Part 15
Wat zij verlangde; werd haar gebracht. Eenige doeken waren spoedig samengenaaid, tot ze eene pop vormden. De tooverheks stond nu op, nam een en ander mee en zeide:
"Nu ga ik naar het kerkhof, om het te begraven. Vandaag over drie weken kom ik terug--dan zullen wij zien, of 't middel heeft geholpen. Blijft het leven, dan ziet ge uw beeld in den oogappel van uw kind, maar moet het sterven, eer de blâren vallen, dan ziet gij slechts den donkeren appel en niets dan dezen. Dan ga ik naar 't noorden, naar Joramo. Daar ben ik sinds lang niet geweest; maar men heeft er mij geroepen bij een knaapje, dat de nikkerkwaal heeft: dat heeft dus niet veel te beduiden. Ik zal het kind tegen de zon in laten loopen met eene graszoo boven zich, dan zal 't wel gezond worden."
"Wat ge zegt, wat ge zegt!" riep de boerin vol bewondering uit. "Joramo? dat ligt immers in Lesje? Hemel, zoo ver weg?"
"Ja, 't is een heel eind ver; maar ik ben er geboren en getogen," antwoordde de tooverheks. "Ik heb veel gezworven, maar weinig verworven, sedert ik van daar ben gegaan. Toen waren 't beter tijden voor Gubjör," zei ze met een zucht, terwijl ze zich weer op eene bank liet vallen. "Maar daar op Joramo was wel een wisselwicht," ging ze voort, terwijl een verhaal uit den ouden tijd haar te binnen schoot, nu ze harer jonkheid gedacht.
"Mijne overgrootmoeder, die op Joramo in Lesje woonde, had een wisselkind. Ik heb het nooit gezien, want zij was dood en 't kind weg, lang vóór 'k werd geboren, maar vaak heeft mijne moeder het mij verteld. De jongen zag er uit als een verschrompelde tachtiger. Zijne oogen zagen zoo rood als karmijn en gloeiden in het duister als de oogen eener katuil. Hij had een hoofd, zoo lang als een paardekop en zoo dik als eene kool; maar zijne beenen waren zoo mager als schapepootjes en zijn gansche lichaam zag er uit als pekelvleesch van twee jaar oud. Nooit deed hij anders dan huilen en krijten en schreeuwen, en kreeg hij iets in de hand, dan wierp hij 't de moeder vierkant in 't gezicht. En hongerig was hij als een stadshond; al wat hij zag, wou hij eten, en niemand in huis at zooveel als hij. Hoe ouder hij werd, des te onhandelbaarder werd hij ook; niemand wist hem te regeeren, en nooit kon men hem het minste woord uit de keel krijgen, schoon hij oud genoeg was om te kunnen praten. Het was het afschuwelijkste hellewicht, dat men ooit heeft gezien en nacht noch dag liet hij iemand met rust. Iedereen vroeg men om raad, maar niets baatte. Hem frisch afrossen dorst de moeder niet, zonder volkomen zeker te zijn, dat het een wisselwicht was. Maar op zekeren dag gaf iemand haar dezen raad. Zij moest den jongen zeggen, dat de Koning zou komen; dan moest zij een groot vuur aanleggen en een ei stuk slaan. De schaal moest ze op 't vuur zetten. Zoo deed ze, en toen de jongen het zag, ging hij rechtop in de wieg zitten en keek er oplettend naar. De vrouw verliet het vertrek en keek door het sleutelgat. En de jongen kroop op de handen uit de wieg, maar de beenen bleven er in, en hij rekte zich uit en werd zóó lang, dat zijn lichaam tot aan den haard reikte.
"Neen," zeide hij "nu heb ik al zevenmaal het hout zien vellen in het bosch van Lesje, maar nog nooit zag ik zoo'n grooten lepel in zoo'n kleine pan."
"Toen de moeder dit alles zag en hoorde, was zij overtuigd. Ze wist thans, dat het een wisselwicht was. Nauwelijks had ze de klink opgelicht, of de jongen kroop weg in de wieg als een worm. Zijne beste dagen waren nu uit; op een' donderdagavond sleurde de vrouw hem naar den mesthoop en ranselde hem duchtig af; maar ze hoorde een geknetter en geknap in 't rond van belang. Den volgenden donderdag ging het evenzoo, maar toen de vrouw vond, dat hij genoeg had, hoorde zij eene stem naast haar--de stem van haar eigen kind--zeggen:
"Telkenmaal, als gij Tjöstul Gautstigen slaat, krijg ik dubbel in den berg."
