Noorsche Volksvertellingen

Part 10

Chapter 104,021 wordsPublic domain

"Och, stel je gerust, kind; 't loopt nog goed met haar af; luister maar naar 't vervolg," zei de juffrouw. De vrouw bevielen deze woorden ook slecht; toen zij de stem vernam en de spreekster in 't gelaat zag, herkende zij eene buurvrouw, die voor vele jaren gestorven was, en nu ze nog eens rondkeek, herinnerde zij zich klaar, dat ze zoowel den predikant als 't grootste gedeelte der gemeente voorheen had gekend; allen waren voor langen tijd overleden. Ze ijsde er van. Losjes sloeg ze den mantel om zich heen, zooals de vrouw haar had geraden en snelde heen; maar 't was haar, of al de dooden haar volgden, en haar zochten terug te houden: hare knieën knikten en bijna was ze op den vloer neergezegen. Toen zij in 't kerkportaal kwam, voelde zij haar' mantel grijpen; zij maakte den gesp los, liet den mantel in den steek en vlood, zoo snel de beenen haar dragen wilden, naar huis. 't Sloeg één uur, toen zij hare huisdeur opende en half dood van schrik naar binnen wankelde. 's Morgens vonden de kerkgangers haar' mantel op den stoep, in duizend stukken gereten. Mijne moeder kende den mantel zeer goed en ik meen ook, dat zij een der stukken heeft gezien; maar wat hiervan zij, 't was een korte mantel van eene lichtroode stof, met bont gevoerd en geboord, precies zooals de menschen in mijne jeugd plachten te dragen. Nu ziet men ze zelden meer; slechts enkele oude vrouwtjes hier in de stad en uit het gesticht in de oude stad komen op kerstmis nog in zulke mantels ter kerk."

De kinderen, die onder 't laatste gedeelte der vertelling zich nauw hadden weten te bergen van angst en schrik, verklaarden thans, dat ze van zulke leelijke, akelige histories niets meer wilden hooren. Zij waren in 't hoekje van de kanapee of op een' stoel gekropen en beweerden, dat er iemand onder de tafel zat, die hen van hunne plaats zocht te trekken.

Intusschen werden de lichten op de ouderwetsche standaards binnengebracht, en nu ontdekte men, onder algemeen gelach, dat ze met de beenen boven op de tafel zaten. Weldra deden de lichten en de kerstkoeken, geholpen door confituren, gebak en wijn, alle spookhistories en angst verdwijnen, en plaats maken voor een levendig gekeuvel over allerlei zaken, die minder ver aflagen. De rijstekoek en 't ribstuk brachten eindelijk de denkbeelden nog nader bij huis, en vroegtijdig nam men afscheid en wenschte elkander een gelukkig kerstfeest. Voor mij volgde er echter een zeer onrustige nacht.

Ik weet niet, of de vertellingen, de genoten lekkernijen, mijne zwakheid, of dit alles te zamen daarvan de schuld moet dragen; maar vergeefs legde ik mij nu zus dan zoo; den ganschen nacht maalden allerlei nikker-, Hulder- en spookhistories in mijne verwarde hersenen rond. Eindelijk vloog ik onder klokgelui door de lucht naar de kerk. Zij was geheel verlicht, en toen ik er binnentrad, zag ik, dat het de kerk van mijne geboorteplaats was. De gemeente bestond uit enkele boeren met roode mutsen op, soldaten in vollen dos, en dorpsmeisjes met linnen huiven en frissche wangen. De dominee, die op den preekstoel stond, was mijn grootvader, dien ik slechts als kleine jongen had gekend. Terwijl hij goed en wel aan 't preeken is, neemt hij op eens een' sprong en staat midden onder de schaar, terwijl zijne toga naar den eenen en de kraag naar den anderen kant vliegt.

