Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 9

Chapter 93,915 wordsPublic domain

Tot hun verbazing echter bleef, trots de laaiende vlammen, het stuk volkomen rauw. Begrijpende dat er tooverij in het spel moest zijn, keken zij rond om te ontdekken wat hun braderij in de war bracht, toen zij een adelaar zagen die op een boom boven hen zat. Ziende dat de reizigers erg in hem hadden, sprak de vogel hen toe en erkende dat hij het was, die het vuur belette zijn gewoon werk te doen, maar hij bood aan, de betoovering weg te nemen als zij hem zooveel eten gaven als hij op kon. De goden vonden dit goed, waarop de vogel neerschoot en de vlammen aanwakkerde met zijn groote vleugels, en weldra was het vleesch gaar. De adelaar wilde toen drie-vierde meenemen, maar dit was te veel voor Loki, die een grooten stok nam, welke naast hem lag, en den gulzigen vogel begon af te rossen, vergetend dat hij bedreven was in tooverkunsten. Tot zijn groote teleurstelling merkte hij, dat het eene eind van den stok zich vasthechtte aan den rug van den adelaar, het andere aan zijn handen, en dat hij werd meegesleurd over steenen en door struiken, soms door de lucht, terwijl zijn armen bijna uit het lid werden gerukt. Te vergeefs schreeuwde hij om genade en smeekte den arend hem los te laten; de vogel vloog verder, totdat hij beloofde dat hij elken losprijs zou geven dien zijn overwinnaar wilde in ruil voor zijn vrijheid.

De schijn-adelaar, die de stormreus Thiassi was, stemde ten slotte erin toe, Loki vrij te laten op één voorwaarde. Hij liet hem beloven met de plechtigste eeden, dat hij Idoen zou lokken uit Asgard, zoodat Thiassi haar en haar toovervruchten in zijn bezit zou krijgen.

Eindelijk vrijgelaten keerde Loki naar Odin en Hoenir terug, zorgde echter hun niet te vertellen op welke voorwaarde hij zijn vrijheid gekregen had; en toen zij weer in Asgard waren, begon hij plannen te maken hoe hij Idoen buiten de woning der goden zou kunnen lokken. Eenige dagen later, toen Bragi afwezig was op een van zijn minstreel-tochten, zocht Loki Idoen op in de boschjes van Brunnaker, waar zij verblijf hield, en beschreef sluw eenige appelen die op kleinen afstand groeiden, en die, zooals hij valschelijk beweerde, volkomen op de hare geleken; zoo lokte hij haar uit Asgard met een kristallen schotel vol vruchten, die zij wilde vergelijken met de door hem geprezene. Zoodra Idoen buiten Asgard was, verliet haar de bedriegelijke Loki, en eer zij kon terugkeeren in de beschutting van de hemelsche woning, schoot de stormreus Thiassi neer van het noorden op zijn adelaarsvleugelen, nam haar in zijn felle klauwen, en droeg haar snel weg naar zijn kaal en eenzaam verblijf Thrym-heim.

Thrym-heim is het zesde waar Thiassi woonde, De almachtige Jötun.

Grimnir-lied.

Ver van haar geliefde gezellen leed Idoen, werd bleek en bedroefd, maar weigerde beslist Thiassi ook maar iets van haar toovervruchten te laten proeven, die, zooals hij wel wist, hem schoon zouden maken en zijn kracht en jeugd hernieuwen.

Van elk ongeval Dat trof Odins hal, Is de lage Loki schuld; Uit Valhalla's paleizen Heeft hij zoet' Idoena genood Die bij zich had Der applen schat, Welke d'Aesir nooit doen grijzen, Dat Thiassis toren z' omsloot.

Valhalla (J. C. Jones).

De tijd verliep. De goden, denkend dat Idoen met haar man mee was en weldra zou terugkeeren, letten eerst niet op haar afwezigheid, maar langzamerhand verdween de gunstige werking van het laatste appelmaal. Zij begonnen te voelen dat de ouderdom kwam en zagen hun jeugd en schoonheid verdwijnen; dus werden zij ongerust en begonnen naar de godin, die er niet was, te zoeken.

IJverige nasporing bracht het feit aan het licht dat zij het laatst was gezien in gezelschap van Loki, en toen Odin hem streng ter verantwoording riep, moest hij bekennen dat hij haar bedrieglijk had overgegeven in de macht van den stormreus.