"Maar den derden donderdag sneed de vrouw hem van 'tzelfde laken een pak. Daar kwam een oud wijf met een jongske aanvliegen, of ze uit den brand was gevlucht.
"Geef Tjöstul hier, daar hebt gij uw' jongen terug!" riep ze en wierp haar het kind voor de voeten. De vrouw strekte de hand uit om het op te vangen en greep ook het eene been. Maar van de rest heeft ze nooit iets gezien, zoo hard had het bergwijf het kind neergesmeten."--
Onder deze vertelling had men op 't gelaat der boerin de onmiskenbaarste teekenen van angst kunnen lezen. Tegen het einde vielen zij zoo duidelijk in het oog, dat de vertelster, die weggesleept scheen door hare eigen woorden, ze opmerkte.
"Wat schort u?" vroeg ze. "O, uw man komt zeker," ging ze voort, terwijl ze een' blik naar de deur wierp, en besloot met nadruk: "'t Is niet geraden voor Gubjör dat ze uw' man in den weg loopt; maar wees niet bezorgd, moedertje: ik zal beneden het kerkhof omgaan, dan ziet hij me niet."
TER ZEE.
I.
DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST.
Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers, dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten, die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen; maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt; "hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland, "het Zand" geheeten, met vischrijke kusten en overvloed van wild. Zoo moet zich ook in het Westfjord van tijd tot tijd eene groote vlakte vertoonen, die intusschen nooit hooger komt, dan dat de aren zich even boven het zeevlak kunnen verheffen; en buiten Röst, aan de zuidpunt der Lofoten, vertelt men van een dergelijk Hulderland met groene heuvels en goudgele akkers: men noemt het Udröst. De eigenaar van dit land heeft zijn jacht zoo goed als de andere boeren in Nordland; visschers en schippers ontmoeten hem somwijlen met het zeil in top, maar op 't oogenblik, als ze meenen dat zij tegen hem aan zullen varen, is hij eensklaps verdwenen.
Op Vaer-eiland, in de onmiddellijke nabijheid van Röst, woonde eens een arme visscher, die Izaak heette; al wat hij bezat, was eene boot en een paar geiten, die zijne vrouw in het leven hield met wat afval van visch en het gras, dat zij op de bergen in den omtrek inzamelde; daarentegen had zij eene hut vol hongerige kinderen. Toch was de visscher tevreden met het lot, dat hem was toebedeeld. 't Eenige, waar hij over tobde, was, dat hij altijd in onmin leefde met zijn' naasten buur. Dit was een rijk man, die zich in 't hoofd had gezet, dat hij alles beter moest hebben dan de arme Izaak, en die daarom wilde dat Izaak zou verhuizen; dan kon hij de haven krijgen, die bij de hut van den arme lag.
Op zekeren dag, terwijl Izaak een paar mijlen ver in zee was om te visschen, werd de hemel eensklaps door zwarte wolken bedekt en stak er zulk een hevige storm op, dat hij al zijne visch over boord moest werpen, om de boot te verlichten en het lijf te bergen. Met inspanning van alle krachten stuurde hij de boot tusschen en over de stortzeeën heen, die elk oogenblik kwamen aanrollen om hem in den afgrond te werpen. Nadat hij zoo vijf of zes uur had gevaren, meende hij niet ver van de kust meer te zijn. Maar hoe hij tuurde, het land bleef weg en de storm en de duisternis namen steeds toe. Nu overviel hem de vrees, dat de wind gedraaid was en hij zich al verder van de kust verwijderde, en ten slotte begon hij te begrijpen dat zijne vrees werkelijkheid was; want hoe snel hij zeilde, het land naderde niet. Daar hoorde hij op eens een' akeligen schreeuw aan den steven en hij dacht niet anders, of 't was een watergeest, die zijn' lijkzang zong. Hij bad den Heer voor vrouw en kinderen, want hij meende stellig, dat zijn laatste uur geslagen was. Terwijl hij zoo zat te bidden, zag hij eene zwarte schim, die al dichter bijkwam; maar 't bleken drie aalscholvers, die op een stuk drijfhout zaten; in een oogwenk was hij hen voorbij. Zoo verliep het eene uur na het andere; de arme man werd zoo dorstig en hongerig en vermoeid, dat hij geen' raad wist; hij zat met de roerpen in de hand, tot de oogen hem toevielen. Maar op 't zelfde oogenblik schuurde de boot tegen 't strand en bleef vastzitten. Verschrikt sloeg Izaak de oogen op. De zon brak door de wolken en verlichtte een heerlijk land: heuvels en bergen waren groen tot den top, akkers en weiden bedekten de hellingen, en er stroomde een geur van bloemen en gras hem te gemoet, als hij nog nooit had geroken.