"Daar ligt de dominee en hier ben ik," zeide hij met zijne geliefkoosde spreekwijs, "en laat ons nu eens in 't rond dansen." Oogenblikkelijk tuimelde de gansche gemeente in den wildsten dans rond en een lange kerel pakte mij bij de schouders en zeide: "Kom, doe maar mee, Kar!"

Ik wist niet, wat ik er van denken moest, toen ik te gelijker tijd ontwaakte en 't zelfde gezicht aanschouwde, dat ik in den droom had gezien. Met de muts diep over de ooren en een' rijmantel over den arm, boog zich iemand over mij heen en keek mij met twee groote oogen aan.

"Gij waart zeker aan 't droomen, Kar," zeide hij; "'t zweet parelt u op 't voorhoofd en gij sliept zoo vast als een beer in den winter. Den Vrede van Boven en een gelukkig kerstfeest wenscht u uw vader en 't gezin. Hier is een brief en de reismantel, en 't paard staat in den stal.

"Maar in 's hemels naam, ben-jij dat Thor?" 't Was de knecht van mijn' vader, een kerel als een boom. "Hoe kom-jij hier?"

"Wel, dat zal ik u zeggen, antwoordde Thor; "ik ben met bruin hier heen gekomen; want, ziet ge, ik was met uw' vader op Naes en toen zeide hij: "Thor," zei hij, "we zijn nu niet ver van de stad; neem bruin en rijd er mee naar stad en zie eens, hoe de luitenant het maakt, en is hij wèl genoeg, neem hem dan mee naar huis."

Toen wij de stad uitreden, was de lucht helder en de weg uitmuntend. Bruin repte zijne oude pooten zoo hard hij kon, en nimmer heb ik, vroeger of later, zulk een prettig ritje gemaakt als op dien eersten Kerstdag.

EEN ZONDAGAVOND OP EEN' SAETER.

In gezelschap van een' Engelschman, Sir John Tottenbroom, een rendierjager en zijn broeder, die ons zouden vergezellen op de jacht in 't gebergte tusschen Sell en het Osterdal, verliet ik ....hoeve op een' Zondagmiddag in Augustus. De jonge Brit had reeds een kijkje genomen in Noorwegen, hij verstond onze taal en kon zich daarin des noods doen verstaan, maar wijl hij, als de meeste Engelsche toeristen, voornamelijk met boeren had omgegaan, sprak hij een zeer zonderling, gebroken boersch dialect. Toch was dit niet altijd toereikend; wanneer zijne gedachten elkaar wat snel volgden, en meestal deden ze dit op eene tamelijk verwarde wijze, dan bediende hij zich plotseling van zijne moedertaal, of bleef steken in een koeterwaalsch, zóó wonderlijk, dat men vergeefs zou trachten het weer te geven. De jager Thor Ulvsvolden was een man van middelbare lengte, met donkere oogen en scherp geteekend, verweerd gelaat, waarop ernst en nadenken te lezen stonden. Hij was breed van schouders, maar overigens mager; toch bewees zijn vlugge, zekere tred, dat de kracht zijner spieren niet licht moest geteld worden. Daar lag eene eigenaardige kalmte in 't geheele wezen van dezen man; zijn bedrijf, dat hem elk oogenblik blootstelde aan allerlei gevaren en ongevallen, had alle onbedachtzaamheid bij hem doen verdwijnen en hem een rustig vertrouwen doen veroveren, dat op elk zijner uitspraken onwillekeurig den stempel van echtheid en oorspronkelijkheid drukte. Zij broeder Andries was blond, lang en sterk. Hij was even wakker als plomp, een ruwe schors om eene gezonde kern. Zonder zich lang te bedenken, volgde hij zijn' weg; luttel bekommerde hij er zich om, waar hij de voeten zette. Vaak moest hij dan ook de armen te baat nemen, om het noodige evenwicht te bewaren en zijne houding geleek dan sprekend op die van een' beer, die op de achterpooten tracht te gaan. Beiden hadden eene roode muts op 't hoofd en eene peper- en zoutkleurige broek aan. Andries was verder gekleed in eene soort van jas van dezelfde kleur met lange panden, die hem om de dijen sloegen, terwijl Thor zijn wambuis van rendiervel bij de overige bagage had gelegd en in 't kortarmig onderkleed ging. In de hand had hij een zwaar jachtgeweer. Andries droeg eene prachtige buks.

