Part 7
"Neen, zoover kwam 't niet," antwoordde Bertha. "Maar toch sedert was hij nooit recht in orde; lange jaren was hij "huldrin." [4] Mijnheer de student zal wel denken, dat 't niet waar is," zei ze met een' vorschenden blik, "maar 't was mijn moeders broeder, en men heeft mij gezegd, dat hij 't meer dan honderdmaal heeft verteld en zelfs bezworen.
"Oom Mads woonde op Knae in 't Hurdal. Vaak was hij in 't gebergte om boomen te vellen en hout te hakken, en wanneer hij daar was, placht hij er ook des nachts te blijven; hij bouwde dan eene hut en maakte daarin eene legersteê. Eens bevond hij zich met twee anderen in het woud; juist toen hij een' zwaren boom had geveld en een ommezien zat uit te rusten, kwam een kluwen garen langs de helling vlak voor zijne voeten rollen. Hij begreep er niets van en dorst het kluwen niet opnemen; had hij 't ook later maar niet gedaan dan ware 't beter voor hem afgeloopen! Intusschen keek hij toch op, want hij wilde weten, waar 't vandaan kwam. En ja wel, hooger op den berg zat eene jonkvrouw te naaien; zij was zoo schoon en zag er zoo vriendelijk uit, dat hij de oogen niet van haar kon afwenden.
"Neem het kluwen op," zei ze. Hij deed het en bleef als geboeid aan de plek, waar hij stond en werd niet moede haar aan te staren, zoo lief zag zij er uit. Eindelijk moest hij toch den bijl weer opnemen en zijn' arbeid voortzetten; toen hij een oogenblik bezig was geweest en weer opkeek, was zij verdwenen. Den heelen dag kwam zij hem niet uit de gedachte; hij wist niet, wat hij er van denken moest, maar vergeten kon hij haar niet. 's Avonds gingen zijne makkers naar bed; hij volgde hun voorbeeld en legde zich tusschen hen in; maar eer nog de middernacht kwam, verscheen de jonkvrouw en gelastte hem haar te volgen, of hij wilde of niet. Zij voerde hem binnen in den berg, en daar was alles zoo fraai, als hij nog nooit iets had gezien; hij kon zich niet verzadigen aan alle pracht en weelde. Drie etmalen bleef hij bij haar. Toen de morgen van den vierden dag aanbrak, ontwaakte hij, en daar lag hij weer tusschen zijne makkers. Dezen meenden, dat hij om proviand uit was geweest, en hij sprak hun niet tegen. Maar sinds was 't nooit richtig met hem; pas zat hij of hij maakte allerlei vreemde sprongen en vloog heen; hij was "huldrin," dat was hij.
"Eene heele poos later was hij in 't veld bezig met hout te kloven. Juist had hij de wig in een' boomstam gedreven, zoodat deze overlangs was gespleten, toen zijne vrouw hem 't middagmaal kwam brengen;--zoo dacht hij ten minste. 't Was roompap; zoo vet, als hij ze nooit had gegeten, en in eene pan, die blonk, of ze van louter zilver was. De vrouw gaat op den boomstam zitten; en hij legt den bijl weg en zet zich op een houtblok dicht bij haar. Daar bespeurt hij op eens eene koestaart in de spleet van den stam. Ge begrijpt, dat hij nu de spijs niet aanraakte; ongemerkt wrong hij de wig uit het hout, de spleet sloot zich toe, en vast zat de staart. Daarop schreef hij den naam Jezus op de pan, en nu moest de Hulder--want dat was ze--weg: zij vloog op, met zooveel kracht, dat de staart dwars afbrak en in den stam bleef zitten. Weg was zij; waar ze gebleven was, wist hij niet. Pan en spijs waren niets dan een stuk boomschors, gevuld met koemest. Sedert durfde hij bijna nimmer het bosch ingaan, uit vrees dat zij zich zou wreken.
