Part 12
"Nu wil ik u," zeide hij, "eene zeer geloofwaardige historie verhalen uit den nieuweren tijd, die ook daarom merkwaardig is, wijl zij eene profetie bevat van toekomende tijden en gebeurtenissen. Op de hoeve Flytty in 't hoofdkerspel Lesje leefde een man met name Jens Ivarszoon, wiens voorvaderen sedert onheugelijken tijd deze hoeve hadden bewoond. Jens was een nadenkend man, voor iedereen even gedienstig, altijd bescheiden, en niemand wist ook maar het geringste op zijn' handel of wandel aan te merken. Op zekeren dag sloeg hij den weg in naar zijn' saeter in 't Lordal; hij wilde zijne paarden halen om ze op den akker te gebruiken en hout te vervoeren. Maar waar hij kwam--op den saeter niet, en hoe lang men ook zocht, hij was nergens te vinden. Acht jaar na zijn verdwijnen huwde zijne vrouw op nieuw, en terwijl de bruidstoet zich in de kerk bevond, vertoonde Jens zich eensklaps op de hoeve, zonder dat iemand had gezien, vanwaar hij kwam. Hij bleef er slechts een oogenblik en vertrok weer zonder iemand een woord te hebben gezegd. Van degenen die hem hadden gezien, zeide nu de een dat het deze, de ander dat 't gene was geweest; maar allen waren het hierin eens, dat hij precies op Jens geleek. Eer nog de bruidstoet was teruggekeerd, onttrok Jens zich echter aan aller nieuwsgierige blikken en vragen, maar toen zijn oudste zoon met eenige vrienden de paarden naar de weide bracht, liep hij op hem toe. De knaap herkende zijn' vader niet, en ging voort de beesten vast te zetten. Nu sprak Jens:
"Zoo moet ge niet doen, mijn jongen! Ge moet altijd den strik om den linker voorpoot slaan, anders is 't paard genoodzaakt tegen zijn' aard in te loopen."
Dadelijk begreep nu de knaap, wie daar voor hem stond; hij verzocht zijn' vader hem naar huis te volgen. Jens deed dit, en nauwelijks was hij 't bruiloftsvertrek binnen getreden, of alle gasten zaten stom van schrik; want allen hadden hem herkend, en zijne vrouw borst in tranen uit, smeekte hem om vergiffenis en wierp zich in zijne armen. Jens troostte haar zoo goed hij vermocht en zeide, dat hij niet gekomen was om haar verwijten te doen over haar' nieuwen echt; op arglistige wijze voegde hij er bij, dat hij niet meer deugde voor 't huwelijk en ook niet op de hoeve kon blijven; zijn doel was alleen de noodzakelijkste schikkingen te treffen voor zijne onmondige kinderen. Nadat hij dit had gezegd, verzocht hij het nieuwe echtpaar hunne plaatsen weer in te nemen. En nu deelde hij, in tegenwoordigheid van al de verbaasde bruiloftsgasten, mede, wat zijn laatste wil was omtrent het verdeelen van have en erf onder zijne kinderen, voor zoover dezen daar recht op hadden, en dit alles werd met hand en mond bezegeld. Daarop wilde Jens vertrekken, maar men hield niet op, hem te bestormen met allerlei vragen, waarop hij meerendeels een ontwijkend antwoord gaf. Onder andere zeide zijne vrouw: "God zij dank, dat gij hier gekomen zijt, om uw' laatsten wil mede te deelen en te zien, dat uwe afkomst op de hoeve kan blijven."
"Ja," antwoordde Jens, "mijne afstammelingen zullen hier blijven wonen, zoolang dit land bestaat. Maar er zal een slag geleverd worden op Lillehammer, de hevigste kamp, die ooit op Noorschen grond werd gestreden: 't bloed der helden zal stroomen over de vlakte, en de duivel van 't Gudbrandsdal zal beslissen, of Noorwegen langer een koninkrijk zal heeten. In Frankrijk is den boeren de strijdkolf ontvallen, maar daar zal hij 't eerst op nieuw worden gezwaaid, en met zijne verpletterende slagen zal hij overal den toestand der volkeren omkeeren."