't Was stil in 't bosch; men hoorde niets dan den klank van het met ijzer beslagen bergschoeisel der jagers en den gestadigen stap der lastdieren, die den trein volgden met de proviand, de weitasschen en de vischkorven op den rug. Ook de natuur scheen de rust van den Zondag te deelen. Tegen 't vallen van den avond begon een enkele vogel zachtkens te kweelen; sparren en dennen kruidden de lucht met hunne geuren; over de toppen der lager staande boomen bespeurden wij nu en dan een' bergstroom, die zoo diep onder ons zijne schuimende wateren naar beneden stortte, dat zijn ruischen en bruisen ons oor niet kon bereiken. Al langer werden de schaduwen; de duisternis breidde zich uit over het dal, terwijl de nevelen omhoog stegen; maar nog speelde 't zonnelicht met rooden schijn tusschen de sparren der berghelling door en wierp zijn' glans op de blauwachtige Lesjetoppen in de verte. Naarmate wij hoogerop kwamen, werd het bosch minder dicht; de sparren werden al kleiner en zeldzamer, berken en struiken daarentegen weliger, heideplanten en grasvelden menigvuldiger. Weldra naderden wij de dertig saeters, die hier bijeen liggen: weide aan weide, ingesloten door kreupelhout en rotsblokken, heidekruid en grasrijke heuvelen strekten zich voor ons uit en daarachter teekenden de hooge toppen der Ronderbergen met hunne schilderachtige omtrekken zich af tegen den oostelijken hemel. Vriendelijk klonken de deuntjes der melksters in den stillen avondstond, terwijl 't vee zich al loeiend en onder het klinken der klokjes verzamelde.

Een der eerste saeters, die wij voorbijkwamen, behoorde aan Thor. Hij verzocht ons binnen te komen en melk te drinken; maar wij wenschten zoo spoedig mogelijk ons nachtkwartier te bereiken, en Thor beloofde ons zoo aanstonds te volgen. Aan 't venster zag ik een lief meisjesgezicht en een paar nieuwsgierige manlui. Andries zeide ons, dat 't meisje eene zustersdochter van Thor's vrouw was. Een der beide anderen was de schoolmeester, die zijne vacantie gebruikte om haar het hof te maken; zij wilde echter niets van hem weten, schoon hij in goeden doen zat en bekwaam voor zijn werk was. 't Meisje had veel meer op met een' opgeschoten knaap, die ook naar haar vrijde.

Toen wij bij Laurgaard-saeter kwamen, stond de melkmeid op den drempel voor de halfgeopende deur. Zij was rank, maar tevens krachtig van bouw; hare witte hemdsmouwen, een rood jak en eene donkere huif deden hare flinke gestalte voordeelig uitkomen. Zij stond met den rug naar ons toegekeerd; wij zagen slechts den blanken nek en het welgevormde hoofd met blond haar, welks rosse tint door de avondzon nog sterker werd gekleurd. Ze was bezig eene zwartbonte geit tot zich te lokken, die op het met gras begroeide dak was geklauterd, waar zij aan de schors van een' jongen berk knabbelde, die op 't erf stond.

"Texa, Texa, Texa, kom beestje, kom dan--wacht jou kleine schelm, ik zal je leeren 't dak te vernielen en den berk af te knabbelen; pas op!" riep ze.

"Goeden avond Brit," zeide Andries.

"God zegen' je," antwoordde zij, en toen zij zich had omgewend en onder de hand door, waarmee ze de laatste zonnestralen afweerde, ons had opgemerkt, voegde ze er vriendelijk bij: "Gods vrede! Dat zijn zeker vreemden, die hier hun' intrek zullen nemen?"