Door zijn spottend, boos gezicht Kwam 't in Valhal snel aan 't licht, Dat door Loki's leugenmacht D' arme Idoen was gebracht Om in donkren toren Jötun toe te hooren.

Valhalla (J. C. Jones).

De terugkomst van Idoen.

De houding van de goden werd nu zeer dreigend, en Loki begreep, dat, als hij geen middelen verzon om de godin terug te halen, wel spoedig zijn leven in groot gevaar zou zijn.

Hij verzekerde de goden dus, dat hij alles in het werk zou stellen om de bevrijding van Idoen te bewerken, en leende Freya's valkenvederen en vloog naar Thrym-heim, waar hij Idoen alleen vond, bitter bedroefd over haar ballingschap uit Asgard en van haar geliefden Bragi. De schoone godin, volgens sommige overleveringen in een noot, volgens andere in een zwaluw veranderend, greep Loki haar stevig tusschen zijn klauwen en vloog snel terug naar Asgard, in de hoop dat hij het schut van haar hooge muren zou bereiken eer Thiassi terugkwam van een vischvangst in de wonderlijke zeeën waarheen hij was gegaan.

Intusschen hadden zich de goden verzameld op de wallen van de hemelsche stad, en zij wachtten Loki's terugkomst met veel sterker spanning af, dan zij voor Odin hadden gevoeld toen hij Od-hroerir zocht. Terwijl zij zich het succes van hun list bij die gelegenheid herinnerden, hadden zij groote massa's brandstof opgestapeld, die zij elk oogenblik in vlam konden zetten.

Plotseling zagen zij Loki komen, maar ontdekten achter hem een grooten adelaar. Dit was de reus Thiassi die plotseling was teruggekeerd van Thrym-heim en merkte dat zijn gevangene door een valk was geroofd, waarin hij dadelijk een van de goden herkende. Haastig had hij zijn arendsveeren aangetrokken en was dadelijk op jacht gegaan en haalde vlug zijn buit in. Loki verdubbelde zijn pogingen toen hij de muren van Asgard naderde, en eer Thiassi hem inhaalde, bereikte hij het eindpunt en zonk uitgeput in het midden der goden neer. Onmiddellijk stak men de opgehoopte brandstof aan, en toen de achtervolgende Thiassi over de muren kwam op zijn beurt, deden de vlammen en de rook hem verminkt en half bewusteloos op den grond vallen, een gemakkelijken buit voor de goden, die onbarmhartig op hem aanvielen en hem afmaakten.

De Aesir waren overgelukkig nu zij Idoen hadden teruggevonden, en zij namen snel van de kostelijke appelen, die zij behouden had teruggebracht. Toen zij hun gewone kracht en goed uitzicht voelden terugkeeren bij elken beet dien zij aten, verklaarden zij goedaardig dat het geen wonder was, als zelfs de reuzen de appels der eeuwige jeugd trachtten te proeven. Zij besloten dus dat zij Thiassi's oogen als een sterrebeeld aan den hemel zouden zetten, om elk gevoel van wrok weg te nemen dat zijn bloedverwanten zouden kunnen koesteren als zij hoorden dat hij gedood was.

Op werp ik de oogen Van Alvadi's zoon In de hemelen hel: Zij duiden de grootste Van al mijne daden.

Harbard-lied.

De godin van de lente.

De natuurlijke verklaring van deze mythen is voor de hand liggend. Idoen, het zinnebeeld van den plantengroei, wordt in den herfst met geweld weggesleept, als Bragi afwezig is en het zingen der vogels heeft opgehouden. De koude winterwind, Thiassi, houdt haar in het ijzige, barre Noorden, waar zij het niet kan vinden, tot Loki, de zuidenwind, het zaad of de zwaluw terugbrengt, die beide voorloopers zijn van de terugkeerende lente. De jeugd, schoonheid en kracht, door Idoen verleend, symboliseeren de herleving der natuur in het voorjaar na den slaap van den winter, als kleur en kracht bij de aarde wederkeeren, die gerimpeld en grijs geworden was.

Idoen valt in de onderwereld.

Daar de verdwijning van Idoen (plantengroei) een jaarlijksche gebeurtenis was, kunnen wij verwachten andere mythen te vinden, die zich met dit treffende verschijnsel bezig houden, en er is een andere geliefkoosde mythe van de oude zangers, die, helaas, ons slechts in een fragmentaire en zeer onvolledige gestalte heeft bereikt. Volgens deze overlevering zat Idoen eens op de takken van den heiligen esch Yggdrasil, toen zij plotseling duizelig werd en haar houvast kwijt raakte en op den grond viel, tot de diepste diepten van Nevelheim. Daar lag zij, bleek en stijf, starend met onbeweeglijke en verschrikte oogen op de sombere visioenen die het Hellegebied opdringt, heftig bevend als iemand die door felle koude wordt gekweld.

In de diepten woont De alwetende Dis, Van Yggdrasils Esch zonk neer, Van elfenras, Idoen genaamd, Het jongste van Ivaldi's Oud're kindren. Slecht bekwam Haar de val Onder den boom Den grijzigen. Zij kon niet blij zijn nu Met Norvi's dochter, Gewend aan vroolijker Woning thuis.

Odins Ravenzang.

Ziende dat zij niet terugkwam, beval Odin Bragi, Heimdall en een ander van de goden haar te gaan zoeken en gaf hun een witte wolfshuid mee om haar in te wikkelen, zoodat zij niet van de koude zou te lijden hebben; hij gebood hun alles in het werk te stellen om haar op te wekken uit de verdooving--want krachtens zijn voorwetenschap wist hij dat deze over haar gekomen was,

Zij gaven haar een wolfshuid Waarin zij zich kleedde.

Odins Ravenzang.

Idoen liet lijdelijk toe, dat de goden haar in de warme wolfshuid wikkelden, maar zij weigerde hardnekkig te spreken of zich te bewegen, en op grond van haar vreemde manieren vermoedde haar man met droefheid dat zij een visioen had van zeer nare dingen. De tranen stroomden onophoudelijk van hare bleeke wangen, en Bragi, overstelpt door haar ellende, vroeg eindelijk de andere goden zonder hem naar Asgard terug te keeren, zeggend dat hij bij zijn vrouw wilde blijven totdat zij Hels jammerlijk gebied weer verlaten kon. Het gezicht van haar smart drukte hem zóó neer, dat hij geen lust had in zijn gewone vroolijke liederen, en de snaren van zijn harp waren stom terwijl hij in de onderwereld was.

Die zachte zephyr suist langs bloemenweiden, Of Bragi's toonen van zijn snaren glijden.

Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).

In deze mythe beteekent Idoens val van Yggdrasil het vallen van de bladeren in den herfst, die bleek en hulpeloos op den kouden, kalen grond liggen, totdat zij aan het oog worden onttrokken door de sneeuw, voorgesteld door de wolfshuid, die Odin, de lucht, zendt om ze warm te houden; en het zwijgen van de liederen der vogels is verder aangeduid door Bragi's zwijgende harp.

HOOFDSTUK VIII: NIÖRD.

Een gijzelaar bij de goden.

Wij hebben reeds gezien, hoe de Aesir en Vana's gijzelaars wisselden na den verschrikkelijken oorlog dien zij hadden gevoerd, en dat, terwijl Hoenir, Odins broeder, in Vana-heim ging wonen, Niörd, met zijn twee kinderen, Frey en Freya, voor goed verblijf hield in Asgard.

In Vana-heim Schiepen hem wijze machten, En gaven den goden een gijzelaar.

Vafthrudnir-lied.

Als heer van de winden en van de zee bij de kust kreeg Niörd het paleis Nôatûn, bij de zeekust, waar--zoo hooren wij--hij de hevige stormen stilde, door Aegir, den god van de diepe zee gewekt.

Niörd, de god van storm, 't zeevolk bekend, Daarboven niet in Van-heim groot gebracht, Bij menschen, blijft den goden gijzelaar; Kent elken mond en elke rotsige kreek, Omgord met pijnbosch, kent de banken, waar Zeevogels schreeuwen.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hij strekte zijn bijzondere zorg uit over handel en visscherij, twee bezigheden die men met voordeel slechts kon verrichten in de korte zomermaanden, waarvan hij in zekeren zin als de verpersoonlijking gold.

De god van den zomer.

Niörd wordt in de kunst voorgesteld als een heel lieflijke god, in den bloei des levens, gehuld in een soort groene tunica, met een kroon van schelpen en zeegras op zijn hoofd, of een bruingeranden hoed, versierd met arends- of reigerveeren. Als verpersoonlijking van den zomer werd hij aangeroepen om de woedende stormen te stillen, die de kusten gedurende de wintermaanden woest maakten. Ook riep men hem aan om de warmte van de lente te bespoedigen en zoo de wintervuren uit te dooven.

Daar de landbouw enkel in de zomermaanden beoefend werd en voornamelijk langs de fjorden of inhammen van de zee, werd Niörd ook aangeroepen om gunstige oogsten te schenken, want men zeide dat hij gaarne welvaart schonk aan hen die op hem vertrouwden.

Niörds eerste vrouw was, volgens sommigen, zijn zuster Nerthus, moeder aarde, die in Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, zooals wij hebben gezien, maar in Skandinavië als een afzonderlijke godin gold.

Niörd moest haar echter verlaten toen hij naar Asgard werd geroepen, waar hij een van de twaalf zetels kreeg in de groote vergaderzaal, en alle samenkomsten der goden bijwoonde, terwijl hij slechts naar Nôatûn ging, als de Aesir zijn diensten niet noodig hadden.

Nôatûn is het elfde, Daar heeft Niörd zich Zelf een huis gebouwd, Der menschen heer; Zonder zonde Bestuurt hij de hooge hal.

Grimnir-lied.

In zijn huis aan de zeekust zag Niörd gaarne de zeemeeuwen af- en aanvliegen, en keek met genoegen naar de bevallige bewegingen van de zwanen, zijn geliefkoosde vogels, die hem heilig waren. Ook bracht hij menig uur door met te turen naar de kromme sprongen van de aardige zeehonden, die zich in den zonneschijn aan zijn voeten kwamen koesteren.

Skadi, godin van den winter.

Kort na Idoens terugkeer van Thrym-heim, en Thiassi's dood binnen de grenzen van Asgard, werden de vergaderde goden zeer verrast en teleurgesteld omdat zij Skadi, de dochter van den reus, op zekeren dag in hun midden zagen verschijnen, om voldoening te vragen voor haars vaders dood. Ofschoon de dochter van een leelijken ouden Hrim-thurs, was Skadi, de godin van den winter, inderdaad zeer schoon, in haar zilveren wapenrusting, met haar blinkende speer, haar scherp gepunte pijlen, kort wit jachtgewaad, witte bonten beenstukken en breede sneeuwschoenen; en de goden moesten de rechtmatigheid van haar eisch erkennen, waarom zij de gewone boete ten zoen aanboden. Skadi was echter zóó boos dat zij eerst deze schikking afsloeg, en streng leven voor leven eischte, totdat Loki, die haar toorn wilde kalmeeren en die dacht dat, als hij haar koude lippen slechts tot een glimlach kon bewegen, het overige gemakkelijk genoeg zou gaan, allerlei grappen begon te maken. Zoo bond hij met een onzichtbaar touw een geit aan zich vast en maakte allerlei potsen die de geit nadeed; en het gezicht was zóó mal, dat al de goden in lachen uitbarstten en zelfs Skadi moest glimlachen.

De goden maakten zich deze verzachte stemming ten nutte en wezen naar den hemel waar de oogen van haar vader als schitterende sterren gloeiden in het noordelijk halfrond. Zij zeiden dat zij hem daar hadden geplaatst om hem alle eer te bewijzen, en voegden er ten slotte aan toe, dat zij als man mocht kiezen een der goden die in de vergadering aanwezig was, bedingende dat zij tevreden zou zijn hun bekoorlijkheden te beoordeelen naar hun bloote voeten.

Geblinddoekt, zoodat zij alleen de voeten van de goden kon zien die in een cirkel om haar heen stonden, keek Skadi rond en haar oog viel op een paar schoongevormde voeten. Zij wist zeker dat zij aan Balder, den god van het licht, moesten toebehooren, wiens gelaat haar bekoord had, en zij wees hun eigenaar als haar keuze aan.

Toen de doek was weggenomen, ontdekte zij echter tot haar spijt dat zij Niörd gekozen had, met wien zij verloofd was; maar trots haar teleurstelling bracht zij gelukkige wittebroodsweken in Asgard door, waar allen er genoegen in schenen te hebben haar te eeren. Vervolgens bracht Niörd zijn bruid naar zijn huis Nôatûn, waar het eentonig geluid van de golven, het geschreeuw van de zeemeeuwen, en de kreten van de zeehonden Skadi's slaap zóó stoorden, dat zij ten slotte het voor onmogelijk verklaarde er langer te blijven, en zij haar man smeekte haar terug te brengen naar haar geboorteplaats Thrym-heim.

Slapen kon ik niet Op mijn zeestrand bed, Daar de zeevogels schreeuwden. Daar wekt mij Als van de golven hij komt Elken luchtend de meeuw.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Niörd, die gaarne zijn pasgetrouwde vrouw genoegen deed, willigde haar verzoek in haar naar Thrym-heim te brengen, en er met haar te wonen negen van elke twaalf nachten, mits zij de overige drie met hem zou doorbrengen te Nôatûn; maar toen hij den bergstreek naderde, scheen het gezicht van den wind in de pijnboomen, het gedonder van de lawinen, het gekraak van het ijs, het gedruisch der watervallen, en het gehuil der wolven hem even ondragelijk als het geluid van de zee het zijn vrouw had geschenen, en hij kon slechts blij zijn als zijn periode van ballingschap geëindigd was, en hij zich weer te Nôatûn bevond.

'k Ben moe van de bergen; Niet lang was ik daar, Negen nachten slechts; 't Gehuil der wolven Klonk, vond ik, heel slecht Bij den zang van de zwanen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De scheiding van Niörd en Skadi.

Gedurende eenigen tijd hielden Niörd en Skadi, die zomer en winter verbeelden, deze wisseling van woonplaats vol, terwijl de vrouw de drie korte zomermaanden aan de zee doorbracht, en hij tegen zijn zin bij haar in Thrym-heim bleef gedurende de negen lange wintermaanden. Maar, ten slotte bevindend dat hun smaken nooit samen zouden kunnen gaan, besloten zij voor goed te scheiden, en keerden naar hun respectieve woonplaatsen terug, waar elk zich kon bezighouden op de manier die hem door gewoonte lief geworden was.

Thrym-heim, zoo heet het, Waar Thjasse woonde, Die stroom-sterke reus; Maar Skade toeft nu, Zuivere godenbruid, In haars vaders veste.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Skadi vatte haar oud jachtbedrijf weer op, en verliet haar gebied alleen weer om te huwen met den half-historischen Odin, wien zij een zoon, Seaming geheeten, baarde, den eersten koning van Noorwegen, en den vooronderstelden stichter van het vorstelijke ras, dat lang dat land heeft geregeerd.

Volgens andere verhalen echter trouwde Skadi met Uhler, den wintergod. Daar Skadi een ervaren scherpschutter is, wordt zij met pijl en boog afgebeeld, en, als godin van de jacht, wordt zij gewoonlijk vergezeld door een van de wolfachtige Eskimo-honden die in het Noorden voorkomen. Skadi werd aangeroepen door jagers en winterreizigers, wier slede zij over sneeuw en ijs voerde en die zij dan hun bestemming behouden deed bereiken.

Skadi's toorn tegen de goden, die haar vader, den stormreus, hadden verslagen, is een beeld van de onbuigzame strengheid der in ijs gehulde aarde, die, ten slotte verzacht door het dartele spel van Loki (de heete bliksem) glimlacht en de omhelzing van Niörd (zomer) goedvindt. Zijn liefde kon haar echter niet meer dan drie maanden van het jaar (in de mythe door nachten aangeduid) houden, en zij verlangt in stilte altijd naar de winterstormen en haar gewone bezigheden tusschen de bergen.

De vereering van Niörd.

Men geloofde dat Niörd de schepen zegende die in en uit de haven gingen, en zijn tempels lagen aan de zeekust; daar werden gewoonlijk eeden gezworen in zijn naam, en zijn gezondheid werd bij iederen maaltijd ingesteld, waar hij altijd met zijn zoon Frey werd samengenoemd.

Daar men dacht dat alle waterplanten hem toebehoorden, stond de zeespons in het noorden bekend als "Niörds handschoen", een naam die tot voor kort bewaard bleef, toen dezelfde plant door het volk herdoopt werd in "Hand der Maagd".

HOOFDSTUK IX: FREY.

De god van het elfenland.

Frey, of Froh, zooals hij in Duitschland heette, was de zoon van Niörd en Nerthus, of van Niörd en Skadi, en werd geboren in Vanaheim. Daarom behoorde hij tot het ras van de Vana's, de goden van water en lucht, maar werd hartelijk welkom geheeten in Asgard toen hij er kwam als gijzelaar met zijn vader. Daar het onder de noordelijke volken gebruik was een kind een groot geschenk te geven wanneer het zijn eersten tand kreeg, gaven de Aesir het kind Frey het schoone land Alf-heim of Elfenland, het verblijf der Lichtelfen.

Alf-heim werd aan Frey Door de goden gegeven Eens als tandgeschenk.

Saemunds Edda.

Hier ging Frey, de god van den gouden zonneschijn en de warme zomerbuien, wonen, bekoord door het gezelschap van de elfen en feeën, die blindelings zijn bevelen gehoorzaamden, en op een teeken van hem af en aan zweefden, terwijl zij alle goeds deden dat in haar macht stond, want zij waren buitengewoon weldadige geesten.

Frey kreeg van de goden ook een wonderbaar zwaard (een beeld van de zonnestralen), dat de macht had met goed gevolg en uit zich zelf te strijden zoodra het uit de scheede getrokken was. Frey zwaaide dit vooral tegen de vorstreuzen, die hij bijna even sterk haatte als Thor, en omdat hij dit schitterende wapen droeg, is hij soms verward met den zwaardgod Tyr of Saxnot.

Met een kortgreep'gen hamer strijdt de machtige Thor, Freys zwaard is slechts lang één el.

Viking-vertellingen van het noorden (R. B. Anderson).

De dwergen van Svart-alfa-heim gaven Frey het goudborstelige zwijn Gullin-bursti (de goudborstelige) een verpersoonlijking van de zon. De schitterende borstels van dit dier werden symbolisch verklaard òf als de zonnestralen, òf als het gouden graan dat op zijn bevel golfde over de oogstlanden van Midgard, òf als de landbouw, want het wildzwijn (dat met zijn scherpen snuit den grond omwoelt) werd geacht de menschheid het eerst geleerd te hebben hoe zij ploegen moest.

Daar was Frey en zat Op 't goudborstelig zwijn, dat--zeggen zij-- Ploegde de bruine aard', ze maakte groen.

Minnaars van Goedroen (William Morris).

Frey reed soms schrijlings op dit wonderbare zwijn, welks snelheid zeer groot was en spande het op andere tijden voor den gouden wagen, die--zooals men zeide--de vruchten en bloemen bevatte welke hij kwistig over de aarde uitstrooide.

Frey was bovendien de trotsche bezitter van het onverschrokken ros Blodug-hofi, dat op zijn bevel door vuur en water zou ijlen, maar ook van het tooverschip Skidbladnir, een verpersoonlijking van de wolken. Dit schip, dat over land en zee voer, werd altijd door gunstige winden voortgestuwd, en was zóó elastisch dat, terwijl het voldoende groote afmetingen kon aannemen om de goden te dragen, hun paarden en heel hun uitrusting, het ook als een doek kon worden opgevouwen en in den zak gestoken.

Ivaldi's zonen Werkten in dagen van ouds Om te maken Skidbladnir, Het beste schip Voor den schoonen Frey, Niörds goeden zoon.

Grimnir-lied.

Het dingen om Gerda's hand.

In een van de Edda-liederen wordt verteld dat Frey eens Odins troon, Hlidskialf, durfde beklimmen, van welken hoogen zetel zijn blik over de wijde wereld zwierf. Toen hij naar het bevroren noorden keek, zag hij een schoon jong meisje het huis van den vorstreus Gymir binnengaan, en toen zij haar hand ophief om de klink op te lichten, bestraalde haar schitterende schoonheid zee en lucht.

Een oogenblik later verdween dit lieflijke wezen, wier naam Gerda was en die men beschouwt als een verpersoonlijking van het flitsende noorderlicht, in het huis haars vaders, en Frey keerde in gedachten terug naar Alfheim, terwijl zijn hart vervuld was met het verlangen dit mooie meisje zijn vrouw te maken. Smoorlijk verliefd was hij zwaarmoedig en in de hoogste mate verstrooid, en begon zich zóó vreemd aan te stellen, dat zijn vader, Niörd, zeer ongerust werd over zijn gezondheid, en zijn trouwen knecht Skirnir beval de oorzaak van deze plotselinge verandering te ontdekken. Na veel overreding kreeg Skirnir ten slotte van Frey een verslag aangaande zijn beklimmen van Hlidskialf, en van het mooie schouwspel dat hij had gezien. Hij bekende zijn liefde en ook zijn uiterste wanhoop, want daar Gerda de dochter was van Gymir en Angur-boda, en een bloedverwante van den vermoorden reus Thiassi, vreesde hij, dat zij hem nooit gunstig ontvangen zou.

In Gymirs hof heb 'k haar geschouwd, De maagd die mij gevangen houdt; Haar sneeuwwitt' armen, blank gezicht Wierpen op aard' en zee hun licht. Haar min ik meer dan ooit voorheen Een meisj' een jongling dierbaar scheen; Maar elf en god die 't al gebiedt Gunt ons 't geluk der liefde niet.

Skirners lied.