"Goddank, nu ben ik gered; dat is Udröst," zeide Izaak bij zich zelven. Vlak vóór hem lag een gerstakker met aren, zóó vol en zwaar, als hij ze nog nooit had gezien, en door den akker heen liep een smal pad den heuvel op naar een frisch groen weivlak, en op den top graasde eene witte geit met horens van goud en uiers zoo groot als de grootste koe. En aan den voet des heuvels zat een klein mannetje met een blauw kleed aan op een' stoel zonder rug uit een kort pijpje te rooken; hij had een' baard, zóó lang, dat hij tot ver over de borst hing.
"Welkom op Udröst, Izaak," zei het mannetje.
"Den zegen van Boven," antwoordde Izaak. "Kent gij mij?"
"Wel mogelijk," sprak het mannetje, "ge komt hier zeker nachtverblijf zoeken?"
"Ge zoudt er wel aan doen, mij dat te verschaffen, vader," zeide Izaak.
"'t Is het slimste met mijne zonen; die kunnen de lucht van christenmenschen niet verdragen," zeide het mannetje. "Hebt gij ze niet ontmoet?"
"Neen, ik ben niemand tegengekomen dan drie aalscholvers, die zaten te schreeuwen op een drijfhout," antwoordde Izaak.
"Juist, dat waren mijne zonen," viel het mannetje in; hij klopte zijn pijpje uit en ging voort: "ge kunt wel zoo lang naar binnen gaan; eene volle maag zal u zeker niet plagen."
"Toch niet," antwoordde Izaak.
Maar nauwelijks had het kleine mannetje de deur geopend, of Izaak stond stom van verbazing. Zoo iets had hij nooit gezien. De tafel was bedekt met de heerlijkste gerechten: schotels met roompap en visch en wild en leverbrood met stroop en kaas, Bergsche krakelingen bij hoopen, brandewijn en bier en mee en al wat maar lekker smaakt.
Izaak at naar hartelust, en toch werd de schotel niet leeger, en hoeveel hij ook dronk, zijn glas bleef even vol. De oude man at niet veel en sprak nog minder; toen hij buiten hoorde schreeuwen en aan de deur rammelen, verliet hij 't vertrek. Na eenige oogenblikken kwam hij weer binnen met zijne drie zoons bij zich. Izaak was maar weinig in zijn schik, toen hij ze zag binnenstappen; doch naar 't scheen, had de oude man hun' afkeer van christenmenschen weten te overwinnen, want ze waren heel vriendelijk en voorkomend.
Toen Izaak van de tafel opstond en verklaarde dat hij verzadigd was, wilden zij, dat hij zou blijven zitten en eens met hen drinken. Izaak schikte zich zoo goed mogelijk in de omstandigheden, en nu dronken en klonken ze met elkander en lieten zich het bier en de mee wel smaken. En ze werden heel goede vrienden, en de drie jongelingen drongen er op aan, dat Izaak een paar tochten met hen zou doen, om ook wat mede naar huis te kunnen nemen. Op den eersten tocht, dien ze samen deden, overviel hun een vreeselijke storm. Een der drie jongelingen zat aan 't roer, de ander stond voorop, de derde hield zich op 't middeldek, en Izaak stond aan de groote pomp en werkte, dat hem 't zweet van 't voorhoofd gudste. Ze vlogen over de golven, of ze bezeten waren; aan reven dachten ze niet, en als de boot vol water stond, stuurden ze haar tegen eene hooge baar op, zoodat het water schuimend en bruisend over den achtersteven heenvloog. Zoo mochten ze een uur hebben gevaren, toen het weder bedaarde en ze aan het visschen konden gaan. En zooveel visch vonden ze, dat de bodem der zee er geheel door bedekt was en de loodjes der vischnetten op de bergen van visch bleven liggen. De jongelingen van Udröst haalden slag op slag een net vol op; maar Izaak, schoon hij zijn handwerk verstond als de beste, kreeg geen graatje; telkens als hij zijne netten--'t was zijn eigen tuig--ophaalde, waren de visschen verdwenen. Toen ze de boot vol hadden, keerden ze naar Udröst terug; de jongelingen hingen hun' buit in 't drooghuis op, maar Izaak beklaagde zich bij den ouden man, dat het zoo slecht met zijne vangst was gegaan.
De oude verzekerde hem, dat het eene volgende maal beter zou lukken en gaf hem een paar netten, en toen ze weer uit visschen gingen haalde Izaak evenveel op als de anderen, en bij het verdeelen der visch kreeg hij wel drie droogschuren vol visch.
