Part 8
Toen 't donker was geworden, voederde ik eerst de beide trekpaarden; daarop haalde ik een' armvol hooi voor 't rijpaard van den kapitein, dat zoo vet was en glimmend, dat men er zich wel in kon spiegelen, maar zooals ik de afgeschoten ruimte, waar 't dier stond, wil binnengaan, daar ploft hij eensklaps op 't hooi neder.
"Wie, wie? Het paard?" vroegen de knapen.
"Neen, neen, de nikker;--en zoo schrok ik, dat ik 't hooi liet vallen en maakte, dat ik weg kwam. Toen Per thuis kwam, zei ik: "Hoor eens, beste Per, dat 's eenmaal, maar nooit geef ik den paarden weer voeder voor je; de bruin van den kapitein heeft zelfs geen strootje gehad," en nu vertelde ik hem, wat er gebeurd was.
"Och, de bruin heeft geen nood," zei Per, "die krijgt genoeg!"
"Hoe zag de nikker er uit, Mari?" vroeg een der knapen.
"Denk-je dat ik dit kon zien?" antwoordde zij: "'t was zoo donker, dat ik mijn eigen handen niet zag, maar ik voelde hem zoo duidelijk als wat: hij was ruig en zijne oogen glinsterden."
"O, dan was 't zeker eene kat," riep er een uit den hoop.
"Eene kat?" zei ze met de diepste verachting. "Ik voelde elken vinger van hem; hij had er niet meer dan vier, en alle droegen ze lange haren; als 't de nikker niet was, dan mag ik niet levend hier vandaan komen."
"Ja, ja; 't was stellig de nikker," zei de smid; "want eene pink mist hij en zijne handen moeten ruig zijn. Ik heb hem nooit aangeraakt, maar men heeft mij altijd zoo verteld. En dat hij goed voor de paarden zorgt en de beste bouwknecht is, dien men maar kan hebben, dat weten wij allen. Daar is menigeen, die veel nut van hem trekt, en van hem niet alleen, want in Ullensaker," zoo begon hij eene nieuwe vertelling, "woonde eens een man, die evenzoo geholpen werd door de aardgeesten, als anderen door den nikker; hij woonde op Rögli. Deze man wist, dat er zich bij zijne hoeve Huldren ophielden; immers, eens terwijl hij in 't voorjaar naar stad ging en in de Skjaellebeek zijne paarden had gedrenkt, kwam er eene groote kudde bonte koeien den heuvel over; alle dieren zagen er even welgedaan uit, en flinke, sterke paarden volgden hen met allerlei gereedschappen voor de boerderij op karren geladen. Voorop liep eene wakkere deerne met eene glimmende, witte melknap in de hand.
"Waar moet ge toch heen in dezen tijd van 't jaar?" vroeg de landman verbaasd.
"Wel," antwoordde 't meisje, dat voorop liep: "wij gaan naar den saeter van Rögli in Ullensaker; daar zijn kostelijke weiden.
"Men kan zich voorstellen, hoe de man opkeek, toen hij vernam, dat zij naar zijn eigen veld trokken; elk dien hij op zijn' weg, ontmoette, vroeg hij naar den optocht, maar niemand dan hij had er ook maar 't geringste van gehoord of gezien.
"Op de hoeve van dezen man ging 't dan ook somwijlen wonderlijk toe. Al de arbeid, die na zonsondergang was verricht, bleek 's morgens vernield, zoodat hij eindelijk besloot niets meer te laten doen, als de zon was ondergegaan.
"Eens--'t was in den oogsttijd--ging hij naar den akker, om te zien, of 't graan droog genoeg was om binnen gehaald te worden. Schoon 't reeds wat ver in den tijd was, begreep hij het nog een paar dagen op den akker te moeten laten; maar op eens hoort hij duidelijk eene stem uit den berg komen:
"Haal het graan binnen, want morgen sneeuwt het."
"En hij aan 't binnenhalen, zoo spoedig hij kon; tot laat na middernacht was men bezig, maar men kreeg 't toch in de schuur;--en 's morgens lag de sneeuw een voet dik op 't veld.--
"Niet altijd zijn de aardgeesten zoo vriendelijk," merkte een der knapen tot den smid op; "hoe ging 't de Hulder, die de bruiloftskost stal en op Eldstad haar' hoed verloor?"
"Dat zal ik u vertellen," zei de smid, die gretig dezen wenk opving om een nieuw verhaal te beginnen.
