Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 4

Chapter 43,911 wordsPublic domain

Odin, zooals reeds is gezegd, stelde veel belang in de zaken der menschen, en men vertelt dat hij in het bijzonder gaarne zorgde voor de aardige zoontjes van Koning Hrauding, Geirrod en Agnar, toen zij respectievelijk ongeveer acht en tien jaar oud waren. Op zekeren dag gingen deze kleine jongens visschen, en plotseling kwam een storm op, die hun boot in zee dreef, totdat zij tenslotte op een eiland strandden, waar een schijnbaar oud paar woonde, dat in werkelijkheid Odin en Frigga waren, dus vermomd. Zij hadden deze gedaanten aangenomen om toe te geven aan een plotselinge begeerte om bij hun beschermelingen dicht in de buurt zijn. De kinderen werden hartelijk verwelkomd en vriendelijk bejegend; Odin koos Geirrod tot zijn gunsteling en leerde hem de wapenen gebruiken, terwijl Frigga den kleinen Agnar vertroetelde en verwende. De jongens bleven op het eiland met hun vriendelijke beschermers gedurende het lange koude winterseizoen; maar toen de lente kwam en de luchten blauw waren, en de zee kalm, scheepten zij zich in op een boot waarvoor Odin zorgde, en vertrokken naar hun vaderland. Begunstigd door zachte koelten werden zij spoedig daarheen gedreven; maar toen de boot het strand naderde sprong Geirrod er vlug uit en stiet ze ver weg in het water, terwijl hij zijn broeder verwenschte in de macht van den boozen geest. Op datzelfde oogenblik draaide de wind en Agnar werd inderdaad weggevoerd, terwijl zijn broeder zich naar zijns vaders paleis spoedde met een leugenachtig verhaal over hetgeen met zijn broer gebeurd was. Hij werd met vreugde ontvangen als een uit den doode herrezene, en te zijner tijd volgde hij zijn vader op den troon op.

Jaren gingen voorbij, waarin de aandacht van Odin door andere gewichtige overwegingen werd bezig gehouden, toen op zekeren dag, terwijl het goddelijk paar zat op den troon Hlidskialf, Odin zich plotseling het winterverblijf op het onbewoond eiland herinnerde, en hij zijn vrouw zeide, dat zij moest zien hoe machtig zijn pleegkind was geworden, en haar beschimpte omdat haar gunsteling Agnar een reuzin had gehuwd en arm was gebleven en niet vooruit was gekomen. Frigga antwoordde kalm dat het beter was arm te zijn dan hardvochtig, en beschuldigde Geirrod van gebrek aan gastvrijheid--een van de ergste zonden in de oogen van een Noorman. Zij ging zelfs zoo ver te beweren dat hij trots al zijn rijkdom zijn gasten dikwijls slecht behandelde.

Toen Odin deze beschuldiging hoorde verklaarde hij dat hij de valschheid der aantijging zou bewijzen door de vermomming van een Zwerver aan te nemen en Geirrods edelmoedigheid op de proef te stellen. Gewikkeld in zijn wolkkleurig kleed, met slappen hoed en pelgrimsstaf,--

Zwerver noemt mij de wereld. Ver zijn mijn voeten gegaan; Op der aarde rug Toog ik eindeloos ver.

Wagner.

vertrok Odin onmiddellijk langs een omweg, terwijl Frigga, om hem na te gaan, dadelijk een snellen bode zond ten einde Geirrod te waarschuwen voor een man in een wijden mantel en met breedgeranden hoed, daar deze een booze toovenaar was die hem kwaad zou doen.

