Part 6
Oogenblikkelijk maakte zij wind en daar vlogen de spaanders de keuken binnen. De predikant vroeg, of ze nog meer dergelijks kon uitrichten. Ja wel: ze kon ook melken, maar deed het liever niet, want 't was nadeelig voor 't vee. De predikant drong er echter op aan; ze was noode over te halen, maar eindelijk zou ze 't doen. Ze stak nu een knipmes in den wand en zette eene melknap daaronder, en nauwelijks raakte zij 't mes aan of de melk stroomde in de nap. Na eene poos wilde zij ophouden.
"O, neen, melk voort, kind," zei de predikant.
Eerst weigerde ze, maar de predikant praatte zoolang, tot zij op nieuw begon.
"Nu moet ik ophouden," zei ze een oogenblik later, "anders komt er niets dan bloed."
"Och, melk maar voort, kind," zei de predikant, "en stoor je nergens aan."
Op nieuw weigerde zij, maar gaf ten slotte weer toe en ging voort.
Een ommezien daarna hernam zij: "Ja, houd ik nu niet op, dan valt straks de beste koe op stal dood neder."
"Melk maar, kind, en stoor je nergens aan," zeide weer de predikant, want hij wilde zien, waartoe zij in staat was.
Eerst weigerde zij hardnekkig, maar na veel moeite wist de predikant haar toch weer over te halen.
"Daar valt de koe," riep ze op eens, en toen men den stal binnentrad, lag daar de beste koe, die de predikant bezat, morsdood op hare plaats. En de deerne werd verbrand even als hare moeder.
"Ja, 't was eene booze heks, waar ik u van vertelde," voer de doodgraver voort, "maar er was er eene, die mij nog boosaardiger dunkt. Zij tilde op een' Paaschavond haar' man uit het bed en reed op zijn rug uit 't Gudbrandsdal naar de kerk van Bergen, en terwijl zij boven in den toren met de andere heksen en Ouden-Erik het Paaschfeest vierde, moest de man moedernaakt tegen de kerkmuur blijven liggen in den langen, kouden voorjaarsnacht. 't Was een verschrikkelijk weer; de gure wind drong hem door merg en been en de sneeuwvlokken stoven rond, zoodat de arme man half bewusteloos was van koude. Toen de dageraad aanbrak, trachtte hij op te staan, maar hij was geheel verstijfd en zijne tanden klapperden. Juist kwam er iemand de kerk voorbij.
"Zeg mij toch in Gods naam, waar ik ben?" vroeg de man.
"Wel, gij zijt bij de kerk van Bergen," antwoordde de voorbijganger; maar toen hij den buikriem bespeurde, dien de man om 't lijf had, begreep hij, waarom hem die vraag was gedaan;--want de heksen kwamen daar in dien tijd met Kerstmis en Paschen. Hij zeide tot den man:
"Wanneer zij uit de kerk komt, met wie gij hier zijt gekomen, neem dan maar den buikriem en geef haar een duchtig pak op den rug, dan kunt gij op haar naar huis rijden, anders houdt gij 't onmogelijk uit."
En toen de heks naar buiten kwam, deed de man zooals hem gezegd was; en zoo reed hij naar huis op haar' rug, zoo snel als de wind."
"Had zij geen' smeerhoren bij zich?" vroeg ik.
"Neen dien had zij niet noodig; zij had zich reeds 't heele lichaam ingesmeerd, eer zij van huis ging," zei de doodgraver. "Maar nu gij van smeerhorens praat, schieten mij nog eenige histories te binnen, die hier in den ouden tijd moeten gebeurd zijn."
"Laat hooren," zei ik.
"Op eene hoeve te Ringebu," vertelde Peter, "woonde eene heks, die buitengewoon boosaardig was. Maar daar woonde ook iemand, die wist, dat zij hekserij bedreef; hij ging op een' heiligavond naar de hoeve en vroeg om nachtverblijf en 't werd hem verleend ook.
