Part 11
"Sta daar tot ik weerom kom," zei Hogner en hieuw nog eenige malen kruiselings in de lucht, en de menschen zeggen, dat de berggeest nog altijd op dezelfde plek bij Stuttgang staat, maar ik heb hem nooit gezien. Of Hogner zijne liefste terug kreeg of niet, zou ik niet kunnen zeggen, maar sinds noemde men hem altijd Hogner Duivelkloover."
"Dat is eene onzedelijke vertelling uit den paapschen tijd, 't welk duidelijk blijkt uit het teeken des kruises, en zulke verhalen heeft de Duivel bedacht," zeide de schoolmeester op zalvenden toon. "Vermoedelijk hebben eenige struikroovers, die zich daar schuil hielden, de melkster weggevoerd, die klaarblijkelijk een lichtzinnig vrouwmensch was, zooals er vele op de saeters worden gevonden; later heeft men de berggeesten er bij gehaald. Ik zal thans eene waarachtige historie verhalen, waarvan mede de Huldren en berggeesten de schuld kregen, terwijl men de gansche gebeurtenis alleen moest wijten aan de slinksche streken van een' slimmen vogel."
"In het hoofdkerspel Vaage," zoo begon hij, terwijl hij eenige malen kuchte en hoestte en langzaam den blik liet weiden over alle aanwezigen, "leefden voor langen tijd een paar echtelieden, Steingrim en Jöda, die in deze bergstreek hun bestaan vonden in veehoeden en het vangen van wild. De man, Steingrim, vond den dood bij een' sneeuwval in Jöndalsbraatom. In 't zelfde jaar werd hun volwassen zoon, Ivar, tot den krijgsdienst geroepen, en Jöda bleef de eenige verzorgster van vele kinderen. De tweede zoon, Björn, was, schoon nog jong, reeds eenigszins de steun zijner moeder. Hij was zeer groot voor zijne jaren, vlug en waagziek, en overtrof elkeen in 't loopen op de sneeuwschoenen, in 't vangen van wild en op de jacht. In 't bijzonder legde hij zich toe op de kennis van de plaatsen, waar de rendieren zich in de verschillende seizoenen en bij verschillend weder ophouden, waar zij een toevluchtsoord zoeken, of die zij ontvlieden, en hierdoor vermoedelijk kwam hij tot de ontdekking van de fijne en scherpe reuk der rendieren, die hem, naar men verhaalt, leidde tot de uitvinding der "blinde schutters." [6] Meestal was Björn door menschenschuwheid bevangen en zocht bij elke gelegenheid alleen op de jacht te gaan, en zijn geluk bij dit handwerk deed ieder verbaasd staan. Sommigen meenden, dat hij door tooverij vogels en dieren aan ééne plek kon boeien, zoodra hij ze in 't oog kreeg; anderen, dat hij in bondgenootschap stond met de berggeesten en in sommige gevallen hulp en onderricht van hen verkreeg in de voordeeligste wijze van jagen. In dezen waan werd het volk versterkt door de omstandigheid, dat men hem kuilen zag graven voor de rendieren en eene hut opslaan op plaatsen, waar te dier tijd niemand, ook zelfs een' enkelen nacht, durfde doorbrengen uit vrees voor de berggeesten, die er zich ophielden. Nu en dan verhaalde hij bovendien zelf, hoe de reuzen hem eene poets hadden gespeeld en hem in ongelegenheid hadden gebracht, maar dat hij dan ook altijd geholpen was door den reus van Skulen, den Skul-reus geheeten." -- -- --
Het was duidelijk, dat de vertelling van den schoolmeester even lang en vervelend zou worden, als de lijkebiddersstijl, waarin hij haar voordroeg, bespottelijk was. Met genoegen merkte ik dan ook op, hoe onrustig hij werd, toen hij bespeurde, dat zijne uitverkorene was verdwenen. Door 't venster ziende, bemerkte hij, dat ze naar een' van de naastbijgelegen saeters ging. Zijne onrust nam nog toe, toen hij zijn' medeminnaar haar spoor zag volgen. Hij werd verstrooid, begon te stotteren en moest elk oogenblik naar zijne woorden zoeken.
"Met verlof," zeide hij eindelijk, "ik kan mij alles niet goed meer herinneren en heb ook nog eenige zaken te verrichten. Wees gij zoo goed, Thor, en verhaal het overige; ge weet het wel," en ijlings verliet hij het vertrek.
