# Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/noorwegens-letterkunde-in-de-negentiende-eeuw-13591/index.md

Hans Jæger heeft later nog meer boeken geschreven, die insgelijks een zeer subjectieven geest ademen, maar die minder indruk gemaakt hebben. Over geslachtelijke afdwalingen handelt ook _Syk Kjærlighet_ (Zieke Liefde) van 1893. Zijn laatste boek _Anarkismens Bibel_ is van 1910. Hij behoorde tot de ongelukkigen zonder stuur, te onafhankelijk, om zich in de maatschappij te schikken, niet sterk en begaafd genoeg, om hemelstormers te worden.

Wanneer wij aan Arne Garborg in dit hoofdstuk de laatste plaats geven, ofschoon hij in beteekenis een der allereersten is en ook chronologisch tot de ouderen behoort, is de reden deze, dat zijn allerbelangrijkste werken toch tot een jongere periode behooren en ook een anderen geest ademen. Ook bij andere dichters, die een langen tijd van productie gehad hebben, vinden wij in verschillende tijden verschillende denkbeelden. Maar bij geen heeft een zoo sterke omslag en daarbij vernieuwing plaats als bij Garborg. Men kan hier precies de grens aangeven tusschen de werken, die tot de eene, en die tot de andere groep behooren.

Garborg (geb. 1851) is een boerenzoon uit het landschap Jæderen, het achterland van Stavanger op Noorwegens westkust. In het eerste hoofdstuk van zijn roman _Fred_ (Vrede) geeft hij eene prachtige beschrijving van het sombere landschap en den invloed daarvan op de bevolking. Dat stuk slaat tevens den toon aan, waarin des dichters jeugd gestemd is geweest. Engte van horizon, die het verlangen schept, geestelijke boeien te breken, en te gelijk een religieusiteit, die wel weerstand kon wekken, maar toch diepten bevatte, die den man, nadat hij zich vrijheid verschaft had, weder tot zich trokken.

De jonge Garborg heeft het leven op Jæderen leeren voelen op eene exceptioneele wijze. Toen hij acht jaar oud was, werd zijn vader aangetast door eene zielsziekte, nauw samenhangend met de piëtistische geestesgesteldheid der bevolking, een vrees voor hel en duivel, die hem bewoog, de zijnen met geweld tot God te willen voeren, maar die vrouw en kinderen van hem vervreemdde, tot hij, overweldigd door het gevoel, dat hij door God verworpen was, een einde aan zijn leven maakte. In deze zware ervaringen zijner kindsheid ligt het uitgangspunt van een groot deel van des dichters latere productie.

Als kind genoot hij slecht onderwijs, maar hij vulde het aan door een vroege en uitgebreide lectuur. Op 16-jarigen leeftijd is hij schoolmeester in de 'omgangsskole' (een school bij de menschen aan huis), twee jaar later aan eene volksschool; kort daarop doet hij pogingen, een blad uit te geven, twee en twintig jaar oud gaat hij, met vijf rijksdaalders in zijn zak, naar Kristiania, bezoekt Heltberg's 'fabriek', legt het examen af, om student te worden, en leeft van toen aan voor de pers. Van 1879 tot 1887 was hij revisor bij de rekenkamer, maar hij verloor dien post, toen hij door zijn boeken ergernis gaf. Sedert heeft hij, afgezien van een dichter-salaris, dat hij later ontving, van zijn pen geleefd.

Van zijn zestiende jaar af heeft Garborg geschreven, in den beginne meest courantartikels. Hij trok vroeg de aandacht; in 1873 kreeg hij een uitnoodiging, om aan het hof te verschijnen. Deze sloeg hij af, zeggende, dat hij wel geen republikein was, maar, nog niet wetende, welke overtuiging hij later zou koesteren, liever geen verplichtingen wilde maken.