"Gij moet niet bang worden, als ik met open oogen lig te slapen," zeide hij, "ik ben dat gewoon en kan er niets tegen doen."
O, neen, zij was niet gauw vervaard.
Spoedig lag de knaap te snorken met open oogen, en nauwelijks zag de heks dit, of zij haalde een' smeerhoren onder den haardsteen vandaan en smeerde den bezemstok in:
"Nu op en dan neer, naar Jönsaas, zei ze en steeg door den schoorsteen op en reed naar Jönsaas, eene groote bergvlakte, waar veel saeters staan.
Onzen knaap docht het nu heel grappig, als hij haar voorbeeld eens volgde om te zien, wat zij uitvoerde, want hij meende, dat zij had gezegd: "nu op en dan neer, naar Mönsaas" [3]. Hij haalde daarom ook den horen onder den steen vandaan en wreef met den inhoud daarvan een' stok in.
"Nu op en dan neer, naar Mönsaas," zei hij toen, en nu voer hij op en neder, altijd tusschen den schoorsteen en de dakvorst, den heelen nacht door, en toen de stok eindelijk stil hield, was hij half dood.
Sedert kwam hij bij de heks in dienst en zat een jaar later 's avonds eene slede in orde te maken. Toen hij dien arbeid moede werd, legde hij zich op eene bank neder om te slapen en lag eene poos met de oogen open. Weer haalde 't wijf den horen voor den dag, smeerde den bezemsteel in en voer den schoorsteen uit. De knaap merkte goed op, waar zij den horen borg, en nadat zij vertrokken was, nam hij dien en smeerde een weinig van de zalf aan de slede; maar hij zeide niets. En de slee vloog heen, en niemand heeft ooit meer den knaap noch zijn voertuig gezien. De hoeve, waar dit voorviel heette Kjaestad, en tot op den huidigen dag weet oud en jong te verhalen van den horen van Kjaestad.
Zoo woonde er ook eene heks op eene hoeve in 't Dovregebergte. Nu geviel 't op een' Kerstavond, dat haar dienstmeisje bezig was een' brouwketel te schuren. Intusschen haalde 't wijf den horen voor den dag, wreef den bezemsteel in en vloog den schoorsteen uit. Dit leek de dienstmaagd eene prachtige kunst; zij smeerde ook wat zalf om den ketel. En nu was ook zij weldra op reis en vloog zonder ophouden voort naar Blauwkoll. Hier vond zij eene groote schaar heksen en Ouden-Erik zelf, die voor haar zou preeken. Toen allen zich hadden neergezet, ging hij den kring rond, om te zien of er niemand ontbrak. Zoo kwam hij ook bij het meisje, dat in den ketel zat; haar kende hij niet, want zij had zich niet onder zijne dienaressen laten opnemen. Hij vroeg daarom aan 't wijf, waarmee zij was gekomen, of de dienstmaagd ook haar' naam in 't groote boek wilde zetten. De meesteres meende van ja. Oude-Erik gaf nu de maagd het boek en verzocht haar daarin te schrijven, hij bedoelde natuurlijk haar' naam.
Maar zij schreef, wat de schoolkinderen plegen te schrijven, wanneer zij de pen probeeren: "Die mij voedsel geeft, is God, in Jezus' naam," en--nu mocht zij 't boek houden, want Oude-Erik was niet zóó boud, dat hij 't dorst terugnemen. Plotseling ontstond er een vreeselijk alarm op den berg. De heksen namen de zweep, en sloegen op hare voertuigen los, en aanstonds vlogen ze heen door weer en wind. Ook 't meisje nam eene zweep, sloeg daarmede op den ketel en snelde de anderen na. Op eene hooge rots hielden alle heksen stil om een oogenblik uit te rusten. Aan hare voeten lag een breed dal, waardoor zich een breede stroom kronkelde en aan gene zijde daarvan weer eene hooge rots. Toen zij waren uitgerust, vlogen zij naar den overkant. 't Meisje twijfelde er sterk aan, of zij ook daarheen zou kunnen komen. Eindelijk gaf zij den ketel een' fikschen slag en kwam behouden aan de overzij.