"En wanneer zal die slag worden geleverd?" klonk de vraag.
"Wanneer breede wegen door de dalkloven den vijand het binnendringen licht maken," antwoordde Jens, "en wanneer 't geweld de wetten des lands zal schrijven, dan zal de vonk van den oorlog tot eene vlam worden, en Noorwegen en Zweden zullen onder één' schepter komen. Maar eer dit geschiedt, zal de vuurgloed de schoone vlakte van Sell verteren en de wateren der Skotte zullen haar bedekken. Dan zullen de bergen van Noorwegen sidderen en een ekster zal zijn nest bouwen op den haardsteen van Flytty."
Na deze en dergelijke opmerkelijke voorspellingen verliet Jens Ivardszoon de hoeve, en niemand heeft hem ooit meer aanschouwd."
Onder de laatste vertelling scheen de schoolmeester meer en meer tot zich zelven te komen. Tegen 't slot sprak hij zelfs beter dan gewoonlijk, en zijne tong bleek volkomen hare vaardigheid herkregen te hebben; maar toen hij nu wilde opstaan, begon hij tot onze verwondering te waggelen. Hij nam afscheid, drukte ons onder vervaarlijke buigingen allen de hand en ging zijns weegs, "daar hij zich niet al te wel gevoelde."
Nadat hij zich had verwijderd, en zijne levenswijze, zijne omgeving en zijne zonderlinge manieren ruimschoots waren bepraat, noodigde Andries het vreemde, vriendelijke meisje uit, wat te vertellen. "Ik weet, dat je heel wat vertellingen kent, Borghild," zeide hij, "en als je wilt, kun-je goed vertellen ook; kom, vertel eens eene historie. Hoe ging 't ook weer met de dochter van Steven Aaseng?"
"Dat is gauw genoeg verteld," zei ze vriendelijk; en een blos van verlegenheid kleurde het fijne, bleeke gezichtje, terwijl ze zich tot ons wendde en dus begon:
"Die Steven kwam van Rolfstad en trouwde de dochter van Aaseng in 't Hedal. Ze kregen een dochtertje. Maar terwijl ze op zekeren zomer op den saeter lagen, werd 't kind geroofd en in den berg gesleept. 't Meisje zal niet ouder geweest zijn dan een jaar of acht, en de ouders waren bitter bedroefd, want o, 't was zoo'n lief, vriendelijk kind! Ge moet weten, de Rolfstads zijn nog zoo wat familie van mij, en grootvader kwam vaak op de hoeve; hij had altijd den mond vol van haar. Toen ze weg was, zocht men dagen achtereen; men luidde de klokken voor haar, maar ze was weg en bleef weg, en kwam niet weerom. Verscheiden jaren later waren eens twee mannen aan 't visschen in 't Heimdalgebergte, twee mijlen van Valders. Ze hadden eene hut opgezocht en een vuur aangelegd. Terwijl ze 's avonds laat nog bij elkaar zaten, kwam er eene vrouw de hut binnen, groot van stal en vriendelijk van uitzicht. Zij vertelde, dat zij de dochter was van Steven Aaseng en dat zij vóór vele jaren door de berggeesten in den berg was gesleept en sedert daar altijd had gehuisd.
"Maar morgen moet ik trouwen met den reus van Raanaaskamp," sprak zij, "en nu zou ik zoo graag willen, dat gij een bosje hooi over mijn hoofd gooidet om mij te verlossen, want word ik morgen niet verlost, dan moet ik voor altijd in den berg blijven. Wanneer gij op de heuvels bij de rivier gaat staan, dan kunt gij ons zien, want ik kom van Trosstemkamp en ga naar Raanaaskamp. Den bruidegom kunt ge dadelijk herkennen; hij rijdt vooraan op een zwart paard en heeft eene neus zóó lang, dat ze tot op den zadelknop hangt."
