Part 14
De heuvel, waarop wij ons bevonden, lag als een eilandje midden in het uitgestrekte moeras. Op den top verhief zich de spar, een ontzettend hooge mastboom, vol knoesten van afgehouwen takken. Aan den oostkant stond eene andere, die wis even reusachtig was geweest, maar zich thans over 't moerasland heen kromde; de stormen hadden zijn' top vernield, slechts de onderste, bijna naakte takken waren overgebleven en strekten zich als forsch gespierde reuzenarmen naar den helderen hemel uit. De zon was opgekomen; zij verguldde de bergruggen en wierp haar' glans op de donkere pijnbosschen. Maar nog lag 't Skjaersjö-moeras, dat zich naar 't zuiden uitstrekte, zoover het oog kon reiken, in donkere schaduwen gehuld. De houtsnip, het bokje en alle nachtvogels waren ter rust gegaan; de vroolijke boschzangers daarentegen deden in den klaren morgenstond hunne jubeltonen weerklinken, de sparrevink liet zijn' eentonigen slag hooren, beukvinken en winterkoninkjes kweelden boven ons hoofd, de boschhanen balderden lustig, de lijster zong uit volle borst spotliedjes op al zijne makkers, doch viel soms ook plotseling in 't sentimenteele en kweelde zacht en zoetelijk eenige weemoedige strofen. Aan gene zijde van 't moeras zat een boschhaan uit alle macht in een' boomtop te balderen. Eenige hennen trachtten hem al kakelend tot zich te lokken en deden een heesch neusgeluid hooren, dat den woudgangers even liefelijk in 't oor moest klinken, alsof bestemoer ons de jonge liefde en de teedere aandoeningen harer kleindochter wilde vertolken.
Wij stonden in 't dichte kreupelhout op den kleinen heuvel verborgen en verwachtten elk oogenblik den vermaarden boschhaan. Maar de oude verliet noode zijn' harem. Eindelijk, toen de zonnestralen den top der spar beschenen, kondigde het gesuis van zware vleugelslagen zijne komst aan, doch hij zette zich niet, zooals we hadden vermoed, in den hoogen boom boven ons hoofd, maar in de toplooze spar, die over 't moerasland helde. 't Was inderdaad een prachtige vogel, een stout kampioen, zooals hij daar op den naakten tak zat, met zijne glinsterende, lichtgroene borst, schitterend in den zonneschijn. Eene hen vloog hem na en zette zich in den top boven ons. Op 'tzelfde oogenblik maakte de oude zich tot het spel gereed, hief de keelvederen omhoog, liet de vleugels over de pooten vallen, deed onder golvende bewegingen met den hals statig eenige schreden voorwaarts op den tak en begon te balderen, waarbij hij den breeden staart uitsloeg als een rad. Ik stond met den vinger tegen den haan en wachtte gespannen het beslissend oogenblik, dat hij zijne vleugels ter vlucht zou uitspreiden; de groote vlakte, die zich voor ons uitstrekte, schonk mij voortreffelijk gelegenheid tot een zeker schot. Maar onder 't gekakel der hen balderde de oude lustig door en was reeds op nieuw met zijn geratel begonnen, toen er een tak kraakte onder mijn' voet. De hen stiet een scherp, waarschuwend geluid uit; maar de oude was thans zoozeer in vervoering, dat hij den welmeenenden raad in den wind sloeg en voortging met slijpen, tot zijne trouwe minnares hare rustplaats verliet, hem te gemoet vloog en hem van den tak naar beneden scheen te willen stooten. Opmerkzaam geworden op hare waarschuwing, bereidde nu ook hij zich ter vlucht. Maar mijne buks was gericht en, met den kop omlaag, stortte de trotsche vogel neder op 't moerasland. Zijn doodstrijd was licht; slechts een paar malen bewoog hij de vleugels.
