Noorwegens Letterkunde in de Negentiende Eeuw
Part 10
Een der merkwaardigste verschijnselen aan den Noorweegschen litterairen hemel der periode, die ons hier bezig houdt, is Al.L. Kielland geweest, zoowel door het comeetachtige van zijn verschijnen en zijn verdwijnen, als door zijn stijl, die zoo sterk afwijkt van wat men in Noorwegen voor en na hem te zien heeft gekregen. Kielland stamt uit eene rijke koopliedenfamilie te Stavanger; hij werd in 1849 geboren, bezocht het gymnasium zijner geboortestad, werd op twintigjarigen leeftijd student, nam het leven schijnbaar gemakkelijk en wekte geen bijzondere verwachtingen. Hij verliet de universiteit in 1871, vestigde zich als advocaat zonder praktijk, kocht een pannenbakkerij en trouwde. In dien tijd begon hij ijverig de nieuwe Deensche letterkunde te lezen, en hij reisde daarop in 1878 naar Parijs, na kort te voren een paar kleine schetsen in een courant te hebben geschreven. In 1879 beginnen zijn werken in boekvorm los te komen, eerst een paar kleine stukken, _Novelletter_, dan romans, in één adem door (daartusschen enkele tooneelstukken): _Garman og Worse_ (1880), _Nye Novelletter_ (1880), _Arbeidsfolk_ (1881), _Else_ (1881), _Skipper Worse_ (1882), _To Novelletter fra Danmark_ (1882), _Gift_ (1883), _Fortuna_ (1884), _Sne_ (1886), _Tre Par_ (blijspel 1886), _Bettys Formynder_ (blijspel 1887), _Sanct-Hansfest_ (1887), _Professoren_ (blijspel 1888), _Jacob_ (1891), eindelijk een bundel kleinere opstellen _Mennesker og Dyr_ (1892), een overdruk van oudere artikelen. Dan is het uit; Kielland geeft het voornemen te kennen, niet meer te schrijven, en hij houdt zich daaraan.
Dit plotselinge ophouden, nog meer dan het plotselinge begin, toont, dat Kielland eigenlijk niet bezat, wat men wel de dichterroeping noemt, den inwendigen drang, om zich te uiten, om iets schoons voort te brengen. En nog minder de ijdelheid, om zich een naam te maken. Zeer groote gaven had hij, maar om hem tot dichter te maken, was er nog een ding noodig. Hij moest iets op het hart hebben, dat hij behoefte gevoelde, te zeggen. Toen hij dat zou gaan doen, bleek het, dat hij de gave had. En hij gebruikte haar. Toen hij gezegd had, wat hij te zeggen had, zweeg hij. Met andere woorden: Kielland was een tendentiedichter, en de tendentie was voor hem het eerste. Maar hij had zoo'n goed verstand, dat hij wel begreep, dat men in een kunstwerk meer kan zeggen, en in elk geval met een kunstwerk meer blijvends kan bereiken dan met een courantartikel. En hij bleek plotseling zoo knap te zijn, dat hij kunstwerken maken kon. Dit was een verrassing, misschien even groot voor hem zelf als voor het publiek.
Wat had Kielland dan te zeggen? Dat, wat een modern dichter in 1880 te zeggen had,--kritiek op de maatschappij. Opgegroeid is hij in een kleine Noorweegsche stad, met weinig geestelijke ressources. In de beste kringen is hij daar omgegaan; de horizont dier kringen reikte niet verder dan plaatselijke belangen en amusement van geringe waarde. In Kristiania leeft hij daarop als student insgelijks in hoogere kringen. En wat de poëten ook ten nadeele van het Kristiania dier dagen mogen gezegd hebben, de gezichtskring was er toch ruimer dan in Stavanger. Naar zijn geboorteplaats teruggekeerd, moet de jonge man met het scherpe verstand en den beweeglijken geest zich beëngd gevoeld hebben. Hij zoekt geestelijk voedsel in de nieuwe litteratuur, die in de laatste jaren van Denemarken uitging, en zijn tegenzin tegen zijn omgeving neemt toe. Hij moet in verzet komen; hij moet op reis, en hij moet schrijven. Hij wil het nieuwe licht, dat voor hem is opgegaan, voor anderen doen schijnen, en hij wil de omgeving, waarin hij zich bekneld gevoelt, aan de kaak stellen. Zoo worden al zijn romans schilderingen van Stavanger.