"Maar vier of vijf jaren later was er een paard van hem verdwenen, en nu moest hij 't toch gaan zoeken. Pas was hij 't bosch in, of hij bevond zich op eens in eene hut; hoe hij er kwam, dat begreep hij zelf niet. Een leelijk wijf liep heen en weer, en in een' hoek zat een kleine jongen, die een jaar of vijf oud scheen; 't wijf nam de bierkan en gaf haar den knaap. "Ga vader een teug bier brengen," zei ze. Vol schrik ging deze op de vlucht, en sedert heeft hij nimmer iets gezien of gehoord, van haar noch den knaap; maar vreemd en zonderling bleef hij altijd."
"Hij was zeker niet wel bij 't hoofd, Bertha, die Mads Knae," zeide ik, "en een echte duivelbanner kan hij, dunkt mij, niet zijn geweest; dan had hij zich beter kunnen verweren. Maar voor 't overige is die historie met 't kluwen garen heel vreemd." Dat meende Bertha ook, maar aan de echtheid van Mads tooverkunsten kon toch onmogelijk getwijfeld worden. Terwijl wij hierover nog praatten, verzocht ik Bertha mijne weitasch te brengen, en nadat ik eene pijp had gestopt, reikte zij me een brandend stuk hout en begon eene nieuwe vertelling:
"Lang, heel lang geleden--'t was in den zomer--had de eigenaar der hoeve Melbustad in Hadeland zijn volk met 't vee naar den saeter gezonden. Nog slechts korten tijd was men er, of 't vee begon zoo onrustig te worden, dat niemand 't langer kon regeeren. De eene meid na de andere werd er mee uitgezonden, maar geen van haar wou 't gehoorzamen. Eindelijk kwam de beurt aan een meisje, dat onlangs haar verlovingsfeest had gevierd. Nu kwam op eens de kudde tot rust, en 't kostte haar volstrekt geen moeite het vee te hoeden. Men liet haar alleen op den saeter achter; geen ander levend wezen had ze bij zich dan den hond. Terwijl ze op zekeren namiddag in de hut zat, verbeeldde zij zich, dat haar liefste binnentrad, naast haar ging zitten en zeide, dat ze nu bruiloft moesten houden. Maar zij antwoordde niets, want zij werd zoo wonderlijk te moede! Langzamerhand kwamen er eene menigte menschen binnen; zilveren borden en schotels met spijzen gevuld werden op de tafel gezet, en bruidsmeisjes droegen eene kroon en allerlei sieraden en een prachtig bruidskleed. Zij trokken 't haar aan en zetten haar de bruidskroon op 't hoofd en staken ringen aan hare vingers. En geen van allen kwam haar onbekend voor; 't leken allen vrouwen en meisjes, die op de hoeve dienden. Maar de hond begreep wel, dat de zaken niet zuiver stonden. Hij liep, zoo snel hij kon, naar Melbustad en blafte en jankte en huilde en hield niet op, eer de meeste bewoners hem volgden.
De jongeling, die naar de deerne vrijde, nam zijn geweer en snelde naar den saeter; toen hij daar aankwam, stond het heele erf vol gezadelde paarden.
Hij sloop weg, gluurde door eene reet van de deur en zag den ganschen stoet daar binnen. Dadelijk begreep hij, dat alles tooverij en 't werk van de aardgeesten was; daarom schoot hij zijn geweer af over het dak. Op 't zelfde oogenblik vloog de deur open, en 't eene kluwen garen na 't andere rolde naar buiten en wikkelde zich om zijne voeten. Zoo werd hij de hut ingetrokken, en daar zag hij zijne liefste zitten, in volle bruidsstaatsie; alleen een kleine ring aan de pink ontbrak nog aan haar' tooi.
"In Jezus' naam, wat is hier te doen?" vroeg hij, terwijl hij rondkeek. Oogenblikkelijk waren al de heerlijke spijzen veranderd in mos en paddestoelen, in koemest en padden en krekels en meer van dien aard; alleen 't zilverwerk stond nog op de tafel.