"Op Eldstad in Ullensaker werd eens bruiloft gehouden; maar men had er geen' bakoven en zag zich dus genoodzaakt het gebraad naar de naaste hoeve te brengen, waar men wel zulk een' oven bezat. Tegen den avond werd er een jongen uitgezonden om het terug te halen. Toen hij over eene der vlakten daar kwam, hoorde hij duidelijk roepen:
"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in 't vuur is gevallen."
"De knaap schrok en joeg zijn paard steeds harder voort; hij reed, dat zijne neus bijna bevroor, want 't was vinnig koud en de slede vloog over de sneeuw. En telkens weer hoorde hij duidelijk dezelfde woorden achter zich. Toen hij goed en wel met 't gebraad thuis gekomen was, ging hij aan 't lager einde der tafel, waar de knechts en meiden heen en weer liepen, en vroeg iets te eten.
"Wel jongen, heeft de duivel de slee gemend, of ben-je niet om 't gebraad uit geweest?" vroeg een der knechts.
"Zeker ben ik," zeide hij, "daar wordt het al binnen gebracht, maar ik heb gereden, dat 't paard er haast bij neerviel, want toen ik op de vlakte kwam, werd er achter mij geroepen:
"Hoor eens, zoo ge naar Eldstad rijdt, zeg dan aan Deld, dat Dild in 't vuur is gevallen!"
"Ah, dat was mijn kind!" hoorden zij op 't zelfde oogenblik gillen, en een der gasten vloog op, of zij waanzinnig was en liep den een na den ander omver en baande zich met stooten en slagen een' weg naar buiten. In hare vaart viel de hoed van haar hoofd, en nu bemerkte men, dat er eene Hulder onder de gasten geweest was. Al wat zij maar kon gebruiken, had zij weggekaapt: vleesch en boter, koeken en bier en brandewijn; maar zoo was zij geschrokken door 't ongeval van haar kind, dat zij eenen zilveren lepel in de bierkan liet vallen en niet eens voelde, dat haar hoed van 't hoofd vloog. Men bewaarde op Eldstad lepel en hoed zeer zorgvuldig, en wie den hoed opzette, was onzichtbaar voor alle stervelingen, behalve voor iemand, die betooverd was. Of de hoed er nog wordt gevonden, kan ik niet stellig verzekeren, want ik heb hem niet gezien en evenmin op 't hoofd gehad."
"Ja, de aardgeesten moeten slimme dieven zijn," zei de oude Bertha Tuppenhaug, "maar 't ergst te duchten zijn ze in den saetertijd; dat is als 't ware één lang hoogtij voor de Huldren en aardgeesten; want als de saetermeisjes dan aan hare afwezige vrijers denken, vergeten zij een kruis te slaan over de melk of de boter, en dan neemt 't Huldervolk al wat het wil. Niet vaak vertoonen ze zich aan de menschen, maar somwijlen gebeurt dit toch, zooals eens een op Neberg-saeter hier in 't kerspel.
"Daar waren eens eenige houthakkers in 't bosch aan 't werk. Toen zij des avonds naar den saeter wilden gaan, hoorden zij achter zich roepen:
"Zeg aan Kilde, dat hare beide kinderen een ongeluk hebben gekregen; zij zijn in een' ziedenden ketel gevallen."
"Te huis gekomen, vertelden zij den melksters hun wedervaren en wat zij achter zich in 't woud hadden hooren roepen.
"Ah, dat waren mijne kinderen," hoorden zij opeens in de melkkamer, en te gelijker tijd kwam daar eene Hulder uitstuiven met eene nap in de hand, die zij weg smeet, zoodat allen de melk om de ooren spatte.
"De menschen vertellen zooveel," zei de smid met een' spotachtigen trek op 't gelaat, precies alsof hij twijfel koesterde aangaande de geloofwaardigheid der vertelling. Intusschen was 't waarschijnlijk niets dan ergernis, omdat Bertha hem in de rede was gevallen, toen hij zoo goed op gang was. Stellig vond men niemand in 't gansche dorp, die zooveel wonderlijke vertellingen over de Huldren en de aardgeesten kende, als hij, en niemand ook geloofde vaster aan 't bestaan dezer wezens.