Toen Odin zich dus voor het paleis van den koning vertoonde werd hij voor Geirrod gesleept en ruw ondervraagd. Hij gaf als zijn naam op Grimnir, maar weigerde te zeggen vanwaar hij kwam of wat hij wilde, zoodat daar deze geslotenheid de achterdocht versterkte die Geirrod was bijgebracht, hij zijn wreeden zin vrij spel liet en beval dat de vreemdeling zou worden gebonden tusschen twee vuren, op zulk een wijze dat de vlammen om hem heenspeelden zonder hem heelemaal te raken, en hij bleef in dien toestand acht dagen en acht nachten, in standvastig zwijgen, zonder voedsel. Nu was Agnar heimelijk teruggekeerd naar het paleis van zijn broeder, waar hij een dienstbare betrekking had gekregen en op zekeren dag, toen alles stil was, bood hij den ongelukkigen gevangene een beker ale. Maar nu wilde Odin niets te drinken hebben, het ergste van alles wat de god had uit te staan.

Op het einde van den achtsten dag, terwijl Geirrod, op zijn troon gezeten, op de marteling van zijn gevangene staarde, begon Odin te zingen--eerst zacht, dan luider en luider totdat de hal weergalmde van zijn jubelende tonen--een profetie dat de koning die zoo lang de gunst van den god genoten had, weldra zou omkomen door zijn eigen zwaard.

Gevallen door 't zwaard Heeft Ygy u dan; Uw leven is ten eind: Boos op u zijn de Dîsir; Odin zult ge nu zien: Kom naderbij als ge kunt.

Saemunds Edda.

Toen de laatste tonen wegstierven vielen de ketenen van zijn handen, vlammen flikkerden en gingen uit, en Odin stond midden in de hal, niet langer in menschelijke gedaante maar in al de macht en schoonheid van een god.

Toen Geirrod de onheilspellende profetie hoorde trok hij haastig zijn zwaard, met het plan den onbeschaamden zanger neer te slaan; maar toen hij de plotselinge gedaanteverwisseling zag, deinsde hij bevreesd terug, struikelde, viel op het scherpe lemmet en kwam om, zooals Odin juist had voorspeld. Toen wendde Odin zich tot Agnar (die, volgens sommige verhalen 's konings zoon en niet zijn broeder was, want deze oude geschiedenissen zijn soms wonderlijk verward) en liet hem den troon bestijgen tot loon voor zijn menschlievend gedrag, en beloofde hem verder te beloonen voor de teug ale die juist van pas kwam, hem te zegenen met allerlei voorspoed.

Bij een andere gelegenheid ging Odin naar de aarde en was zoo lang afwezig dat de goden begonnen te denken dat zij hem in Asgard niet weer zouden terugzien. Dit gaf zijn broeders Vili en Ve, die enkele mythologen als andere verpersoonlijkingen van hem zelf beschouwen, den moed zich zijn macht en zijn troon toe te eigenen, en zelfs, zooals men zegt, zijn vrouw Frigga te huwen.

Wees nu stil maar, Frigg! Gij zijt Fiorgyns dochter En waart op mannen steeds verzot, Daar Ve en Villi, naar men zegt, Gij, Vidrir's vrouw, hebt Allebei omarmd.

Saemunds Edda.

Mei-dag feesten.

Maar toen Odin terugkeerde verdwenen de geweldenaren voor goed; en ter herinnering aan het verdwijnen van den valschen Odin, die zeven maanden had geregeerd en enkel ellende in de wereld had gebracht en aan de wederkomst van den goeden god, vierden de heidensche Noormannen vroeger jaarlijksche feesten, die lang bleven bestaan als Mei-dag feesten. Tot in heel laten tijd was er dien dag steeds een groote optocht in Zweden, bekend als de Meirit, waarin een met bloemen bedekte Meikoning (Odin) den in bont gehulden Winter (zijn valschen dubbelganger) met bloesems wierp, totdat hij hem op de vlucht dreef. In Engeland werd ook de eerste Mei gevierd als een feestelijke gelegenheid waarbij Meiboomdansen, Meikoningen, Maid Marian en Jack in the Green een grooten rol speelden.