En zijn kunst? In Parijs heeft hij zich opgehouden. Daudet en Zola heeft hij gelezen. Hij maakt den piquanten stijl der nieuwere Fransche romanschrijvers tot den zijnen. Voor het eerst treedt in Noorwegen een schrijver op, wiens meest kenmerkende eigenschap elegantie is.
In hoeverre Kielland zich van den beginne af bewust geweest is, dat hetgeen hem het diepst bewoog, niet de kunst maar een tendentie was, is moeilijk te zeggen. De vreugde over het plotseling ontdekte talent en de bijval, die hem terstond gewerd, hebben ongetwijfeld den kunstenaar gewekt, en in vele zijner werken ziet men ook succesvolle pogingen, om zich in de stof te verdiepen en aan de personen, die hij schildert, ook waar zij hem niet sympathiek zijn, recht te laten wedervaren. Op den duur wordt dit minder. Hij geraakt gewikkeld in persoonlijke conflicten. In het Storting wordt een strijd gevoerd over de vraag, of hem dichter-salaris toekomt, en hij lijdt een neerlaag op grond van zijn anti-religieuze denkbeelden, waarbij hij op schandelijke wijze als onzedelijk wordt gedisqualificeerd, een auteur, die nooit een enkele onzedelijke bladzijde geschreven heeft. Hij wordt verbitterd, en zijn boeken krijgen steeds meer het karakter van strijdschriften met een zeer persoonlijk adres[19]. Maar toch blijven het geniale werken vol geest en satyre. Zij logenstraffen de theorie, die in haar algemeenheid ook niets dan een populaire phrase is, dat tendentie en kunst niet kunnen samengaan. Eindelijk breekt de inhoud den vorm, en de dichter geeft er de voorkeur aan, wat hij nu nog te zeggen heeft, direct te zeggen in artikelen in de Stavanger courant, waarvan hij een tijd lang (in 1889) redacteur is[20]. Dan vindt de strijd een oplossing, waarin hij de overwinning behaalt. Hij wordt burgemeester van Stavangar. Nu kan hij voor zijne denkbeelden werken, zonder te schrijven. En hij legt de pen neer.
Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat Kielland's werken sommige elementen bevatten, die hen stempelen tot litteratuur van den dag. Dit is daar het geval, waar de tendentie zich al te breed maakt. Maar daartegenover staan weer blijvende elementen. Dikwijls verheft Kielland zich tot eene objectiviteit, die hem in staat stelt, niet uitsluitend wit en zwart te schilderen. Daarbij komt eene dubbelheid in zijn eigen natuur hem ten goede. Hij is democraat door theorie, maar aristocraat door geboorte en opvoeding, en zijn karakter is niet plebeïsch, maar voornaam. Zóó is hij in staat, in _Garman og Worse_ een der fijnste schilderingen te geven van het leven in eene voorname familie in eene kleine Noorweegsche stad, en ook het verschil in de verhoudingen, waarin zulk eene familie in zijn tijd en dertig jaar vroeger leefde, begrijpelijk te maken. Zoo dringt hij in _Skipper Worse_ diep door in het leven van de piëtistische secte der Haugianen. In andere boeken ontbreekt de objectiviteit, maar men moet niet vergeten, dat objectiviteit niet de eenige deugd is. Ook Vondel was niet objectief, en toch is hij Nederlands grootste dichter. Er is ook macht van overtuiging, kunst van uitdrukking, meesterschap over de taal, suggestieve kracht,--en eindelijk esprit. Deze gaven bezat Kielland in hooge mate. Boeken als _En Sankt-Hansaften_ en _Jacob_ kan men beschouwen als lyrische gedichten in proza. De figuren hebben soms iets van caricatuur, maar zij zijn daardoor te duidelijker, en zij getuigen toch van zulk een menschenkennis, dat zij voor ons blijven leven, ook al deelen wij des dichters politieke overtuigingen niet in alle opzichten. En de afstand in tijd, die het toevallige doet wegvallen, zal het daardoor gemakkelijker maken, Kielland's kunst te waardeeren. Wel zal die afstand ook eene schifting meebrengen; dit proces is trouwens reeds in vollen gang.
