Part 5
Nog veel meer wist Brita te verhalen van de aardgeesten en de Huldren, maar in zooverre stond ze reeds onder de macht der zoogenaamde verlichting, dat zij niet gaarne uitkwam voor haar geloof aan deze natuurmachten. Wanneer eene van ons beiden tegenwerpingen maakte, verdroot haar dit; dan beriep ze zich soms op hare eigene ervaring en vertelde daarvan een of ander, maar meestal zweeg ze stil! 't Was er verre vandaan, dat ik de opgeruimdheid, die hare vertellingen eene frissche levendigheid bijzette, wilde verjagen; daarom gaf ik Trine een wenk met de oogen en zei: "Maar wie zou er twijfelen aan de waarheid van dat alles? Wil ik eens wat vertellen, dat nog veel zonderlinger schijnt? 't Heugt je wis nog, dat ik voor twee jaar mijn' oom in 't Hallingdal heb bezocht? Daar ontmoette ik een oud man van bijna honderd jaar, van wien men verhaalde, dat hij in de macht der Huldren stond. Hij had eene zwakke borst en zag er vervallen en gebrekkig uit. Zijn blik was dof en wezenloos en soms scheen het, dat hem alle bewustzijn ontbrak. In zijne jonge jaren was hij eens bij den aanvang des zomers naar den Saeter getrokken. Nu geviel 't, dat hij op zekeren dag onder boos weer den berg op moest in plaats van den veehoeder. 's Avonds kwam de kudde naar den stal terug, maar Ole was verdwenen. Men ging hem zoeken, heinde en ver, men loste schoten en luidde de kerkklok, maar hij kwam niet terug. Hij was door de berggeesten weggevoerd en dezen wilden hem niet loslaten. Vooral eene jonge schoone Hulder hing hem met trouwe liefde aan. Zij was altijd vriendelijk jegens hem, deed alles om hem te behagen en leerde hem op de mondharp spelen. Zoo fraai heeft gewis nimmer iemand op dit eenvoudige instrument gespeeld als de oude Ole. En hij bracht die heerlijke tonen niet, als gewoonlijk, voornamelijk met de vingers voort, maar alleen met den mond. Eens heb ik hem gehoord. Zijn spel herinnerde mij nu eens aan 't gekweel der vogelen, dan weer aan 't klagend gefluit van de bergvink of aan de tonen van de herdersfluit op een' zomeravond, en zoo sterk greep 't mij aan, dat de tranen mij in de oogen schoten.
Maar Ole meende, dat de mooie Hulder een' afschuwelijken koestaart had, en daarom wilde hij niet bij haar blijven. Eens borst hij uit: "Wanneer, in Jezus' naam, zal ik toch weer onder christenmenschen komen?" Toen begon de Hulder te schreien en zei, dat hij nu een' naam had genoemd, dien zij niet kon uitspreken en 't haar nu ook onmogelijk was hem langer vast te houden;--"maar houd u wat ter zijde van de deur, als ge heengaat, anders doet vader u kwaad," voegde zij er bij.
In de blijdschap over zijne verlossing, lette hij daar niet op en terwijl hij zich heenspoedde, werd hem een brandend bos rijshout nageworpen, waar vuur en vonken uitvlogen. Toen was 't hem, of al zijne leden werden stuk geslagen. En sinds dien dag was hij nimmer meer gezond en was hij ook niet recht bij 't hoofd. Maar waar hij ging of stond, overal volgde hem 't mooie Huldermeisje. Wanneer hij 's avonds alleen bij den haard zat, zag hij haar dikwijls.
"Gyri Arendshoofd, ik zie u wel!" riep hij dan. "Daar is zij, ziet ge haar niet?" vroeg hij den kinderen. Dezen bespeurden niets; maar eene huivering voer hun dan door de leden.
"En nu is 't uwe beurt, Brita," zei Trine, die mijn wenk had begrepen. "Gij zult toch ook wel eens de Huldren hebben gezien of gehoord. Vertel ons daar wat van."