Per sprong heen en nam den vogel op; over zijn gelaat vloog eene schaduw van ontzetting, die echter spoedig plaats maakte voor een' blijden glimlach van bewondering. Hij schudde met het hoofd en zeide:
"Neen, dat zou 'k niet geloofd hebben, al had de kapitein zelf 't gezeid, want 't is wel de rechte. Ik ken hem aan den bek: zoo'n gelen, krommen, mooien snavel heeft geen enkele vogel in den ganschen omtrek. Zie eens, hoe groen zijne borst is; hoe ze glinstert en glanst! En wat is hij stevig en zwaar!" voer hij voort, terwijl hij onder bijna kinderachtige uitbarstingen van blijdschap den vogel op de handen woog. "Ik lieg niet, als ik zeg, dat hij dertig marken weegt. Drommels, dat was een schot! Wat zal de kapitein in zijn schik zijn! Ho! ho, hierheen!" schreeuwde hij, dat 't overal tusschen de bergen weerklonk. Weldra verscheen de kapitein op 't marschland, gevolgd door den knaap, die zich met de honden bij hem had gevoegd. Zij droegen elk een boschhoen. Zegepralend hief Per onzen buit omhoog en riep reeds van verre:
"Daar hebben we den ouden schelm, kapitein!"
"Wat zeg-je, kerel?" riep deze en kwam vol drift naar ons toe. "Is dat de oude? Dat is een prachtig schot geweest; daar kan een hartige dronk op staan."
"Vivant alle vogel-republieken, pereant de tirannen!" riep hij uit, toen hij de veldflesch en een' zilveren beker uit zijne weitasch had gehaald en ons eene teug bood.
"Nu, heb ik niet gezegd, dat de kapitein schik zou hebben?" zeide Per lachend en grijnzend, terwijl hij, met de oogen knippend, eene stevige teug nam uit den beker, die hem werd gereikt. "Nu kan de jacht eerst goed worden, nu we dat duivelskind kwijt zijn."
Nadat wij van weerszijden onze ontmoetingen hadden verhaald, werden de honden losgelaten. Vroolijk jachtgeroep weergalmde door 't woud. Weldra hadden wij dit bereikt, en nu ging 't voorwaarts met verlangen en lust. Duizendvoudig deed de echo het hondgeblaf weerklinken door 't gebergte, en 't hart zwol van vreugde bij de genotvolle jacht in den zonnigen morgenstond.
EENE TOOVERHEKS.
Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. 't Was een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte takken zich boven 't dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was, stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak:
"De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen ze, heeft de engelsche ziekte niet; het is een wisselkind. We hadden hier dezer dagen een' leerlooier, die dat ook zeide, want toen hij nog een jongen was, had hij in Ringebu eens zoo'n kind gezien, en dat was even mager en gebrekkig als dit."
Terwijl ze dit zeide, las men op haar gelaat eene uitdrukking van bekommernis, die bewees, welk een' indruk de uitspraak van den leerlooier op haar' bijgeloovigen geest had gemaakt.
De vrouw, tot wie zij 't woord richtte, mag omtrent zestig jaar zijn geweest en was grof van lijf en leden. Zij was buitengewoon groot van stal, maar terwijl ze zat, scheen ze eer klein dan middelmatig van lengte, en aan deze eigenschap had zij 't te danken, dat men bij haren naam Gubjör den scheldnaam Langpoot had gevoegd. Grijze haren kwamen onder hare muts vandaan, die een donker gelaat omlijstte met borstelige wenkbrauwen en een lange aan de spits sterk gekromde neus. De bekrompenheid van geest, die sprak uit het lage voorhoofd en het breede aangezicht, stond in lijnrechte tegenstelling met den onmiskenbaar listigen blik harer kleine, scherpe oogen en de terugstootende valsche trekken van haar rimpelig gelaat. Uit hare kleeding bleek, dat zij uit eene noordelijker streek afkomstig was; haar gezicht en geheel haar doen verrieden de tooverheks, of ten minste de landloopster, die, naar omstandigheden, nu eens stout en onbeschaamd, dan weer vleiend en kruipend kon zijn. Terwijl de boerin sprak en met het bereiden der koffie bezig was, hield Gubjör eene soort van hangmat, waarin een wicht van ziekelijk voorkomen lag, in beweging, door er nu en dan met de hand een' stoot aan te geven.