In de aaneengesloten reeks van Kielland's romans is een samenhangende gedachtengang. Ik weet dezen niet beter mede te deelen dan door een verkorte weergave van hetgeen ik hierover in 'De Gids' van Mei 1897 schreef. De omgang met arbeiders in de dagen toen hij bezitter en directeur eener pannenbakkerij was, is zeker de oorzaak, dat in zijn eerste boeken het arbeidersvraagstuk op den voorgrond treedt. De intrigue van _Garman og Worse_ berust op de tegenstelling tusschen de deftige rijke familie Garman met haar resten van achttiende-eeuwsche beschaving en haar trots en de verdierlijkte bevolking van "West end". Een verzoenend element is hier Jacob Worse, wiens grootvader zich van dienaar tot compagnon van consul Garman opgewerkt heeft, en die door zijn huwelijk met Rachel Garman het sedert verbroken compagnieschap der firma's herstelt. Dezelfde tegenstelling keert terug in _Arbeidsfolk_, maar te scherper en bijtender, daar een verzoenende gedachte hier ontbreekt; de personen, die de toenadering der standen vertegenwoordigen, worden uit de maatschappij gestooten. Doch weldra verruimt zich des schrijvers gezichtskring. Bij het constateeren van het bestaan eener kloof tusschen rijk en arm blijft hij niet staan, maar de vraag doet zich aan hem voor: wat is daarvan de oorzaak? En in verband daarmee deze andere: wat kan men doen, om de kloof te dempen?
Voorloopig wendt hij zijn opmerkzaamheid vooral aan de eerste vraag. En hij schrijft eene psychologie van de misdaad. Dat armoede tot misdaad voert, werd in _Garman og Worse_ reeds aangeduid. In _Else_ zien wij het gebeuren. Wij maken kennis met de erfelijke praedispositie tot lichtzinnigheid en al de misdaden in haar gevolg, die de arme op de reis door het leven meekrijgt, en die zich te lichter ontwikkelt, naarmate de uiterlijke omstandigheden gunstiger zijn en daarmee de verzoeking grooter wordt.
Van den hedendaagschen arme wendt Kielland zich tot de vroegere generatie, en hij schrijft _Skipper Worse_. De vergelijking voert tot het besluit, dat de afstand vroeger veel geringer, de verstandhouding beter was. Worse's: "Wij komen laat, mijnheer de consul, maar wij komen goed", waarmee Worse zijn reeder begroet, en waarmee hij ook het leven uitzeilt, teekenen den ondergeschikte, voor wien de zaak van den patroon de zijne is. En consul Garman toont zich bij voortduring een even degelijk als fijngevoelig patroon. Hoe is die verhouding zoo veranderd? Voor een deel is dit toe te schrijven aan verscherpte concurrentie, die voor alle standen den strijd om het bestaan moeilijker maakt. Maar ook de opkomst van nieuwe machten in de maatschappij is daaraan schuld. Kielland schildert tegenover de wel trotsche, maar ook loyale familie Garman een stand van rijken, welks bloei in den tijd van Skipper Worse nog in zijn aanvang was, maar in Kielland's dagen reeds een groote plaats innam, de opkomelingen, die de weelde niet kunnen dragen. Het zijn zij, wier vaders en grootvaders om den geloove bespot werden, de Haugianen, ijverige, godsdienstige menschen, door werkzaamheid tegen de verdrukking in tot welstand gekomen. Maar naarmate de welstand toeneemt, verandert godsdienstzin langzamerhand in huichelarij, spaarzaamheid in geldgierigheid. Het zijn zij, bij wie de zucht naar den penning door lange ontbering erfelijk is geworden, en die deze zucht behouden, wanneer zij in levensomstandigheden komen, die vrijgevigheid tot plicht maken. Nog één geslacht verder, en men leeft in groote huizen en zit aan een welvoorzienen disch; de oude zuinigheid openbaart zich alleen nog maar in hardheid tegenover den arme.
Als Kielland tot de jongere generatie terugkeert, doet zich het vraagstuk der opvoeding voor. Daaraan hebben wij _Gift_ (Vergif) te danken. _Gift_ is Kielland's bijdrage in den strijd over de school. Men kan er zeker van zijn, dat zijn kleine Marius, die conjugeerende sterft, de zaak van het Latijn meer kwaad gedaan heeft dan menig betoog. Maar polemiek tegen het Latijn is slechts ééne zijde van het boek. De auteur verheft vóór alles zijn stem tegen de opvoeding, die het karakter doodt door opvulling van het geheugen met nuttelooze kennis, door het eischen van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid in de jaren, waarin juist het zelfstandig oordeel bezig is te rijpen, door het aanwenden van ouderlijken invloed, om den jongen man een huichelachtige geloofsbelijdenis te laten afleggen, die zijn verstand in het aangezicht slaat en voor zijn gemoedsleven geen beteekenis heeft.