"De menschen vertellen zooveel," zeide hij, "men kan niet alles gelooven. Maar wanneer 't in iemands eigen familie is voorgevallen, dan mag men er niet aan twijfelen. Laat mij u iets verhalen, dat mijn' eigen grootvader gebeurd is; dat was een ernstig en geloofwaardig man; wat hij heeft gezegd, kan niet betwijfeld worden. Hij woonde op Skroperud in Ullingsaker en heette Jo. Hij had zich eene nieuwe woning gebouwd en bezat een stuk of drie koeien, mooie beesten, en een paard, welks wederga men niet licht zal vinden. Met dit paard reed hij vaak van Mo naar Trögstad en, wanneer 't zoo uitkwam, van hier naar Skrimstad en weer terug naar Mo; en hoe ver hij zijne reizen ook uitstrekte, 't beest bleef even wakker en sterk. Hij was ook jager en speelman. Vaak speelde hij bij anderen, maar thuis kon men hem er niet toe brengen den vedel ter hand te nemen; al was ook 't gansche vertrek vol jongelieden, altijd weigerde hij te spelen. Maar eens kwamen er eenige jongelui, die veldflesschen met brandewijn bij zich hadden. Toen zij den oude eerst hadden overgehaald één' borrel te nemen, volgden er meer; en, schoon hij aanvankelijk weigerde, eindelijk zocht hij toch den vedel op. Maar nadat hij eene poos had gespeeld, legde hij hem weg, want hij wist, dat de aardgeesten zich in zijne nabijheid bevonden en dat zij zulk een spektakel niet konden dulden. Toch wisten de jongelieden hem weer over te halen, en zoo ging 't twee-, driemaal; telkens legde hij de viool weg en zocht hij haar op. Eindelijk hing hij haar aan den wand, en zwoer, dat hij dien avond geen' enkelen streek meer zou doen, en hij joeg allen, knapen en meisjes, de deur uit. Toen hij was begonnen zich te ontkleeden en in 't hemdrok bij den haard stond en een laatste pijpje wilde aansteken, kwam er een heele drom binnen, grooten en kleinen; 't gansche vertrek was in een oogwenk vol.
"Wat," zeide Jo, "komt gij nu terug?" Hij meende, dat 't de gasten van straks waren, maar toen hij zijne vergissing bemerkte, verschrok hij, liep naar de bedstede, waarin zijne dochters sliepen, tilde ze uit 't bed en zette ze op den grond--'t was een groote, sterke man,--en vroeg: "Wat is dit voor volk? kent gij ze?"
De meisjes waren slaapdronken en begrepen er niets van. Jo nam nu zijn geweer van den wand, keerde zich naar den stoet en dreigde hen met den tromp. "Als ge u niet dadelijk wegpakt,"--schold hij--"dan zal ik u met mijn geweer om de ooren slaan, dat ge niet weet, of ge op 't hoofd of de beenen staat." En hals over kop vluchtten allen de deur uit met groot misbaar. Jo echter scheen 't, alsof een heele hoop kluwens garen naar buiten rolde. Maar toen hij 't geweer had weggezet en weer naar den haard ging, om zijn pijpje, dat uitgegaan was, aan te steken, daar zat een oud man op zijn' stoel, met een' baard zóó lang, dat hij tot op den grond reikte; ja, langer dan eene el was hij stellig. De grijsaard had ook een pijpje in den mond en hield een stuk hout in de vlam om het aan te steken, evenals Jo; maar telkens, als hij 't naar zijne pijp bracht, ging het uit; dan hield hij 't op nieuw in 't vuur, en zoo ging het aldoor.
"Behoort gij ook tot dien duivelenstoet?" vroeg Jo; "waar komt gij vandaan?"
"Ik woon niet ver van hier," antwoordde de man, "en ik raad u nooit weer zulk een alarm en spektakel te maken, anders zult gij spoedig een arm man zijn."
"Zoo, en waar woont gij dan?" vroeg Jo.
"Ik woon hier onder het stookhuis, en waren wij er niet geweest, dan zou 't reeds lang zijn ingestort; gij hebt er veel te hard gestookt. Ik heb er slechts met den vinger tegen te duwen en 't valt ineen. Nu weet gij het," zeide hij, "pas dus in 't vervolg op."
"Nooit speelde Jo meer een deuntje bij den dans; hij verkocht zijne viool, en niets ter wereld kon hem bewegen eene andere ook maar aan te raken."
Onder 't laatste gedeelte dezer vertelling had men in de huiskamer een aanhoudend gestommel gehoord; kastdeuren werden open- en toegesloten; men hoorde 't gerammel van sleutels en 't gerinkel van zilveren huisraad. De landheer was bezig zijne verhandeling voor te lezen aan alle roerende goederen, van de zilveren schenkkan tot de blikken tabaksdoos. Juist toen de smid zweeg, stak hij 't hoofd, met de muts op één oor, binnen de keukendeur en zeide:
"Heb-je nu gedaan met je zotheden en leugens, smid?"