"Ja, dat heb ik," antwoordde Brita; "ik spreek er liefst niet van, maar u kan ik 't wel vertellen. Ik was nog bij mijne ouders tehuis en vader was op den molen in 't gebergte. Ik was eene kleine dreumes en had nog niet eens leeren lezen. Moeder had mij gelast eten naar den molen te brengen. Ik was zoo dartel als een geitje en wanneer ik den berg maar op mocht, al was 't niet verder dan tot het einde van 't bosch, dan was ik overgelukkig. Ik vertrok en sprong door de weiden de helling op; 't was heel warm en toen ik een goed eind weegs had afgelegd, werd ik moede. Ik wierp mij op eene groene plek neder, in de koele schaduw, en had tusschen de boomen door een ruim uitzicht. 't Was achtermiddag en de zon was bijna achter den berg verdwenen. Op eens werd ik heel slaperig, maar deed mijn best wakker te blijven. Daar hoorde ik een' hond blaffen en klokjes luiden, zoo helder of ze van zilver waren, en heel in de verte werd op de herdersfluit geblazen, dat 't weerklonk in 't bosch en op den berg.
Eene poos daarna zag ik verscheidene lastdieren naderen met ketels, melkvaten, boterkruiken en gereedschappen van allerlei slag op den rug, en daar achter eene kudde grijskleurige ossen en groote bonte koeien, zoo mooi en vet, als ik ze nimmer had gezien. En op de horens droegen zij gouden knoppen en om den hals zilveren bellen en vooraan liep eene groote vrouw met eene herdersfluit in de hand en eene melknap met zilveren banden; zij praatte met de koeien en noemde ze bij den naam. Maar zulke koeienamen had ik van mijn leven nog niet gehoord! Zóó begon ze te zingen:
HULDERLIED. Niet te snel. Uit het Foldal.
Zomerloof en Koel - te, En Bont - van - rug en Zwoel - te, En Stum - per en Stak - ker, En Blauwtje- klein, Snapper en Rakker, Nachtmuts en Wak - ker, En Ver - van - daan en Spring-in - 't- veld, Lu - lo,
Langzamer.
Lu - - lo - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - - lo, Lu - lo, Lu - lo.
Toen de kudde voorbij was, stond ik op om te zien, waar zij heen trok, maar ik zag niets dan den herdershond en een meisje, dat juist achter 't lage sparrehout verdween. 't Meisje had een blauw kleedje aan, maar daaronder bemerkte ik duidelijk den staart eener koe. Toen begreep ik, dat het eene Hulder was.
De tweede maal, dat ik de Huldren zag, was geruimen tijd later. Ik was toen reeds een volwassen meisje. 'k Was vroolijk van aard en waar de vedel ging, kon men mij altijd vinden. Terwijl ik 's zomers op den saeter lag, zou er gedanst worden op de bergvlakte. 'k Ging er heen en niet vóór den morgen keerde ik naar de hut terug. Ik ging naar bed en meende een uurtje te slapen. Maar--hoe 't kwam, weet ik niet--ik versliep mij, zoodat de koeien over haar' tijd in den stal bleven. Toen ik ontwaakte, stond de zon reeds hoog aan den hemel.--Buiten op 't veld hoorde ik een vroolijk liedje zingen. Ik sprong het bed uit om te melken en 't vee naar de weide te brengen, maar zooals ik de deur uitkom, zie ik eene Hulder verdwijnen in het bosch. En over de bergvlakten weerklonk dit
LIEDJE. Vroolijk. Uit het Österdal.
Ka - ri en Ma - ri, staat toch op, Neemt het licht, Gaat naar stal, Daar bracht de koe het zwar - te kalf; 't Beest moet hee - ten Mooist-van-al. Kalft een koe, bigt een zeug, werpt een geit, jongt een schaap: 't Vee, dat blijft in de weide; Hei Halvorsen, Halvor Dar - sen, Dei Dy - ringen, Dyring Bramsen, Bram Börresen, Böring Bundersen, Dunder Dangsen en Sommer Ningsen en Somme Dromlingen!