De eerste vertelling van grooteren omvang, die Garborg schreef, heet _Ein Fritenkjar_ (Een Vrijdenker) (1878). Het boek is, gelijk de titel toont, als de meeste boeken van Garborg, in landsmaal geschreven. Het is nog een zeer onrijp werk. Maar het opent een blik in het zieleleven van den jeugdigen schrijver. Het is een pleidooi voor de vrijheid in het religieuze denken, een der dingen, die in die jaren op het programma der nieuwe richting stonden. De hoofdpersoon, een man die zich van kerkgeloof heeft vrijgemaakt, heeft daarom allerlei vervolgingen te doorstaan. Zijne vrouw verlaat hem; zijn kind wordt hem ontnomen; hij ziet zich genoodzaakt, het land te verlaten, en als hij als oud man terugkeert, treft hij zijn zoon aan als een orthodox, ketterjagend predikant, die daarop bij zijne groeve--want de man overleeft dit weerzien niet--eene donderende rede tegen het ongeloof houdt. Voor den schrijver beteekent dit zeer schematische boek een omkeer en tevens een preciseering van zijn denkbeelden. Toen hij het schreef, was het pas twee jaar geleden, dat hij zelf zich aan gelijke onverdraagzaamheid had schuldig gemaakt.

In 1876 was aan Georg Brandes, die naar Kristiania kwam, om propaganda voor vrijheid in denken te houden, op grond van zijne meeningen het gebruik van een locaal in de universiteit geweigerd. Garborg had deze weigering verdedigd. Thans staat hij aan de andere zijde. Wat hem dreef, was voorshands niet een dogmatische overtuiging, maar een afkeer van onverdraagzaamheid. Hij neemt het op voor de vrijheid van denken en spreken, die hij in het orthodoxe Noorwegen van 1878 bedreigd ziet. En ofschoon het woord 'vrijdenker' in den titel van het boek te verstaan is in den zeer gebruikelijken zin van 'iemand, die met het Christendom gebroken heeft', is de dichter toch op weg, in den vrijdenker iemand te zien, die vrij denkt. Interessant is in dit licht een woordspeling, die hij 13 jaar later in _Trætte Mænd_ tweemaal maakt, waar hij twijfel oppert, of de vrijdenkers wel een vrijdenker onder zich zouden dulden. Hij heeft in den tusschentijd kennis gemaakt met de leerstelligheid der andere partij.

Van gansch andere beteekenis is het volgende boek van Garborg: _Bondestudentar_ (Boerenstudenten) (1883). Het dient wel in de eerste plaats, om aan zekere gedachten uitdrukking te geven, maar het is niet meer een schema, maar een stuk leven, dat de dichter kent. De vraag, die hier gesteld wordt, is, wat het is, een karakter te zijn, en de schrijver illustreert dit aan een zwakkeling. Zwakkelingen kent de Noorsche litteratuur sedert Ibsen in grooten getale, maar wij hebben er hier een van zeer bijzonderen aard, reeds door het milieu, waaruit hij stamt. Wat den kunstvorm betreft, is het boek modern, dus naturalistisch. Maar het is veel te persoonlijk, om een programma-kunstwerk te heeten. De schrijver geeft de werkelijkheid en geeft details, maar zooals hij ze geeft, kan hij het alleen.

Wat Garborg hier te zeggen heeft, wortelt ten deele in persoonlijke ervaring. Gelijk hij, zoo is de held van den roman, Daniël Braut, een boerenzoon, die uit zijn sfeer gerukt wordt, om lid van eene hoogere maatschappelijke klasse te worden. Het boek schildert de zedelijke mislukking van die poging. Wel brengt Daniël Braut zijne studie ten einde, maar de bedoeling der romantisch gestemde weldoeners, die hem steunden, namelijk een verjonging van Noorwegen tot stand te brengen, door gebruik te maken van de frissche krachten, die, naar zij meenden, in het landvolk leefden, lijdt hierop schipbreuk, dat, wat er ook aan karakter in Daniël Braut mag geweest zijn, geheel ondergaat in den strijd, om in het leven te blijven, tot hij zijn privaat doel, lid te worden van een bevoorrechte klasse, zal hebben bereikt. Dat het zoo zal afloopen, is trouwens van de eerste bladzijde af te zien. In het huis van Daniëls vader wordt iederen morgen godsdienstoefening gehouden. Daar zingt men een psalm, waarvan de inhoud is een waarschuwing tegen het zorgen voor den dag van morgen, immers:

"God geeft den zijnen kleeren en brood, terwijl zij zachtelijk slapen."