"Leugens?" vroeg de smid, verontwaardigd; "leugens vertel ik niet, 't is de zuivere waarheid. Met een der meisjes ben ik getrouwd, en Dorthe, mijne vrouw, lag zelf te bed en zag den oude, met den langen baard; de meisjes waren wel half gek van schrik, maar dat kwam, omdat zij de aardgeesten hadden gezien," voegde hij er bij met een' verwijtenden blik op den landheer.
"Half gek," zei de landheer, "nu ja, dat geloof ik wel; dat ben-jij ook, wanneer je ten minste nuchter bent; anders ben-je stapelgek. Komt, jongens, staat op en gaat naar bed; zit niet langer te luisteren naar zijn' onzin."
"Onzin," zei de smid op geraakten toon, "de laatste maal dat ik van onzin hoorde spreken, was, toen gij op Neberg-Haugen preekte, den zevenden Mei."
"Vervloekte babbelaar!" bromde de landheer en liep stampvoetend door de keuken met 't licht in de hand en een pak schrifturen en couranten onder den arm.
"Kom, kom, ga ook zitten, grootvader," zei de smid half spottend, "en laten de jongens nog een ommezien mogen blijven, dan zal ik nog eene mooie historie vertellen. 't Is niet goed voor u, altijd in die wetboeken te zitten snuffelen."
"Ik wil u wat vertellen van een' dragonder, die met eene Hulder trouwde. 't Is stellig waar, want ik heb 't van oude Bertha, en 't is voorgevallen in 't dorp, waar zij voorheen woonde."
De landheer sloeg met drift de deur achter zich toe, en men hoorde hem haastig den trap opgaan.
"Ja, als de oude niet wil luisteren, dan zal ik 't jelui maar vertellen," zei de smid tot de knapen, over wie 't grootvaderlijk gezag al zijn' invloed verloor, zoodra de smid hun beloofde sprookjes te vertellen.
"Voor vele jaren," zoo ving hij aan, "woonden er een paar oude luidjes in goeden doen op eene hoeve in Hadeland. Zij haddden een' zoon, die dragonder was; een groote, wakkere kerel. Op den berg bezaten zij een' saeter, die, wat men niet vaak ziet, net en stevig gebouwd was, met een dak en een' schoorsteen en vensters in de wanden. Zij bewoonden dien den ganschen zomer, maar wanneer zij tegen 't najaar weer naar huis trokken, namen de Huldren met hunne kudde er hun' intrek. Houthakkers en jagers en visschers, die in dezen tijd van 't jaar in 't bosch rondzwerven, hadden dit meermalen opgemerkt. En onder de Huldren was een meisje, zoo betooverend mooi, dat men nooit haarsgelijke had gezien. Meermalen had de zoon dezer menschen dit hooren vertellen, en toen 't najaar was verschenen en de saeter verlaten was, kleedde hij zich in groot tenue, legde den zadel met de pistoolholsters en pistolen op zijn paard en reed den berg op. Toen hij in de nabijheid der hut was gekomen, bemerkte hij, dat daar een groot vuur was aangelegd; de vlam scheen door de reten der met mos bedekte wanden. Dadelijk begreep hij, dat de Huldren reeds hun winterkwartier hadden betrokken. Hij bond zijn paard aan een' boom, nam een pistool uit den holster en sloop zacht naar 't venster. Binnen bemerkte hij nu een' grijsaard en eene vrouw, krom en gebrekkig van ouderdom en zoo leelijk, dat hij nooit iets afzichtelijkers had gezien; maar bij hen was een meisje, zoo verrukkelijk schoon, dat hij dadelijk in liefde voor haar ontbrandde. Alle drie hadden zij een' koestaart; ook 't mooie meisje miste dien niet. De dragonder kon aan alles merken, dat zij nog sinds kort de hut hadden betrokken; alles stond nog op de rechte plaats. 't Meisje hield zich bezig met wasschen; de oude vrouw stookte 't haardvuur op onder den ketel.
"Plotseling stiet nu de dragonder de deur open en schoot zijn pistool af, vlak boven 't hoofd van 't meisje, dat op den grond tuimelde. Maar op 't zelfde oogenblik werd zij even leelijk, als ze vroeger schoon was geweest, en ze kreeg eene neus, zoo lang als de pistoolholster.