Langzamer.
Zoo lok - ken wij 't vee naar de wei - de, Hoe- ra, hoera, hoe - ra uit het woud; Komt, laten wij spelen naar Val-dris' wijs! In Val - dris, in Val - dris, daar is 't zoo goed te wei - den, Daar is 't zoo goed te weiden Ja - a . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Ja. . . . . . . . . Ja . . . . . . . . . . . O, kom, o, kom! Och, arme!
Hier eindigen Brita's vertellingen en tevens 't verhaal van mijn uitstapje.
Terwijl de juffer vertelde, was 't weer werkelijk opgeklaard, zonder dat wij er acht op hadden geslagen. De zon scheen met al hare warmte en pracht en nu werd 't een gejubel en drukte zonder einde. "Naar den Saeter, naar den Saeter!" klonk het en met 't verrukkelijkst uitstapje werd de dag besloten.
Ik heb mijn woord tegenover de schoone vertelster van dit Huldersprookje niet gehouden en kan er tot heden maar geen spijt over gevoelen.
DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.
Een badgast te Eidsvold beeft niet veel meer te doen dan zich voldoende beweging te verschaffen. Reeds den dag na mijne aankomst ging ik daarom Peter, den doodgraver, opzoeken, die in Store Finstad woonde, een kwartier ten zuiden van de rivier. Met groote moeite kwam ik in dit ordelooze nest van dicht opeengebouwde winkel- en woonhuizen, 's mans verblijf op 't spoor. In het voorhuis vond ik niemand, maar in een armelijk kamertje zat eene oude vrouw op een' stoel zonder rug te spinnen. Ik deed haar eenige vragen, waarvan de eerste slechts werd beantwoord met een' uitvorschenden blik, de tweede en derde met een "Hè?" Toen ik eindelijk voor de vierde maal vroeg, of ze mij ook kon zeggen, waar Peter, de doodgraver, was, antwoordde zij: "O, Graven, ligt hier nog een goed kwartier vandaan."--"Neen, Peter, de doodgraver," schreeuwde ik. "Ja Graven ligt naar 't oosten; ga 't dal maar door, dan kom-je er van zelf."--Sedert vernam ik, dat de naaste hoeve "Graven" heette.
"Grootmoeder is wat hardhoorend," zei eene stem uit den donkeren hoek, waarin ik eerst niets had kunnen onderscheiden. Daar zat een jong meisje met een klein kind op den arm.
"Kun-je mij ook zeggen, waar ik Peter, den doodgraver, kan vinden?" vroeg ik nu aan haar.
"Hij is niet te huis," kreeg ik ten antwoord.
"Weet-je niet waar hij is?"
"Misschien wel op Styri bij tante."
"Waar ligt Styri?"
"Aan den oostkant."
"Is 't ver weg?" vroeg ik weer.
"Dat weet ik niet."
"Is er niemand anders te huis?"
"Neen, zij zijn te bruiloft."
"Hiernaast?"
"Ik weet het niet."
Hier kreeg ik intusschen de noodige opheldering. Er zat inderdaad niet anders op dan naar Styri te gaan. In 't voorhuis aldaar vond ik werkelijk de tante, waarvan men mij had gesproken, in de gedaante van eene lange, bejaarde vrouw, met de grijze haren weggestreken onder de zwarte muts. Ze kwam me vriendelijk te gemoet en zeide: "Wees zoo goed binnen te komen."
Deze ontvangst deed mijne ergernis over de eerste heel wat afnemen; ik vroeg, of Peter, de doodgraver, hier ook was.
"Moet hij misschien een graf maken voor iemand?" vroeg tante.
"Neen, dat niet; maar ik heb gehoord, dat hij zooveel oude sprookjes en vertellingen kent, en daarvan zou ik graag wat hooren," zei ik.