"Wat beteekent dat alles?" zeide hij, "ge zit opgeschikt als eene bruid?"
"Hoe kunt ge dat vragen?" antwoordde 't meisje, "gij hebt hier den heelen namiddag gezeten en over niets anders gesproken, dan over bruiloft houden."
"Neen, nu eerst kom ik; maar 't zal iemand zijn geweest, die mijne gedaante heeft aangenomen," hernam de jongeling.
Langzamerhand begon nu ook 't meisje tot zichzelve te komen; maar 't duurde lang eer zij weer volkomen bij haar zinnen was. Toen vertelde zij, hoe ze duidelijk had meenen te zien, dat haar minnaar en al 't volk van Melbustad en al de buren op den saeter waren geweest. De jongeling nam haar dadelijk mede naar 't dorp, en opdat geen nieuwe betoovering haar zoude overvallen, hielden zij dienzelfden avond nog bruiloft. De bruid droeg de kroon en de sieraden, die de aardgeesten haar hadden geschonken, en later hing men alles op in de hoeve. Daar moet men 't nog kunnen zien tot op den dag van heden."
"Wat gij daar verteld hebt, moet in Valders zijn gebeurd, Bertha," merkte ik op.
"Neen, in Hadeland is 't geschied, juist zooals ik verteld heb," zeide zij; "maar toen ik nog te huis was, hoorde ik iemand uit Valders eene historie verhalen, die daar gebeurd moet wezen en die er sterk op gelijkt. Luister maar.
"Daar diende op eene hoeve ergens in Valders een meisje, dat Barbara heette; zij lag 's zomers op den saeter.
"Op zekeren dag vernam zij eene stem, die uit den heuvel scheen te komen:
"Koning Haakon, koning Haakon!"
"Ja," schreeuwde koning Haakon, dat 't langs alle heuvelen weergalmde.
"Koning Haakon, mijn zoon, wilt gij trouwen?" klonk 't op nieuw.
"Ja, dat wil ik wel," antwoordde koning Haakon, "als ik Barbara kan krijgen, die op gindschen saeter is, anders--"
"O, dat kunt gij wel," hoorde Barbara zeggen, en zij ontstelde er zoo van, dat zij niet wist, wat zij deed.
"Op eens trad er nu eene groote schaar den saeter binnen, met spijzen en dranken en zilveren vaten en kroezen, met kleederen en sieraden, met eene bruidskroon en zilveren gespen. De tafels werden gedekt en de bruid gekleed, en deze was buiten staat zich ergens tegen te verzetten.
"Dit meisje had ook een' minnaar; hij was op de jacht. Maar plotseling werd hij door een hevigen angst overvallen, die hem naar den saeter dreef. Toen hij dezen naderde, stond het erf vol zwarte paarden met ouderwetsche zadels en teugels, zoodat hij onmiddellijk begreep, wat er aan de hand was. Hij tuurde door eene reet en zag den heelen bruidsstoet: koning Haakon was de bruidegom, en de bruid zat fraai uitgedost aan zijne zijde.
"Ja, nu is er niets meer te doen, dan haar de oogen uit te steken," zeide een der bruidsmeisjes.
"Dan wordt het tijd," dacht de jongeling, "dat ik tusschen beiden kom." Hij nam een' zilveren knoop, een erfstuk, laadde daarmee zijn geweer en mikte op koning Haakon, die getroffen nederstortte.
"Onmiddellijk toog de gansche stoet op de vlucht; de koning werd opgenomen en meegevoerd, en de spijzen veranderden in spinnen, wormen en padden, die van de tafel sprongen en in allerlei hoeken en gaten wegkropen. Niets bleef er over dan de bruidssieraden en een zilveren schotel; tot op den huidigen dag moeten ze op de hoeve te zien zijn."