"Nu kunt ge haar krijgen; nu is zij de uwe," zei de grijsaard. De dragonder stond als versteend; hij was niet in staat een' voet voor- of achteruit te zetten. De oude man begon haar te wasschen, en nu bekwam zij een weinig; de neus kromp in tot op de helft, en de leelijke koestaart werd opgebonden, maar mooi was zij niet meer, dat's zeker.
"Nu is zij de uwe, dappere dragonder," zeide de oude leelijke vent, die haar vader scheen, "zet haar nu in den zadel en rijd naar het dorp en houd bruiloft. Maar voor ons moet gij 't feestmaal gereed zetten in 't kleine vertrekje naast de huiskamer, want we willen niet met de overige bruiloftsgasten samenzijn; als de beker rondgaat, kom dan eens naar ons zien."
"De dragonder dorst niet weigeren; hij zette 't Huldermeisje in den zadel en liet alles gereed maken voor de bruiloft. Maar eer men ter kerk ging, bad de bruid een der bruidsmeisjes vlak achter haar te staan, opdat niemand zou bemerken, dat haar de koestaart ontviel, zoodra de priester haar de handen oplegde.
"De bruiloft begon, en toen de beker rondging, stond de jonge man op, verwijderde zich en trad 't vertrekje binnen, waar de tafel voor de oude Hulders stond aangericht. Op dat oogenblik bespeurde hij daar niets bijzonders, maar toen de bruiloftsgasten waren vertrokken, lag er zooveel goud en zilver op de tafel, als hij nog nimmer bij elkaar had gezien.
"Zoo verliep er een geruime tijd; telkens als er gasten kwamen, maakte de vrouw van den dragonder ook den disch gereed in 't kamertje voor hare ouders, en telkens vonden zij na hun vertrek zooveel geld, dat ze ten laatste niet meer wisten, wat ze er mee zouden aanvangen. Maar leelijk was de Hulder en leelijk bleef ze; haar man was haar lang moede, ja, soms was hij onvriendelijk genoeg om haar te dreigen met een pak slaag.
"Eens moest de man naar stad; 't was najaar, de weg was glad en 't paard moest dus nieuwe hoefijzers hebben. Hij ging naar de smidse, want hij was zelf een bekwame smid, maar hoe hij zijn best deed, nu eens was 't ijzer te groot en dan weer te klein; passen wilde 't niet. Een ander paard bezat hij niet, en zoo hield hij niet op, eer de middag voorbij was.
"Kunt gij niet eens een hoefijzer maken?" zeide zijne vrouw; "ik wist, dat er als man veel aan u ontbrak, maar als smid beteekent gij nog minder. Er zit niets op, dan dat ik zelf naar de smidse ga; is 't hoefijzer te klein, dan kan 't grooter gemaakt worden, en is 't te groot, welnu, maak 't kleiner."
En zij ging naar de smidse, vatte het ijzer met beide handen aan en rekte het uit.
"Zie eens," zei ze, "zóó moet ge doen." En ze boog het samen, of 't een stuk lood was. "Houd nu den poot op," en 't hoefijzer paste zoo nauwkeurig, als de beste smid maar kon wenschen.
"'t Schijnt, dat ge heel wat kracht in de vingers hebt," merkte de man vol verbazing op.
"Vindt ge?" vroeg zij. "En als gij nu eens zoo sterk in de vingers waart, hoe zou 't mij dan wel gegaan zijn? Maar ik houd te veel van u, om mijne krachten aan u te toonen," voegde ze er bij.
"Van dien dag af was hij een man uit duizend voor haar."
"Nu hebben we voor van avond genoeg gehoord, dunkt me," sprak de vrouw des huizes, toen de vertelling uit was, terwijl zij opstond.
"Ja, en we mogen wel op de teenen vertrekken, want de oude is reeds naar bed," zeide de smid en wenschte ieder goeden nacht, maar niet voor hij den jongens beloofd had, den volgenden avond nog meer te vertellen, en in onderhandeling met hen was getreden over een rol tabak.
Toen ik 's namiddags den smid in zijne werkplaats had bezocht, was hij druk bezig met tabak kauwen: dit was altijd een bewijs, dat hij brandewijn had gedronken; des avonds was hij eerst nog het dorp in geweest, om meer te halen. Verscheidene dagen later vond ik hem somber gestemd en kon niemand een woord uit hem krijgen, schoon de jongens hem beide tabak en brandewijn beloofden. Maar de dienstmaagden fluisterden, dat de aardgeesten hem beet gepakt en hem op den Asmyr-heuvel ter aarde hadden geworpen. Daar had een voerman hem tegen den morgen gevonden, terwijl hij onverstaanbare woorden mompelde.