Nu begon Izaak naar huis te verlangen, en toen hij zou vertrekken, schonk hem de oude man eene nieuwe visschersboot met tuig en klaverdoek en andere nuttige dingen. Izaak dankte hem voor zijne goede gaven, en de oude zeide, dat hij maar terug moest komen, als het jacht onder zeil ging; het zou een reisje maken naar Bergen, en dan kon Izaak meegaan en zelf zijne visch verkoopen. Nu, dat wou Izaak graag doen; daarom vroeg hij, welken koers hij moest houden, als hij weer naar Udröst wilde komen. "Volg den aalscholver, wanneer hij zeewaarts vliegt, dan zeilt ge vlak op Udröst aan," zei de oude. "Goede reis!"
Maar toen Izaak in de boot was geklommen en eens omkeek, zag hij niets meer van Udröst; wijd en zijd was niets te bespeuren dan de zee.
Toen de bepaalde tijd om was, voer Izaak op nieuw naar Udröst, om met het jacht naar Bergen te gaan. Maar zulk een jacht had men nooit gezien: 't was zoo lang, dat de stuurman, die op den uitkijk stond aan den voorsteven, onmogelijk den kerel te roer kon beroepen; daarom had men midden op 't vaartuig nog een' man gezet, vlak bij de mast, die de bevelen van den stuurman naar den achtersteven overbracht, en nog moesten beiden uit alle macht schreeuwen, wilden ze zich doen verstaan.
De visch van Izaak was voorin gelegd; zelf haalde hij ze van de speten, maar,--hoe 't kwam, daar begreep hij niets van,--zoo snel kon hij ze er niet aftrekken, of telkens kwamen er weer andere visschen voor in de plaats, en toen hij ophield, waren de speten even vol als toen hij begon. Te Bergen aangekomen, verkocht hij zijne visch en zooveel geld kreeg hij er voor, dat hij zich een nieuw jacht kocht met zeil en treil en lading en al; zoo had de oude man hem geraden. Eer hij onder zeil ging, 's avonds laat, kwam de oude bij hem aan boord en drukte hem op 't hart, dat hij de kinderen van zijn' buurman niet zou vergeten, want de buurman zelf was gestorven, naar hij zeide, en hij spelde Izaak zegen en voorspoed met het jacht.
"Al wat in den wind staat, is goed en zal 't wel uithouden," zeide hij, en daarmede bedoelde hij, dat er één aan boord was, dien niemand zag, maar die met den rug de mast steunde in storm en noodweer. Sinds dien tijd was 't geluk altijd met Izaak. Hij wist wel waar dit vandaan kwam en vergat nimmer wat af te zonderen voor hem, die de wacht hield, als hij in 't najaar met het jacht was thuis gekomen. En elken kerstavond zag men licht in het schip, en werd er de veêl gestreken en gedanst en hoorde men gelach en gescherts in het ruim van het jacht.
II.
DE NIKKERS OP HET "ZAND."
Een eind zee in, tegenover het eiland Helgoland, ligt een kleine zandbank het "Zand" geheeten; 't is eene beste plek voor de vischvangst, maar ze is moeilijk te vinden, want ze verandert gedurig van plaats. Maar, wien 't geluk wil dienen en wie haar vindt, is zeker van eene goede vangst, en buigt hij zich over den rand zijner boot heen, dan ziet hij bij stil, helder weder, eene kleine inzinking van den zeebodem, niet ongelijk aan het spoor, dat een groot, Nordlandsch jacht op de vaart achter zich laat, en eene groote rotsklomp in den vorm van eene droogschuur. Deze zandbank heeft niet altijd op den bodem der zee gelegen. In den ouden tijd was zij een eiland, dat aan een' rijken Helgolandschen boer toebehoorde; deze had er, tot eene schuilplaats onder het visschen bij opkomend onweer, eene hut gebouwd, grooter en beter dan de meeste elders. Sommige menschen meenen, dat deze zandbank zich somwijlen boven het zeevlak verheft als een vriendelijk eiland. Wat hiervan zij, zeker is 't, dat het in ouden tijd niet richtig was op dit onbewoonde eiland. Visschers en zeelui verzekerden, dat zij vaak onder 't voorbijvaren gelach en scherts, muziek en dans hadden gehoord en een geklop en getik, of er een jacht op stapel stond. Daarom bleven ze liefst op een' afstand, en zoo was er niemand, die er ooit eene levende ziel had aanschouwd.
