rationalisme, ook het materialisme heeft hij gehuldigd, omdat er vrijmaking in was van den geestesdwang, waaronder hij zuchtte, maar wie ziet, hoe in al zijn vroegere werken niet de theorie maar de persoonlijkheid hoofdzaak is, begrijpt, dat dit geen man was, om zich door een eenige waarheid van den dag te laten vangen. Nu hij zich aan alle kanten vrij gemaakt heeft, komt zijn diepste behoefte, de religieuze boven. Het is dan ook een religieuze crisis, die beschreven wordt in _Trætte Mænd_ (Vermoeide Mannen) (1891). Hier voert de weg van twijfel over vertwijfeling naar geloof. Het boek is geschreven in den vorm van een dagboek. De man, die het heet te schrijven, Gabriël Gram, is een decadent, wiens kritiek is als een bijtend zuur, dat zijn zieleleven verteert, en die eindigt, met zich op genade en ongenade over te geven en naar de kerk te gaan. Een ongelukkige oude-jongeheeren-verliefdheid verhaast de crisis; zij brengt hem tot het besef, dat al het onmiddellijke in hem door reflexie gedood is, en hij past de eenige kuur toe, die voor hem mogelijk is.

Maar Garborg is niet Gabriël Gram. Hij laat zich niet door een dominee op sleeptouw nemen en lid maken van eene vereeniging tot voeding van arme kinderen, om langs dezen weg bezigheid en zielevree te zoeken. Hij geeft zijn held, voor wien geen andere uitweg bestaat, gelijk, maar voor hem zelf is _Trætte Mænd_ een bad, waarin hij afwascht het negatieve, dat er in zijne ontwikkeling is. Zal hij een Christendom zoeken, dan kan men zeker zijn, dat hij zich niet bij het officiëele aansluit, maar een Christendom maakt voor eigen gebruik. Want zijn oppositiegeest en zijn onafhankelijkheid heeft hij niet laten varen, en gelijk hij in _Trætte Mænd_ zegt, dat de vrijdenkers geen vrijdenkers onder zich dulden, zoo zullen wij hem weldra hooren verklaren, dat de Christenen geen Christen verdragen. En hij betoogt het met klem van redenen.

Onder den invloed zijner nieuwe levensbeschouwing wenden Garborg's gedachten zich naar zijn jeugd, en het beeld van zijn vader stijgt op, van den man, die, door gewetenswroeging gepijnigd, zijn leven verkortte, omdat hij geen vrede had met God. _Nu_ begrijpt hij hem; nu kan hij met liefde en vereering aan hem denken, en met meegevoel, want nu weet hij zelf, wat zielenood is. In 1892, een jaar na _Trætte Mænd_, verscheen _Fred_ (Vrede), waarin de geschiedenis van Eyvind Garborg in den vorm van een roman wordt verteld. _Fred_ is een overweldigend boek. Nergens bereikt Garborg's psychologische analyse zulk eene diepte als hier. Terwijl in vroegere werken altijd tot op zekere hoogte de gedachte het primaire is, en de personen dienen, om aan de gedachte uitdrukking te geven, is het hier de levende persoon, die de fantasie van den dichter gegrepen heeft, en dien hij volgt in zijne aanvechtingen tot in de razernij van den godsdienstwaanzin.

Enok Haave heeft de bekeering reeds te lang uitgesteld. Het wordt tijd, dat hij hiertoe overgaat, want men kan nooit weten, wanneer de bruidegom komt. Hij besluit er dus ernst mee te maken,--maar telkens komt de duivel tusschenbeiden, tot een plotseling sterfgeval in zijne omgeving hem zoo verschrikt, dat van nu af aan de redding zijner ziel zijn eenige gedachte is. Het komt er nu op aan, het ware berouw over zijne zonde te krijgen. Hij bidt, en hij bidt, maar het berouw wil niet komen, en God blijft ver. Enok houdt vol, tot in een nacht van hevige verschrikking het berouw komt, en de genade. Enok voelt eene hand, die de zijne drukt; dat is de hand van den verlosser. Enok barst in tranen uit en komt tot rust. En nu breekt voor hem een tijd van zaligheid aan; hij is op Tabor; de Heer zelf spreekt tot hem en geeft hem zijn wil te kennen. Waar zoo groote genade zijn deel werd, daar moet hij naar de stem des Heeren luisteren,--en staat er niet geschreven: "aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen"? Dus moeten ook vrouw en kinderen Gods wil doen. Wat Gods wil is, is gemakkelijk te weten; immers God getuigt in den geest, en,--twijfelt men, dan moet men slechts dat doen, wat het vleesch niet wil. Arbeid van den morgen tot den avond, eenvoud in spijs en drank, in kleeding, dat wenscht de Heer. En laat ons vooral geen ijdele woorden spreken. In een gesprek, dat niet over goddelijke dingen loopt, is de duivel. Overal loert hij in het verborgene, om ons te verleiden. Het is dus noodig, de hand van den verlosser vast te houden. Daarom ook geen wereldsche boeken. Wij hebben genoeg aan Gods woord.