De meisjes schaterden het uit en beklaagden den armen schoolmeester om zijne jaloerschheid. Op mijn verzoek nam nu Thor het woord op en ging voort:
"In 't kerspel ligt eene hoeve, Öst-Eng geheeten; daar woonde een man, die Baard heette. Hij was ook jager en kon niet velen, dat Björn altijd zoo gelukkig was op de jacht. Deze Baard Öst-Eng had eene dochter, die Rundborg heette. Naar haar vrijde Björn ter sluiks, maar zoodra haar vader dit merkte, zwoer hij, als hij hem ooit op zijne hoeve vond, dat hij hem dan precies zou behandelen als een wild rendier; op staanden voet zou hij hem doodschieten.
"Mijne dochter zal zich nooit verslingeren aan een' landlooper," voegde hij er bij. Hij bestemde 't meisje nu voor iemand uit Skaarvangen. Dit was Selvor Oppistuen; hij was half simpel en een monster van leelijkheid. Rundborg smeekte wel, dat haar vader haar niet tot dit huwelijk zou dwingen, maar het baatte niets. Toch bracht ze het zoover, dat zij niet vóór de bruiloft, die met St. Jan zou worden gevierd, den bruidegom behoefde op te zoeken. De bruigom ging zelf de gasten te bruiloft noodigen en zoo kwam hij ook in 't boschvlek bij de familie en de buren der bruid. Op Sönste-Eng was hij reeds de deur uit, toen de eigenaar hem naliep en vroeg:
"Maar op welken dag moeten we komen? Dat hebt ge vergeten te zeggen."
"Ik weet het nog niet; 't zou morgen kunnen zijn, maar 't kan ook best eerst vandaag over eene week wezen; maar we zullen op de fluit spelen, als we voorbijkomen, wees dan zoo goed ons te volgen," antwoordde hij.
Dit hoorde een broer van Björn en liet het dezen dadelijk weten. Björn had spoedig zijn plan gemaakt; hij liet zijne moeder en zijn' broer voor de zaken zorgen en ging naar Skaarvangen. Eerst wilde hij 't gevolg van den bruidegom beletten het huis der bruid te bereiken. Daartoe ging hij 's nachts naar eene bergkloof bij Skaarvangen en wilde de brug vernielen, die er voor 't vee over de kloof was geslagen, maar de vader van Selvor en een paar vrienden beletten hem dit. Toen wou hij eene brug afbreken, die een eindweegs verder op eene lagere plaats lag, en dit gelukte hem. Den volgenden dag vertrok Selvor met zijne vrienden tegen den middag van Skaarvangen; maar onderweg vernamen zij, dat de brug, die zij over moesten, vernield was; nu moesten zij een' grooten omweg maken en bovendien de ondiepte bij Sandbo doorwaden. Toen zij in 't boschvlek kwamen, reden sommigen uit den stoet verder, om de bruid af te halen; de overigen bleven achter. Dezen dronken tot tijdverdrijf uit hunne veldflesschen en bliezen op de fluit, maar ondertusschen zat de broer van Björn een eind van den weg af in 't kreupelhout neergehurkt; en toen men opstond, volgde hij van verre.
't Duurde echter geruimen tijd, eer de gasten klaar waren en zich bij de overigen voegden, omdat de dag van de bruiloft niet nauwkeurig was bepaald. Eindelijk kwamen ook de bruid en hare familie met den bruidegom en zijn gevolg. De kerk stond destijds ten zuiden van Sandbo, en toen men hier kwam, was de avond reeds gevallen. Dienzelfden dag nog naar 't huis der bruid terug te keeren, bleek ondoenlijk; daarom namen Bottolf Holen en Alf Svare elk een deel van den bruidsstoet in huis. Zij gaven den gasten rijkelijk te eten en te drinken en deden hun daar geen' ondienst mee, want behalve een' droppel of wat uit de veldflesch, hadden zij den heelen dag niets genoten. Toen ze zich wat verkwikt hadden, noodigden Bottolf en Alf hen uit zich wat te vermaken. De jonggetrouwden zouden slapen op den zolder boven het proviandhuis van Svare. Laat in den avond kwam Björn's broer bij dezen en vertelde hem, dat de bruid den nacht op Svare-hoeve doorbracht.