De rijke boer, waar ik van sprak, had twee zoons, die den naam droegen van Hans Nikolai en Luk-Andries. De oudste was een knaap, uit wien men moeielijk wijs kon worden. Daar was bijna niemand, die behoorlijk met hem over weg kon komen, schoon hij, op 't punt van geld verdienen, handiger was dan de meeste Nordlanders, die anders in dit opzicht voor niemand behoeven onder te doen.
De ander, Luk-Andries, was driftig en onbezonnen, maar altijd goed geluimd; al liep 't hem nog zoo tegen, altijd zei hij, dat 't geluk hem diende. Als hij maar met een arendsjong thuis kwam, deerde 't hem niet of het bloed hem langs de wangen liep van de wonden, hem door den ouden toegebracht; sloeg zijne boot om, zooals niet zelden gebeurde, en vond men hem op den bodem zitten, doornat en stram van koude, dan antwoordde hij op de vraag, hoe hij 't had: "Al wel, al wel; het geluk dient me: ik ben gered."
Toen de vader stierf, waren de broeders reeds volwassen. Op zekeren dag, niet lang daarna, moesten zij naar 't Zand om eenig vischtuig te halen, dat men er bij den terugkeer van de vischvangst had achtergelaten. Luk-Andries had zijne buks bij zich; die verzelde hem overal, waar hij heenging. 't Was reeds laat in 't najaar en geen enkele visscher zwierf meer op zee. Hans Nikolai sprak niet veel onder de vaart, maar hij dacht zooveel te meer. De avond was reeds gevallen, toen zij voor de terugreis gereed waren.
"Wil ik je 'reis wat zeggen, Luk-Andries: 't wordt noodweer van avond," sprak Hans Nikolai, terwijl hij zeewaarts tuurde; "ik meen, dat we best zullen doen, hier te blijven tot morgen."
"Noodweer wordt het niet;" antwoordde Andries, "want de zeven zusters hebben de stormmutsen niet op. 't Zal wel gaan."
Maar nu begon de ander te klagen over vermoeidheid, en eindelijk werden zij 't eens, dat zij den nacht daar zouden overblijven.
Toen Andries ontwaakte, was hij alleen; noch zijn broeder, noch de boot waren ergens te zien; eerst toen hij den top van het eiland had beklommen, bespeurde hij beide heel ver weg; de boot scheen niet grooter dan eene meeuw. Luk-Andries begreep er niets van. De proviandkist was achtergelaten; daarnaast stonden een vat met zure melk, de buks en eenige andere dingen. Andries bekommerde zich niet lang over 't geval. "Van avond zal hij wel terug komen," dacht hij en maakte de proviandkist open; "een dwaas, die den moed laat zakken, zoo lang hij nog wat te bikken heeft." Maar de avond kwam en Hans bleef weg, en Luk-Andries wachtte vergeefs dag aan dag en week aan week. Eindelijk begon hij te vermoeden, dat Hans hem opzettelijk had achtergelaten, om zich zijn erfdeel te kunnen toeëigenen. En zoo was 't; want toen Hans Nikolai dicht bij huis was gekomen, wist hij 't zoo aan te leggen, dat de boot omsloeg, en hij vertelde nu, dat Luk-Andries verdronken was.
Maar Andries liet den moed niet zinken; hij zamelde drijfhout op het strand, schoot zeevogels, zocht mosselen en kruiden, maakte zich een vlot van balken en planken en vischte met een' hengel, dien hij toevallig vond. Op zekeren dag, terwijl hij aan 't visschen was, bespeurde hij eene kloof of spleet in het zand, alsof daar een groot Nordlandsch jacht had gestaan, en duidelijk ook zag hij sporen van gewonden touwwerk, van de zee tot op den top des heuvels. Zoo, dacht hij bij zich zelven, nu is alle gevaar voorbij; want hij wist thans, dat men geene onwaarheid had gesproken, toen men hem vertelde dat er nikkers op 't eiland woonden, die er een prachtig jacht op na hielden. "Goddank, dat is goed gezelschap! Ja, 't is als ik zeg: 't geluk dient mij," dacht Andries bij zich zelven; misschien zei hij het ook wel, want hij moest wel behoefte gevoelen nu en dan wat te praten. Zoo leefde hij voort, tot de winter inviel. Eens zag hij eene boot; hij zette eene vlag op een' stok en zwaaide er mee; maar op 't zelfde oogenblik liet men het zeil vallen, de bootslui zetten zich aan de riemen en roeiden heen, zoo spoedig ze konden. Ze meenden, dat het nikkers waren, die hen daar met de vlag wenkten.