"Ja," zeide Andries; "en wat flinker kerels, dan die je hier op de saeters hebt;--ze zullen je daarom geen kwaad doen," voegde hij er vergoelijkend bij.

"Men kan wel zien, dat het ferme lui zijn," zei Brit, maar kon toch een' glimlach niet weerhouden, terwijl ze ons uitvorschend bekeek. Vooral de figuur van Sir John en zijne lange lokken schenen zeer hare opmerkzaamheid te trekken.

"En die--is dat ook een kerel? Hij lijkt meer op eene vrouw in manskleeren," voegde ze er spottend bij.

"Heb-je dan wel vrouwvolk gezien, dat zoo lang was en bakkebaarden had?" vroeg Andries.

"Neen, neen, je hebt gelijk, Andries," antwoordde ze met een' hartelijken lach. "Maar, gaat naar binnen, die vreemden kunnen toch niet buiten blijven staan; zij zullen wel raar opkijken, maar we hebben hier wel meer vreemde lui gehad," voegde zij er bij en snapte voort tegen Andries op een' goedigen, ondeugenden, soms half ironischen toon.

In de saeterhut, een groot vertrek met balken en binten van sparrehout, in welks eenen hoek zich een wijde schoorsteen bevond, heerschte de weergalooze orde en reinheid, welke de berghutten in 't Gudsbrandsdal kenmerkt, vooral wanneer men er vreemdelingen verwacht. Langs den lagen wand, op borden en rekken, stond de kaas; op den grond lagen emmers en nappen opgestapeld, en zoowel deze als de banken en de tafel waren helder wit of blinkend geschuurd. Door 't verbazende vuur, dat op den haard onder den ketel vlamde, werd de lucht telkens ververscht; men ademde hier niet, als op zoovele saeters, in eene duffe, bedorven atmospheer; eene aangename geur kwam ons tegen van de pijnnaalden, waarmee de grond was bestrooid en van de vriendelijke, witte bergbloem, [5] die op hare breede, vleezige, lichtgroene bladerkroon aan 't venster prijkte, omgeven door kransen en figuren van hooggele, geurige goudsbloemen, alles ter eere van ons bezoek.

"Maar wat willen de lui toch hier in 't gebergte; ze hebben 't wis beter thuis dan op de saeters bij 't vee," zei Brit, toen 't gesprek een ommezien haperde, niet zonder een beetje nieuwsgierigheid.

"We wilden eens zien, hoe 't er hier in 't gebergte uitziet, en dan wilden we ook rendieren schieten," antwoordde Sir John.

"Ja wel, rendieren schieten, als er maar rendieren zijn! Ik vrees, dat je 't zult opgeven en je kameraad ook, vóór je er één hebt gezien. In 't voorjaar had-je hier moeten zijn, toen we den saeter betrokken, toen zwierven hier eene menigte mooie beesten rond. Op een' der Vaage-saeters is een meisje, dat Barbro heet; 't is nog eene jonge deern, maar die heeft er een geschoten. 't Dier was op de weide onder de kudde geraakt en liep rustig te grazen. Nu hing er in de hut een geweer aan den zolder; zij wist, dat 't geladen was voor de grauwpooten; dat nam ze, sloop weg en lei 't den os over den rug. Ze mikte voorzichtig, heel behoedzaam; maar toen 't schot afging, tuimelden ze alle drie neer: de deerne, 't rendier en de os; de laatste stiet een hevig gebrul uit van schrik, maar 't rendier stond niet meer op, en de predikant kreeg een heerlijken rendierbout."

"We hebben hier nog wat te doen, Brit," voegde ik er bij; "we zouden gaarne sprookjes hooren. Weet-je iemand, die flink kan vertellen?"