"'t Zou me verwonderen, als ze daar morgenavond nog was," zei Björn. Maar toen het nacht was geworden en de gasten allen ter rust waren gegaan, sloop er door de zolderdeur eene groote, forsche vrouwengestalte binnen, in een groen overkleed en met een groot blank mes in de hand. Zij scheurde de bruid uit de armen van den bruidegom. Deze greep nog naar haar, maar op 't zelfde oogenblik sneed de Hulder met het mes in den wand, dat de splinters er afvlogen. Toen dorst de bruigom de oogen niet meer opslaan, maar hij vloog 't vertrek binnen, waar zijne vrienden lagen, en kreet met groot misbaar, dat de Hulder van 't Jöndal op den zolder was geweest en zijne bruid had weggeroofd, om haar tot vrouw te geven aan haar' zoon. En hij mompelde, dat hij zich van kant wou maken.
"Waren we maar beneden gebleven, dan had misschien de Hulder haar niet durven rooven!" jammerde hij.
Allen deden hun best, om hem zoo goed mogelijk te troosten, maar toen hij dit zeide, schaterden zij 't uit. Selvor wou dadelijk naar huis, naar zijne moeder; maar toen men bij de Skjaervenbrug kwam, waren de palen doorgehakt, de brug was weggedreven en men kon onmogelijk aan den overkant komen. Aan den anderen oever stonden menschen uit Skaarvangen, die schreeuwden, dat ook zij de rivier niet over konden; maar hoe men schreeuwde en riep, men kon elkander niet eens verstaan: de rivier was buiten hare oevers getreden en stortte zich met donderend geraas naar beneden.
Nu zond men een' bode naar den predikant. Deze ried aan, de kerkklokken uit den toren van Vaage te nemen, die naar 't Jöndal te brengen en daar drie etmalen lang te luiden. Dat deed men; over den Reuzenberg voerde men de klokken naar een groot veld in 't Jöndal, en sedert dien dag draagt die vlakte ook den naam van 't Klokkeveld. Drie etmalen lang luidde men, maar te vergeefs: de bruid was weg. Nu gaf een oud man den raad, drie donderdagavonden achtereen te luiden, maar dit hielp evenmin. Eindelijk verscheen Björn en vertelde, hoe hij had gedroomd, dat Rundborg door de berggeesten heel slecht werd behandeld. Maar de Skulreus had hem zijne hulp beloofd, als hij haar wilde verlossen, want de reus was gebeten op de Huldren van 't Jöndal. En niemand anders kon Rundborg bevrijden, want op hem had ze hare zinnen gezet; maar kreeg hij haar niet tot vrouw, dan wilde hij geen' stap doen om haar uit den berg te halen. Toen Baard en Selvor dit vernamen, waren ze woedend op Björn, en dreigden hem met al wat ze konden bedenken, zoo hij Rundborg niet verloste. Maar Björn hield het been stijf en draalde zoo lang, tot hij haar ten slotte kreeg.
"Ja, zóó is 't gegaan," zeide Brit, toen Thor zijne vertelling had geëindigd, waarvan menige trek herinnerde aan den ruwen sagentijd.
"Als de schoolmeester 't vertelt," ging zij voort, "dan brabbelt hij wat, dat geen mensch kan begrijpen van den predikant en den duivel, en dan zegt hij, dat Björn de bruid van den zolder wegvoerde; maar dat is niet waar: hij verloste haar juist, maar de Jöndals-Hulder, die had haar geroofd."
Geen van ons viel 't in, deze bewering van Brit te bestrijden; maar de vele namen en plaatsen, welke in Thor's vertelling voorkwamen, gaven ons, in dezen omtrek onbekend, aanleiding tot een nader onderzoek naar de geographie van Vaage. Lang en breed werd er nu gesproken over 't dal, de rivieren, bergtoppen, meren, visschen, vogels, 't wild en de menschen. Onder dit gesprek, voor mij in 't bijzonder zoo leerrijk en onderhoudend, zette Brit ons een welsmakend en voor een' saeter zelfs kostelijk maal voor. Tegen 't einde daarvan kwam Marit, de aangebedene van den schoolmeester, binnen en fluisterde den anderen meisjes, al giggelend en lachend iets in 't oor. Brit nam van harte deel in de vroolijkheid, en toen Andries vroeg, waar Hans en de schoolmeester waren gebleven, vertelde zij, dat de eerste den schoolmeester bij den neus gehad en hem van den eenen saeter naar den ander had laten loopen. Eerst was hij zelf daar rondgegaan en had den meiden ingeblazen, wat ze moesten zeggen, wanneer de schoolmeester kwam; en overal, waar deze toen de klink oplichtte en naar Marit vroeg, antwoordden ze: "Wel zeker, Marit en Hans zijn beiden zoo pas de deur uit; ze zeiden, dat ze naar den naasten saeter wilden." Maar eindelijk had hij eenige lui ontmoet, die hem duchtig hadden onthaald op brandewijn; "en nu," besloot Brit op medelijdenden toon "nu praat hij als eene kip zonder kop."
