Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen
Chapter 5
"Wie vliegt daar op, jagend zoo snel als wind?" Zij antwoordt als in vaart ver uit de lucht: "Ik vlieg noch jaag, ik storm, geen die mij bindt, Hoefwerper snel, door wolk en mist gevlucht."
Asgard en de goden (Wagner-Macdowall).
De koning dacht een oogenblik na over de beteekenis van deze plotselinge verschijning en van dit geschenk, en snelde toen naar huis, terwijl zijn hart van verwachting klopte, en gaf den appel aan zijn vrouw te eten. Tot zijn groote vreugde schonk zij hem, toen haar tijd was gekomen, een zoon, Volsung, den grooten Noorschen held, die zoo beroemd werd dat hij zijn naam gaf aan zijn geheele ras.
Lofn, Vjofn en Syn.
Behalve de drie bovengenoemd had Frigga nog andere dienaressen in haar gevolg. Zoo was er de teedere en bevallige maagd Lofn (hoop of liefde), die tot taak had alle hinderpalen van het pad van minnenden weg te nemen.
Mijn lelie slank van haar zadel tillend Voerde ik toen heen door den tempel, willend Naar het altaar toe; in den priesterkring, Zwoer zij Lofn's eed zonder aarzeling.
Viking-vertellingen uit het noorden. (R. B. Anderson).
Vjofn's taak was harde harten tot liefde te neigen, vrede en eendracht onder de menschen te handhaven, en twistende echtgenooten te verzoenen. Syn (waarheid) bewaakte de deur van Frigga's paleis en wilde haar niet openen voor hen die er niet in mochten. Als zij eenmaal de deur gesloten had voor een gewaanden indringer kon geen praten haar besluit veranderen. Zij had daarom het praesidium van alle rechtbanken en verhooren, en wanneer iets niet werd goedgekeurd was de gewone formule dat Syn er tegen was.
Gefjon.
Gefjon was ook een van de meisjes in Frigga's paleis, en aan haar werden toevertrouwd al degenen die ongehuwd stierven, die zij ontving en voor eeuwig gelukkig maakte. Volgens sommige bronnen bleef Gefjon zelf niet maagd maar huwde een van de reuzen, bij wien zij vier zonen had. Deze zelfde overlevering vertelt verder dat Odin haar uitzond om Gylfi, koning van Zweden, te bezoeken, en wat land te vragen dat zij haar eigen zou mogen noemen. De koning, die haar verzoek aardig vond, beloofde haar zooveel land als zij in één dag en één nacht kon omploegen. Gefjon, niet verlegen, veranderde haar vier zonen in ossen, spande hen voor een ploeg, en begon een vore te trekken zoo breed en diep dat de koning en zijn hovelingen verbaasd waren. Maar Gefjon vervolgde haar werk zonder eenige vermoeidheid te toonen, en toen zij een groot stuk land had rondgeploegd, scheurde zij het met kracht weg en deed het hare ossen in zee trekken, waar zij het bevestigde en het Seeland noemde.
Gefjon nam van Gylfi, Rijk aan schatten, 't land dat Z' aan het Deensche hechtte. Vierkoppig met acht oogen Wijl 't zweet in stralen gutste, Trokken d' ossen 't stuk weg Dat vormde 't lieflijk eiland.
Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).
Wat de holte betreft die zij achterliet, deze werd snel gevuld met water en vormde een meer, dat eerst Logrum (de zee) werd genoemd, maar nu bekend is als Mälar, waarvan elke inkeping overeenkomt met de landtongen van Seeland. Gefjon huwde toen Skiold, een van Odins zonen, en werd de stammoeder van het Deensch vorstengeslacht der Skioldungs, die in de stad Hleidra of Lethra woonden, door hen gesticht, en welke de voornaamste offerplaats van de heidensche Denen werd.
Eira, Vara, Vör en Snotra.
Eira, ook Frigga's dienstbare, werd beschouwd als een heel handige dokteres. Zij verzamelde over de heele aarde kruiden om wonden en ziekten te genezen, en het was haar taak de wetenschap aan vrouwen te leeren, die alleen het vak onder de oude Noorsche natiën mochten uitoefenen.
Gaapt een wond, Eira verbindt ze.
Valhalla (J. C. Jones).
Vara hoorde alle eeden en strafte meineedigen, terwijl zij diegenen beloonde die trouw hun woord hielden. Dan waren er verder nog Vör (geloof), die alles wist wat er in de wereld gebeurde, en Snotra, godin der deugd, die alle wetenschap meester was.