"Er zijn hier een paar meisjes in de nabuurschap; 'k zal een boodschap zenden, dat ze van avond hier komen," antwoordde zij; "die kunnen, als ze willen, wel wat vertellen. Maar de schoolmeester, die kent eerst eene menigte histories. Gisteren was hij bij Marit, en als de hemel niet is ingevallen, zal hij er nog wel wezen, ten minste als Hans nog niet weg is.

"Ik heb den schoolmeester reeds verzocht hier te komen, en Hans en Marit ook," zeide Thor, die nu binnentrad en zijn geweer tegen den wand zette; "ik wist, dat ge veel van sproken houdt, en zij kennen er wel."

"Als de schoolmeester begint, dan komt er geen eind aan de geschiedenissen en vertelsels uit den Bijbel en allerlei geleerdheid," zei Brit; "maar toch is hij te beklagen, de stumperd; 't moet niet alles zijn zoo alleen te branden als een harstige dennetak."

't Duurde niet lang of het gezelschap uit den saeter van Thor kwam binnen. Marit was een door- en doorgezonde deerne, met eene kleur als melk en bloed, een paar levendige kijkers en eene slanke gestalte. Uit 't gezicht van Hans sprak eene frissche onbedorven natuur, een rondborstige aard en de overmoed der jonkheid. De derde was de schoolmeester; schoon hij de drie kruisjes nog niet lang achter den rug had, was zijn gelaat reeds vol kreuken en rimpels, die voornamelijk te wijten schenen aan de voortdurende zorg, om zich met de noodige deftigheid voor te doen. Ook zijne kleeding verried het streven, om zich van de overige boeren te onderscheiden. Hij had eene donkerbruine jas met ontzettend lange panden aan; om den hals droeg hij eene witte das en opstaande boorden, die hem bijna tot den neus reikten. Ter hoogte van zijn' rechter vestzak zag men een' zonderlingen knubbel, dien ik eerst voor een monstergezwel hield; later merkte ik, dat het een groote inktkoker was, dien hij overal met zich voerde. Zijn geheele voorkomen maakte op den vreemdeling een' zeer onbehagelijken indruk, die nog verergerd werd door de geaffecteerde wijze, waarop hij den mond samentrok, als hij sprak. De weetgierigheid en belangstelling van den bergbewoner tegenover den vreemdeling, dien hij voor zich ziet, zijne openhartige, naïeve, somwijlen ook ongepaste vragen zijn bekend. Maar hier vertoonde zich onder een vernis van beschaving eene onverdragelijke indringende nieuwsgierigheid, die nog onuitstaanbaarder werd door den triomfanten blik, welken hij bij iedere vraag om zich heen wierp. 't Was, of hij zich onder de schooljeugd van Vaage bevond, en op zijn gelaat lag een trek, om zijne saamgetrokken lippen een grimlach, die allen aanwezigen scheen toe te roepen: "Heb ik dat niet goed gezeid? Ja, ik weet zulke kerels wel op den tand te voelen!"

Tot nu had ik bijna alleen 't gesprek met den schoolmeester gevoerd. Den stroom van nieuwsgierige vragen, op gemaakten toon gedaan, in schoolvossenstijl, eene op stelten gaande navolging van verouderde boekentaal, waartusschen van tijd tot tijd plotseling plompe staaltjes van 't Gudbrandsdalsche dialect voor den dag kwamen, had ik deels beantwoord, deels afgekeerd. Maar eindelijk verloor mijn reismakker, die nog minder dan ik gesticht was over 't onderzoek, waarvan wij 't voorwerp waren, zijn geduld en viel tamelijk barsch uit in zijne moedertaal:

"De duivel hale dien vent en zijne oogen en zijne tong en zijne onbeschaamdheid!"

"Ah!" zeide de schoolmeester met een gezicht, alsof hij een som uit den regel-van-drieën had gevonden: "thans is het mij op eenmaal duidelijk, dat de heeren reizigers zijn uit vreemde landen; wellicht uit Engeland of Frankrijk, of misschien wel uit Spanje; voor korten tijd kwam hier immers een graaf uit laatstgenoemd land!"