"Ja," voegde Marit er bij, "en hij is nu in zoo'n best humeur, dat zijn hoed op één haartje staat; maar op Hans is hij woedend. Hij zal stellig gauw hier zijn en dan zult ge eene grap zien gebeuren."
't Duurde niet lang, of we vernamen de stem van Hans, die een aardig liedje zong. Eenige oogenblikken bleef hij buiten staan en liet zijne diepe basstem hooren, klaarblijkelijk met 't doel, om door iemand, die ook den saeter naderde, te worden verstaan. Hij zong 't deuntje van den vos, die een hoen zoekt te verschalken, maar die, van den meester der hen een' steen en een aantal krachtige verwenschingen na zich krijgt. Wie aan 't rosse haar van den schoolmeester en aan zijne verliefdheid dacht, zag dadelijk in, op wien het gemunt was. Toen 't liedje uit was, trad hij kleurende binnen en ging in een' hoek van 't vertrek zijn pijpje zitten rooken. Spoedig kwam ook de schoolmeester, door een' vreemde gevolgd. Hij had den halsboord hoog opgetrokken en zocht zich zooveel vertoon van waardigheid te geven, als maar mogelijk was; maar zijne stijve houding en zijn glazige blik verrieden zijn' toestand reeds eer hij den mond opendeed.
"Ik vraag u vergiffenis, hooggeëerde heeren," zei hij met eene dikke tong en eene bespottelijke buiging, "'t was niet hoffelijk van mij, dat ik zoo plotseling de deur uitstoof en de taak, om u te onderhouden, overliet aan dezen waardigen rendierjager, die toch altijd een leek blijft, en aan deze beminnelijke verzorgsters der kudde. Maar ik ben een leermeester der jeugd, en met godsvrucht en deugd laat ik niet spotten. En daar ik als 't ware een deel der geestelijkheid uitmaak, die gehouden is de tucht en het zevende gebod te handhaven, kan ik zoo iets niet dulden. Neen, dulden zal ik 't nooit! En ik moet er rond voor uitkomen, 't is eene afschuwelijke gewoonte, dat jonge knapen de meisjes naloopen, eer zij nog dons op de bovenlip voelen. En daar ik nu dezen lichtzinnigen Hans eene maagd zag vervolgen... foei!..." hier spuwde de schoolmeester in edelen toorn en ging voort: "want, zoo als ik zei, ik ben een gezworen vijand van allerlei bedrog, van lichtzinnige praatjes en handelingen, van dobbelen, dronkenschap en den goddeloozen dans."
"Nu maakt ge 't wezenlijk al te erg, schoolmeester," viel Marit uit, "ik vind 't wat prettig, als de veel gaat; 'k word dan haast zoo vroolijk, als de vedel zelf."
"Dat is waar, mijn kind," antwoordde de schoolmeester ontwijkend en met zijn' zoetsten glimlach, "ik sprak dan ook slechts van den lichtzinnigen dans. Ook ik ben van oordeel, dat het een genot is, lieftallige meisjes te zien dansen, namelijk, wanneer zij ten dans gaan met een eerbaar man, die eene gepaste deftigheid nooit uit het oog verliest."
Maar meegesleept door de macht der beminnelijkheid, die hij prees, begon hij plotseling met de noodige trillers en eene heesche stem een loflied vol geestdrift aan te heffen op den wijn en de schoonheid, dat kwalijk in overeenstemming kon gebracht worden met de strenge beginselen, die hij zoo even had beleden.
"Wat mag alle vreugde baten, Alle schatten van deze aard? Zonder wijn en mooie meisjes Zijn ze mij geen oortje waard. Elk is graag, Waar meisjes zijn, Ieder prijst Den eedlen wijn!"