Met zulk een schitterenden stoet dienstbaren werd Frigga natuurlijk beschouwd als een machtige godin; maar in spijt van de voorname plaats, die zij in den Noorschen godsdienst innam, had zij geen specialen tempel of bijzonder heiligdom, en werd zij zelden aangebeden dan in verbinding met Odin.
Holda.
Terwijl Frigga onder dezen naam niet in Zuid-Duitschland bekend was, werden daar andere godinnen vereerd, wier attributen zoo op de hare geleken, dat zij blijkbaar dezelfde waren, ofschoon zij zeer verschillende namen droegen in de verschillende gewesten. Onder dezen was de schoone godin Holda (Hulda of Frau Holla) die goedgunstig vele rijke gaven schonk. Daar zij over het weer gezag voerde, zeide men, wanneer de sneeuwvlokken vielen, dat Frau Holle haar bed schudde, en als het regende, dat zij hare kleeren wiesch; ook duidde men vaak de witte wolken als haar linnen aan dat zij te bleeken had gelegd. Als lange grijze wolkenflarden door de lucht dreven, zeide men dat zij aan het weven was, want men hield haar ook voor een ijverige weefster, spinster en huishoudster. Men vertelt dat zij het vlas aan de menschen gaf en hen het leerde gebruiken, en in Tyrol verhaalt men de volgende geschiedenis aangaande de wijze waarop zij dat onwaardeerbare geschenk gaf.
De ontdekking van het vlas.
Er was eens een boer die dagelijks zijn vrouw en kinderen in het dal achterliet om zijn schapen op den berg te laten weiden, en als hij zijn kudde hoedde die op de berghelling graasde, had hij vaak gelegenheid den kruisboog te gebruiken en een gems te vellen, wier vleesch zijn provisiekast voor vele dagen kon vullen.
Toen hij eens een mooi dier vervolgde, zag hij het verdwijnen achter een rotsblok, en toen hij aan de plek kwam, was hij verbaasd een doorgang te zien in den belendenden gletscher, want in de opwinding van de vervolging was hij hooger en hooger geklommen totdat hij nu op den top van den berg was, waar de eeuwige sneeuw fonkelde.
De schaapherder ging moedig door de open deur en bevond zich weldra in een wondervol met juweelen bezet gewelf, behangen met druipsteen; in het midden er van stond een schoone vrouw, gehuld in zilveren kleederen en omringd door een schare lieflijke meisjes die met Alpenrozen waren gekroond. In zijn verbazing zonk de schaapherder op de knieën en als in een droom hoorde hij de koninklijke gestalte in het midden zeggen dat hij uitkiezen mocht wat hij wilde en het mocht meenemen. Ofschoon verblind door den glans van de kostbare steenen rondom hem, keerden de oogen van den herder gedurig terug tot een kleinen bouquet blauwe bloemen die de bevallige verschijning in hare hand hield, en hij stamelde nu bedeesd een verzoek dat hij dien zou mogen hebben. Van vreugde glimlachend gaf Holda, want zij was het, ze hem, zeggende dat hij verstandig had gekozen en zoo lang zou leven als de bloemen niet uitvielen en verwelkten. Toen gaf zij den herder een hoeveelheid zaad dat hij op het land moest zaaien en liet hem vertrekken, en terwijl de donder ratelde en de aarde schudde, bevond zich de arme man weer buiten op de berghelling, en keerde langzaam tot zijn vrouw terug, aan wien hij zijn avontuur vertelde en de lieflijke blauwe bloemen liet zien en de hoeveelheid zaad.
De vrouw maakte er haren man een bitter verwijt van, dat hij niet een van de kostbare steenen meebracht die hij zoo warm beschreef, in plaats van de bloesems en het zaad; niettemin ging de man het laatste zaaien en hij bespeurde tot zijn verbazing dat de hoeveelheid genoeg zaad leverde voor verscheiden bunders.
Weldra kwamen de kleine groene spruiten op, en in een maannacht, toen de boer er naar keek, zooals hij gewoon was,--want hij voelde zich op vreemde wijze aangetrokken tot het veld dat hij had bezaaid en toefde er dikwijls, benieuwd welk soort van koren er zou opwassen,--zag hij een nevelige gestalte over het veld zweven, met de handen als tot zegenen uitgestrekt. Eindelijk droeg het land bloesems, en tallooze witte bloempjes openden hare kelken voor de gouden zon. Toen de bloemen verdord waren en het zaad was rijp geworden, kwam Holda nog eens terug om den boer en zijn vrouw te leeren hoe zij het vlas--want dit was het--moesten oogsten, en er linnen uit moesten spinnen, en dit weven en bleeken. Daar de menschen in de omgeving gaarne zoowel linnen als lijnzaad kochten, werden de boer en zijn vrouw spoedig inderdaad zeer rijk, en terwijl hij ploegde, zaaide en oogstte, spon, weefde en bleekte zij het linnen. De man leefde tot op hoogen ouderdom en zag zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen rondom hem opgroeien. Gedurende al dien tijd was zijn zorgvuldig bewaarde bouquet even frisch gebleven als toen hij dien voor het eerst naar huis bracht, maar op zekeren dag zag hij dat gedurende den nacht de bloemen verwelkt waren en stierven.
Wetende wat dit beteekende, en dat hij ook moest sterven, klom de boer nog eens den berg op naar den gletscher, en vond den doorgang weer dien hij dikwijls te vergeefs had gezocht. Hij trad het ijsportaal binnen en men heeft nooit meer van hem gehoord noch hem gezien, want, zoo zegt de legende, de godin nam hem onder haar hoede en liet hem wonen in haar gewelf, waar elke wensch, dien hij koesterde, werd ingewilligd.
Tannhäuser.
Overeenkomstig de middeleeuwsche traditie woonde Holda in een gewelf in den Hörselberg, in Thuringia, waar zij bekend stond als Frau Venus, en beschouwd werd als een toovenares die stervelingen in haar gebied lokte, waar zij hen voor goed gevangen hield, en hun zinnen in allerlei zinlijke genietingen dompelde. De beroemdste van haar slachtoffers was Tannhäuser, die, nadat hij een tijd onder haar toovermacht had geleefd, tot andere gevoelens kwam, wat haar macht over zijn geest brak en hem bezorgd maakte over zijn ziel. Hij ontsnapte haar macht en haastte zich naar Rome om zijn zonden te belijden en absolutie te zoeken. Maar toen de Paus hoorde van zijn omgang met een van de heidensche godinnen van wie de priesters leerden dat zij niet anders dan demonen waren, verklaarde hij dat de ridder niet eer op vergiffenis kon hopen voordat zijn staf knoppen en bloesems kon dragen.
"Hebt gij gelegen in des Duivels net? Hebt gij uw ziel verpand aan haar verderf? Hebt gij gehoord de Tooveren der Hel, En vloek gedronken uit haar kroes die rookt? Zoo weet dat eer uit den verdorden staf Dien 'k in mijn hand houd, groen gebladert' spruit Dan aan het vuur, ontstoken in de hel, Ontbloeit de bloem des heils."
Tannhäuser (Owen Meredith).
Door deze uitspraak diep verslagen vlood Tannhäuser weg en, in weerwil van de beden van zijn trouwen vriend Eckhardt, duurde het niet lang of hij keerde naar den Hörselberg terug, waar hij in het gewelf verdween. Juist was hij weg, of de boden van den Paus kwamen zeggen dat hij vergiffenis had gekregen, want de dorre staf was wonderdadig ontbloeid, aldus bewijzend aan een ieder, dat er geen zonde zoo erg was of zij kon vergeven worden, mits het berouw oprecht was.
Bemodderd tot de heupen, nat van zweet, Vloog aan een bode, en in zijn hand hij droeg Een dorren staf, ontbloeid tot blad en knop. Hem volgd' een menigte van oud en jong Zingend een lied waarbij de leeuwrik zwijgt, "Een wonder, o een wonder bij den Paus! Eere zij God die maakt het dorre groen!" Toen sprong de bode toe en vroeg, waar was De ridder Tannhäuser.
Tannhäuser (Owen Meredith).
Holda was ook de eigenares van een tooverfontein, die Quickborn heette en de beroemde fontein der jeugd evenaarde, en van een wagen waarin zij van plaats tot plaats reed als zij haar gebied inspecteerde. Toen dit voertuig op zekeren keer beschadigd was, liet zij het een wagenmaker herstellen, en toen hij klaar was gaf zij hem eenige spaanders als loon. De man was boos over zulk een schrale betaling en nam slechts eenige er van; maar tot zijn verbazing zag hij deze den volgenden morgen in goud veranderd.
Fricka, uw vrouw-- Zij stuurt hierheen haar rammenspan Hoor! hoe zij zwaait De gouden zweep; De dieren blaten Steeds maar door; Haar wielen raatlen voort, Toorn licht op uit haar blik.
Wagner.
Eástre, de godin van de Lente.
De Saksische godin Eástre, of Ostara, godin van de lente, wier naam voortleefde in het Engelsche woord voor Paschen, Eáster, is ook dezelfde als Frigga want zij wordt eveneens beschouwd als de godin der aarde, of liever van de opstanding der natuur na den langen dood van den winter. Deze bevallige godin was zóó innig geliefd bij de oude Teutonen, dat zelfs, nadat het Christendom ingevoerd was, zij een zóó vriendelijke herinnering aan haar behielden, dat zij haar niet wilden verlaagd hebben tot den rang van een demon, zooals vele der andere goden, en haren naam overbrachten op hun groot Christelijk feest. Het was lang gebruik geweest dezen dag te vieren door het uitwisselen van geschenken in gekleurde eieren, want het ei is het zinnebeeld van het beginnende leven; dus hielden zich de eerste Christenen aan dezen regel, zeiden echter dat het ei ook de Opstanding verbeeldt. In verschillende deelen van Duitschland kan men nog steenen altaren zien, die als Eáster-steenen bekend staan, omdat zij waren gewijd aan de schoone godin Ostara. Zij werden met bloemen bekranst door de jonge menschen, die er vroolijk omheen dansten bij het licht van groote vreugdevuren,--een soort volksspelen die stand hielden tot het midden der negentiende eeuw, in weerwil van de verboden der priesters en de edicten, telkens er tegen uitgevaardigd.
Bertha, de Witte Vrouw.
In andere streken van Duitschland is Frigga, Holda of Ostara bekend onder den naam Brechta, Bertha, of de Witte Vrouw. Het meest bekend is zij zoo in Thüringen, waar zij, naar men meende, in een hollen berg woonde en de wacht hield over de Heimchen, zielen van ongeboren kinderen, en van hen die ongedoopt stierven. Hier behoedde Bertha den landbouw en zorgde voor de planten, die haar kindertroepje nauwgezet begoot, want men dacht dat elke kleine tot dat doel een kruikje bij zich had. Zoolang de godin geëerbiedigd werd en men haar verblijf niet verontrustte, bleef zij waar zij was; maar de overlevering vertelt dat zij eens het land verliet met haar kinderstoet en haar ploeg meesleepte en zich elders vestigde om met haar hulpvaardige diensten voort te gaan. Bertha is de legendaire stammoeder van verschillende edele geslachten, en vooral vereenzelvigd met de ijverige koningin van denzelfden naam, de mythische moeder van Karel den Groote, wiens naam spreekwoordelijk is geworden, want als men het in Frankrijk en Duitschland heeft over de Gouden Eeuw zegt men gewoonlijk: "in de dagen toen Bertha spon."
Daar men meende dat deze Bertha een heel langen en platten voet heeft gekregen, doordat zij voortdurend de trede van haar wiel drukte, wordt zij dikwijls in de middeleeuwsche kunst voorgesteld als een vrouw met een krommen voet, en is daarom bekend als la reine pédauque.
Als stammoeder van het keizerlijke huis van Duitschland heet de Witte Vrouw in het paleis te verschijnen voor een sterfgeval of onheil in de familie, en dit bijgeloof leeft nog zóó in Duitschland, dat de kranten in 1884 het officieele bericht behelsden van een schildwacht, die beweerde dat hij haar hem snel had zien voorbijgaan in een van de gangen van het paleis.
Daar Bertha beroemd was wegens haar spinnen, werd zij natuurlijk beschouwd als de bijzondere beschermster van dien tak van vrouwelijke nijverheid, en men zeide dat zij door de straten van ieder dorp zwierf, als de avond viel, gedurende de twaalf nachten tusschen Kerstmis en 6 Januari, terwijl zij in elk venster gluurde om het spinnen van het gezin na te gaan.
De meisjes, wier werk goed was verricht, werden beloond met een geschenk van een harer gouden draden of een spinnewiel vol extra fijn vlas; maar waar zij een zorgelooze spinster vond, werd haar wiel gebroken, haar vlas bezoedeld, en als zij verzuimd had de godin te eeren door veel van den koek te eten, die in dien tijd van het jaar gebakken werd, werd zij streng gestraft.
In Mecklenburg is dezelfde godin bekend als Frau Gode, of Wode, de vrouwlijke vorm van Wuotan of Odin, en haar verschijning wordt steeds beschouwd als de voorbode van grooten voorspoed. Ook zal zij een groote jageres zijn en de Wilde Jacht leiden, gezeten op een wit paard, terwijl hare gezellen zijn veranderd in honden en allerlei soorten wilde dieren.
In Holland heette zij Vrouw Elde, en naar haar heet de Melkweg in Holland Vrouw-eldenstraat; terwijl in sommige streken van Noord-Duitschland zij Nerthus (moeder Aarde) heette. Haar heilige wagen werd bewaard op een eiland, waarschijnlijk Rügen, waar de priesters hem zorgvuldig bewaakten totdat zij verscheen om een jaarlijksche reis te doen door haar gebied om het land te zegenen. De godin hield haar gelaat dan verborgen door een zwaren sluier en zat zoo in dezen wagen die door twee koeien werd getrokken, en zij werd eerbiedig door hare priesters vergezeld. Als zij passeerde, huldigde het volk haar door allen twist te staken en hun wapens neer te leggen. Zij trokken hun feestkleederen aan en hervatten geen strijd voordat de godin weer teruggekeerd was naar haar heiligdom. Dan werden kar en godin beiden gebaad in een geheimzinnig meer (de Schwartze See in Rügen), die de slaven verzwolg welke bij het baden hadden geholpen, en opnieuw begonnen de priesters hun wacht over het heiligdom en het bosch van Nerthus of Hlodyn, om haar volgende verschijning te verbeiden.
In Scandinavia heette deze godin ook Huldra en beroemde zich op een schaar woudnimfen, die haar vergezelden en die soms de menschen opzochten om met hen te dansen op de dorpsweide. Men kon ze echter altijd herkennen aan het tipje van een koestaart, die onder haar sneeuwwitte kleeren uithing. Dit Huldra-volk beschermde in het bijzonder het vee aan de berghellingen, en men beweerde dat zij soms den eenzamen zwerver verrasten door de wonderbare schoonheid van de melodieën die zij zongen om de uren van hun arbeid te korten.
HOOFDSTUK IV: THOR.
De Donderaar.
Volgens sommige mythologen is Thor, of Donar de zoon van Jörd (Erda) en van Odin, maar anderen zeggen dat zijn moeder Frigga was, de koningin der goden. Dit kind was zeer opmerkelijk groot en sterk, en heel spoedig na zijn geboorte verbaasde hij de verzamelde goden spelenderwijs op te tillen en weg te smijten tien groote balen berenhuiden. Ofschoon doorgaans goed gehumeurd, kon Thor soms in vreeselijke woede geraken, en daar hij dan heel gevaarlijk was, zond zijn moeder, die hem niet kon beteugelen, hem van huis, en vertrouwde hem toe aan de zorg van Vingnir (den gevleugelde), en van Hlora (hitte). Deze pleegouders, die men ook beschouwde als de verpersoonlijking van het bliksemgeflits, slaagden er weldra in, den lastigen pupil te bedwingen, en brachten hem zóó verstandig groot, dat de goden een zeer dankbare herinnering bewaarden aan hun vriendelijke hulp. Toen Thor tot het besef kwam wat hij hun verschuldigd was, nam hij de namen Vingthor en Hlorridi aan, waaronder hij ook bekend is.
Schreeuw dan, Vingi-Thor, maar wild Als de maliënkolder schudt en danst het deukig oorlogschild,
Sigurd de Volsung (William Morris).
Toen hij volgroeid was en de jaren des onderscheids had bereikt, werd Thor tot Asgard toegelaten onder de andere goden, waar hij een van de twaalf zetels in de groote oordeelshal bezette. Hij kreeg ook de streken Thrud-vang of Thrud-heim, waar hij een wonderbaar paleis bouwde, Bilskirnir (bliksem) geheeten, het grootste in heel Asgard. Het had vijfhonderd veertig hallen, ten dienste van de lijfeigenen, die na hun dood werden welkom geheeten in zijn huis, waar zij op dezelfde manier werden bejegend als hun meesters in het Valhalla, want Thor was de beschermgod van de boeren en de lagere standen.
Vijfhonderd hallen En veertig nog, Dunkt mij, houdt Bilskirnir omvat. Geen huis met dak Is er gelijk Aan dat van mijn Zoon.
Saemunds Edda.
Daar hij de god van den donder was, mocht Thor nooit alleen gaan over de wonderbare brug Bifröst, opdat hij ze niet zou in brand steken door de hitte van zijn aanwezigheid; en als hij zijn medegoden wenschte te ontmoeten bij de Urdar-fontein, onder de schaduw van den heiligen boom Yggdrasil, moest hij zijn weg daarheen te voet afleggen, wadend door de rivieren Kormt en Ormt, en de twee stroomen Kerlaug, naar de verzamelplaats.
Thor, die geëerd werd als de hoogste god in Noorwegen, was de tweede in de trilogie van al de andere landen, en werd "de oude Thor" genoemd, omdat, zooals sommige mythologen gelooven, hij tot een oudere dynastie van goden behoorde en niet wegens zijn feitelijken ouderdom, want hij werd voorgesteld en beschreven als een man in zijn jeugd, slank en welgevormd, met gespierde ledematen, en borstelig rood haar, waaruit, als hij toornig was, vonken in stroomen te voorschijn schoten.
Eerst Thor, wiens oog nederstaart, Momp'lend zacht in zijn rossen baard (Zijn oog fonkel' naar bliksemaard) Komt, terwijl dond'rend hij ment Zijn kar, aangerend, Bij zijn wilden mokerslag Schudt hemel en aard' van ontzag Wolken scheuren wijl siddert de aard.
Valhalla (J. C. Jones).
De noordelijke rassen versierden hem verder met een kroon, en op elke punt daarvan was een schitterende ster of een steeds brandende vlam, zoodat zijn hoofd altijd omringd was door een krans van vuur, zijn eigen element.
Thors hamer.
Thor was de fiere bezitter van een hamer die Miölnir (de verbrijzelaar) heette en dien hij naar zijn vijanden wierp, de vorstreuzen, met vernielende kracht, en die de wonderbare eigenschap bezat dat hij steeds in zijn hand terugkeerde, hoe ver hij hem ook wierp.
Ik ben de Dond'rer! Hier in mijn noorden, Mijn vastheid en sterkte, Heersch ik voor eeuwig.
Hier tusschen gletschers Regeer ik de volken, Dit is mijn hamer, Miölnir de sterke; Reuzen noch toovenaars Bieden hem weerstand.
Sage van koning Olaf (Longfellow).
Daar deze groote hamer, het beeld van de bliksems, doorgaans rood-heet was, had de god een ijzeren handschoen, Iarn-greiper geheeten, waarmee hij hem stijf kon vasthouden. Hij kon Miölnir ver wegwerpen, en zijn kracht, die altijd aanzienlijk was, werd verdubbeld als hij zijn toovergordel droeg, Megin-giörd genoemd.
Dit is mijn gordel. Als ik hem draag Is m'n kracht verdubbeld.
Sage van koning Olaf (Longfellow).
Thors hamer werd zóó heilig geacht door het oude Noorsche volk, dat zij gewoon waren het teeken van den hamer te maken, evenals de Christenen hen later het teeken van het kruis leerden maken om alle verkeerde invloeden af te wenden en zegeningen te verwerven. Hetzelfde teeken werd ook gemaakt over het pasgeboren kind, wanneer water over zijn hoofd werd gegoten en het een naam kreeg. De hamer werd gebruikt om grenspalen in te slaan, en men hield het voor heiligschennis ze te verzetten; verder, om den dorpel van een nieuw huis te zegenen, een huwelijk plechtig in te wijden, en ten slotte speelde hij een rol in de heiliging van den brandstapel waarop de lichamen van helden, tegelijk met hun wapenen en paarden, en soms met hun vrouwen en onderhoorigen, werden verbrand.
In Zweden dacht men dat Thor, evenals Odin, een breedgeranden hoed droeg, en daarom heeten de stormwolken in dat land Thors hoed, een naam dien men ook aan een van de belangrijkste bergen in Noorwegen heeft gegeven. Het gerommel en gerol van den donder hield men voor het rijden van zijn wagen, want hij was de eenige onder de goden die nooit op een paard zat, maar die liep, of reed in een koperen kar, getrokken door twee geiten, Tanngniostr (tandenkraker) en Tanngrisnr (tandenknarser), van wier tanden en hoeven voortdurend vonken uitgingen.
Toen kwaamt gij eerst, o machtige krijgsman Thor! Hamer op schouder, rijdend in uw kar, Sturend de geiten aan haar zilveren toom.
Balder Dood (Matthew Arnold).