"Dat was een duivelsch mooie sprong voor een' ketel," zei ze; maar op 't zelfde oogenblik verloor zij 't boek, viel naar beneden en kon niet verder komen: zij had hem genoemd, wien zij geene gehoorzaamheid had willen beloven. 't Overige van den weg moest zij door de dikke sneeuw waden, want thans had zij alle hulp verbeurd, schoon zij nog menig uur te gaan had."
"'t Moet niet onaardig zijn met de heksen op bezemstelen en in ketels te rijden," merkte ik op. "Maar 't kan soms nog al gevaarlijk zijn, want de noordenwind is scherp daar boven en men kan den hals breken, eer men 't weet. Dan gaat het beter met de samenkomsten op de kerktorens; daar kan men ze zien, wanneer men slechts op eene doorgesneden graszode gaat zitten, niet waar, Peter?"
"Niet op eene doorgesneden zoô," verbeterde de doodgraver; "in elke hand moet men er eene omhoog houden, en de snede moet tegen de zon in zijn getrokken. Wie zoo gaat staan, met een psalmboek op de borst en drie gerstekorrels in den mond--waarvan de eene den Vader, de ander den Zoon en de derde den H. Geest beteekent--tegen dien kan noch Oude-Erik, noch eene tooverheks iets uitrichten. Had zeker man, van wien ik eens hoorde vertellen, hieraan gedacht, dan ware hij er beter afgekomen. Ja, hij kwam er toch wel goed af, maar 't was "bij 't kantje langs," als men zegt.
Men had dien man verteld, dat de heksen op heiligavonden zoo verschrikkelijk huis hielden in den kerktoren. Hij kon nu den lust niet bedwingen daar eens bij te wezen en zoo ging hij er op een' Kerstavond heen en zette zich in een' hoek neder. Wel had hij eene groote graszoô bij zich, maar deed niet alles naar behooren, zoo 't schijnt. Daar kwamen de heksen aangereden; de een na de ander sloop de torengaten binnen, sommige op bezemstokken, andere op harken, enkele op geiten, nog andere op bokken of op allerlei wonderlijke dingen gezeten. Onder haar bevond zich ook eene buurvrouw van hem. Zoodra deze hem zag, liep zij op hem toe, stak hare pink in zijn' neus en hield hem zoo, als een' zalm bij de kieuwen, buiten den toren.
"Wilt gij beloven aan niemand te zeggen, dat ge mij hier hebt gezien?" zei ze. "Zoo niet, dan laat ik u vallen."
"Neen, dat doe ik niet!" antwoordde hij; want 't was een dwarskop. En toen zij hem werkelijk liet vallen, schreeuwde hij: "hel en duivel, komt mij te hulp!" en dadelijk kwam de duivel in eene slede aanrijden en ving hem zoo knaphandig op, dat hij zelfs de knieschijf niet verstuikte. Nu wou de duivel hem ook naar huis brengen. Maar de man schopte en sloeg en maakte zulk misbaar, dat de duivel 't bijna te kwaad kreeg. En toen zij bij zijne hoeve gekomen waren, reed hij onvoorziens tegen een watervat aan, zoodat de slede kantelde en de duivel aan de eene zijde, onze man aan den anderen kant van 't watervat terecht kwam. Ware dit niet gebeurd, dan zou hij niet aan de klauwen des duivels zijn ontkomen; maar nu had deze geen macht meer over hem.
"Loop heen, schelm!" riep de duivel, "had ik vermoed, dat ge mij zoudt bedriegen, dan had ik om uwe ellendige ziel te winnen, zoo'n lange reis niet gemaakt. Toen ge mij riept, was ik twintig mijl benoorden Throndhjem om eene deerne aan te moedigen, die op 't punt stond haar kind den hals om te draaien."