De vraag der opvoeding gaat Kielland na ter harte; dit is wel mee de oorzaak, dat hij op _Gift_ twee vervolgen geschreven heeft. Het eerste heet _Fortuna_. De schooljongen uit _Gift_, Abraham Løvdal, die bij zijn confirmatie zoo'n mooi gouden horloge, maar nog mooier lessen in levenswijsheid van zijn vader kreeg, treedt hier als man op. Slecht is hij niet, verkwistend is hij niet, geldgierig is hij niet; hij is alleen maar karakterloos. Als zijn vader gelden, die aan anderen behooren, en waarvoor hij, Abraham Løvdal, persoonlijk verantwoordelijk is, in zijn windhandel steekt, wordt Abraham, zonder een woord tegen te spreken, zijn medeplichtige. En als het onweer losbarst en de stad in zak en assche is, komt de schuld in de eerste plaats op Abrahams hoofd neer. Alle ergernis concentreert zich in haat tegen dien eenen misdadiger, die de kas der armen niet gespaard heeft. Maar Abraham gaat met vader en vrouw ter kerk en beijvert zich, om er nederig uit te zien.
Eene voortzetting van _Fortuna_ is _Sankt-Hans Fest_. Maar daartusschen ligt een boekje, dat in den gedachtengang een overgangslid vormt. Naast de school werd in _Gift_ de kerk geschetst als een der machten, die de zelfstandigheid in den mensch dooden en hem tot een kruipenden egoïst maken. De logica van zijn gedachtengang en zijn persoonlijke ervaringen brengen nu den dichter er toe, een hoofdaanval op de staatskerk en hare dienaars te richten. Op de school volgt de confirmatie, op _Gift_ en _Fortuna_ volgt _Sne_.
_Sne_ is een oorlogsverklaring. Het boek brengt den strijd tusschen oud en nieuw van de stad naar het platteland, naar het heiligste der heiligen--de dorpspastorie. Daar zit de sterke predikant van den ouden stempel, wiens dagbladartikelen den zondaar doen sidderen als zijn preeken en bij hem zelf het geloof wakker houden, dat hij aan de geestelijke beweging van zijn tijd deelneemt. Gevreesd is hij meer dan bemind; gerespecteerd als een afgod. Het gezin is gehoorzaam en bescheiden; stil gaat de vrouw door huis; _zijne_ hooge gedachten kan zij niet volgen; maar zij zorgt, en zij is onrustig, als er niets te zorgen valt. Daar zit hij--en wordt weerstaan door een jong meisje, dat van theologie even weinig begrip heeft als van gehoorzaamheid, de verloofde van zijn zoon. En het voorwerp van hun twist is hij--Johannes, die niet kan gelooven, wat zijn vader gelooft, die tegen den spot der spotters niet is opgewassen, maar evenmin tegen den sterken wil van zijn vader, die Gabriële liefheeft en droomt van een verzoening tusschen het oude en het nieuwe. Het is eene tweede uitgave van Abraham Løvdal. Zulk een verzoening houdt Kielland voor onmogelijk. Maar hij gelooft ook niet aan een snelle overwinning van nieuwe gedachten in zijn land. Alle reactionnaire machten slaan de handen ineen, om de opkomst van iets nieuws met geweld tegen te houden. En het gevolg is een doodsche stilheid, een rust als die des grafs.
Dat is de gedachte, die _Sankt-Hans Fest_ beheerscht. Kielland laat hier de geheele maatschappij, waarin hij leeft, nog eens de revue passeeren en resumeert. Daarom treden personen uit verschillende romans op: Abraham Løvdal, Morten Kruse, bankchef Christensen uit _Gift_ en _Fortuna_, Thomas Randulf, een nakomeling van een der vrienden van schipper Worse, de jonge Garman, die aan _Garman og Worse_, de familie With, die aan _Else_ herinnert. Een ijzige luchtstroom waait ons te gemoet. Een troepje jonge lieden, die het proza, dat als een laag schimmel de stad bedekt, verdriet, doen een vergeefsche poging, om tegen Sankt-Hansavond een vroolijk feest voor de geheele stad te organiseeren. De bankchef en de dominee vereenigen zich, om het plan te doen mislukken, terwijl de burgemeester, die zijn medewerking had toegezegd, zich uit de voeten maakt, en al wat de aanleggers van het feest bewerken, is het ontslag van den beste hunner uit zijne betrekking en eene algemeene verslagenheid over hun zonde bij die stedelingen, die zich lieten verleiden, om naar wereldsch vermaak te verlangen. Maar de victualiën, die voor het feest bestemd waren, gaan naar een samenkomst van vrome lieden, die dominee Kruse ten voordeele van zijn blinden georganiseerd heeft.