De visschers beloofden, dat ze den bruidstoet zouden opwachten en een bos hooi over haar hoofd werpen, en de bruid vertrok. Den volgenden dag waren de mannen op hun post. Tegen den middag naderde de stoet. Nooit hadden ze zulke voorname lui gezien, zoo mooi gekleed, en zooveel vrouwen en jonkvrouwen, in zijde gedost en met zilveren sieraden getooid. Ze zaten allen op prachtige rossen en voorop reed de bruid, en de bruidegom had een neus, die tot op den zadelknop reikte. De visschers stonden als betooverd, want zooveel staatsie en heerlijkheid hadden ze nog nooit gezien. Toen de stoet vlak bij hen was, keek de bruid ter zijde. Nu kwamen ze tot zich zelven, maar--ongelukkig hadden ze vergeten hooi mee te nemen en konden dus niet doen, wat ze hadden beloofd. Zoo moest de bruid wel met de berggeesten meegaan naar Raanaaskamp in 't bosch van Lesje, naar den kant van 't Foldal; en misschien is ze daar nog, als ze niet van verdriet is gestorven.
"Ja," zeide 't saetermeisje, dat 't laatst was binnengekomen, "zoo'n historie heb ik ook hooren vertellen van een meisje, dat Kari heette. Ze lag op den saeter van Graven bij Oier en werd ook binnen den berg gesleept, maar wist er gelukkig weer uit te komen. 't Gebeurde op een' avond dat ze 't vee naar huis bracht. Ze was reeds vlak bij de hut, toen ze een' kleinen jongen tegenkwam, die aanstonds de beesten naar 't bosch begon terug te jagen, want ze hebben daar een bosch op den berg. Kari verzocht hem vriendelijk op te houden, maar 't baatte niet. Nu werd ze boos, begon hem uit te schelden, vloog op hem toe en wierp hem hals over kop op een hoop waschgoed. Maar tegelijkertijd struikelde ze, viel en zonk met hem in de diepte. Bij een groot kasteel kwamen ze terecht; de knaap, dien ze nu begreep dat onder de berggeesten thuis hoorde, nam haar bij de hand en voerde haar door verscheiden vertrekken, zóó prachtig, dat Kari nimmer iets dergelijks had gezien. En muziek hoorde men er, zóó fraai, als men hier boven nooit verneemt. Men noodigde haar uit te dansen, bracht haar wijn en dranken en gebak, dat er uitzag als houtspaanders bij ons, maar Kari weigerde alles en men kreeg niets uit haar dan:
"Neen, dank-je wel."
Zoodra Kari verdwenen was en men haar op den saeter miste, zond men bericht daarvan naar de hoeve. Toen hare ouders dit hoorden, kunt ge begrijpen, dat ze bitter bedroefd waren. Eerst meenden ze, dat zij in 't gebergte verdwaald was geraakt en lieten haar overal zoeken, maar te vergeefs. Nu begonnen ze te begrijpen, wat er van haar was geworden en luidden de klokken uit den toren van Oier.
Terwijl ze druk aan 't luiden waren, sprong er in 't bergslot een oud man met een' langen, langen baard van zijn rustbed op en riep met eene donderende stem, die door den ganschen berg weerklonk:
"Smijt haar naar buiten! de belhamels van Oier luiden de klokken, dat me de kop er van berst!"
Onmiddellijk werd Kari van een' hoogen zolder uit het kasteel geworpen en kwam op een moerasland terecht.