Daniël begrijpt niet, hoe het, indien het psalmvers de waarheid zegt, mogelijk is, dat men zoo hard op het land moet werken, en hij ontdekt een hinderlijke tegenspraak tusschen de woorden van den hymne en de uitspraak: "die niet werkt, zal niet eten." Tot het voor hem opgaat, dat de ware zin der psalmwoorden te zoeken is in de uitdrukking "de zijnen". "De zijnen",--dat zijn de burgemeester en de commissaris van politie en de dominee. Aan hen geeft God kleeren en brood, terwijl zij zachtelijk slapen. Hoe heerlijk dan, tot "de zijnen" te behooren. Dat wordt het ideaal van Daniël Braut. Daar er dus van den beginne af in Daniël geen roeping is, kan er ook geen man uit hem groeien, en dit blijkt in iederen nieuwen kring, dien hij binnentreedt. Overal is hij misplaatst; hij heeft geen overtuiging; slechts uiterlijkheden kan hij zich aanwennen. Zoo wordt hij tot een huichelaar.

In de kunst van vertellen en schilderen heeft Garborg hier zijn volle rijpheid bereikt. En blijvende cultuurhistorische waarde heeft deze roman door de levendige schildering van personen en milieu's uit Kristiania, die ten deele vóór zijn tijd liggen, maar die hij toch met een exactheid weergeeft, alsof zijne berichten op autopsie berustten. Zoo treedt op een studentenfeest Vinje op en houdt een toespraak, die men voor echt zou aanzien. Een zeer vermakelijk historisch portret is dat van Heltberg, den man van de 'studentenfabriek', dien wij hierboven reeds bij herhaling ontmoet hebben. Garborg heeft wel de 'fabriek' bezocht, maar hem persoonlijk niet meer gekend. Met het oog op de dubbele beteekenis der figuur--als schepping van Garborg en tevens als den tijdelijken geestelijken helper van zoovele mannen, die in Noorwegen beteekenis gehad hebben--deelen wij een paar staaltjes uit een schooluur mee.

"Vandaag kreeg hij den mooien wandelstok van mijnheer Presler in handen en ging zitten 'spelen'. Den stok gebruikte hij als strijkstok, en met de andere hand speelde hij op een denkbeeldigen vioolhals, alsof het prachtigste dansstuk ging. En dan zong hij. 'Amo-amas-amat-amamus-amatis-amant!' De jongens mee, allen die zich ernstig konden houden. 'Zullen wij hem nog eens nemen?--och ja. Amo-amas-amat! amamus-amatis-amant!' Maar als de jongens het alleen moesten klaarspelen--de oude zat maar te 'accompagneeren'--dan ging het mis. 'Nee, nou moet ik weer meedoen', zei hij, en weer ging het aan den gang. En toen dat ook niet hielp, smeet hij den 'strijkstok' neer, kneep zich met twee vingers vast in den neus en las _amo_ met een stem en een gezicht, dat de jongens het uitbrulden."

Er wordt vertaald.

"Een ander kwam voor, en het ging beter. Maar toen zij wat verder kwamen--er stond: _nisi, quanta vi civitates libertatem expetunt, tanta regna reges defendant_--, toen zat hij vast, hij nam _tanta_ bij _regna_. Toen raakte de oude warm. Hoor, mijn beste Halvor Mosebø! Als je op een weg liep en daar eerst een dame tegenkwam, en dan een student, en dan een varken, en je vond vlak daarop een mooie zijden parasol op den weg liggen, zou je dan met de parasol naar het varken gaan en zeggen: met uw permissie, hooggeschatte, u hebt zeker uw parasol verloren?--Neen, Halvor, zoo dwaas was je niet. Je liep, wat je kon, tot je de jonge dame inhaalde, en dan bukte je en maakte je lief: neem mij niet kwalijk, Mejuffrouw, maar u hebt zeker uw paraplu verloren! Ja zeker deed je dat, Halvor. Maar hier ga je met de parasol naar het varken, neemt _tanta_ bij _regna_, omdat _regna_ het naast bij staat. Maar _tanta_ hoort bij _vi; quanta vi, tanta vi_, Halvor Mosebø!"--De jongens lachten, maar zij bleven er bij. En zij vergaten zulke 'lessen' niet licht.

Daniël Braut is evenals Tørres Snørtevold in Kielland's _Jacob_ een boerenjongen, die tot stadsmensch wordt. Beiden slagen in het materiëele, maar brengen het zedelijk niet ver. In karakter verschillen zij zeer. Maar nog grooter is het verschil in de wijze, waarop zij behandeld zijn. Tørres is de boerenlummel, zooals de stadsman hem ziet. Daniël Braut wordt door een der zijnen geoordeeld. Daarom is Tørres een caricatuur, terwijl het lot van Daniël Braut ons tragisch voorkomt. Misschien was er iets van hem geworden, wanneer men hem rustig in zijn natuurlijken kring had gelaten.