"Dat was een aardig wijsje, schoolmeester," zeide Hans, terwijl hij met den pijp in den mond uit zijn' hoek te voorschijn kwam, "maar nu zal ik eens een deuntje zingen, dat ge misschien nog nooit hebt gehoord.
"Och, arme sul, och, groote kwast, Je haalde 't fleschjen uit de kast, Maar wat je hieldt voor brandewijn, Dat was juist bitt're terpentijn, Dat was juist bitt're terpentijn!"
Men kon duidelijk zien, hoe dit rijmpje, dat, naar ik later hoorde, zinspeelde op een voorval uit 't leven van den schoolmeester, zijn' toorn deed ontvlammen. Daar kwam nog bij, dat hij zijn' medeminnaar elders had gewaand; hij wischte zich den mond met een pand van zijne lange jas en borst uit:
"De jeugd heeft alle schaamte uitgeschud in onze dagen; dat komt daar vandaan, dat zij niet genoeg kennis maakt met den stok. Zoo'n onbeschofte melkmuil! Dat zit pijpjes te rooken, dat gaat heimelijk uit vrijen, dat ontziet zich niet, eerwaardige mannen te beleedigen, die al hun leven wijsheid hebben gegaard! Sta op, zeg ik je, wanneer ik spreek," voer hij voort, "zooals de Spartaansche jongelingen deden in 't bijzijn van ervaren mannen en grijsaards. Weet, dat ik twintig jaar lang heb gestudeerd bij den ouden predikant Grönbeck. Sta op, zeg ik je!"
Maar Hans bleef rustig zitten, glimlachte even en liet twee rijen blinkend witte tanden zien. 's Schoolmeesters roes was klaarblijkelijk verergerd, en wie weet, wat het einde der historie zou geweest zijn, zoo Marit niet tusschen beiden ware gekomen. Zij reikte hem eene schaal met melk en zeide:
"Och, laat den jongen loopen, schoolmeester. Wees niet boos, en denk, dat er vreemd volk bij is."
Toen hij had gedronken, wendde hij zich weder tot ons. 't Scheen, dat hij zich wilde verontschuldigen over den toestand, waarin hij verkeerde en de ongunstige meening, die wij door de herhaalde toespelingen van Hans van hem moesten opvatten, wenschte uit te wisschen. Hij zeide daarom:
"Die verderfelijke alkohol! Wel is zij de moeder der dwaasheid! Ik leef anders altijd zeer matig, als ik me zelven dit getuigenis mag geven, en over 't algemeen ben ik geenszins verslaafd aan een onmatig gebruik van dat afschuwelijke vocht. Maar ik moet me bij u verontschuldigen, hooggeëerde heeren en waardige dorpsgenooten, over mijn lang wegblijven. De weg naar de deur valt iemand zoolang, wanneer hij onder vrienden is. Eenige goede kennissen en buren hebben me namelijk van hun' brandewijn laten proeven. En hier in 't gebergte doet een borrel 't lichaam goed. Ja, ik zal 't ronduit bekennen, als mij een borrel wordt geboden, veroorloof ik mij de weelde, dien aan te nemen, maar--nooit te veel."--En onwillekeurig viel hij weer uit:
"Laat ons klinken, laat ons klinken, Brandewijn smaakt altijd goed; Wie slechts water heeft te drinken, Is voorwaar een arme bloed!"
"Neen," ging hij voort, "nooit te veel, de hemel beware me daarvoor! Ik weet nog heel goed, wat ik heb gezegd en gedaan en wat ik nu nog te zeggen en te doen heb ook; maar 't is toch verderfelijk vocht. Maar wat ik zeggen wou, ik was bezig met de belangwekkende historie van Björn Praeststulen, toen ik, met verlof, heenging in 't vast vertrouwen, dat zij nauwkeurig zou worden vervolgd. Mijn waardige vriend, Thor Ulvsgaarden, ge hebt toch wel verhaald, hoe de geestelijkheid daarin betrokken werd en hoe ten slotte de burgerlijke rechter 't geding moest beslissen?"
"Zie-je, ik heb 't wel gezegd," zei Brit. "Gij haalt er altijd zooveel dingen bij, dat niemand er iets van begrijpt. Thor heeft er geen woord van gezeid."