Thans beweerde Peter, dat hij geene enkele vertelling van heksen meer kende. Maar wijl hij zoo goed op gang was, meende ik van de gelegenheid gebruik te moeten maken en vroeg hem, of hij dan niets had hooren verhalen van de aardgeesten.
"Hm," antwoordde hij, "misschien wel; laat eens zien:--mijne grootmoeder heeft mij daarvan wel een en ander verteld.--Toen die een meisje was, diende ze bij den predikant van Modum; Teilmann heette hij, geloof ik.
"'t Gebeurde eens in 't voorjaar, dat de mest naar 't land moest gebracht worden. De predikant bezat uitgestrekte akkers en riep van heinde en ver arbeiders te zamen om dit werk te verrichten. Nu diende er bij een' boer in de nabijheid een jongen, die erg verzot was op uitgaan. Ook hem had men verzocht te komen helpen. De boer gaf hem verlof, mits hij 't zoo aanlegde, dat hij 's morgens om acht uur kon vertrekken. Den ganschen nacht look nu de knaap geen oog, en daar de boer geene klok in huis had, stond hij reeds kort na middernacht op, spande de paarden voor de kar en reed naar de pastorie. Maar hier was nog geene levende ziel te bespeuren, en de knaap liep nu wat rond om den tijd te verdrijven. Zoo kwam hij ook op 't kerkhof, en hier wiesch hij zich den slaap uit de oogen in eene grafkuil, die halfvol water stond, want 't had pas geregend. Sinds dien tijd bezat hij 't vermogen de aardgeesten te zien, maar hij had er ook 't verstand bij ingeboet: hij was simpel geworden. Of hij zijn' tijd uitdiende of zijn' dienst verliet, zou ik niet kunnen zeggen, maar later zwierf hij in den omtrek rond, en overal waar gasten gevraagd waren of iets bijzonders te doen viel, bood hij aan de aardgeesten te bannen.
"Eens zou er bruiloft worden gehouden op eene hoeve, die Praesterud heette, en op den zelfden dag was er doopfeest op Komperud. Toen stond hij lang besluiteloos, wat hij zou kiezen, maar ten slotte ging hij naar de bruiloft. Nauwelijks was hij daar gekomen en had eens rondgekeken, of hij ging op den hofmeester los.
"Gij past slecht op uwe zaken," zeide hij. "Ziet gij niet, dat de aardgeesten uit de bierkan drinken, die gij daar in den hoek hebt gezet? De voorraad neemt onophoudelijk af, maar mag ik hier blijven, zoolang de bruiloft duurt, dan zal ik ze wel 't hazenpad doen kiezen."
"Och, dat moogt gij wel! maar hoe zult gij ze verjagen?" vroeg de hofmeester.
"Dat zult gij eens zien," antwoordde de knaap. Hij nam de kan, zette haar midden op den grond en trok er met krijt een' wijden kring om heen. "Nu neemt gij een' knuppel," zeide hij tot den hofmeester, "en als ik u een' wenk geef, slaat gij daarmede midden in den kring; let niet op 't geen ik doe, maar zoodra ik ze alle binnen den kring heb, dan slaat gij er uit alle macht op los."
Nadat hij dit had gezegd, begon hij om den kring heen te rennen; hij sprong nu hoog, dan laag, en schopte en joeg met inspanning van alle krachten. De hofmeester viel haast om van pret over al de dwaze gebaren, welke de knaap maakte, en allen, die 't aanzagen, geloofden stellig, dat hij niet bij zijne zinnen was. Maar toen hij den afgesproken wenk had gegeven, bemerkten ze, dat hij niet zóó gek was, als ze meenden; want toen de hofmeester er flink op los sloeg, hoorde men een verschrikkelijk geschrei en gejammer door 't heele huis, en sommigen, die later ter bruiloft kwamen van den kant van Komperud, verhaalden, dat zij een gedruisch in de lucht hadden gehoord, of er eene groote schaar vogels boven hun hoofd vloog, en stemmen, die riepen: "Naar Komperud, naar 't doopfeest, naar 't doopfeest op Komperud!"