In een paar volgende werken keert Garborg tot de problemenlitteratuur terug. Maar wat in _Bondestudentar_ gewonnen was, is niet verloren; het probleem wordt niet abstract behandeld en ook eigenlijk niet opgelost, maar tot het bewustzijn der lezers gebracht door de realistische schildering van een reeks levende personen.

_Mannfolk_ (1886) is Garborg's belangrijkste bijdrage in de discussie over het zedelijkheidsvraagstuk. De aanleiding was een kabaal, dat groote dimensies had aangenomen, en waarover hierboven reeds iets is gezegd. Bjørnson had het land in rep en roer gebracht met zijn zeer zwak tendentiedrama _En Hanske_ (Een Handschoen), gevolgd door de brochure _Engifte og Mangegifte_ (Zij, die met één vrouw en die met vele vrouwen trouwen). Hij laat hier een meisje met haar verloofde breken, wanneer zij verneemt, dat hij vóór haar eene andere heeft bemind. Bij het afscheid werpt zij hem een handschoen in het gezicht. Het was een snelle oplossing van het vraagstuk, maar geen afdoende. Intusschen bewerkte de schrijver door lezingen en andere samenkomsten, dat er discussie ontstond. Men was vóór of tegen; in het openbaar meest vóór. Toen verscheen Hans Jæger's hierboven besproken boek en werd geconfisceerd. Niet veel beter ging het kort daarna met een roman van Kristian Krogh _Albertine_; ook hiervan werden de exemplaren door de overheid opgehaald.

Nu treedt Garborg in het strijdperk, en wel tegen het bazuingeschal van Bjørnson. Eerst steekt hij er den draak mee in een zeer vermakelijke korte vertelling _Ungdom_ (Jeugd) (1885); dan volgt _Mannfolk_, waarin de zaak ernstig behandeld wordt. Hier leert men een reeks jonggezellen kennen, voor een deel de meest begaafde in de hoofdstad, menschen, die het ook aan goeden wil niet ontbreekt, maar die nu eenmaal voor het huwelijk niet gedisponeerd zijn, hetzij om de sociale en oeconomische eischen, die het stelt, hetzij om de slavernij, waarmee het hen bedreigt, vooral wanneer zij denken aan al die vrouwen met weinig ervaring, weinig ontwikkeling, veel pretentie en al hun Bjørnsonsche idealen. Zij meenen, dat liefde in het dagelijksch leven ondergaat, en levenslange gebondenheid is hun een gruwel. Maar de groote Pan is toch ook in hen, en de behoefte aan een intiem samenzijn met het andere geslacht is niet zwakker dan bij meer regelmatige naturen. Zij leven dan, zoo goed als zij kunnen, en komen daar rond voor uit.

Maar de jeugdige Laurits Kruse is verdeeld tusschen de aardsche en de hemelsche liefde. De eerste geldt de dienstbode van zijn huisheer, de tweede eene moderne dame, die niet aarzelen zou, hem een handschoen in het gezicht te werpen, indien al zijn gangen haar bekend waren. Hij kan noch van de eene, noch van de andere afzien,--en zoo blijft hem dan niets anders over dan huichelen. Met het dienstmeisje leeft hij als man en vrouw, krakeelt hij ook als man en vrouw; haar kind sterft, en het is hem een pak van het hart; maar tot de schoone Dagny richt hij zijne zuchten in poëtische oogenblikken. Als zij zich eindelijk over hem ontfermt en te gelijk een getuigenis omtrent zijne reinheid verlangt, er aan toevoegend, dat zij dezen eisch slechts pro forma stelt, daar zij van hèm zeker is, dan luidt zijn antwoord: "ik kan naar waarheid zeggen, dat de vrouw mij ongenaakbaar is geweest". En even later knikt hij resoluut: "De waarheid moet ons heilig zijn".