"Ja, zoo!--Ja, als oude Andries, Peter zijn vader, hier was, ja--dat was eerst een baas in 't vertellen! Als die begon, kwam er geen einde aan."
"Maar, lieve hemel, kun-je dan ouden Andries niet hier laten komen?"
"Ja, die kon nog eens vertellen! Maar oude Andries is al twee jaren dood! Peter kent er ook wel; maar hem kan men niet zoo gemakkelijk aan de praat krijgen; hij is heel karig met zijne vertellingen, moet-je weten! Neen, oude Andries, die kende eene hoop histories! En hij liet zich nooit lang bidden! Och ja, 't zal nu met kerstmis twee jaar worden.
"Maar, dat baat mij niets," viel ik haar in de rede, gebelgd omdat de hooggeprezen Andries niet meer leefde. "Is Peter hier dan niet?"
"Ja, hij is hier wel geweest, maar hij moest naar den klokkeluider. Daar zult ge hem stellig vinden, en mocht hij daar niet zijn, dan is hij zeker op den heuvel, of in de pastorie, als hij ten minste niet op 't kerkhof is om een graf te delven, want de oude vrouw Habberstad is gestorven."
Mijn geduld was zoo goed als uitgeput; maar wijl 't te voorzien stond, dat ik er tegenover Peter, den doodgraver, nog zeer groote behoefte aan zou gevoelen, besloot ik de rest maar te sparen. Ik wilde vertrekken, maar onder 't laatste antwoord had de vrouw uit een kastje een niet heel zindelijk glas gehaald, dat zij met brandewijn vulde en mij met een stukje kandijsuiker op een bord aanbood, terwijl zij niet ophield in een' stroom van uitroepen hare bewondering lucht te geven voor de weergalooze wijze, waarop de oude Andries sprookjes kon vertellen.
"Peter zal stellig bij den klokkeluider zijn, en is hij daar niet, dan is hij op den heuvel of in de pastorie, als hij ten minste niet naar 't kerkhof is gegaan," riep ze mij nog na, terwijl ik 't erf af ging. 't Klonk me als spotternij in 't oor, want straks was ik al die plaatsen voorbijgekomen.
Ik besloot intusschen hem 't eerst op de laatste plaats te gaan zoeken, als de minst waarschijnlijke naar tante's gevoelen.
't Was koud, droevig zomerweer, toen ik door de donkere lanen van den tuin der pastorie mijne schreden naar de kerk richtte. De regen had opgehouden, maar met iederen rukwind klaterden de droppels uit de toppen der boomen op de bladeren onder hen. De wolken dreven laag tusschen de boomen door. Mat en grauw viel het licht op de graven en eenvoudige gedenkteekens van het kerkhof; de wind voer klagend door de takken en geen vogel zong in 't loof. 't Was of een voorgevoel van 't najaar alles in dit eenzaam oord deed huiveren; alleen het kerkje wees, als een troostende engel, met zijne torenspits ten hemel.
In den verst verwijderden hoek van 't kerkhof hoorde ik den klank der spade. De doodgraver was dus bezig een graf te delven. Op een heuveltje in zijne nabijheid stond de groote, prachtige bok van den klokkeluider met zijn' langen baard en fraaie horens te grazen; ik kende hem reeds van een vroeger bezoek.
Een oogenblik bleef ik staan om den doodgraver op te nemen. Hij was een man op jaren, maar men kon niet zeggen, dat 't een vriendelijk oud man was. Zijn beroep scheen geen' verzachtenden of verzoenenden invloed op zijn' geest te hebben uitgeoefend; hij zag de wereld aan met een' somberen blik en een norsch gelaat. Zijne trekken kwamen mij bekend voor, later herinnerde ik mij hunne groote gelijkenis met een koppig paard, dat 't mij eenmaal geducht lastig had gemaakt. Toen hij een ommezien met zijn' arbeid ophield om uit te rusten, viel zijn oog op mij, dien hij nog niet had bemerkt.