Met vaste stem en op een' toon van gezag beantwoordde zij de opmerking der boerin, schoon hare fonkelende oogen en de trillende spieren om den mond bewezen, dat ze alles behalve ingenomen was met de verklaring van den leerlooier. "De menschen," zei ze, "kallen zoo dikwijls over dingen, die zij niet verstaan, beste Marit Rognehaugen; ze praten over al, wat los en vast is; en de leerlooier weet misschien veel van schapenleer, maar van engelsche ziekte en wisselwichten weet hij niemendal--dat zeg ik, en daar blijf ik bij. Ik zou meenen, dat ik wel weet, hoe wisselkinderen er uit zien, 'k heb ze vaak genoeg onder handen gehad. Dat kind, waar hij van praatte, was zeker het kind van Brit Briskebraaten van Fron, want die bezat er zoo een en....ja, 't zal wel zoo wezen--daar had de leerlooier 't over. Zij kreeg 't spoedig na haar trouwen, want eerst had ze een heel lief kind; maar dat werd verruild met een heksenkind, zoo leelijk en woest als de duivel zelf. Nooit kon men 't een woord uit de keel krijgen; 't deed niets dan eten en schreeuwen. Toch dorst Brit het niet slaan, of het ook maar 't geringste leed doen; maar de een of ander, wie weet ik niet, leerde haar eenige middeltjes, die van krachtige uitwerking moesten zijn, en werkelijk bereikte zij hiermee haar doel. Zij dreigde het kind, dat de reus het naar de hel zou sleepen, noemde het een hellewicht en een' heksenjongen, wenschte het waar het vandaan was gekomen, ja, waagde 't eindelijk het duchtig met den bezemsteel om de ooren te slaan. Maar terwijl ze dit deed, werd de deur wijdwagen opengesmeten en binnen vloog--ja, ze zag niets--maar toch kwam er een binnen en pakte 't wisselkind mee en wierp haar eigen kind zoo onzacht op den vloer, dat het kreet van pijn.
"Of misschien was 't het kind van Siri Strömhugget? Dat was zoo mager als een tachtiger; 't mocht ook kreupel zijn, maar op uw kind leek 't evenmin als op mijne oude muts. Ik herinner 't mij zoo goed als de dag van gisteren; toen ik nog bij den klokkemaker diende heb ik 't meer dan eens gezien, en mij heugt ook nog heel goed, hoe ze er aan kwam en hoe ze 't kwijt raakte. Ieder had er den mond vol van; want Siri kwam uit den vreemde. Toen zij nog eene deerne was, diende zij op Kvam, en 't heugt me nog klaar, hoe ze dan naar Gaupeskjelplads ging, waar hare ouders woonden. Sedert kwam zij op Strömhugget in dienst en trouwde met Ola, den zoon van den meester der hoeve.
"Toen ze de eerste maal in 't kinderbed lag, kwam er een vreemd wijf het vertrek binnen, nam het kind weg--dat pas een paar dagen oud was--en lei er een ander voor in de plaats. Siri wilde 't bed uit om haar kind te redden; ze spande alle krachten in, maar te vergeefs: zij kon zich niet verroeren, want ze was behekst. Zij wilde hare schoonmoeder, die buiten was, te hulp roepen, maar de woorden bleven haar in de keel steken en zoo benauwd werd ze, of men haar het mes op de keel had gezet. 't Schepseltje, dat 't wijf had achtergelaten, was een wisselkind, dat bleek zoo klaar als de dag. Want het was gansch anders als gewone kinderen: het deed niets dan schreeuwen en krijten, of men 't met messen stak, en het schopte en sloeg om zich heen als eene Hulderkat. 't Was een recht duivelskind. Eten weigerde 't hardnekkig. En de arme moeder wist volstrekt geen raad om het van den hals te krijgen. Maar nu deed men haar eene vrouw aan de hand, die in zulke zaken ervaren was. Die ried haar, het wicht op den mesthoop te leggen en 't dan met een' dikken berketak duchtig te rossen. Dat moest ze drie donderdagavonden aaneen doen. Ze deed het ook en ziet--den derden donderdagavond kwam er een wijf over het dak aanvliegen; het smeet een kind op den mesthoop en scheurde haar eigen daar af. Maar op 't zelfde oogenblik sloeg zij Siri op de vingers, dat deze er nog litteekens van draagt; en die litteekens heb ik met mijne eigen oogen gezien," voegde Gubjör er bij tot bevestiging van haar verhaal. "Neen, dit kind heeft net zooveel van een wisselwicht als ik zelf;--en hoe zou het ook mogelijk zijn geweest het te ruilen?" vroeg zij.
"Ja, dat zou 'k evenmin weten," zei de boerin trouwhartig, "want ik heb bevergeil in de wieg gehad; ik heb er vuur boven gebrand; ik heb er 't teeken des kruises over gemaakt; ik heb eene gesp in het hemd van mijn kind genaaid, en dat mes, daar, heeft boven de deur gezeten. Zoodat ik niet weet, hoe 't zou kunnen gestolen zijn."