Nog vele andere histories vertelde Bertha. Eindelijk hoorde ik de sneeuw kraken onder de slede en 't paard hinneken voor de deur. Ik stopte Bertha eenige schellingen in de hand voor hare verpleging, en binnen een kwartier was ik tehuis. Omslagen met azijn en frisch water deden den voet weldra genezen; maar toen Bertha eens in de keuken verscheen en, pochend op hare kunst, zich de eer mijner spoedige genezing wilde toeëigenen, konden de jongens zich niet langer bedwingen; zij schreeuwden haar de tooververzen in 't oor, die ik hun had geleerd, en vroegen spottend of eene teug brandewijn en eenige onzinnige woorden een geneesmiddel waren tegen kneuzingen. Dit maakte haar wantrouwend; schoon ze mij ook na dien tijd nog veel zonderlinge histories verhaalde, is 't mij, ondanks alle list en overreding, nimmer gelukt een tipje van den sluier op te lichten, waarmede zij de geheimen harer tooverkunst bedekt hield.
EEN AVOND IN DE KEUKEN VAN DEN LANDHEER.
't Was een treurige avond. Buiten stoven de sneeuwvlokken u om de ooren; binnen, bij den landheer, brandde 't licht zoo flauw, dat ge geen andere voorwerpen kondt onderscheiden dan eene ouderwetsche klok met chineesche figuurtjes, een' grooten spiegel in eene antieke vergulde lijst en een' zilveren beker, een erfstuk, dat in hooge waarde werd gehouden. In de kamer bevond zich niemand dan de landheer en ik. Ik zat in den eenen hoek der sofa met een boek in de hand, terwijl de landheer in den anderen had plaats genomen en verdiept was in de lectuur van een pak "zure en zoete staatsburgers," zooals hij de couranten noemt in zijne Verhandeling, getiteld: "Proeve over eenige oprechte vaderlandsche ontboezemingen tot welzijn des vaderlands. Uit bescheidenheid door een' anonymus."
Uit de grondige studie van deze goudmijn voor zijne denkbeelden, putte hij, zooals bekend is, verscheidene kluchtige meeningen. Dat hij zelf echter volkomen overtuigd was van hare voortreffelijkheid, scheen de diepzinnige blik te moeten aanduiden, welken hij mij uit zijne grijze oogen toewierp; en weldra werd ik dan ook overstelpt met "oprechte vaderlandsche ontboezemingen", over wier gehalte hij 't best kan oordeelen, die aanleiding mocht hebben gevonden een kijkje te nemen in bovengemelde Proeve of in zijne uitvoerige Verhandeling, in manuscript, over de tienden. Maar al deze wijsheid werd aan een' ondankbare verspild; ik kende haar reeds op mijn duimpje, want ik vernam haar nu voor de twintigste maal. Ik ben niet begiftigd met engelengeduld, maar wat zou ik doen? Mij terugtrekken op mijne kamer, ging niet; zij werd schoon gemaakt voor den Zondag. Nadat ik eenige vruchtelooze pogingen had aangewend, om mij in mijn boek te verdiepen, moest ik mij dus wel laten meevoeren op den veelbewogen stroom van 's landheers welsprekendheid. Deze bereed thans zijn stokpaardje; zijn mutsje, dat van ouderdom geheel rood was geworden, had hij naast zich op de sofa gelegd, zoodat zijn hoog voorhoofd en zijne weinige grijze haren in al hunne eerwaardigheid voor den dag kwamen; hij sprong op en sloeg met de armen om zich heen, of 't molenwieken waren; met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, zoodat de vlam der lamp heen en weer woei en de zwaaiende panden van zijne grijze, gevoerde huisjas van "vadmel" groote kringen beschreven, telkens als hij zich op zijn langste been ronddraaide; want als Tyrtaeus was hij kreupel. Zijne gevleugelde woorden suisden mij om de ooren als meikevers in een' lindeboom. Telkens kwam er een nieuwe stroom over processen en staatsburgerlijke rechten, twisten over oppervoogdijschap en 't vellen van hout of de toenemende weelde, over de handelingen der regeering en over mijnontginning, over belasting op 't koren en grondontginning, over industrie en centralisatie, over bureaucratie en ambtenaarsaristocratie, en over alle cratiën, satiën en triën, die ooit bestaan hebben of nog bestaan van Nebukadnezar's tijden tot op den dag van heden.
De scherpzinnigheid en 't pathos van den landheer waren niet langer om uit te staan. Uit de keuken klonk telkens in koor een schaterend gelach; daar voerde Christiaan, de smid, het woord; juist zweeg hij stil, en daar klonk op nieuw een hartelijk lachen.
"Ja," zeide ik, "nu moet ik toch eens de vertellingen van den smid gaan hooren," liep regelrecht de kamer uit en liet den landheer alleen met zijne half duistere lamp en zijne niet minder duistere redeneeringen.
"Kinderpraat en logenachtig gebeuzel!" bromde hij, terwijl ik de deur achter mij toesloot; "'t is schande voor een gestudeerd mensch; maar oprechte vaderlandsche ontboezemingen--" meer verstond ik niet.
Licht en leven en vroolijkheid schitterden in de hooge ruime keuken. Een vuur, dat zelfs den donkersten hoek verlichtte, vlamde aan den haard. Daar troonde, naast den schoorsteen, de echtgenoot van den landheer met haar spinnewiel. Ofschoon zij sinds vele jaren aan jicht leed en zich tegen de aanvallen dezer kwaal had verschanst binnen een' berg van jakken en rokken en als buitenwerk daaroverheen een reusachtig grijs kleed van "vadmel" had aangetrokken, glinsterde toch haar gelaat van onder de huif als de volle maan. In hare nabijheid zaten de jongens en lachten en kraakten noten. In 't rond zat een kring van dienstmeisjes en vrouwen van daglooners; "zij bewogen het spinnewiel met vlijtigen voet of hanteerden de scherpe kaarde." In het voorhuis stampten de houthakkers de sneeuw van hunne voeten, traden binnen met de spaanders nog in de haren en zetten zich aan de lange tafel neder, waar de keukenmeid het avondmaal voor hen gereed zette: eene nap melk en een schotel gestampte grutten. Tegen den schoorsteen leunde de smid; hij rookte zijn kort pijpje, en op zijn gelaat, dat zijne vertrouwdheid met den oven verried, lag een droge, ernstige trek, die bewees, dat hij verteld en goed verteld had.
"Goeden avond, smid," zeide ik; "wat vertelt gij toch, dat zoo den lachlust gaande maakt?"
"Hi, hi, hi," lachten de jongens, en men kon 't hun aanzien, hoe zij genoten. "Christiaan heeft verteld van den smid en den duivel, en van den jongen, die den duivel in een' notendop had, en nu zal hij vertellen van Peter Sannum, dien de aardgeesten met zijn paard vasthielden op den Asmyr-heuvel."
"Ja," begon de smid, "die Per Sannum woonde op een der Sannum-hoeven ten noorden van de kerk. Hij was een toovenaar, en vaak werd hij met paard en slede gehaald om menschen of vee te genezen, evenals oude Bertha Tuppenhaug. Maar wat hiervan zij, hij was nog niet knap genoeg, want op zekeren keer lieten de aardgeesten hem een' ganschen nacht in zijn' tuin staan, met den mond scheef getrokken en wijd open, en 't ging hem evenmin naar den zin bij de gelegenheid, waarvan ik nu wil vertellen. Die Peter kon 't nooit met iemand vinden, precies als--hm, hm--nu ja, 't was een echte ruziezoeker! Zoo had hij eens eene zaak, die beslist moest worden door de stiftsrechtbank te Christiania; 's morgens om negen uur moest hij daar verschijnen. Hij rekende er bijtijds te kunnen zijn, wanneer hij den vorigen avond van huis ging, en zoo deed hij ook; maar toen hij op den Asmyr-heuvel kwam, werd zijn paard vastgehouden, zoodat hij niet verder kon komen. Ge moet weten, dat 't daar alles behalve richtig is; zeer lang geleden heeft iemand zich daar opgehangen en vaak hoorde men er muziek van violen, klarinetten, fluiten en andere blaasinstrumenten. Ja wel, oude Bertha weet er alles van; zij heeft 't zelve gehoord en zegt, dat 't even prachtige muziek was als bij den schout in 1814. Niet waar, Bertha?" vroeg de smid.