Hier eindigde Peter, de doodgraver, zijne vertellingen. Hij verklaarde dien avond volstrekt niets meer te weten en ging heen, nadat hij eerst nog den bok van den klokkeluider het kerkhof had afgejaagd.
BERTHA TUPPENHAUG'S VERTELLINGEN.
Reintje was uit zijn hol gejaagd en geschoten; wij dronken bier ter eere van den doode bij den schout en sloten 't rouwmaal met een' vroolijken dans.
Met 't oog op den vermoeienden dag, welken wij achter den rug hadden, den roem, dien wij hadden ingeoogst, en, wat mij betreft, de drie kwartier, welke ik had af te leggen, namen wij kort na elven afscheid. De schout bood aan mij zijn paard te leenen. 'k Was erkentelijk voor deze heuschheid, maar wijl de rijweg dubbel zoo lang was, verkoos ik te gaan, zooals ik was gekomen, langs den kortsten weg en op sneeuwschoenen. Met den vossehuid en 't geweer over den schouder en den staf in de hand, reed ik heen. De weg was uitmuntend: den heelen dag had de zon geschenen en de koude van den avond had de sneeuw met eene harde korst bedekt; de maan stond klaar aan den hemel en de sterren tintelden. Wat kon ik meer verlangen? Vlug gleed ik heen over de heuvels en vlakten en tusschen de ranke berken door, wier kronen als zilveren koepels in de lucht schenen te zweven en waarin de uilen in den stillen nacht akelige histories zaten te vertellen. De haas klaagde over de koude en 't vervelend gebeuzel der uilen; de vos was op liefdesavonturen uit, zocht zijne medeminnaars 't veld te doen ruimen en stiet een hoonend geschreeuw uit.
Een tijdlang moest ik mij dicht aan den grooten weg houden; hier kwam een man, in een wambuis van berevel gekleed, in zijne slede mij achterop rijden. Toen hij uit mijn geweer en mijn' buit bespeurde, dat ik jager was, knoopte hij een gesprek met mij aan en zeide, dat wanneer ik naar den oever der rivier wilde gaan, ik daar eene kudde wolven zou ontmoeten; toen hij de heuvels bij de baai had bestegen, had hij ze de ijsvlakte zien naderen. Ik dankte hem voor zijne mededeeling en beklom een' heuvel. Van hier strekte zich een dennenboschje naar den stroom uit, zoodat het vrije uitzicht werd belet. De wolven zag ik niet. Wellicht waren ze echter aan genen kant van het boschje, en suizend ging het weer voort in de schaduw van het dennenhout, terwijl de elzenstruiken, waartusschen ik door schoot, mij om de ooren klapperden. Maar in mijne pijlsnelle vaart was 't onmogelijk de voorwerpen te onderscheiden; eer ik 't wist, vloog ik tegen een' struik aan; een mijner sneeuwschoenen brak, en daar lag ik met 't hoofd half onder de sneeuw bedolven. Toen ik trachtte op te staan, voelde ik zulk eene pijn in den eenen voet, dat ik dien nauwelijks kon gebruiken; ik moest eene poos op de knieën rondkruipen en vond zoo eindelijk mijn geweer terug met den loop vol sneeuw. Pas had ik mij aan den oever der rivier in hinderlaag gelegd, of eene kudde wolven kwam langzaam nader; daar waren er in 't geheel vijf. Ik wachtte ze met jagersongeduld af, en toen ze tachtig schreden van mij verwijderd waren, legde ik aan. 't Eerste schot weigerde; bij 't tweede gaf ik vuur; maar de kogels troffen de dennetoppen aan den overkant der rivier, en de wolven kozen in allerijl het hazenpad.