In _Sanct-Hans Fest_ is als het ware eene essentie van Kielland's sarcasme. De kortheid maakt het boek te scherper. Al wat in zijn vroegere romans aan bitterheid aanwezig was, is hier gecondenseerd en geëxtraheerd tot een enkelen druppel. Het is het _mene tekel_ over eene leugenachtige maatschappij, die haar moed en daarmee haar behoefte aan vreugde verloren heeft.
In _Jacob_ wordt dan eindelijk getoond, hoe zulk een samenleving de gemakkelijke prooi wordt van den eersten den besten gewetenloozen indringer. Er bestaat een afstand tusschen boeren en stedelingen, die in Noorwegen nog grooter is dan elders. Die kloof te overbruggen, is het streven van vele hervormers geweest, en men heeft het middel gezocht in het brengen van de hoogere cultuur, die de stad meent te hebben, naar het platteland. Maar in den gedachtengang, waarin Kielland geraakt is, ziet hij die vraag in een ander licht. Thans vraagt hij, wat het onvermijdelijk gevolg is, wanneer de cultuur der stadsbevolking verloren gaat. De stedeling, zoo antwoordt hij zich zelf, daalt in zulk een geval niet tot het niveau van den boer, maar daarbeneden. Want terwijl datgene verloren gaat, wat hem in de oogen van de plattelandsbevolking tot een wezen van ander vleesch en bloed maakte, mist hij de taaie vasthoudendheid, de toomelooze geldgierigheid en de volslagen ongevoeligheid voor scrupules van den laatste. En wat de schijnheiligheid betreft, de nauwelijks tien jaar oude modehuichelarij van den stedeling is in de verte niet opgewassen tegen de door langdurige verdrukking geoefende huichelarij van den boer.
_Jacob_ is de geschiedenis van een self-made man. Als gelukzoeker komt Tørres Snørtevold naar de stad. Geleerd heeft hij ongeveer niets; de eenige vrucht van het genoten onderwijs, die voor hem niet verloren gaat, is een onbeperkte bewondering voor den aartsvader Jacob, die zoo heerlijk iedereen weet te bedriegen, zijn vader, zijn broeder, zijn oom, en die zoo vast op Gods hulp rekenen kan. Jacob wordt zijn ideaal. Evenals zijn held, gelukt het ook hem, de schatten van zijn meester te bemachtigen. Nu heeft hij macht, en deze gebruikt hij, om de stad uit te zuigen. Hij maakt zich meester van al, wat in de stad te verdienen valt, zoodat eindelijk de winkeliers niet meer wagen te adverteeren, om zijn aandacht niet te trekken. Met zijn macht stijgt zijn aanzien. Tørres wordt lid van het Storting, en hij getuigt: "ja het was hem zelfs een genot, het in deze zaal te mogen belijden, dat hij niet verder gekomen was--neen voorwaar, dat was hij niet!--hij was niet verder gekomen dan tot den nederigen grond van het kinderlijk geloof, en hij zou er God om bidden, dat hij nooit verder komen mocht."
Als Tørres eindelijk de vrouw bemachtigt, die hij reeds als winkeljongen met begeerige oogen heeft aangezien, besluit hij, zijn zoon Jacob te noemen, en hij zelf wil hem leeren, dien naam te dragen.
Kielland legt er den nadruk op, dat het verlies van cultuur, dat ik hierboven noemde, de voorwaarde is voor een succes als dat van Tørres. In de dagen van consul Garman ware zoo iets eene onmogelijkheid geweest. Met ronde woorden spreekt hij deze meening uit: "Zoo lag de maatschappij bloot voor de laagste kracht. Was ieder geestelijk bezit behalve 'de belijdenis' tot nul gereduceerd, dan bleef er niets dan het geld over. En op dit doel: geld in den zak en 'de belijdenis' op de tong stuurde het roer boven en de stroom beneden aan." En Tørres denkt er ook zoo over: "de eeuwige waarheid lag juist in het kinderlijk geloof, en alle wijsheid van de wereld woog niet op tegen den kleinen katechismus, en dien kende hij--ha! ha! ha!--hij moest om zich zelf lachen.