"Nu zijt ge in de war, schoolmeester," antwoordde ik. "Ge kunt toch wel hooren, dat 't Noorsch mijne moedertaal is; en mijn reisgezel, Sir John Tottenbroom, komt uit Engeland."

"Zoo, zoo--is die geëerde heer uit 't Britsche rijk gekomen?" zei de schoolmeester, terwijl hij een' blik in 't rond sloeg, om de opmerkzaamheid te vestigen op de geographische kennis, die hij nu dacht ten toon te spreiden: "En is hij hierheen gereisd te water over de wijde zee, welke de Noordzee wordt geheeten, of heeft hij den weg te land gekozen door Frankrijk, Holland, Duitschland, Denemarken en Zweden? En tot welk doeleinde is hij hierheen getogen, indien 't mij vergund zij zulks te vragen?"

"Vraag maar, schoolmeester," antwoordde ik aanmoedigend. "Uwe eerste vraag kan ik beantwoorden; hij is over de Noordzee gekomen. Wat de tweede betreft, moogt ge u tot hem zelven wenden."

"Uit hem zul-je wel wijs worden, schoolmeester," merkte zijn medeminnaar op, die behagelijk zat te rooken uit een meerschuimen pijpje met zilveren beslag, een hoornen roer met koperdraad omslingerd en een lang mondstuk; "de vent brabbelt niets anders dan Engelsch."

"Ja, indien hij de Duitsche taal meester ware," zeide de schoolmeester op een' toon van gewicht, "dan zoude ik wel met hem kunnen spreken; want daarin ben ik redelijk wel ervaren--ik heb Geddike's Leesboek en Hübner's Geographie in die taal bestudeerd."

"Spreek hem maar in 't Duitsch aan, schoolmeester," zeide ik, "dan zal hij u wel antwoorden."

"Damyou," viel Sir John uit, die ondanks zijne ergernis zich niet kon weerhouden te lachen over de verlegen houding van den schoolmeester. "Ge wilt weten, waarom ik hier ben?" ging hij voort in niet al te slecht Duitsch. "Onder andere reis ik om de zotheden der menschen te bestudeeren, en naar 't schijnt, zal ik er hier eene uitstekende gelegenheid voor vinden."

"Dat is Engelsch, dat versta ik niet;" zeide de schoolmeester, "maar," ging hij voort in een afschuwelijk mengelmoes van Noorsch en Duitsch, terwijl hij 't eerste onderwerp het beste, dat hij in 't kastje zijner kundigheden kon vinden, te voorschijn haalde, "wat is uw oordeel aangaande het feit, dat geschreven staat van den Pontus Euxinus, die in 't jaar 715 dicht vroor tot op eene diepte van 40 ellen, en toen het ijs smolt, zulk eene verbazingwekkende warmte uitdampte, dat er eene pestilentie ontstond, waardoor alle menschen te Konstantinopel stierven?"

't Schaterend gelach, dat losbarstte over dit "feit" uit Hübners Geographie, maakte een einde aan de Duitsche conversatie en een' tijd lang was de schoolmeester innerlijk verontwaardigd over onzen spot. Hij scheen echter niet heel onverzoenlijk van aard; toen wij al dichter om den haard schoven, naderde hij den kring. De meisjes, die vertellen zouden, waren gekomen; zij zagen er net en vriendelijk uit. Eéne van haar had zelfs eene bevallige houding en een fijn besneden gezichtje, dat echter in bleekheid de bergbloem evenaarde.

Toen Brit mijne uitnoodiging om sprookjes te vertellen ondersteunde, verzekerden ze lachend, dat ze er geene kenden. Allen waren ze wat bloode en niemand wilde beginnen.

"Neen, de schoolmeester, de schoolmeester," riepen ze, "die kan vertellen, die kent wel mooie histories."