"Wel neen, dan zijn ze machteloos; bij mijne ziel, geloof me," voer de tooverheks voor, "ik weet dat wel. Ik had voorheen eene goede kennis op een dorp bij Christiania. Die had ook een kind, dat ze door allerlei middelen zocht te beveiligen: zij sloeg een kruis boven de wieg, lei er vuur boven aan, deed bevergeil er in--alles naar haar beste weten, want men hoorde vaak van tooverij en duivelskunsten daar in den omtrek. Op zekeren nacht lag ze met het kind vóór zich te bed; haar man lag tegen den wand der bedsteê. Pas zijn ze ingeslapen, of de man ontwaakt en ziet een' rooden schijn in 't vertrek, juist of er iemand met de asschop het vuur samenrakelde. En daar was er ook werkelijk een aan het vuurrakelen; want toen de man een' blik op den haard sloeg, zag hij een oud man zitten, zóó leelijk, als hij nog nooit iemand had gezien, met een' baard, die hem tot op de knieën hing. Toen het vuur helder opflikkerde, begon de oude de armen naar het kind uit te strekken, maar wat hij deed, hij kon 't niet bereiken, en van zijn stoel rijzen kon hij evenmin. Zijne armen werden zóó lang, zóó lang, dat ze tot midden in het vertrek reikten; maar van zijne plaats kwam hij niet. Dat duurde eene heele poos; de man lag stom van schrik en wist geen raad. Nu hoorde hij aan het venster tikken.
"Kom dan, Per," sprak eene stem.
"Houd den bek!" zei de oude, die aan den haard zat.
"Ze hebben het kind gezegend; daardoor kan ik het niet krijgen."
"Kom dan maar mee!" klonk het weer buiten. Dat was 't wijf van den oude, die het wicht zou rooven.
"Neen, kijk me dat lieve schaap eens aan!" zei de tooverheks vleiend, terwijl ze het kind, dat ontwaakt was, uit de wieg nam. 't Knaapje scheen intusschen niet zeer ingenomen met hare liefkoozingen, want het toonde zich zeer weerbarstig en begon te krijten, als ze 't onder een akelig gegrijns wilde streelen. "Het is zoo blank en mooi als een engeltje; een beetje mager is 't wel--dat moet gezegd worden--maar wie het een wisselwicht noemt, is voor zijne eerste logen niet opgehangen! Neen, moeder, de engelsche ziekte is het," zei ze met den klem der overtuiging, terwijl ze zich tot de moeder keerde; "'t is de engelsche ziekte, anders niet."
"Stil, stil! hoor 'k daar geen geklop tegen den wand? De hemel sta me bij, als dat Truls eens ware!" riep de boerin op eens, terwijl ze beefde van schrik op 't denkbeeld, dat haar man haar mocht verrassen onder het koffiepraatje met de tooverheks. IJlings sprong ze op de deur toe, opende die en keek naar buiten; maar er was niemand, dan de cypersche kat, die op de jacht was geweest in de vochtige elzenstruiken en nu de natte pootjes afdroogde. Truls was 't dus niet; maar tegen den zonnekant van 't huis zat eene specht te tikken, om de insekten uit haar winterslaap te wekken. Elk oogenblik draaide zij den kop om, of ze naar iemand keek, maar ze wachtte slechts op eene regenbui.
"Is er iemand?" vroeg de tooverheks. "Zoo," ging ze voort, toen er een ontkennend antwoord was gevolgd, "laat dan de deur openstaan en kom hier zitten; dan kunnen we uw' man zien aankomen; ge wacht hem immers van dezen kant?"
"Hij is met de slee uit om blaren te halen voor de geiten," antwoordde de boerin. "Maar ik ben zoo bang, dat hij ons zal overvallen. Onlangs merkte hij, dat gij hier geweest waart; er was toen geen huis met hem te houden, zoo stoof hij op. Hij vroeg me, of ik dan geen' schelling meer in den zak had om naar den dokter te gaan, en zwoer, dat hij van zulke kwakzalverij en bovennatuurlijke kunsten nooit meer wou hooren; want hij gelooft aan niets meer, sedert hij met den schoolmeester van 't dorp heeft omgegaan."