Als verpersoonlijking van den hemel was Odin natuurlijk de minnaar en echtgenoot van de aarde, en daar de aarde hun drieërlei aanblik vertoonde, stelden de Noren hem als polygaam voor en kenden hem verschillende vrouwen toe. De eerste onder deze was Jörd (Erda), de primitieve aarde, dochter van Nacht of van de godin Fiorgyn. Zij schonk hem zijn beroemden zoon Thor, den god van den donder. De tweede en voornaamste vrouw was Frigga, een verpersoonlijking van de beschaafde wereld. Zij schonk hem Balder den lieflijken lentegod, Hermod, en, volgens sommigen, Tyr. De derde vrouw was Rinda, een personifieering van de harde en bevroren aarde, die met tegenzin toegeeft aan zijn warme omhelzing, maar eindelijk het leven schenkt aan Vali, zinnebeeld van den plantengroei.

Ook heet het dat Odin Saga of Laga heeft gehuwd, de godin der geschiedenis (vandaar het engelsche werkwoord "to say"), en dat hij haar dagelijks bezocht heeft in de kristallen hal Sokvabek, onder een koele, altijd vloeiende rivier, om haar wateren te drinken en naar hare liederen over oude tijden en verdwenen geslachten te luisteren.

Sokvabek heet de vierde woning, Over haar vloeien koele golven; Odin drinkt er blij met Saga Elken dag uit gouden kroes.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Zijn andere vrouwen waren Grid, de moeder van Vidar; Gunlod, de moeder van Bragi; Skadi; en de negen reuzinnen die tegelijk Heimdall baarden--allen spelen een meer of minder belangrijke rol in de verschillende mythen van het Noorden.

De historische Odin.

Behalve dezen ouden Odin was er een meer moderne, half-historische personage die denzelfden naam droeg, aan wien al die deugden, macht en avonturen van zijn voorganger zijn toegekend. Hij was het opperhoofd der Aesir, bewoners van Klein Azië, die, sterk door de Romeinen onderdrukt en met uitroeiing of slavernij bedreigd, hun geboorteland ongeveer 70 v. Chr. verlieten en naar Europa verhuisden. Men zegt dat deze Odin Rusland, Duitschland, Denemarken, Noorwegen en Zweden heeft veroverd en een zoon heeft achtergelaten op den troon van elk overwonnen land. Ook bouwde hij de stad Odensö. Hij werd verwelkomd in Zweden door Gylfi, den koning, die hem een deel van de streek gaf, en hem toestond de stad Sigtuna te stichten, waar hij een tempel bouwde en een nieuwe godsvereering invoerde. Verder vertelt de overlevering dat, toen zijn einde naderde, deze mythische Odin zijn volgelingen verzamelde, zich voor aller oogen negenmaal met zijn speer in de borst sneed,--een ceremonie die men "het kerven van Geir-wonden" noemde--en hun vertelde dat hij terug ging naar zijn land Asgard, zijn oud verblijf, waar hij hun komst zou afwachten, opdat zij met hem zouden deelnemen aan een leven van feestvieren, drinken en vechten.

Volgens een ander verhaal reisde Gylfi, toen hij van de macht der Aesir, de bewoners van Asgard, had gehoord, en daar hij zich wilde overtuigen of deze berichten waar waren, naar het Zuiden. Te zijner tijd kwam hij aan Odin's paleis, waar hij werd verwacht, en waar hij misleid werd door het visioen van Har, Iafn-har en Thridi, drie godheden, die boven elkander troonden. De poortwachter Gangler beantwoordde al zijn vragen en gaf hem een lange uiteenzetting van de Noorsche mythologie, die in de Jongere Edda wordt meegedeeld, en dan, na zijn onderricht te hebben geëindigd, verdween hij plotseling met het paleis onder een oorverdoovend geraas.