Vol ergernis stond ik op; de pijn in den voet was nog heviger dan straks en, leunende op mijn geweer, sleepte ik mij een eindweegs op de bevrozen rivier voort om te zien, waar ik eigenlijk was. Tot mijne blijdschap steeg eene rookzuil boven de boomtoppen aan den overkant op; nu wist ik waar ik mij bevond: nabij Tuppenhaug, eene hoeve niet ver van mijne woonplaats. Met veel moeite klauterde ik den steilen, meer dan tweehonderd schreden hoogen heuvel op, maar smaakte toen ook de voldoening het schijnsel van een vroolijk vuur door 't venster der hoeve te zien schitteren. Ik hinkte naar de deur, lichtte de klink op en trad binnen, zoo wit als een molenaar.
"In 's Hemels naam, wie is daar?" riep de oude Bertha, terwijl zij van schrik een gepekeld stuk vleesch liet vallen, dat zij bezig was te snijden.
"Goeden avond; schrik maar niet, gij kent mij toch, Bertha?" zeide ik.
"Hé, is mijnheer de student nog zoo laat buiten; ik schrok werkelijk van u; ge zijt wit van de sneeuw en 't is middernacht," antwoordde Bertha, terwijl zij opstond. Ik vertelde 't ongeval, dat mij was overkomen, en verzocht haar een' der jongens te wekken en dien naar mijn huis te zenden om een paard en eene slede.
"Ja, 't komt wel uit, wat ik altijd zeg: de grauwpooten nemen wraak," mompelde zij bij zich zelven.
"Ze wilden 't niet gelooven, toen ze verleden jaar jacht op hen maakten en Per zijn been brak; nu kan men alweer zien, dat ze zich wreken."
"Ja, zie-je," zei ze, terwijl ze naar de bedstede liep, waar de familie in koor lag te snorken, "ze hebben den heelen dag voor Nordigaard hout bij de rivier vandaan gehaald. Kleine Ola, sta op en haal een paard voor mijnheer den student! Sta dan op, Ola!"
"Hè..." zeide Ola met een akelig neusgeluid, terwijl hij zich bewoog. De slaap was hem echter een al te groot genot, dan dat hij zich zoo gemakkelijk daarvan liet aftrekken, en er verliep eene eeuwigheid, die hij besteedde met de oogen uit te wrijven, te geeuwen en te gapen, en allerlei zotte vragen te doen, eer hij zich uit den saamgeraapten hoop dekens en vellen in de bedsteê losgewikkeld, buis en broek aangeschoten had en recht begreep, wat hij nu eigenlijk moest doen. De belofte van een' drinkpenning scheen intusschen zijn begrip wat te doen opklaren en verjoeg zelfs alle vrees voor den berk, waarin Ole Askerudsbraaten zich had opgehangen en dien hij voorbij moest. Onder de overleggingen tusschen den witharigen Ola en de oude Bertha had ik gelegenheid den inventaris van 't vertrek op te nemen, die bestond uit een weefgetouw, een spinrokken, stoelen met houten ruggen, bezemstokken, melkemmers en half afgemaakte bijlstelen, eenige kippen op den balk achter de deur, een oud musket aan den zolder, latten, die zuchtten onder een' last van dampende kousen en duizend andere dingen, met wier opsomming ik den lezer niet zal vervelen.
Toen de knaap eindelijk vertrokken was, zette Bertha zich bij den haard neder. Zij was in feestdos, dat wil zeggen, in de gewone dracht der oude vrouwen uit hare geboortestreek Hadeland, vanwaar zij naar Romerike was verhuisd: een blauw jak met geweven band omboord, een zwart schort met plooien en eene huif met strikken, die van achteren over den nek hing. Glinsterende oogen, die onophoudelijk in beweging waren, en eenigszins scheef in 't hoofd stonden, uitstekende jukbeenderen, een breede neus en eene bruine kleur gaven Bertha's gelaat eene vreemde, oostersche uitdrukking; men kon haar niet zien, zonder aan eene tooverheks te denken, en dat was zij ook: zij was de vermaardste tooveres uit den omtrek.
Ik gaf mijne verwondering te kennen, dat zij nog op was en vroeg, of zij nog vreemden wachtte, daar zij zoo sierlijk was uitgedost.