Hoe denkt Garborg nu over de zedelijkheidsvraag? Hij erkent, dat er veel is, dat beter anders ware, maar de oorzaak zoekt hij niet in de verdorvenheid der mannen, maar in de maatschappelijke verhoudingen, vooral in de bemoeizucht van kerk en staat, voorts in de oeconomische toestanden; niet minder echter in de opvoeding der vrouwen, die vele ongeschikt maakt tot blijvende levensgezellin, dikwijls juist van de beste mannen. Meer echter dan reinheid, die volstrekt niet altijd een teeken van zedelijkheid is, beteekent oprechtheid, en vooral moed, want deze is de bron van oprechtheid. Laurits, de tegenhanger van Daniël Braut, wordt een leugenaar, omdat hij den moed tot waarheid mist.

Garborg zou aan zijn boek niet uitsluitend vreugde beleven. Het verlangen naar martelaarschap ontbrak niet. Hij wendt tot de overheid het verzoek, dat ook zijn boek in beslag zal worden genomen. Hij meent daar recht op te hebben. Maar de regeering, die door vroegere confiscatiën den tegenstand slechts aangewakkerd had, zag van dien maatregel af. Een andere straf wachtte den onvoorzichtigen schrijver. Toen het volgend jaar de betrekking van revisor aan de rekenkamer opnieuw moest vervuld worden, liet men den schrijver van _Mannfolk_ schieten en veroordeelde hem tot hongerlijden.

Garborg trekt zich terug in een kleine houten woning, weinig meer dan een hut, aan het meer Savalen in het Østerdal, en weldra treedt hij in het huwelijk. Zijne bruid, Hulda Bergersen, behoorde tot zijn bewonderaars, en zijne armoede was voor haar eene aantrekkelijkheid te meer.

Het verblijf op Kolbotten--zoo heet Garborg's woning in het Østerdal--heeft hij beschreven in een idyllisch boek, _Kolbottenbrev_ (Brieven van Kolbotten), dat een intiem beeld geeft van het samenleven van het echtpaar in eenzaamheid, armoede en vrijheid. Overigens stammen uit deze periode nog een paar werken, die denzelfden geest van oppositie en onafhankelijkheid ademen, dien wij reeds als belangrijksten factor in Garborg's vroegere geschriften ontmoetten. Van deze noemen wij nog in het voorbijgaan _Hjaa ho Mor_ (Bij Moeder thuis) (1889), een tegenhanger van _Mannfolk_. Ook dit boek behandelt bezwaren van het geslachtsleven, maar ditmaal van de zijde der vrouw. In een brief aan zijn biograaf geeft hij te kennen, dat Hulda hem zooveel materiaal geleverd heeft, dat het boek bijna is op te vatten als een gemeenschappelijk werk. Een pleidooi voor de vrije liefde, waarvoor dit boek veelal verklaard wordt, kan men het eigenlijk niet noemen. Eer is het een pleidooi voor een verstandiger opvoeding, waardoor het jonge meisje minder met vooroordeelen gevuld en haar oordeel des onderscheids gescherpt wordt. Maar zijn waarde ontleent het aan de voortreffelijke karakterstudie. Dit blijkt thans na 30 jaar, nu het zijn actualiteit verloren heeft en toch met dezelfde, misschien met zuiverder belangstelling gelezen kan worden, dan toen het voor het eerst het licht zag.

Interessant is ook het een jaar vroeger verschenen tooneelstuk _Uforsonlige_ (Onverzoenlijken). Het is geïnspireerd door politieke gebeurtenissen van den dag. De dichter toont zijn radicaal standpunt. Maar het stuk is niet een inleg voor een partij; wat het schilderen wil, is de demoraliseering van het karakter door de politiek. Een partijaanvoerder laat zich vinden tot een compromis, en al de 'onverzoenlijken' vinden, de een wat vroeger, de ander wat later, dat het het beste is, het beginsel te laten varen voor 'hoogere consideratiën'. Eén man die dat niet begrijpen kan, mist zijn brood. De meesten geven eerst in luide woorden hun verontwaardiging te kennen, en slaan dan om.

Wanneer wij Garborg weer ontmoeten, is hij een gansch ander man geworden.

FOOTNOTES:

[Footnote 17: Men zie zijne uiting in een brief aan Herman Thoresen van 27 Sept. 1872: "Menschen, die Jaabeck en Bjørnson op vrije voeten laten gaan, qualificeeren zich zelf, om in de doos gezet te worden" (Breve I, 264).]

[Footnote 18: Het is in dit verband niet van belang ontbloot, dat hij later nog eenmaal den redenaar Bjørnson als voorbeeld neemt, ditmaal voor zijn ideale figuur Dr. Stockman. Dit toont, dat Ibsen's satyre niet persoonlijk is. Slechts blijkt het, dat hij somtijds levende voorbeelden gebruikte.]