Daar had hij opgezien tegen Gustav Krøger en mijnheer Hamre en anderen, die dat alles gelezen hadden, wat in de boeken stond, en per slot van rekening waren dat niets dan vrijdenkers, die voor de hel bestemd waren, en die in de maatschappij niet los hoorden te loopen."
Dit is het eindstandpunt, dat Kielland in zijn laatsten roman bereikte. Toch is hij geen pessimist. Hij is een toreador; het sarcasme is zijn lans, en hij weet te treffen.
Een ander zeer bekend, maar niet zeer vruchtbaar schrijver, die tot de groep Lie--Kielland behoort, is Kristian Elster. Zijn meest bekende werk heet _Farlige Folk_ (Gevaarlijke Menschen) (1881).
Tot de naturalistische schrijvers der periode behoort Amalie Skram, die in 1882, dus slechts één jaar na Kielland, met haar eersten roman optrad. Het is haar minder te doen om het debat over maatschappelijke problemen dan om natuurgetrouwe schildering van menschen, waarbij de gedachte op den voorgrond treedt, dat karakter en handelingen der menschen evenals hun ervaringen door uit- en inwendige omstandigheden bepaald zijn. Zij geeft duistere beelden van het alledaagsche leven en daalt daarbij diep in details af. Van haar romans noemen wij _Constance Ring_ (1885) en een samenhangende reeks van vier lange vertellingen, samen eene familiegeschiedenis uitmakende: _Sjur Gabriel_ (1887), _To Venner_ (Twee Vrienden) (1887), _S.G. Myre_ (1890), _Afkom_ (Nakomelingschap) (1898).
In dit verband moet een boek genoemd worden, dat als kunstwerk niet hoog geschat wordt, maar dat toch groote beteekenis gehad heeft door de aandacht, die het getrokken heeft, en door den invloed, dien het op de litteratuur der eerstvolgende jaren geoefend heeft. In 1885 wekte Hans Jæger opzicht met zijn roman _Fra Kristiania Bohemen_. Men kan dit boek rekenen tot de problemen-litteratuur, in zooverre als er een maatschappelijk vraagstuk, het geslachtsleven, in behandeld wordt. Er wordt ook een oplossing aan de hand gedaan door de aanbeveling der vrije liefde. Maar wat het boek van andere uit denzelfden tijd onderscheidt, is het sterk persoonlijke element, waardoor het half tot lyriek wordt, en wel tot een noodkreet van het individu, dat de maatschappij aanklaagt, de schuld te dragen aan zijn ellende. Deze toon was in die dagen ongewoon en verwekte niet weinig aanstoot. Daar kwam bij, dat de schrijver in zijn mededeelingen al te duidelijk was geweest, zoodat sommige zijner personen te herkennen waren. En eindelijk werkte ook wel mee, dat het boek door afwezigheid van kunst den indruk maakte van schandaalschrijverij, waaraan het trouwens ook niet geheel vreemd was, daar het niet een mislukt kunstwerk was, maar het den schrijver heelemaal niet om kunst te doen was, maar om aandacht te vragen voor hetgeen hij te zeggen had over een maatschappelijken noodtoestand. Hier heeft men dus in tegenstelling met de romans van Kielland te doen met een geval, waarin de tendentie zoozeer de overhand heeft, dat het boek daardoor geheel buiten het kader der kunstwerken valt. Maar nu deed de regeering het domste, wat eene regeering in zulk een geval kan doen: zij legde beslag op het boek en liet den schrijver tot gevangenisstraf veroordeelen. Dit heeft aanleiding gegeven tot groote opschudding. Er werd heftig gediscussieerd, en er ontstond een heele bohême-litteratuur. Vermoedelijk zou deze toch wel gekomen zijn, daar de tijd er rijp voor was, maar waarschijnlijk zou de strijd een minder heftig karakter hebben aangenomen. Wij hebben echter geen reden, om er over te klagen, want de zedelijkheidsdiscussie heeft aanleiding tot meer dan één kunstwerk gegeven. Wij zullen deze discussie hieronder nog in een ander verband ontmoeten. Maar Jæger's boek heeft ook nagewerkt. De neiging tot schildering van het geslachtsleven in zijn abnormale vormen bij sommige schrijvers, die omstreeks 1890 optreden, houdt ongetwijfeld verband met _Fra Kristiania Bohemen_. Hier is Jæger's roman misschien minder een voorbeeld dan een voorbode, een teeken van iets, dat in opkomst is. Ook zijn onverbloemde persoonlijke verhouding tot de stof wijst naar het aankomend individualisme.