"Goeden avond, doodgraver," zei ik.
Hij mat mij van 't hoofd tot de voeten, spuwde in de holle hand en ging voort met spitten.
"Dat is zwaar werk in dit natte weer," ging ik onverdroten voort.
"Als de zon schijnt, is 't niet lichter," antwoordde hij met een' azijnzuren grimlach, en ging voort met delven.
"Voor wien maakt ge dit graf?" vroeg ik, in de hoop, dat zich wellicht uit deze vraag een gesprek zou kunnen ontspinnen.
"Voor den duivel en de kerk," antwoordde de doodgraver.--Ik begreep dat niet recht, en vroeg nadere verklaring.
"De duivel krijgt de ziel en de kerk het geld," antwoordde hij.
"Zoo bedoelde ik het niet, ik meende, voor wien dat graf bestemd is?"
"Voor een oud wijf," antwoordde de man.
Die brug was afgebroken. Ik begreep, dat ik op deze wijs tot geen bevredigende uitkomst zou geraken. Ongeduldig over den regen, die met vernieuwde hevigheid neerviel, en korzelig, wijl naar alle waarschijnlijkheid mijne expeditie zou mislukken, vertelde ik den doodgraver, dat ik hem had opgezocht om sproken en vertellingen van hem te hooren uit den ouden tijd. Ik zei, dat ik 't niet voor niemendal verlangde, maar dat 't hem toch plezier moest doen, nu eens iemand te ontmoeten, die aan deze dingen geloofde, wat zoo zelden meer gebeurde in onze dagen.
Onder deze toespraak keek de doodgraver mij nu en dan met zijn' hoofdigen paardeblik aan, die al mijne hoop den bodem insloeg.
"Of de lui gelooven, wat ik vertel, of niet, dat is mij om 't even," zeide hij. "Maar wat ik heb gehoord en wat ik weet, dat weet ik, en ik wil niet voor zot spelen en zitten vertellen als eene babbelzieke best. Zelfs voor den koning niet," voegde hij er bij, om de zaak buiten allen twijfel te stellen.
Ik was reeds voornemens heen te gaan, toen hij op nieuw stilstond, half van mij afgekeerd. Na den hoed op één oor te hebben gezet, begon hij eerst in den eenen, toen in den anderen zak van zijn wambuis te zoeken; maar 't scheen, dat hij niet kon vinden, wat hij zocht, hij was blijkbaar teleurgesteld, vooral toen een nieuw onderzoek even vruchteloos was gebleken.
Ik giste spoedig, dat zijne tabak op was en dacht vergenoegd: "nu is de beurt aan mij." In mijne botaniseerdoos had ik eene van Tidemand's beroemde rollen tabak geborgen, en terwijl ik den schijn aannam van naar mijn' zakdoek te zoeken, wist ik 't behendig zóó aan te leggen, dat de rol juist op den rand van den grafkuil viel, waarin hij stond. Heel kalm bukte ik mij om de tabak op te rapen, maar 't zonneschijntje, dat op eens 't gelaat van den doodgraver deed ophelderen, ontging mij niet. Als in gedachten maakte ik de rol open, lokte mijn' gehoornden vriend, die dicht bij 't graf stond, tot mij en liet hem een groot stuk van de rol afbijten.
"Hoe ver is Tönsager hier van daan?" vroeg ik.
De doodgraver mompelde iets over 't misbruiken van Gods gaven, maar antwoordde toch beleefder dan te voren, dat 't omstreeks een half uur aan de andere zijde der baai lag.
"En Guldvaerket?" vroeg ik.
"Eene mijl," zei de doodgraver. "Maar waar komt ge toch vandaan?" voegde hij er bij met het potsierlijkste gezicht ter wereld.
"'t Laatst ben ik in Store Finstad geweest, waar ik naar Peter, den doodgraver, heb gevraagd," antwoordde ik en borg de rol weer in de doos, na den bok nog een stuk daarvan te hebben gegeven.
Er volgde geen antwoord; Peter begon met nieuwen ijver te delven. Behalve aarde en steenen wierp zijne spade ook vermolmde houtsplinters en halfvergane beenderen naar boven. Onder de laatste rolde ook een vrouwenschedel voor mijne voeten, zoo schoon en volkomen van vorm, dat Retzius hem voor het ideaal der skandinavische type zou hebben aangezien. Ik nam hem op en beschouwde hem opmerkzaam.
"Die schedel is van geen oud wijf afkomstig," begon de doodgraver op nieuw.
"Dat zie ik," gaf ik ten antwoord.
"'t Was de vrouw van een' landbouwer hier in 't dorp; zij was geacht en geëerd," merkte hij verder op.
"Zoo."
Had de doodgraver zich in zijn slecht humeur gelijk kunnen blijven, dan zou hij ongetwijfeld hebben gezwegen, maar reeds de hoop op eene rol tabak heeft een' verwonderlijken invloed op 's menschen gemoed.
"Van buiten blank, van binnen krank," ging hij voort.
Hierop volgde in 't geheel geen antwoord.
"Dat was beste tabak, die ge daar in die blikken doos hebt."
"Zoo schijnt onze vriend er ook over te denken," antwoordde ik, terwijl ik den bok weer naar mij toelokte en mij geliet, of ik hem nog meer wilde geven.
"Neen, als oude Andries, mijn vader, nog leefde," zei Peter haastig, terwijl hij zijn' gelukkigen mededinger zocht te beletten, de goede gaven deelachtig te worden, die ik hem had toegedacht, "hij kon nog eens vertellen. Wat ik kan, heeft niet veel om 't lijf."
"Nu merk ik, dat gij ook wel een stuk tabak zoudt willen hebben, Peter. Zie, daar hebt gij al wat de bok heeft overgelaten. Waart gij eerst williger geweest, dan hadt ge de heele rol gekregen. Maar vertel mij nu wat."
"Dat kan ik wel doen, want ik zie, dat ik met een verstandig man te doen heb, en niet met een' zotskap," zei Peter, terwijl hij zijne gereedschappen bijeenzocht en uit den kuil steeg. "Vervloekt vee," riep hij toornig en sloeg naar den bok, "zulke bokken zijn 't ergste ongedierte, dat ik ken; ze moesten doodgeslagen worden, dat er niet één overbleef."
Nadat hij door deze ontboezeming zijn gemoed wat had verlicht, zette hij zich op eene zerk neder en begon te verhalen.
"Gij zijt niet de eerste, wien ik 't vertel," zoo ving hij aan. "Wilt gij 't gelooven--goed; gelooft ge 't niet--laat het dan voor 't geen het is.--Daar leefde eens in 't dorp hier een boer, die gehoord had, dat de heksen allerlei spel dreven in de kerk op den avond vóór de feestdagen. Hij geloofde er niets van, maar voelde toch den lust bij zich opkomen, eens te zien of 't waar was; hij kon dan tevens te weten komen, wie zich met hekserij ophielden. Op Paaschavond zette hij zich neder op de lijkbaar in 't kerkportaal, en, ja wel, daar verzamelde zich een heele stoet wijven voor de kerkdeur, met een' grooten zwarten hond aan 't hoofd. De hond ging op de achterpooten staan, krabde tegen de deur en--open sprong die, schoon ze stevig gesloten was.
"Zaagt gij dat?" zei 't wijf, dat 't dichtst achter den hond liep tot een ander;--"en dat was deze," voegde Peter er bij, terwijl hij op den schedel wees.