"Naar den dokter gaan? Bah!" zei de tooverheks met een verachtelijk gebaar. "'t Baat ook wat, als de armoê den dokter haalt. Kan men niet diep in de beurs tasten, dan wordt men behandeld als een hond, maar niet als een mensch! Hoe ging 't, toen Geertruid Kostebakken met den dood op de kaken lag, nadat ze reeds twee etmalen lang in arbeid was geweest? De dokter vierde het kerstfeest bij den secretaris, en naar de arme ziel keek hij niet om, voor men dreigde hem te zullen aanklagen bij den bisschop en den schout. Hij had wel heelemaal weg kunnen blijven, want toen hij kwam, was ze reeds dood. Naar den dokter gaan, als 't kind de engelsche ziekte heeft; ge kunt er evengoed den duivel bijroepen. Neen, God beware me", ging ze spottend voort, "ik houd u niet tegen--ga er gerust heen! Maar als hij u, zie zóóveel helpt--dan mag ik geen enkel mensch meer gezond maken in mijn leven. Och, ze weten niets van de engelsche ziekte, want daar staat niets van in de boeken; voor die kwaal is geen kruid gewassen, dat weten ze wel, en daarom geven ze er dan ook geen poeiers of drankjes of zulk duivelsgoed tegen. Neen, geen andere raad is er voor dan lood smelten, maar die kunst verstaat geen dokter.
"Zet dus den lepel maar op 't vuur, moedertje," begon ze op een' gansch anderen toon, "want de zon staat reeds dicht bij 't zuiden. Tweemaal hebben we 't reeds gedaan, laat ons nu voor de derdemaal beginnen, anders zou 't verkeerd afloopen. 't Kind heeft de engelsche ziekte, maar daar zijn negen soorten van die kwaal. Ja, ja, ik heb 't u gezegd en ge hebt 't zelf gezien, dat 't kind reeds verlost is van de nikkerkwaal en de waterkwaal. Den eersten donderdag werd 't een man met twee groote horens en een' langen staart. Dat was de nikkerkwaal. Later werd het eene meermin. Zaagt ge 't niet zoo duidelijk, of het geschilderd was? Dat was de waterkwaal. Maar nu is 't weer donderdag, en thans zal de vraag zijn, wat er van komt, zoo we opnieuw aan 't smelten gaan. Op den derden keer komt het vooral aan, moet ge weten. Daar hebt gij 't kind," zei ze en reikte het de vrouw over.
"Schenk me eerst nog een teugje koffie; dan beginnen we."
Toen de koffie gedronken en de blinkende spoelkom weggezet was, ging ze met bedachtzamen tred naar den haard en haalde eene snuifdoos voor den dag.
"Sinds verleden donderdag," zei ze "ben ik in zeven kerspelen geweest om te middernacht lood te schrapen van de kerkramen, want mijn voorraad was uitgeput. 't Is een geneesmiddel voor lijf en ziel," mompelde zij voor zich heen, terwijl ze eene kleine hoeveelheid van 't met zooveel moeite verzamelde lood in den lepel stortte.
"Ge hebt toch wel in 't holst van den nacht water gehaald, dat naar 't noorden stroomde?" vroeg zij verder.
"Ja, ik ben gisteren nacht naar de molenbeek geweest; dat is 't eenige water, dat, uren ver in den omtrek, naar 't noorden vloeit," antwoordde de boerin en haalde eene goed gesloten nap te voorschijn, waaruit zij water schepte in eene bierkroes. Hierover legde zij eene snee gerstebrood, waarin met eene stopnaald een gat was gemaakt. Nadat het lood was gesmolten, ging Gubjör in de deur staan, zag naar de zon, nam daarop den lepel en goot het gesmolten metaal door de opening langzaam in het water, onder het mompelen der volgende woorden:
Zoo drijf ik de duivelsche kwaal uit het wicht, Ik drijf haar naar buiten, tot ze eindelijk zwicht; Ik drijf haar door weer en ik drijf haar door wind; Ik drijf haar steeds verder, tot ze eindlijk verzwindt; Ik drijf haar naar 't zuiden; ik drijf haar naar 't noord; Ik drijf naar het oosten en westen haar voort; Ik drijf haar den grond in; ik drijf haar naar 't strand; Ik drijf haar den berg in; ik drijf haar in 't zand; Ik drijf haar, waar de elzenstruik wortelt in de aard; Ik drijf in den poot haar van 't moedige paard; Ik drijf haar ter helle naar d'eeuwigen gloed; Ik drijf naar den stroom haar, die noordwaarts zich spoedt; Daar moog' zij knagen en daar moog' zij teren, Maar 't vriendelijke kind zal zij nimmer er deren.