Volgens andere heel oude gedichten werden Odin's zonen, Weldegg, Beldegg, Sigi, Skiold, Seaming en Yngvi, koningen van Oost-Saksen, West-Saksen, Franconia, Denemarken, Noorwegen en Zweden, en van dezen stammen de Saksers, Hengist en Horso, en de koninklijke familiën van de Noordelijke landen af. Nog een andere overlevering verhaalt dat Odin en Frigga zeven zonen hadden, die de Anglo-Saksische heptarchie stichtten. In verloop van tijd werd deze geheimzinnige koning verward met den Odin wiens eeredienst hij invoerde, en al zijn daden werden toegekend aan den god.

Odin werd vereerd in tallooze tempels, maar vooral in het groote heiligdom te Upsala, waar de plechtigste feesten werden gevierd en waar offers werden gebracht. Het offer was meestal een paard, maar in tijden van nijpenden nood bracht men menschenoffers, ja zelfs werd eens de koning geofferd om een hongersnood af te wenden.

Upsala's tempel waar men schouwt Valhalla's hal op aard als beeld herbouwd.

Viking verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

De eerste dronk bij ieder feest hier werd op hem ingesteld, en behalve den eersten Mei, was hem één dag in elke week gewijd, en van zijn Saksischen naam Woden, heette deze Woden's-dag, vanwaar het Hollandsche woord "Woensdag" afkomt. Het volk had de gewoonte in zijn heiligdom bijeen te komen bij feestelijke gelegenheden, de zangen der skalden te hooren, die voor hun spel beloond werden met gouden braceletten of armbanden, die aan hun einden opkrulden en "Odin's slangen" heetten.

Er zijn slechts weinige overblijfselen van oude Noorsche kunst, en ofschoon ruwe beelden van Odin eens zeer algemeen waren, zijn allen verdwenen, daar zij van hout waren gemaakt--een vergankelijke stof, die onder de handen van de zendelingen, en vooral van Olaf den Heiligen, den noordelijken beeldstormer, spoedig tot asch waren verteerd.

Daar in den tempel stond in hout Het beeld van Odin, fier en stout.

Sage van koning Olaf (Longfellow).

Men veronderstelt dat Odin zijn volk een wetboek heeft gegeven waarnaar zij hun gedrag hebben te richten, in een gedicht, Hávamál, of het Hooglied, dat een deel van de Edda uitmaakt. In dit lied leerde hij de zwakheid van den mensch, de noodzakelijkheid van moed, matigheid, onafhankelijkheid en oprechtheid, eerbied voor den ouderdom, gastvrijheid, ontferming en tevredenheid, en gaf voorschriften voor het begraven der dooden.

Te huis laat een mensch zijn blijde En jegens een gast milddadig; Een wijs gedrag moet hij hebben, Een goed geheugen, een vlotte taal; Als hij veel kennis verlangt, Dan spreke hij van het goede veel.

Hávamál.

HOOFDSTUK III: FRIGGA.

De koningin van de goden.

Frigga, of Frigg, dochter van Fiorgyn en zuster van Jörd, volgens sommige mythologen, wordt door anderen als een dochter van Jörd en Odin beschouwd, met wien zij later huwde. Dit huwelijk veroorzaakte zoo algemeene vreugde in Asgard, waar de godin zeer bemind was, dat het naderhand steeds gewoonte was den trouwdag te vieren met feest en gezang, en daar de godin als beschermvrouw van het huwelijk gold, werd op bruiloften altijd op haar gedronken, evenals op Odin en Thor.

Frigga was de godin van de atmosfeer, of liever van de wolken, en werd als zoodanig voorgesteld in sneeuwwitte of donkere kleeren, in overeenstemming met haar ietwat veranderlijken aard. Zij was de koningin der goden, en zij alleen had het voorrecht te mogen zitten op den troon Hlidskialf, naast haar verheven echtgenoot. Vanhier kon zij ook de geheele wereld overzien en waarnemen wat gebeurde, en, zoo geloofden onze voorouders, zij bezat kennis aangaande de toekomst, die echter niemand van haar te weten kon komen, waardoor zij bewees dat Noorsche vrouwen een geheim ongeschonden konden bewaren.

De goden zijn mijn kroost, En al wat komen moet, ik weet het, maar Besluit het in mij, zeg het niemand ooit.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Zij werd gewoonlijk voorgesteld als een slanke, schoone en statige vrouw, gekroond met reigerveeren, het symbool van zwijgen en vergeten, en gedost in zuiver wit gewaad, om het middel vastgehouden door een gouden gordel, waarvan een bos sleutels afhing, het attribuut van de Noorsche huismoeder, als wier bijzondere beschermvrouw zij gold. Ofschoon zij dikwijls naast haren echtgenoot verscheen, gaf Frigga er de voorkeur aan in haar eigen paleis te blijven, dat Fensalir heette, de hal der nevelen of de zee, waar zij ijverig bezig was met haar wiel of spinrokken en waar zij gouden draden spon of lange webben van kleurige wolken weefde.

Om dit werk goed te doen gebruikte zij een bewonderenswaardig met juweelen bezet spinnewiel of rokken, dat 's nachts aan den hemel stond te schitteren als een sterrenbeeld, in het Noorden bekend als Frigga's spinnewiel, terwijl de bewoners van het Zuiden dezelfde sterren den Gordel van Orion noemden.

In haar hal Fensalir noodigde de bevallige godin gehuwde mannen en vrouwen die op aarde een deugdzaam leven hadden geleid, zoodat zij elkanders gezelschap ook na den dood konden genieten, en nooit weer tot scheiden werden opgeroepen.

Daar in de pas staat Fensalir, het huis Van Frea, godenmoeder, zeer geëerd, Met open poorten, vensters hel verlicht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Frigga werd daarom beschouwd als de godin van huwelijks- en moederliefde, en werd in het bijzonder gehuldigd door liefhebbende echtgenooten en teedere ouders. Maar deze hooge plicht nam niet al hare gedachten in beslag, want wij hooren dat zij zeer verzot was op kleeding, en, als zij voor de vergaderde goden verscheen, was haar dos rijk en voegzaam, en hare juweelen waren gekozen met veel smaak.

Het gestolen goud.

Frigga's liefde tot opschik bracht haar eens droevig van het spoor, want daar zij een nieuw versiersel wilde hebben, ontvreemdde zij heimelijk een stuk goud van een standbeeld dat haren echtgenoot voorstelde, en dat juist in zijn tempel was gezet. Het gestolen metaal werd aan de dwergen toevertrouwd, met opdracht een prachtigen halsketting voor haar gebruik te maken. Toen deze af was, was hij zoo schitterend dat hij sterk hare bekoorlijkheid verhoogde, en ook Odin's liefde jegens haar deed toenemen. Maar toen hij den diefstal van het goud ontdekte, riep hij vertoornd de dwergen en beval hen te zeggen wie zijn standbeeld had durven aanraken. Daar zij de koningin der goden niet wilden verraden, bleven de dwergen hardnekkig zwijgen, en toen Odin zag dat hij geen woord uit hen krijgen kon, beval Odin dat het beeld boven de tempelpoort zou worden gezet en ging aan het uitdenken van runen, die het vermogen tot spreken zouden geven zoodat het den dief zou kunnen aanwijzen. Toen Frigga dit hoorde beefde zij van angst, en smeekte haar gunstelinge en dienstmaagd, Fulla, een middel te verzinnen om haar voor Alvader's boosheid te beschermen. Fulla die altijd bereid was om hare meesteres te dienen, vertrok onmiddellijk en kwam weldra terug, vergezeld door een afschuwelijken dwerg, die beloofde te zullen voorkomen dat het beeld zou spreken als Frigga slechts vriendelijk tegen hem zou glimlachen. Toen dit was toegestaan haastte zich de dwerg naar den tempel en deed een diepen slaap neerdalen op de wachten, en toen zij dus in onbewusten toestand verkeerden, haalde hij het beeld van zijn voetstuk neer en brak het in stukken, zoodat het nooit Frigga's diefstal verraden kon, trots al de pogingen van Odin om het te laten spreken.