"Neen, dat had ik niet gedacht, al hadt gij 't me zelf gezegd," antwoordde de ander, die naast haar liep en die ook in 't dorp voor eene brave vrouw doorging. En achter die beiden kwamen er nog zoovelen, dat hij ze bijna niet meer kon tellen. Hij kende ze allen en had nooit gedacht, dat er zooveel heksen in heel Romerike waren als er alleen in 't kerspel van Eidsvold bleken. Zij sprongen en dansten en maakten allerlei bespottelijke gebaren op den preekstoel en voor het altaar. Toen ze niets meer wisten te bedenken, brachten ze door hekserij eene koe boven in den toren en hingen haar boven den trap op met alle vier de pooten in de lucht. De boer meende in 't beest eene koe van de pastorie te herkennen, en toen de heksen waren vertrokken en alles weer stil was in de kerk, ging hij naar de pastorie. Daar stond de koe weer in den stal, maar ze trilde nog en 't schuim stond haar om den bek.
Geruimen tijd daarna geviel 't, dat dezelfde man, die dit alles op Paaschavond had gezien, als hofmeester was genoodigd op eene bruiloft. En daar was nu ook de vrouw, die vooraan ging in den heksenstoet. Toen men aan tafel wilde gaan, verzocht men haar 't eerst te gaan zitten; want zij werd door elk geëerd, moet ge weten. Maar zij wilde nu eens de bloode spelen en men kon 't niet van haar gedaan krijgen. Herhaaldelijk noodigde de hofmeester haar uit zich aan tafel te zetten, maar eindelijk werd hij 't bidden moê en fluisterde haar in 't oor:
"Ga maar eerst zitten; ge zijt 't immers wel gewend. Toen ik u op Paaschavond zag, waart gij niet zoo verlegen; toen waart' ge de eerste in den dans met Ouden-Erik, [2] voor 't altaar zoowel als op den preekstoel."
Op die woorden viel de vrouw in zwijm en sinds dat oogenblik heeft ze geen gezond uur meer gehad."
De doodgraver zweeg en zijn gelaat nam weer de gewone barsche, gemelijke uitdrukking aan; maar ik hield niet op met vragen en vorschen naar heksen, hare reizen en daden, tot ik ten slotte de belofte van hem verkreeg, dat hij mij alles zou vertellen, wat hij daarvan wist.
"Daar waren eens eenige jagers, die op zekeren Paaschnacht uit jagen gingen. Terwijl zij in de jachthut zaten, bij 't grauwen van den morgen, hoorden zij zulk een geruisch en geraas in de lucht, dat zij niet anders dachten, of er was een heele vlucht groote vogels in aantocht, gereed om in 't moeras neer te strijken. Maar 't waren vogelen des duivels! Toen zij boven het bosch kwamen, bleek het een vlucht heksen te zijn. die haar Paaschfeest hadden gevierd. Zij reden op bezemstelen, harken en mestvorken, op bokken en geiten en de zotste dingen, die men kan bedenken. Weldra herkende een der jagers onder haar zijne naaste geburin.
"Maren Myra!" schreeuwde hij. Plotseling viel ze neder op eene spar en brak een scheenbeen; want, wanneer iemand eene heks herkent en haar bij den naam roept, moet zij naar beneden, al is zij nog zoo hoog gestegen. De jagers namen haar op en brachten haar voor den rechter, en deze besliste, dat zij levend verbrand zou worden. Maar eer zij op den brandstapel kwam, verzocht zij nog, dat men even den blinddoek van hare oogen zou nemen. Dat deed men ook, doch eerst plaatste men haar zóó, dat haar oog niet op weide en akker, maar alleen op den berg kon vallen. En dit was goed ook; want op eens was 't bosch, aan den kant waarheen ze had gezien, geheel zwart geblakerd en verschroeid!
Deze tooverheks liet eene dochter na, die later in huis kwam bij een' predikant in 't Gudbrandsdal. Zij mag negen jaar oud zijn geweest, maar ze was reeds geheel verdorven en zat vol heksenstreken. Eens gelastte haar de predikant eenige spaanders, die op 't erf lagen, naar de keuken te dragen.
"Och," zei ze, "ik kan ze wel binnen brengen, zonder dat ik ze behoef te dragen."
"Zoo," zei de predikant, "laat mij dat eens zien."