"Neen, dat nu wel niet," antwoordde zij, "maar mijnheer de student moet weten, dat ik naar 't kerspel van Ullen ben geweest, om eene vrouw te belezen, die de tering heeft; en daarna ben ik gehaald bij een knaapje, dat aan de engelsche ziekte lijdt; toen moest ik nog lood boven 't hoofd van 't kind smelten, en zoo was ik pas tehuis gekomen, schoon men mij met de slede tot aan het posthuis had gebracht."
"Maar, Bertha," zeide ik zoo ernstig mogelijk, "zoudt ge dan ook niets kunnen doen tegen de pijn in mijn' voet?"
"Och ja, daar weet ik wel raad voor; Siri Nordigaards been werd ook niet gezond, eer ik er bijkwam, schoon de dokter zoowel als vrouw Nedigaard er aan hadden gekunsteld," antwoordde ze met een' minachtenden trek om den mond, "en wanneer mijnheer de student er aan gelooft," voer ze voort, terwijl ze een' twijfelenden blik op mij sloeg, "dan kan 't niet schaden een glas brandewijn te belezen en 't vocht op den voet te gieten."
"Welnu doe dat, 't zal stellig helpen," zeide ik, in de hoop wellicht in een of ander geheim der heksen te worden ingewijd. Bertha haalde een klein fleschje en een glas op drie pootjes uit eene beschilderde kist, vulde 't glas met brandewijn, zette het op den haard, knoopte den sneeuwsok los en hielp mij den schoen uittrekken. Nu sloeg zij eenige malen een kruis over den brandewijn en begon tooverspreuken op te zeggen; zij meende ze te fluisteren, maar daar zij tamelijk doof was, kon ik 't gansche formulier van woord tot woord verstaan; zóó luidde het:
Ik wilde eens spoedig aan d' overkant zijn: Daar hinkte mijn zwarte veulen van pijn; Toen gaf ik vleesch voor vleesch en bloed voor bloed, En spoedig liep mijn beest weer goed.
Nu ging hare stem over in een onverstaanbaar gemompel. Aan 't slot der tooverspreuk kwam een herhaald: "Verdwijn, verdwijn," dat uitgezonden werd naar de vier hoeken der wereld.
In 't vuur der bezwering was zij opgesprongen; nu zette zij zich op nieuw aan den rand van den haard neder. Het koude vocht, dat verdampte, naarmate zij 't over mijn' brandenden, opgezwollen voet uitgoot, bracht eene aangename verkoeling te weeg.
"'t Schijnt reeds te helpen, Bertha," zeide ik; "maar zeg mij eens, welke woorden hebt gij toch over den brandewijn uitgesproken?"
"Ik zal wel oppassen, dat ik dit niet vertel;--dan zoudt gij me wellicht verklagen bij den predikant of den dokter," zei ze met een' grijnslach, die moest beteekenen dat zij om den een zooveel gaf als om den ander; "en die mij de kunst leerde," vervolgde zij, "moest ik beloven 't geheim aan geen enkel christenmensch te openbaren, behalve aan mijn eigen vleesch en bloed; en daarop heb ik zoo duur gezworen, dat God mij moge bewaren voor 't schenden van dien eed."
"Dan zal 't mij niet baten, indien ik er naar vraag, Bertha," zeide ik, "maar vertel mij toch eens: hebt gij die kunst van een' mensch geleerd of van een' geest?"
"Neen, van een' mensch; van een' oom van mij, Mads, in 't Hurdal," antwoordde zij. "Hij kende allerlei tooverspreuken en wist raad voor jicht en andere pijnen; hij kon bloed stelpen en lood koken--ja, 'k geloof zelfs, dat hij iemand kon beheksen en betooveren. Van hem heb ik alles geleerd. Maar hoe knap hij ook was, zich zelven kon hij toch niet voor hekserij behoeden."
"Hoe zoo? Werd hij dan zelf behekst; kostte 't hem misschien 't leven?" vroeg ik.