"Gebrek aan kennis, kind; gebrek aan kennis," hernam de schoolmeester op een' toon van gewicht; "wat Thor heeft weggelaten, is juist 't merkwaardigste van de gansche historie, want dat betreft de twisten en 't proces. Ja, ziet ge, dat ging op deze wijze toe: toen die lui, namelijk Selvor Oppistuen en Baard Östeng met beloften en bedreigingen Björn Praeststulen zochten over te halen om het meisje te bevrijden, of hun te openbaren hoe dit zou kunnen geschieden, toen begon bij Björn twijfel te rijzen aangaande 't geen hem te doen stond; want weldra zou de hooioogst beginnen en dan had hij natuurlijk heel wat anders te doen, dan Rundborg verscholen te houden in jagershutten en andere schuilhoeken van 't gebergte. Hij zeide, dat ze zich vruchteloos tot de berggeesten zouden wenden, en dat hij zelf dit niet waagde, eer hij den bijstand van den Skulreus had ingeroepen. Intusschen deed hij hun den voorslag met hun drieën naar den predikant te gaan en dezen tot scheidsman te kiezen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Björn verklaarde zeer breedvoerig, hoe een geest tot hem gesproken had in den droom en hem had bevolen, Rundborg te huwen. De predikant wilde de zaak opschorten, tot de maagd zelf getuigenis zou kunnen afleggen, en toen Björn een etmaal later met haar verscheen, verklaarde zij, hoeveel zij had te lijden gehad bij de Hulder; hoe deze op een huwelijk met haar' zoon had aangedrongen, waardoor zij haar voor goed in hare macht zou krijgen, en hoe Björn en de Skulreus haar uit den berg verlost en haar bewaard hadden voor de schande van eene heks te worden. Terwijl hij nauwkeurig de beweringen en bewijzen van beide partijen wikte en woog, werd de predikant eindelijk 't spoor geheel bijster; hij was in een labyrinth geraakt, waaruit hij vruchteloos den weg trachtte te vinden. De openbaring, aan Björn geschied, was wellicht eene bestiering des Allerhoogsten, die de predikant niet durfde wraken. Maar Selvor en Rundborg waren in den echt vereenigd door den priester en op 't woord van God, en 't gewicht dier beiden kon evenmin worden geloochend. Björn bezat de liefde van Rundborg als het ware van kindsbeen af. Selvor kon niet roemen op hare min, maar wel op de toestemming der ouders, welke, doordien zij ouder en gevolgelijk verstandiger waren, beter wisten wat hunne dochter tot geluk en zegen kon strekken dan zij zelve. Maar de onbeperkte uitoefening van de rechten der ouders tegenover de kinderen maakt de eersten vaak tot beulen, zeide de predikant--bij zich zelven, wel te verstaan. Na veel peinzen kwam hij tot het volgende besluit: Ik spreek geen oordeel uit in deze ingewikkelde zaak; zij behoort voor den burgerlijken rechter te worden gebracht. Middelerwijl mag Björn, die haar heeft bevrijd, haar ook behouden. Maar door de rechtbank werd 't volgende vonnis gewezen:
"Björn Praeststulen mag zonder eenig voorbehoud huwen met Rundborg Baardsdochter Östeng; Selvor Oppistuen en Baard Östeng moeten het land ruimen, omdat zij dit huwelijk hebben willen beletten."
"Van dit laatste kwam echter niets; want Björn verwierf genade voor zijn' schoonvader en sedert werden zij beste vrienden."
Zoo werd de sage van Björn Praeststulen door den schoolmeester aangevuld. Maar woorden zijn dood en machteloos. Daar was iets onbeschrijfelijk komieks in zijn heele manier van vertellen, in zijn' toon, zijne gebaren, in 't rijzen en dalen zijner stem, en niet het minst wanneer nu en dan de eigenaardige toestand, waarin hij verkeerde, zich nog duidelijk deed bespeuren. Sir John kreeg telkens zulk eene hevige lachbui, dat hij van de bank dreigde te vallen. En van tijd tot tijd verhief zich van alle kanten een homerisch geschater, waaraan zelfs de ernstige Thor zich niet kon onttrekken.
De schoolmeester echter begreep de oorzaak dezer pret volstrekt niet. Hij lachte mee en hield ons gelach voor teekenen van bijval. Toen Brit hem dan ook op nieuw eene nap melk had gebracht, ving hij met frisschen moed weer aan: