Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 7

Chapter 73,987 wordsPublic domain

Om zijn zoon te beloonen voor zijn tijdige hulp gaf Thor hem het ros Gullfaxi (goud-manig), dat hem krachtens recht van buitmaking toekwam, en Magni reed voortaan steeds op dit wonderbare paard, dat bijna den beroemden Sleipnir evenaarde in snelheid en weerstandsvermogen.

Groa, de toovenares.

Na een vergeefsch pogen om den steensplinter uit zijn voorhoofd te verwijderen, keerde Thor bedroefd naar Thrud-vang terug, waar Sifs liefderijke pogingen even weinig succes hadden. Zij besloot dus om Groa (groenmaakster) te zenden, een toovenares, beroemd om hare bedrevenheid in de geneeskunst en om de kracht harer tooverformulen en bezweringen. Groa verklaarde zich dadelijk bereid alles wat in haar vermogen was te doen om den god te helpen, die zoo vaak haar terwille was geweest, en begon plechtig voor te dragen machtige runen, onder welker invloed Thor den steen losser en losser voelde worden. Zijn vreugde bij het uitzicht op een spoedige verlossing deed Thor wenschen de toovenares direct te beloonen, en wetend dat niets grooter genot kon geven aan een moeder dan het uitzicht een langverloren kind terug te zien, ging hij haar vertellen dat hij pas den Elivagar of ijsstroom had overgestoken, om haar zoontje Orvandil (zaad) uit de wreede macht der reuzen te bevrijden, en dat hij er in geslaagd was hem in een mandje mee te voeren. Maar daar de kleine ondeugd volhield een van zijn bloote teenen door een gat in de mand te steken, was deze bevroren, en Thor brak hem toevallig af en wierp hem in de lucht, waar hij als een ster zou schijnen, in het Noorden als "Orvandils Teen" bekend.

Verheugd bij dit nieuws hield de profetes met hare bezweringen op om haar blijdschap uit te drukken, maar daar zij juist vergeten was waar zij was gebleven, kon zij haar betoovering niet voortzetten en de keisteen bleef in Thors voorhoofd zitten waar hij nimmer kon worden uitgehaald.

Daar Thors hamer hem altijd zulke goede diensten bewees werd deze het meest van alles wat hij had geprezen, en groot was zijn teleurstelling toen hij op zekeren morgen wakker werd en de hamer weg bleek. Zijn kreet van toorn en teleurstelling riep Loki weldra aan zijn zijde en hem vertrouwde Thor het geheim van zijn verlies toe, zeggende dat als de reuzen er achter kwamen zij weldra Asgard zouden trachten te bestormen en de goden te vernielen.

Toornig werd Thor, ontwaakt nu weer, En vond zijn trouwe knots niet meer, Hij fronsde 't hoofd, hij streek zijn baard, Toen keek rondom de zoon der aard, En daar hij sprak dit woord vóór al: "Nu luister wat 'k u zeggen zal, Wat god noch mensch weet, leer ik u: Weg is mijn knots, wat moet ik nu?"

Thryms Quida.

Thor en Thrym.

Loki zeide dat hij zijn best zou doen om den dief te ontdekken en den hamer terug te vinden, als Freya hem haar valkenveeren wilde leenen, en hij haastte zich onmiddellijk naar Folkvang om ze te vragen. Zijn reis had succes, en in de gestalte van een vogel vloog hij toen over de rivier Ifing en over de kale uitgestrektheid van Jötun-heim, waar hij vermoedde dat de dief zich ophield. Daar zag hij Thrym, heer der vorstreuzen en god van den verwoestenden donder, alleen aan een heuvelhelling zitten. Hem listig uitvragend, kwam hij spoedig te weten dat Thrym den hamer had gestolen en hem diep onder den grond begraven had. Bovendien merkte hij dat er weinig kans was hem terug te krijgen tenzij Freya hem gebracht werd als een vogel uitgedost.

Ik houd des Dond'rers knots bewaard Acht meters diep beneden d' aard; Geen is er die mij hem zal ontstelen Als hij Freya niet brengt om mijn bed te deelen.

Thryms Quida.

Verontwaardigd over de laatdunkendheid van den reus, keerde Loki terug naar Thrud-vang, maar Thor meende dat het goed zou zijn Freya op te zoeken en te trachten haar over te halen dat zij zich zou opofferen ten algemeenen nutte. Maar toen de Aesir de godin der schoonheid vertelde wat hij van haar wilde, werd zij zóó woedend dat haar halsketting barstte. Zij zeide hem dat zij nooit haren geliefden echtgenoot zou verlaten voor welken god ook, veel minder een afschuwelijken reus huwen en in Jötun-heim wonen, waar alles uiterst somber was, en waar zij spoedig zou sterven aan heimwee naar de groene velden en de bloemrijke weiden, waarin zij zoo gaarne rondzwierf. Ziende dat verdere overreding vruchteloos zou zijn, keerden Loki en Thor huiswaarts en overlegden er een ander plan om den hamer terug te krijgen. Op Heimdall's raad, die echter slechts met grooten tegenzin werd aangenomen, leende Thor de kleeren van Freya en haar halsketting, trok deze aan en wikkelde zich in een dichten sluier. Nadat Loki zich als een kamenier had vermomd, steeg hij met hem in den wagen, met geiten bespannen, en het vreemd uitgedoste paar vertrok naar Jötun-heim, waar zij de respectieve rollen zouden spelen van de godin der schoonheid en hare dienstbare.

Naar huis gedreven Werden de geiten, Gespannen voor de kar; Vlug moest het gaan-- De bergen dreunden, De aarde stond in vlam; Odins zoon Reed naar Jötun-heim.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thrym heette zijn gasten welkom aan de deur van het paleis, zeer verheugd bij de gedachte, dat hij weldra in het volle bezit zou zijn van de godin der schoonheid, naar wie hij lang te vergeefs had gezucht. Hij voerde hen vlug naar de eetzaal, waar Thor, de uitverkoren bruid, zich onderscheidde door een os op te eten, acht groote zalmen, en al de koeken en zoetigheden die voor de vrouwen bestemd waren, terwijl hij deze verschillende gerechten wegspoelde met den inhoud van twee vaten mee. De reus-bruidegom sloeg deze gastronomische daden gade met verwondering, waarop Loki, om hem gerust te stellen, vertrouwelijk fluisterde dat de bruid zóó verliefd op hem was, dat zij in meer dan acht dagen niet in staat was geweest een bete te nuttigen. Thrym trachtte toen de bruid te kussen, maar week terug, ontsteld door het vuur van haar blik, dien Loki uitlegde als een brandenden liefdeblik. Op de zuster van den reus, die om de gewone geschenken vroeg, werd niet eens gelet; daarom fluisterde Loki den verbaasden Thrym weer toe dat liefde de menschen afgetrokken maakt. Opgewonden door hartstocht en mee, die ook hij in groote hoeveelheden had gedronken, beval de bruidegom zijn dienaren nu den heiligen hamer te brengen ten einde het huwelijk in te zegenen, en zoodra hij er was legde hij hem in den vermeenden schoot van Freya. Dadelijk greep een sterke hand het korte handvat, en weldra werden de reus, zijn zuster, en al de genoodigde gasten verslagen door den vreeslijken Thor.

"Haal nu den hamer, breng hem der maagd En leg hem neer op den schoot der vrouw", De Dond'rer lacht, stil verblijd, Toen de hamer werd op zijn schoot geleid, Eerst bracht hij Thrym, den koning, om, En verder al de reuzen rondom.

Thryms Quida.

Een rookende puinhoop achterlatend reden de goden toen snel naar Asgard terug, waar de geleende kleederen aan Freya werden teruggegeven, zeer tot verlichting van Thor, en de Aesir zich verheugde over de ontdekking van den kostbaren hamer. Toen later Odin keek naar dien kant van Jötun-heim van zijn troon Hlidskialf, zag hij de ruïnen bedekt met teedere groene spruiten, want Thor had, na zijn vijand overwonnen te hebben, zijn land in bezit genomen, dat voortaan niet langer kaal en woest zou blijven maar in overvloed vrucht voortbrengen zou.

Thor en Geirrod.

Loki leende eens Freya's valkengewaad en vloog uit op zoek van avonturen naar een anderen kant van Jötun-heim, waar hij ging zitten boven op den gevel van Geirrods huis. Hij trok al spoedig de aandacht van dezen reus, die een van zijn knechten beval den vogel te vangen. Loki had vermaak in de onhandige pogingen van den man om hem te pakken en vloog van plaats tot plaats, zich enkel bewegend juist wanneer de reus op het punt was hem te grijpen, toen hij zich vergiste in den afstand en hij plotseling merkte dat hij gevangen was.

Aangetrokken door de schitterende oogen van den vogel keek Geirrod er oplettend naar en besloot dat het een god was in vermomming, en toen hij zag dat hij hem niet tot spreken kon dwingen, sloot hij hem in een kooi, waar hij hem drie heele maanden hield zonder spijs of drank. Ten slotte door honger en dorst genoopt vertelde Loki wie hij was en herkreeg zijn vrijheid door te beloven dat hij Thor zou overhalen Geirrod te bezoeken zonder zijn hamer, gordel of magischen handschoen. Loki vloog toen naar Asgard terug en zei Thor dat hij koninklijk was onthaald en dat zijn gastheer een sterk verlangen had te kennen gegeven om den machtigen dondergod te zien, van wien hij zulke wonderbare verhalen gehoord had. Gevleid door deze listige woorden stemde Thor toe in een vriendschappelijken tocht naar Jötun-heim, en de twee goden vertrokken, de drie wapenen thuis latend. Zij waren nog niet ver gekomen, toen zij het huis bereikten van Grid, een van Odins vele vrouwen. Toen zij zag dat Thor ongewapend was, waarschuwde zij hem zich in acht te nemen voor verraad en leende hem haar eigen gordel, staf en handschoen. Korten tijd daarna verlieten Thor en Loki haar en kwamen aan de rivier Veimer, die de Donderaar, het waden gewoon, wilde doorloopen, terwijl hij Loki en Thialfi zich liet vasthouden aan zijn gordel.

Maar midden in den stroom greep hem een plotselinge wolkbreuk en vloed; de wateren begonnen te rijzen en te bruischen, en, ofschoon Thor stevig op zijn staf leunde, werd hij bijna weggezweept door de kracht van den woedenden stroom.

Was niet, Veimer, Nu 'k doorwaden u wil Naar des reuzen land! Weet als gij wast, Wast mijn godensterkte Hoog als de hemelen.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Thor bespeurde nu dat stroomop Geirrods dochter Gialp zich bevond, en terecht vermoedend dat zij den storm veroorzaakte, nam hij een zwaren kei en gooide haar daarmee, mompelend dat de beste plaats om een rivier af te dammen bij haar bron was. Het werptuig had de bedoelde uitwerking, want de reuzen vluchtten, de wateren vielen, en Thor, uitgeput maar gered, trok zich op den anderen oever aan een kleinen struik op, den bergesch of sorbe. Deze staat sedert bekend als "Thors redding" en verborgen machten worden er aan toegeschreven. Na een poos rusten hervatten Thor en zijn makkers hun reis; maar toen zij aan Geirrods huis kwamen was de god zóó uitgeput dat hij moe neerviel op den eenigen stoel die er was. Maar tot zijn verbazing voelde hij hem onder zich oprijzen, en, vreezende dat hij tegen de balken zou verpletterd worden, stiet hij den geleenden staf tegen den zolder en drukte den stoel met alle macht naar beneden. Toen volgden een geweldig gekraak, plotselinge kreten en zuchten van pijn; en toen Thor aan het onderzoeken ging, bleek het dat de dochters van den reus, Gialp en Greip, onder zijn stoel waren geslopen om hem verraderlijk te vermoorden, en dat zij een verdiend loon hadden gekregen en beiden verpletterd waren.

Eens gebruikte ik Mijn asa-macht In het reuzenland, Toen Gialp en Greip Mij naar boven tilden.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Geirrod verscheen nu en daagde Thor uit tot een proeve van kracht en handigheid, maar zonder te wachten op een van te voren afgesproken teeken wierp hij hem met een rood-gloeiende wig. Thor, vlug van oogen en een ervaren opvanger, ving het werptuig op met den ijzeren handschoen van de reuzin en sloeg het terug naar zijn tegenpartij. Zóó groot was de kracht van den god, dat het ding niet alleen heenging door den pilaar waarachter de reus gevlucht was, maar door hem zelf heen en door den muur van het huis, en diep in den grond buiten, zich begroef.

Thor ging toen naar het lijk van den reus, dat op den slag van zijn wapen versteend was, en zette het op een zichtbare plaats, als een herinnering aan zijn kracht en aan de overwinning, die hij behaald had op zijn verschrikkelijke vijanden, de bergreuzen.

De vereering van Thor.

Thors naam is gegeven aan vele plaatsen die hij dikwijls bezocht, zooals de voornaamste haven van de Faroe-eilanden, en aan geslachten die beweren van hem af te stammen. Hij komt nog voor in namen als Thunderhill in Surrey, en in de geslachtsnamen Thorburn en Thorwaldsen, maar is het duidelijkst in den naam van een der dagen van de week, Thors dag of Thursday (Donderdag).

Over heel d' aard Is het nog Thors dag.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Thor werd beschouwd als een buitengewoon goede god, en daarom werd hij in zoo breeden kring gehuldigd en rezen tempels hem ter eere op in Moeri, Hlader, Godey, Gothland, Upsala en op andere plaatsen, waar het volk nooit verzuimde hem te smeeken op Yuldag, zijn hoofdfeest, om een gunstig jaar. Men was gewoon dien dag een groot blok van een eik, den hem geheiligden boom, te branden, als een zinnebeeld van de warmte en het licht van den zomer, die zouden verdrijven de duisternis en de koude van den winter.

Bruiden droegen altijd rood, Thors geliefkoosde kleur, die als het zinnebeeld van de liefde gold, en om dezelfde reden waren verlovingsringen in het noorden bijna altijd van een rooden steen voorzien.

Thors tempels en beelden waren, evenals die van Wodan, uit hout gemaakt, en het meerendeel er van werd vernield gedurende de regeering van koning Olaf den Heilige. Volgens oude kronieken dwong deze vorst zijn onderdanen met geweld Christen te worden. Hij was vooral boos op de bewoners van een zekere provincie, omdat zij een ruw beeld van Thor dienden, dat zij met gouden versierselen bedekten, en waarvoor zij iederen avond voedsel neerzetten, bewerend dat de god het opat, daar er den volgenden morgen geen spoor meer van over was.

Toen de bevolking werd aangezegd in 1030, dat zij dit beeld moest verloochenen ten gunste van den waren god, beloofde zij dit te zullen doen als den volgenden dag de lucht bewolkt was; maar toen na een heelen nacht, dien Olaf in vurig gebed had doorgebracht, er een bewolkte dag volgde, zeide het obstinate volk nog niet overtuigd te zijn van Gods macht, en enkel te zullen gelooven als de zon den volgenden dag scheen.

Opnieuw bracht Olaf den nacht biddend door, maar, toen de morgen daagde, was tot zijn groote spijt de lucht bewolkt. Niettemin verzamelde hij het volk bij Thors standbeeld, en na heimelijk zijn eersten dienstman te hebben opgedragen het beeld met zijn strijdbijl te verbrijzelen als het volk een oogenblik de oogen afwendde, begon hij het toe te spreken. Plotseling, toen allen aan het luisteren waren, wees Olaf naar den horizon, waar de zon langzaam door de wolken brak, en riep uit "Zie onzen God!" Het heele volk keerde zich om, om te zien wat hij bedoelde en de dienstman benutte deze gelegenheid om het beeld aan te vallen, dat gemakkelijk voor zijn slagen bezweek, en een menigte muizen en ander ongedierte kwamen haastig uit zijn inwendige, dat hol was, te voorschijn. Toen de menschen zagen dat het voedsel, door hen geplaatst voor hun god, was verslonden door schadelijke dieren alleen, hielden zij op Thor te vereeren, en namen voor goed het geloof aan, dat koning Olaf hun zoo lang en te vergeefs had willen opdringen.

HOOFDSTUK V: TYR.

De god van den oorlog.

Tyr, Tiu of Ziu was de zoon van Odin, en, volgens verschillende mythologen, was zijn moeder Frigga, de koningin van de goden, of een schoone reuzin wier naam onbekend is, maar die de verpersoonlijking was van de onrustige zee. Hij is de god van de krijgseer, en een van de twaalf hoofdgodheden van Asgard. Ofschoon hij er geen speciale woning schijnt te hebben gehad, was hij altijd welkom te Vingolf of Valhalla, en zat op een van de twaalf tronen in de groote vergaderhal van Gladsheim.

Gladsheim, de hal, die is uit goud gewrocht, Waar, in een cirkel, twalef stoelen staan Van goud, in 't midden Odins troon het hoogst.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Als de god van moed en oorlog, werd Tyr dikwijls door de verschillende volken van het Noorden aangeroepen, die zich, tot hem, evenals tot Odin, wendden, om de overwinning. Dat hij naast Odin en Thor stond, blijkt uit zijn naam Tiu, die aan een van de dagen der week is gegeven, Tiu's dag, wat in het moderne Engelsch is geworden Tuesday (Dinsdag). Onder den naam Ziu, was Tyr de voornaamste god van de Suaven, die oorspronkelijk hun hoofdstad, het tegenwoordige Augsburg, Ziusburg noemden. Dit volk, den god vereerende zooals het dat deed, was gewoon hem te huldigen in de gestalte van een zwaard, zijn kenmerkend attribuut, en hield hem ter eere groote zwaarddansen, bestaande uit verschillende figuren. Soms vormden de deelnemers twee lange lijnen, kruisten hunne zwaarden, met de punten naar boven, en noodigden den stoutmoedigsten onder hen uit vliegensvlug er over heen te springen. Op andere tijden hielden de krijgers hun zwaardpunten dicht bij elkander in den vorm van een roos of een wiel, en als deze figuur volkomen was, noodigden zij hun aanvoerder uit op het dus gevormde kruispunt van vlakke, schitterende zwaarden te gaan staan, en dan droegen zij hem er op in triomf door het legerkamp. De zwaardspits werd verder als zóó heilig beschouwd dat het gebruik werd er eeden op te zweren.

Komt herwaarts, heeren, En legt uw handen neder op mijn zwaard; Dat nooit g' iets zeggen zult van wat gij hoordet, Zweert bij mijn zwaard het."

Hamlet (Shakespeare.)

Een karakteristieke trek van de vereering van dezen god onder de Franken en eenige andere Noorsche volken was dat de priesters, die Druids of Godi heetten, menschenoffers brachten op hun altaren, terwijl zij aan een van de kanten van de ruggegraat hunner slachtoffers een diepe insnijding maakten, er de ribben, die van binnen waren losgerukt, uithaalden, en door de dus gemaakte opening de ingewanden uittrokken. Natuurlijk werden alleen krijgsgevangenen zoo behandeld, en het werd als een zaak van eer beschouwd bij de noord-europeesche stammen, dat men deze marteling zonder klacht doorstond. Deze offers werden gebracht op ruwe steenen altaren die dolmens heetten, en die men in Noord-Europa nog kan zien. Daar Tyr beschouwd werd als de beschermgod van het zwaard moest men, noodzakelijk het teeken of de rune, die hem voorstelde, op het staal van ieder zwaard graveeren--een regel welken de Edda allen inprentte die verlangend waren naar het behalen van overwinning.

"Sig-runes moet gij kennen Als gij zege (sigr) hebben wilt, En op uw zwaardstaal drijf ze; Enk'le op de scheê, Enk'le op 't gevest, En tweemaal den naam van Tyr".

Lied van Sigdrifa.

Tyr was dezelfde als de Saksische god Saxnot (van sax, een zwaard) als Er, Heru, of Cheru, de opperste god der Cheruski, die hem ook als den god der zon beschouwden, en in zijn schitterend zwaardstaal een beeld van zijn stralen zagen.

Dit zwaard is zelf een straal van licht, Der zon ontrukt.

Valhalla (J. G. Jones).

Tyrs zwaard.

Volgens een oude legende werd Cheru's zwaard, dat door dezelfde dwergen vervaardigd was, die ook Odins speer gemaakt hadden, voor zeer heilig gehouden door zijn volk, waaraan hij het te bewaren had gegeven, zeggende dat zij, die het hadden, zeker hunne vijanden zouden overwinnen. Maar ofschoon het zorgvuldig behoed werd in den tempel, waar het zóó was opgehangen dat het de eerste stralen van de ochtendzon weerkaatste, verdween het op een nacht plotseling en op een geheimzinnige wijs. Een Vala, druïdes of profetes, door de priesters geraadpleegd, openbaarde dat de Nornen hadden besloten, dat wie het voerde de wereld zou veroveren en er door sterven zou; maar trots alle pogingen weigerde zij zeggen wie het had weggenomen of waar men het kon vinden. Eenigen tijd nadat dit niet gebeurd was, kwam een forsch en waardig uitziend vreemdeling te Keulen, waar Vitellius, de Romeinsche prefect, feestvierde, en riep hem van zijn geliefde lekkere spijzen af. In tegenwoordigheid van de Romeinsche soldaten gaf hij hem het zwaard, zeggende dat het hem roem en faam zou brengen, en begroette hem ten slotte als keizer. De kreet werd overgenomen door de verzamelde legioenen, en Vitellius was tot keizer van Rome gekozen, zonder dat hij persoonlijk één poging had gedaan om deze eer deelachtig te worden. De nieuwe heerscher was echter zóó overgegeven aan zijn hartstocht van eten en drinken, dat hij aan het heilige wapen slechts weinig aandacht schonk. Op zekeren dag, toen hij met niet veel haast naar Rome trok, liet hij het zorgeloos hangen in de voorkamer van zijn paviljoen. Een Germaansch soldaat nam de kans waar om het voor zijn eigen roestig zwaard te ruilen, en de verdwaasde keizer merkte de ruiling niet. Toen hij te Rome kwam, hoorde hij dat de Oostelijke legioenen Vespasianus tot keizer hadden uitgeroepen, en dat deze toen juist onderweg was om zijn aanspraken te doen gelden op den troon.

Vitellius zocht nu naar het heilig wapen om zijn rechten te verdedigen, maar ontdekte den diefstal en, overmand door bijgeloovige vrees, waagde hij het niet eens te vechten. Hij kroop weg in een donkeren hoek van zijn paleis, waaruit hij met schande werd weggesleept door het verwoede volk naar den voet van den Capitolijnschen heuvel. Daar werd de profetie geheel vervuld, want de Germaansche soldaat, die zich bij de tegenpartij had aangesloten, kwam op dat oogenblik voorbij en sloeg Vitellius' hoofd af met het heilig zwaard.

De Germaansche soldaat ging nu van het eene legioen naar het andere, en doorreisde vele landen; maar waar hij en zijn zwaard ook toefden, was de overwinning.

Nadat hij groote eer en onderscheiding had verworven, trok deze man, die oud geworden was, zich van den actieven dienst aan de oevers van den Donau terug, en begroef daar in het geheim zijn kostbaar wapen, terwijl hij zijn hut boven de plaats bouwde waar het lag om het, zoolang hij leefde, te bewaken. Toen hij op zijn sterfbed lag, vroeg men hem te zeggen waar hij het verborgen had, maar hij weigerde dit beslist, zeggende dat het zou gevonden worden door den man, wiens bestemming het was over de wereld te heerschen, maar dat hij niet den vloek zou kunnen ontgaan. Jaren gingen voorbij. Golf na golf stroomde het getij van barbaren-invallen over dat deel van het land, en het laatst van allen kwamen de vreeslijke Hunnen, onder aanvoering van Attila, den "Geesel Gods." Toen hij langs de rivier kwam, zag hij een boer bedroefd den poot van zijn koe onderzoeken, die gewond was door een scherp instrument, in het lange gras verborgen, en toen men nasporing deed, vond men de punt van een begraven zwaard uit den grond steken.

Toen Attila het mooie werk en den goeden staat van dit wapen zag, riep hij dadelijk uit dat het Cherus' zwaard was, en terwijl hij het boven zijn hoofd zwaaide zeide hij dat hij de wereld zou veroveren. Gevecht na gevecht werd door de Hunnen bevochten, die, volgens de sagen, altijd zegevierden, totdat Attila genoeg had van den oorlog en zich in Hongarije neerliet, en de schoone Bourgondische prinses Ildico trouwde, wier vader hij verslagen had. Deze prinses, boos om den moord van haar bloedverwant en dien willende wreken, maakte gebruik van 's konings dronkenschap op den avond van zijn huwelijk om het goddelijk zwaard zich toe te eigenen, waarmee zij hem in zijn bed neersloeg, opnieuw de profetie vervullend die zoovele jaren te voren was uitgesproken.

Het tooverzwaard verdween weer langen tijd om nog eens te worden opgedolven, voor den laatsten keer, door den hertog van Alva, den generaal van Karel V, die kort daarop de overwinning bij Mühlberg behaalde (1547). De Franken waren gewoon jaarlijks krijgsspelen te houden ter eere van het zwaard; maar men zegt dat toen de heidensche goden ten bate van het Christendom waren afgezworen, de priesters velen hunner attributen op de heiligen overbrachten en dat dit zwaard het eigendom werd van den Aartsengel St. Michael, die het sinds altijd droeg.