Weg was nu 't kasteel met al zijne pracht. Dicht bij den saeter vond men haar terug; ze had een' met gras bedekten heuvel bestegen, toen de menschen, die haar zochten, bij haar kwamen. Zij kreeg nu een paard om daarop naar Graven te rijden; maar terwijl men op weg was, sprong ze eensklaps op den grond en begon allerlei vreemde dansen uit te voeren en wondermooie liedjes te zingen. Zoo mooi zong ze, dat allen de tranen er van in de oogen schoten. Zij had ze in 't Hulderslot van de berggeesten geleerd, vertelde ze.--
"Nu moet-jij ook iets vertellen, Brit," zeide Andries, die 't er op scheen gezet te hebben, dat elk eene bijdrage zou leveren tot 't algemeene onderhoud. "Je weet nog wel wat van Marit Klemmedorn, de zuster van je grootmoeder; wat gebeurde daar ook mee, toen ze als veehoedster diende op den saeter van Val, hier in 't gebergte?"
"Ja, dat heugt me nog best," antwoordde Brit; "toen ik nog klein was, heeft ze 't vaak verteld en nooit kon ze 't met droge oogen doen. Eens dan moest ze, vroeg in 't voorjaar, met de kudde naar den saeter. Nauwelijks was ze daar aangekomen, of er kwam een kerel binnen, die eene heg moest maken om een' saeter in de nabuurschap; 't was hem echter te laat geworden en zoo bleef hij daar dien nacht. Marit was wat blij, want ze was een beetje bang en er was niemand dan zij in de hut. Eene week of wat later hadden ze al zoo goed kennis gemaakt, dat ze verloofd waren. Nu gebeurde 't op zekeren morgen, dat ze 't vee naar de weide moest brengen. Ze gaf eerst de melkkoe te drinken en maakte toen het jonge vee los. Daarop boog ze zich over 't schot, dat 't jonge vee van de melkkoe scheidde, heen, om ook deze los te maken. De koe stond met den kop in den voederbak, maar op eens scheen ze razend 't worden; ze sprong en schopte van belang. 't Schuim stond haar om den bek en vruchteloos zocht Marit haar los te maken. En aan de andere zijde van 't schot stond een groote, vreemde kerel, die den wijsvinger dreigend naar haar uitstak. Marit schrok natuurlijk hevig, toen ze dien reusachtigen vent zag, zette 't op een loopen en riep Gudbrand, die op 't erf bezig was eene schutting te maken, te hulp. Deze kwam ook oogenblikkelijk, maar hij zag niemand; alleen de koe was nog razend en 't schuim stond haar om den bek. Na veel moeite wist hij haar los te krijgen, maar Marit was bewusteloos neergezegen, en dit kwam, omdat ze Gudbrand alles dadelijk verteld en niet tot den volgenden dag had gezwegen. Gudbrand moest haar nu naar huis brengen, maar bij elke beek, die ze over moesten, kreeg ze een' nieuwen aanval van razernij. Langzamerhand werd ze wel beter, maar nooit kan ze 't vertellen, zonder dat haar nog de tranen in de oogen kwamen.