"Ja," zeide de schoolmeester, "ik zou wel iets kunnen verhalen uit de bijbelsche historie, of ook bijv. van keizer Octavianus. Bovendien ken ik eene zeer droeve liefdeshistorie van den manhaften ridder Tristand en de deugzame prinses Indiana, en zoo voort, etcetera."

"Neen, mijn waarde schoolmeester," viel ik hem in de rede, "de histories, die ge daar noemt, ken ik al op mijn duimpje; wat ik wensch te hooren, zijn vertellingen over Huldren en heksen, sprookjes van Asschepoester en dergelijke, die nooit gedrukt zijn, maar alleen in den mond van 't volk leven."

"Zulke nesterijen kan ik niet vertellen," zei de schoolmeester op geraakten toon, "dat past geen' leermeester der jeugd en allerminst een lid van 't dorpsbestuur, als ik, die de constitutie heb bezworen. Wat zou ik moeten zeggen, indien men mij vroeg of 't waar was, dat Halsten Röen sprookjes had zitten vertellen als eene oude baker?"

"En wat heb-je dan wel gezegd, toen je die sprookjes van je-weet-wel opgedischt en het avondliedje hebt gezongen op Ulvsvolden, verleden jaar op kerstmis?" vroeg zijn medeminnaar met een spottend lachje.

"Wat ik antwoordde, komt thans niet te pas," zeide de schoolmeester; "maar wat goed is voor u en andere eenvoudige lieden, is dit nog niet voor reizigers, die het karakter en de zeden der volkeren bestudeeren; ik acht het beter wijsheid te putten uit de scherpzinnige opmerkingen van zoodanige mannen, dan dwaze en onbeduidende boerenvertellingen te doen hooren; want reizigers zijn wereldwijzen en ik zal hun daarom ernstelijk verzoeken mij iets te willen mededeelen van de schatten hunner kennis."

Ik zocht hem te beduiden, dat ik in de stad genoeg te doen had met onderwijzen, om ten minste op een toertje door het gebergte van de lasten dier taak ontslagen te zijn.

"Als dan niemand wat wil vertellen," begon Andries, "dan zal ik de historie mededeelen van een' man, die in de buurt van het Hedal woonde. Hij heette Hogner; maar later noemde de menschen hem Hogner Duivelkloover. Hij was een jaar of wat zeeman geweest; maar toen hij een aardig duitje had verdiend, zoodat hij de hoeve van zijn' vader kon overnemen, besloot hij thuis te blijven en ging uit vrijen naar een meisje uit Vaage, dat als melkster op een' saeter diende.

Eens toen hij den saeter opzocht, was de melkster verdwenen en de hoedster kwam schreiend met het vee naar huis.

"Wat scheelt er aan, en waar is de melkster?" vroeg Hogner.

"Daar zijn drie berggeesten gekomen en hebben haar weggevoerd," snikte 't meisje.

Hogner vloog dadelijk heen om zijne liefste op te zoeken en zich op de berggeesten te wreken; hij nam iemand met zich mee, die Haarek Langbein heette. Zij zochten wijd en zijd, in bosch en veld, op hooge bergtoppen en in diepe dalen, maar noch de berggeesten, noch het meisje waren ergens te vinden. Eindelijk, toen zij bij de weiden van Stuttgang waren, daar ontmoetten zij een' berggeest.

"Wacht even," zeide Hogner en bracht den geest met zijn zwaard eene wond toe; daarop trok hij een' kring in den grond om hem heen, maakte een kruis in de lucht boven zijn hoofd en bande daardoor den boozen geest op de plek, waar hij stond.

"Waar is de melkster van Rönnaas gebleven?" vroeg hij den geest. Deze wilde niet antwoorden, maar Hogner dreigde hem zoo lang, tot hij bekende, dat zijn makker Platneus, die in 't veld bij Stuttgang huisde, het meisje had weggevoerd.

"Morgen viert men bruiloft," zeide hij, "en ik moet naar Skulen en naar den Reuzenberg om zijne familie uit te noodigen."