"Ja dat 's waar; zoo zeker als er Één hier boven is," antwoordde de aangesprokene, die bij den haard wol zat te kaarden.
"Nu dan, 't paard werd vastgehouden," ging de smid voort, "en wilde niet van de plek, waar 't stond. Hoe hij dreigde en schreeuwde en sloeg, 't beest danste in een' kring rond, maar wilde voor- noch achteruit. Het eene uur na 't ander verliep, maar het werd niet anders. Zoo ging het den ganschen nacht; 't was duidelijk dat er een was, die het dier vasthield, want wat Sannum ook vloekte en schold, hij kwam niet verder. Maar toen 't daglicht aanbrak, steeg hij af en liep naar Ingebret Asmyrhaugen en verzocht hem mee te gaan en een brandend stuk hout met zich te nemen. En nadat Per zich in den zadel had gezet liet hij Ingebret het stuk hout boven den rug van 't paard houden. En ziet, daar stoof 't eensklaps heen, in zulk een' dollen ren, dat Per zich aan de manen moest vastklemmen om te blijven zitten, en 't kwam niet tot staan, eer het de stad had bereikt, maar toen ook viel het dood neder."
"Die historie heeft men mij ook wel verteld," zei oude Bertha, terwijl zij haren arbeid staakte, "maar ik heb nooit willen gelooven, dat Per Sannum zoo iets niet kon beletten; intusschen daar gij 't zegt, Christiaan, zal 't wel zoo zijn."
"Dat is 't ook, "hernam de smid; "Ingebret Asmyrhaugen, die 't brandend stuk hout boven den rug van 't paard hield, heeft 't mij zelf verteld."
"Hij had door 't hoofdstel moeten kijken, niet waar, Bertha?" vroeg een der knapen.
"Dat had hij juist," antwoordde deze, "want dan had hij kunnen zien, wie 't paard vasthield, en dan ware de betoovering verbroken. Dat heb ik van iemand, die van dergelijke dingen meer wist dan anderen, van Hans Durf-al, zooals hij bij ons in Hadeland werd genoemd. De menschen noemden hem ook wel Hans Overleg, want hij had tot spreekwoord: "Alles met overleg." Hem hadden de aardgeesten weggevoerd en verscheidene jaren bleef hij bij hen, tot ze eindelijk eischten, dat hij eene Huldermaagd, die op hem verliefd was, tot vrouw zou nemen. Dit weigerde hij echter standvastig, en daar men gedurig de klokken voor hem luidde, wierpen de geesten hem van een' verbazend hoogen bergtop in de diepte, zoodat 't weinig scheelde, of hij ware in een fjord terecht gekomen. Van dien tijd af was hij simpel. Hij werd van de armenkas onderhouden en zwierf van hoeve tot hoeve en vertelde daar allerlei wonderlijke histories. Maar vaak, als hij rustig zat te vertellen, riep hij plotseling: "Hi, hi, hi, Kari Karina, ik zie je wel," want overal volgde hem 't Huldermeisje.