Nu werden er twee oudere veehoedsters naar den saeter gezonden, Myr-Rönnaug en Gekke-Kari. Die zeiden, dat ze niet bang waren voor de berggeesten, ze mochten gerust komen. Intusschen had ook de hoedster van Loms-saeter de berghut betrokken. Deze drie vriendinnen weidden nu dagelijks met elkander 't vee en waren zoo dartel en dwaas, dat er geen voorbeeld van was; in dolle vaart joegen ze elkander na over de heuvels, haalden nesten uit en sloegen de jonge vogels dood. En wanneer ze op den Valberg waren, riepen ze, dat Tron, die in den berg woonde, maar op een' Vrijdagavond moest komen, dan zouden ze hem op hare armen in slaap wiegen; en als ze in 't Kvaernstudal waren, riepen ze 't zelfde tegen Tjöstul, die daar in den berg huisde, en wanneer ze in de nabijheid van de bergspits bij Slethö kwamen, riepen ze 't alweer tegen Kristoffel Pungen, die daar zijn verblijf had gekozen. En als 's avonds 't werk gedaan was, gingen ze bij elkander zitten op de lage schutting om 't erf en riepen: "Tron Valberg, Kristoffel Eldförpungen, Tjöstul Aaheuvel, komt nu maar, we gaan naar bed!" Want geen van drieën geloofde wat de menschen vertelden, dat er geesten in de bergen woonden, die zoo heetten. Maar ze zouden wel anders gewaar worden! Op een' donderdagavond, laat in den herfst, toen alle andere saeters reeds verlaten waren, zaten de drie vriendinnen bij elkander om den haard en keuvelden misschien wel over hare vrijers. Op eens vloog de deur open en daar kwamen drie kleine kereltjes binnen. Zij zeiden geen woord, de meisjes evenmin, maar met verbazing zagen ze, dat de drie dwergen op de banken naast haar gingen zitten. Ze hadden lange, blauwe mantels om en groote roode oogen en lange neuzen. Na een uurtje gingen ze weer heen, maar den volgenden avond kwamen ze terug en werden al stouter en stouter; Myr-Rönnaug en de hoedster van Loms-saeter begonnen bang voor hen te worden en deden menig schietgebedje, maar Gekke-Kari bleef nog onvervaard. Op een' vrijdagavond verschenen ze op nieuw en hielden nu zoo verschrikkelijk huis, dat 't niet te zeggen valt; want 't waren sterke kerels, al waren ze klein. Maar onverwacht kwam een jager, Per Gynt, de beangste deernen te hulp. Hij schoot Aaheuvel dood en brak Tron Valberg de ribben; maar Eldförpungen ontkwam door den schoorsteen."
Terwijl we na Brit's vertellingen nog eenigen tijd praatten over de gewoonte, die in deze streek heerscht, om de hoedsters met 't jonge vee tot laat in 't najaar eenzaam op de saeters achter te laten, opdat de beesten het ingezamelde mos en het bergvoeder kunnen opmaken, kwamen een paar van de meisjes, die ons reeds verlaten hadden, lachend terug en vertelden, dat de schoolmeester tusschen eenige rotsblokken in was geraakt en op noch neer kon.
"Dan zal ik hem wel moeten helpen," sprak Hans; "maar ik zou wel lust hebben met de paarden mee te gaan naar de Ulsöhut, om te zien, of ge morgen ook rendieren onder schot krijgt."
"Och, kom, als je dat meent, begrijp ik er niemendal van," zei Brit lachend. "Marit verlaten, als de schoolmeester hier is?"
"De schoolmeester zal morgen wel aan geen vrijen denken en overmorgen evenmin. Hij zou zich liever voor den kop schieten, na zoo'n avondje als hij achter den rug heeft. Laat ons maar eens gaan zien, hoe 't met hem staat."
"Ja, drommels, dat's goed bedacht; ga-jij met de paarden mee," zei Andries, "dan kan ik bij Thor blijven; we zullen eens zien, of ik dan geen rendier schiet."
"Afgesproken," zei Hans, die nu, door Marit gevolgd, den saeter verliet, om den schoolmeester op de been te helpen.
Wij schoven de banken naar den haard, maakten hoofdkussens van onze weitasschen, ransels en kappen, en waren weldra in diepen slaap.
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.
Op een' der eerste dagen van Mei, lang voor de jachtwet werd ingevoerd, togen wij van Tyristrand 't gebergte in, om den volgenden morgen boschhoenders te schieten op den Skjaersjöheuvel, waar deze jacht 't voordeeligst beloofde te zijn. We waren met ons vieren, mijn vriend, de kapitein, ik, een oude jager, met name Per Sandaker uit het Sognedal, en een vlugge knaap, die twee koppels honden met zich voerde; na de vogeljacht wilden we op de hazenjacht gaan. Beneden in 't vlek was 't reeds lente; maar toen we de berghellingen beklommen, vonden we overal dikke sneeuw in de spleten en kloven. Toch hadden we een' milden avond en de vogels zongen hun voorjaarslied in het bosch. In de nabijheid van Ask-saeter, waar wij den nacht meenden door te brengen, beklommen wij den heuvel, bij alle jagers, die in deze bosschen rondzwerven, welbekend, om te hooren, waar de vogels dien nacht hunne slaapsteê hadden opgeslagen. Toen wij den top bereikt en een ruim verschiet gewonnen hadden, neeg de zon ter kim, maar schoot nog hare gulden stralen in vollen luister langs den helderen westelijken hemel. Geen vroolijk en vriendelijk landschap echter bescheen ze: donkere, eindelooze bosschen en bergvlakten, slechts afgebroken door bevrozen meertjes en groote moerasvelden, breidden zich naar alle kanten tot den horizon uit.
Nog slechts eene korte poos was de zon ondergegaan of we hoorden een sterk gesuis door de lucht en de zware vleugelslagen van een' vogel, die zijne rustplaats opzocht.
"Dat was geen oude vogel," zei de kapitein, toen het dier zich, zonder eenig geluid te geven, op een' tak nederzette.
Weldra kwamen nog twee vogels suizend aangevlogen; ook deze zwegen stil. Maar nu hoorden we nog zwaarder vleugelslag, en nauwelijks had de vogel zijn' tak opgezocht, of we hoorden hem met den snavel klepperen.
"Die kerel is niet van gisteren. Die speelt de tweede viool," zei Per Sandaker, "zoo 't de oude zelf niet is; en dat zou ik haast meenen."
Daar kwamen nog drie vogels, en voor elk, die den boom opzocht, klepperde de oude met den snavel. Twee van de drie gaven geen geluid, maar de derde antwoordde op dezelfde wijs.
"Dat was een vreempje," merkte Per op; "hij kende den oude niet, anders had hij den snavel wel toegehouden. Morgen ochtend zal 't hem rouwen, want, geloof me, de oude weet hem wel te vinden, en hij is niet malsch, als hij recht op zijn dreef is. Ik heb eens gezien, hoe hij een' stumper toetakelde, die 't gewaagd had hem tegen te klepperen."
Terwijl hij dit zeide, schoot er over het open, verweerd gelaat van den jager een zeer eigenaardige glimlach, die scheen te zinspelen op eene of andere geheimzinnige historie. Want volgens de korte mededeeling, die de kapitein mij omtrent hem had gedaan, toen Per Sandaker op onzen tocht een ommezien achtergebleven was, moest hij zeer sterk zijn in vertellingen van heksevogels en aardgeesten, en mocht hij graag tot in de minste bijzonderheden vertellen van de achttien beren, die hij van zijn leven had geveld. Daarentegen zweeg hij liefst van 't even groote aantal, dat hij, naar booze tongen zeiden, had laten ontkomen.
"Maar, wat is dat voor een' oude, daar ge van spreekt?" vroeg ik.
"Dat zal ik u zeggen," viel de kapitein haastig in, terwijl wij den weg naar den saeter insloegen. Klaarblijkelijk vreesde hij, dat mijne overijlde en ontijdige vraag, na zoo korte kennismaking, Per wantrouwend zou maken en hem een slot op den mond leggen. "Dat zal ik u zeggen," herhaalde hij. "Daar is een oude boschhaan in deze buurt, die bij alle jagers uit den omtrek als een toovervogel bekend staat. Ze noemen hem den "blater"; want in plaats van zich rustig op een' tak neer te zetten, vliegt hij dikwijls rond tusschen de boomtoppen, blatende als eene geit. Eerst wanneer hij deze manoeuvre heeft uitgevoerd, zet hij zich neder om te klepperen en te slijpen. Maar daardoor ook mist elk het rechte oogenblik om hem onder schot te krijgen. Hij gebruikt intusschen nog een' tweeden kunstgreep, die veel erger is. Soms zit hij vreedzaam te klepperen, maar als men denkt dat hij zal gaan slijpen, vliegt hij op eens naar een' anderen boom. En brandt men eindelijk los, dan wil 't schot nooit treffen. De oude Per heeft met zout en zilver op hem geschoten, maar, stoven hem ook de veeren, hij sloeg er even weinig acht op, als op een saluutschot. Den volgenden morgen zong hij even snel en even valsch."
"Ge zoudt even goed op een' steen kunnen mikken," zeide Per op den toon der volste overtuiging. "Eens trof ik hem aan in den paartijd, op de vlakten ginds bij Kloppen, midden op den weg, die naar Skoug leidt; daar zat hij met eene gansche schaar hennen om zich: ik telde er wel zeven, en nog veel meer zaten er in het bosch; achter iederen struik hoorde men ze kakelen. En de zeven vlogen om hem heen en rekten den hals naar hem uit en deden alle moeite om hem te lokken; maar hij bleef statig zitten, zoo trotsch als een spaansche graaf. Eensklaps steekt hij den staart op, keert zich om, laat de vleugels om de pooten sleepen, en springt wel drie voet van den grond. Ik wist toen nog niet, dat het de oude was, anders had ik hem dadelijk zijn deel gegeven; nu had ik er plezier in naar hem te kijken. Nauwelijks heeft hij zijne hen uitgekozen, of daar komt een andere boschhaan--niet half zoo groot--neerstrijken en werpt zich op hem. Toen ving de grap aan! De oude stak den staart in de lucht, zijne kam stond rechtop als eene torenspits, en hij klepperde met den snavel, dat het overal weerklonk, en de ander antwoordde hem niet minder krachtig--die was ook voor geen kleintje vervaard! De oude vloog hem in de veeren, en snavels en vleugels sloegen tegen elkaar, dat het een' aard had. Plotseling sprongen ze beide op en tegen elkander in, en staken met den snavel en scheurden met de pooten en sloegen met de vleugels en maakten 't zoo bont, dat geen van tweeën meer wist, waar hem de kop zat; makkelijk had ik ze met de handen kunnen grijpen. Maar ten slotte kreeg de oude de overhand; hij sloeg en havende zijn' vijand, tot deze het uitgierde van pijn. 't Was zonde van 't wakkere hoen; de oude wist het onder te krijgen en drukte het tegen den grond, tot het beest half dood vlak voor mijne voeten kwam rollen. Ik legde aan en 't hoen lag geveld; maar de oude bleef bedaard zitten en verroerde zelfs de vleugels niet. Ja, zoo, dacht ik, ben-je zoo zeker van je zaak, dan zal ik je gauw anders leeren. Ik laadde op nieuw, legde aan, maar op eens vloog hij op en was verdwenen--maar 'k zal nooit een' enkelen vogel meer schieten, als hij verder dan tien schreden van mij af was geweest! Een andermaal was ik weer hier op den berg en hoorde hem 's avonds zijne slaapsteê opzoeken. Op een' tak van eene oude spar zette hij zich neder. Ik ging er in 't holste van den nacht heen, lang vóór een enkele vogel in het bosch ontwaakt was. En toen hij nu begon te balderen, ontbrak er geklepper noch geslijp aan, en rustig bleef hij zitten. Toen hij voor de vierde maal zich deed hooren, naderde ik--hij zat een eindweegs in het bosch. Nu zul-je mijn worden, dacht ik, want ik had een zilveren tweeschellingstuk half doorgesneden en daarmee mijn geweer geladen. Maar ja wel, toch was 't mis. Toen ik losgebrand had, zag ik hem nog even snel wegvliegen, schoon de veeren er afvlogen. Daar is niets, dat vat heeft op dien kerel!"
"Toch zullen we hem morgen zoeken beet te nemen, Per; we weten nu, waar hij zit," zei de kapitein met een spottend lachje.