DE BEWONERS VAN LUNDE.
Eenige jaren geleden was ik op weg naar 't Gudbrandsdal, over Hadeland en Toten, langs den westelijken oever van het Mjösenmeer. Te Sveen, een station in Biri, kreeg ik een' luien knol, en een' hoog bejaarden, praatzieken voerman.
't Een noch 't ander bracht mij intusschen uit mijn humeur. Ik had geen haast; Svennaes, waar ik als gewoonlijk gastvrijheid en een nachtkwartier hoopte te vinden, kon ik toch bijtijds bereiken, en de ongewone levendigheid en de treffende opmerkingen van mijn' voerman over verscheidene bewoners van 't vlek, konden mij licht verzoenen met zijne buitengewone spraakzaamheid. Daarbij kwam, dat het een heerlijke lenteavond was. De zonnestralen verguldden de oppervlakte van het Mjösenmeer, kleurden de wolken en speelden tusschen 't jonge groen. De vlakten van den Faaberg, die ver in 't noorden het landschap begrensde, werden al donkerder en verloren zich in donkerblauwe en violette tinten, terwijl de avondzon haar' gouden glans wierp over de vruchtbare velden van Ringsaker aan de oostzijde van den fjord.
Toen wij een eind weegs de "Odden" voorbij waren, kreeg het paard den inval op een' heuvel te blijven staan. Bijna recht voor ons uit lag de kerk van Biri op eenigen afstand, en ter linkerzijde verderop lag op eene hoogte eene hoeve, met een' donkeren bergtop op den achtergrond. Ik herinnerde mij den naam dier hoeve niet en vroeg er naar.
"Dat is Lunde," zeide de voerman. "'t Is zonderling, dat gij, die hier zoo goed bekend zijt, dit niet weet. Ge hebt toch zeker hooren spreken van "Lunde-bloed en Lunde-dol," dat zijn welbekende woorden hier in Biri."
Neen, ik kende ze niet en vroeg hem de verklaring daarvan, die hij aanstonds bereid was mij te geven.
"Op Lunde heeft altijd een vreemd slag van volk gehuisd; men zegt, dat de Huldren daar gewoond hebben, en geheel anders dan gewone menschen waren zij zeker; daarom spreekt men nog van "Lunde-bloed" en "Lunde-streken."
"Eens woonde er eene oude vrouw op de hoeve, die Aase heette. Terwijl zij in 't kraambed lag, was zij op eens verdwenen, en een eikenblok lag op hare plaats. Sedert dien tijd pleegt men hier een mes boven de deur te steken, wanneer eene vrouw in arbeid gaat, opdat ze niet betooverd worde. De aardgeesten hadden haar weggevoerd, en 't was niet de eerste maal, dat zij haar hadden vervolgd; reeds in hare bruidsdagen hadden zij haar met 't hoofd voorover in een watervat gedompeld, maar er waren toen verscheiden menschen op 't erf en zoo werd ze dadelijk gered. En terwijl ze er uit werd gehaald, hoorde men eene stem op den heuvel bij 't kookhuis, dat 't kwam, wijl ze geen' trouwring aan den vinger had. Sinds dien tijd draagt ook 't armste meisje, dat een' vrijer heeft, een' trouwring.
"Aase had een' zoon, die Dagfin heette; 't was een onbarmhartige kerel. Zoo gierig was hij, dat 't niet te zeggen valt. Wanneer hij naar 't bosch moest, om hout te hakken, zette hij een groot blok voor de keukendeur en zei tot de arme menschen: "Ga maar niet naar binnen, want mijne vrouw is zoo karig, dat ge toch niets van haar krijgt." Maar dat was gelogen. Eli was een goedhartig mensch; doch met den gierigaard liep 't slecht af: hij hing zich op aan een' berk, die vlak bij 't woonvertrek stond. Een' stomp van den boom kan men nog zien.
"Deze Dagfin had drie kinderen: Aase, Per en Arnund; de laatste leeft nog. Ellendiger lui heeft men nooit gezien. Aase was zoo mager en leelijk, dat zelfs de duivel bang voor haar zou geworden zijn. Bijna altijd lag ze in eene groote kist; ja, de ritmeester zou 't kunnen bevestigen, want hij wilde eens 't deksel toeslaan, maar als eene haviksklauw sloeg ze hare dorre hand uit, greep 't deksel en deed 't den ritmeester tegen den neus vliegen.