Zooals natuurlijk was, siste en spatte het gloeiende lood, toen 't in 't water kwam.
"Hoor, nu verdwijnt de betoovering," zei de tooverheks tot de boerin, die met eene mengeling van angst en eerbied op 't gelaat luisterde en toezag, terwijl ze haar jongske op den arm hield. Toen de snede was weggenomen, vertoonden zich in het water een paar figuren, door het gesmolten metaal gevormd. De tooverheks bekeek ze lang en aandachtig; daarop knikte zij en sprak:
"De lijkkwaal, de lijkkwaal!--eerst de nikkerkwaal, toen de waterkwaal, nu de lijkkwaal.--Eéne van drieën ware reeds meer dan genoeg geweest," voegde zij er hoofdschuddend bij.--"Ja, nu zie ik, hoe 't is toegegaan," voer ze luider voort, terwijl zij zich tot de boerin wendde: "Eerst zijt ge door een bosch en voorbij een' berg gegaan, waarin de nikkers huisden; toen hebt ge den naam Jezus uitgesproken. Daarna moest ge eene rivier over; weer hebt ge den knaap beveiligd, door den naam van Jezus over hem uit te spreken; maar toen ge voorbij het kerkhof kwaamt, nog vóór het hanengekraai, hebt gij 't vergeten, en toen is het kind door de lijkkwaal bevangen."
"In Jezus' naam, hoe kunt ge dat weten?" borst de boerin, bleek van schrik en verbazing uit. "Elk woord, dat gij zegt, is waar! Toen wij den saeter verlieten, liepen er eenige schapen weg; daardoor werden wij opgehouden. De duisternis overviel ons, terwijl we nog den berg niet waren afgedaald, en toen scheen 't mij op eens, dat ik een licht zag in 't bosch en een geluid hoorde, of er eene poort werd geopend. Ik schrok hevig, want men zegt, dat er berggeesten huizen, en ik riep uit: "In Jezus' naam, behoed mijn kind!" En toen wij de rivier overtrokken, hoorde ik een' kreet, zoo afgrijselijk, dat ik weer riep: "In Jezus' naam, mijn kind!" Maar de anderen zeiden, dat het een zeeduiker was, die om onweer riep."
"En al ware 't een zeeduiker geweest," sprak de tooverheks, "wanneer die tegen een kind schreeuwt, krijgt het de engelsche ziekte."
"Dat heeft men mij ook verteld; ik meende toen, dat het ergste voorbij was," voer de ander voort. "Maar toen wij voorbij het kerkhof kwamen, scheen 't op eens of onze stier razend werd, en de koeien van de lui daar begonnen ook uit alle macht te schreeuwen, en we kregen zooveel met de kudde te stellen, dat ik geheel vergat het kind te zegenen."
"Daar hebt gij 't, moedertje; toen heeft 't kind de lijkkwaal gekregen. Zie zelf maar in de kroes: daar staat eene kist, en hier een kerktoren, en in de kist ligt een lijk, met de vingers uitgespreid," sprak de tooverheks op zalvenden toon, terwijl ze de zonderlinge gedaanten, door 't gesmolten lood gevormd, verklaarde.
"Hm, hm, hm, dat zou kunnen helpen!" mompelde zij een ommezien later, maar luid genoeg, dat de ander het kon verstaan.
"Wat zou kunnen helpen?" vroeg de boerin blij en nieuwsgierig.
"'k Zeg niet, dat het zal helpen--maar 't valt te probeeren," zei de tooverheks. "Ik zal een bakerkindje maken, en dat op 't kerkhof begraven; dan wanen de dooden, dat zij 't wicht hebben gewonnen, en God verhoede, dat ze ooit merken, wie hen bij den neus heeft gehad! Maar daarvoor heb ik zilver van doen. Hebt gij oud zilver?"
"Ja, ik heb nog een paar oude zilveren munten van mijn' vader geërfd; nooit heb ik ze willen aanroeren, maar nu het leven van mijn kind er mee gemoeid is...." zei de vrouw en was reeds bezig om in de lâ eener ouderwetsche kist te gaan zoeken.
"Eén stuk zal ik in den berg stoppen, het tweede in 't water werpen, en het derde op 't kerkhof begraven;--drie moet ik er dus hebben," zei het wijf, "en dan wat oude plunje, om het kind na te bootsen."