"Terwijl hij onder de aardgeesten verkeerde, zoo verhaalde hij, moest hij hen altijd vergezellen, wanneer zij zich gingen voorzien van spijs en melk, want alles, waarover het teeken des kruises was gemaakt of wat in Jezus' naam was gezegend, moesten zij laten liggen. Dan zeiden ze tot Hans: "Haal gij dit weg, want daar is over "gekrabbeld," en dan moest Hans zulke vrachten in de korven stapelen, die zij op den rug droegen. En zoo goed werden de korven gevuld, dat ze haast onder den last bezweken. Maar wanneer zij een' donderslag hoorden, liepen ze zoo snel heen, dat Hans hen onmogelijk kon volgen. Een der aardgeesten, Vaatt geheeten, moest Hans altijd verzellen, en deze was zoo sterk, dat hij, zoodra er een onweder losbrak, bij zijn' vracht ook Hans van den grond tilde en met hem op den loop ging. Eens ontmoetten zij den Voogd van Ringerike in een diep dal van Halland; Vaatt pakte het paard van den Voogd beet en hield het staande, ofschoon de Voogd schreeuwde en sloeg uit alle macht en 't dier verschrikkelijk mishandelde. Maar toen de staljongen van de naburige hoeve er bijgekomen was en door 't hoofdstel keek, moest Vaatt het paard onmiddellijk loslaten. "En weg vloog nu 't beest," zei Hans, "maar 't scheelde niet veel, of de staljongen had er 't hachje bij ingeschoten. En Vaatt en ik hieven zulk een akelig gelach aan, dat de Voogd zich in zijne slede omkeerde, maar hij zag niets."
"Ja" zei een der knechts, die elders thuis hoorde, "zoo wat hoorde ik ook vertellen van een' predikant hier. Hij moest naar eene oude vrouw, die op sterven lag, en heel slecht had geleefd. Toen hij door 't bosch reed, bleef zijn paard plotseling stilstaan, maar hij wist raad, want 't was een wakkere kerel, die predikant. In één' sprong was hij de slede uit op den rug van 't paard. Hij tuurde tusschen 't hoofdstel door en zag een oud, leelijk man, met de hand aan de toomen--waarschijnlijk de duivel zelf.
"Laat maar los, gij krijgt haar toch niet," zei de predikant. De duivel moest den teugel wel laten slippen, maar hij gaf tevens 't paard een' schop, dat het in woeste vaart heenstoof; 't knetterde onder de hoeven en scheen te weerlichten in de boomtoppen, en de stalknaap dreigde elk oogenblik van achter de slede weggeslingerd te worden. Zoo kwam de predikant bij de stervende vrouw aan."--
"Neen, de drommel hale mij, als ik begrijp, hoe 't met de koe moet gaan," zeide Mari, de melkmeid, die met eene nap binnenkwam, "ze zal stellig nog doodhongeren; zie eens, vrouw, hoe weinig melk ze geeft."
"Maar dan moet-je meer hooi uit de schuur halen, Mari," zei de vrouw des huizes.
"Ja wel!" antwoordde Mari, "als ik in de schuur kom, vliegen de knechts om mij heen als wilde ganzen."
"Ik zal je een' goeden raad geven, Mari," zei een der jongens met een guitig gezicht, "je moet roompap koken en die donderdagavonds in de schuur zetten, dan zal de nikker je wel helpen, terwijl de knechts slapen."
"Als er hier maar een was, dan deed ik 't zeker," antwoordde de melkmeid trouwhartig; "maar hier op de hoeve is geen enkele nikker te vinden, omdat men er niet aan gelooft; neen, op Naes, bij den kapitein, daar was een nikker!"
"Hoe weet je dat, Mari?" vroeg de meesteres. "Heb-je hem gezien?"
"Of ik hem gezien heb? Wel wis en zeker heb ik," antwoordde Mari.
"O, vertel dat eens, vertel ons dat!" riepen de jongens.
"Zooals ge wilt," zei de melkmeid en begon:
"In den tijd, dat ik bij den kapitein diende, zei de stalknecht op zekeren vrijdagavond tot mij:
"Wil-je wel zoo goed zijn, van avond de paarden voor mij te voederen, Mari? Dan zal ik je ook helpen, als je mij noodig hebt."
"Och ja," zei ik, "waarom niet?" want hij moest naar zijne liefste.