[Footnote 19: De dichter heeft het succes gehad, te beleven, dat de predikant, die het sterkst tegen hem geageerd had, en die het voor iedereen duidelijke voorbeeld werd voor den gemeensten huichelaar in zijn boeken, een paar jaar later ten gevolge van vergrijpen tegen de zedelijkheid voorgoed onmogelijk werd.]

[Footnote 20: Van zijn romans is er maar één (_Jacob_) geschreven na zijn werkzaamheid als redacteur.]

HOOFDSTUK V.

JONGERE RICHTINGEN EN PERSOONLIJKHEDEN.

Omstreeks 1890 kan men zeggen, dat er in de algemeene denkbeelden, die in de letterkunde tot uiting komen, een verandering heeft plaats gehad. Deze verandering, die in veel overeenstemt met hetgeen ook in andere landen in denzelfden tijd of iets vroeger gebeurd is, wordt dikwijls voorgesteld als een plotselinge omslag. Men begint genoeg te krijgen, zoo heet het, van de maatschappelijke litteratuur, van de problemenlitteratuur en ook van de naturalistische, aan photographieën herinnerende schilderingen der werkelijkheid. Thans stelde men daarvoor 'ziel' en 'persoon' in de plaats. Zóó kan het schijnen, wanneer men uitsluitend kunstwerken vergelijkt, die uiterste standpunten vertegenwoordigen. Ziet men echter wat nader toe, dan blijkt het, dat de ontwikkeling niet altijd met sprongen gaat, maar dikwijls langs bepaalde lijnen. Iedere generatie heeft de neiging, zich zelf te overschatten, te meenen, dat zij den nieuwen tijd brengt, en wat voorafgaat, als verouderd te kenschetsen. Voor de dichters, die omstreeks 1870 optreden, begint 'de nieuwe tijd' met 1870; voor hen, die omstreeks 1890 debuteeren, met 1890. Maar veel, wat tusschen 1870 en '90 verworven was, blijft na 1890 behouden, en veel, wat in 1890 sterk op den voorgrond treedt, was ook reeds vroeger in meerdere of mindere mate aanwezig.

Voor Noorwegen in het bijzonder geldt, dat de litteratuur van 1870 niet tot zulke uitersten gegaan was, als elders wel voorgekomen is, en dat niet tot schade van de letterkunde. De problemen-poëzie was slechts in weinige gevallen ontaard tot zuiver debat, waarbij de kunst geheel uit het oog was verloren; het naturalisme had zich zelden bepaald tot de dorre beschrijving van feiten en details zonder eenheid van gezichtspunt. Er was dus minder aanleiding tot eene directe reactie. Men kan eer spreken van een verschuiving der standpunten. Voorts moet men niet vergeten, dat onder de mannen, die in 1870 vooraanstonden, de grootste dichters behooren, die het land heeft voortgebracht. Dezen waren echter in 1890 nog niet verstomd; integendeel, ook in deze periode blijven zij domineeren. Maar ook zij hebben zich ontwikkeld; ook bij hen treden nieuwe denkbeelden of oude in nieuwen vorm op, en zij zijn het, van wie niet in de laatste plaats de impulsen zijn uitgegaan, die nieuwe bezieling gebracht hebben.

Het is moeilijk, een tijd, die zoo kort bij ons ligt als het tijdvak tusschen 1890 en 1900, in enkele woorden te karakteriseeren. De gemeenschappelijke kenmerken van personen en groepen uit eenzelfden tijd kunnen in den regel pas op een afstand duidelijk gezien worden. De tijdgenooten en het eerstvolgende geslacht zien vooral de tegenstellingen. En zoo kan een chaos schijnen, wat toch op een afstand gezien een eenheid is. Zonder er aanspraak op te maken, de vraag uit te putten, wil ik hier een paar lijnen aangeven, die zich in de letterkundige beweging dier dagen laten waarnemen. Het psychologisch proces, dat tot een nieuw idealisme voert, is ingewikkeld. Hier komt het sneller, daar langzamer tot stand, zoodat men zuiver chronologisch soms meent, een sprong waar te nemen, soms een terugvallen tot een stadium, dat tot het verleden scheen te behooren. Zoo is het trouwens met alle maatschappelijke ontwikkeling.