Toen Odin 's morgens daarop deze schennis ontdekte, was hij werkelijk zeer boos; zóó boos dat hij Asgard verliet en geheel en al verdween, met zich nemend al de zegeningen die hij tot nu toe steeds op goden en menschen had doen neerdalen. Volgens sommigen trokken zijn broeders, zooals wij reeds gezien hebben, partij van zijn afwezigheid om zijn gedaante aan te nemen en beslag te leggen op zijn troon en zijn vrouw; maar ofschoon zij volkomen op hem geleken konden zij de verloren zegeningen niet teruggeven, en stonden de IJsreuzen of Jötuns toe de aarde te overvallen en ze in hun koude boeien vast te binden. Deze boosaardige reuzen knepen de bladeren en knoppen totdat ze geheel verdorden, stroopten de boomen kaal, wikkelden de aarde in een wit laken en hulden ze in ondoordringbare nevelen.

Maar aan het einde van zeven vervelende maanden gaf de ware Odin toe en kwam terug en toen hij al het kwaad zag dat gedaan was, joeg hij de overweldigers weg, dwong de vorstreuzen de aarde los te laten en haar uit haar ijsboeien te bevrijden en deed weer al zijn zegeningen op haar neerdalen, terwijl hij ze blij maakte met het licht van zijn glimlach.

Odin verschalkt.

Zooals wij reeds zagen was Odin, ofschoon de god van verstand en wijsheid, geen partuur voor zijn vrouw Frigga, die als vrouw op een of andere manier steeds haar zin wist te krijgen. Eens zat het verheven paar op Hlidskialf en keek met belangstelling naar de Winilers en Vandalen, die zich tot een gevecht toerustten, dat beslissen zou welk volk van nu af aan de oppermacht zou hebben. Odin zag met voldoening op de Vandalen neer, die luid tot hem baden om de overwinning; maar Frigga lette op de bewegingen der Winilers met meer belangstelling, omdat zij haar hulp hadden ingeroepen. Zoo wendde zij zich tot Odin en vroeg hem met nadruk wie hij den volgenden dag zou begunstigen; hij, op haar vraag niet willende antwoorden, verklaarde dat hij niet wilde beslissen, daar het bedtijd was, maar dat hij de zege zou geven aan hen op wie zijn oogen het eerst 's ochtends zouden rusten.

Dit antwoord was sluw berekend, want Odin wist dat zijn bed zóó stond dat hij bij zijn ontwaken de Vandalen zou zien, en was van plan vandaar te kijken, in plaats van te wachten totdat hij zijn troon beklommen had. Maar, ofschoon zoo sluw overlegd, werd dit plan verijdeld door Frigga, die, zijn opzet radend, wachtte totdat hij in diepen slaap was, en toen stil zijn bed omdraaide zoodat hij haar gunstelingen zou zien. Toen boodschapte zij den Winilers dat zij hunne vrouwen hun wapenrustingen zouden aandoen en haar als de dageraad aanbrak in krijgsdos zouden uitsturen, hare lange haren zorgvuldig over wangen en boezem gekamd.

Neemt al uw vrouwen mee, Jongen en ouden: Over uw enkels Trek aan het wit strijdkleed; Over uw boezem Snoer vaster het harnas; Over uw lippen Vlecht tressen tot knevels, Zoo houdt u vorst Odin Voor baardige krijgers, Als van 't grauwe zeestrand Gij groet hem te morgen.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Deze bevelen werden uitgevoerd met angstvallige nauwkeurigheid, en toen Odin den volgenden morgen wakker werd viel zijn eerste blik op de gewapende schaar en hij riep in verwondering uit, "Wat Langbaarden zijn dit?" (In het Duitsch was het oude woord voor lange baarden Longobarden, met welken naam men de Lombarden placht aan te duiden). Toen Frigga dezen uitroep hoorde, dien zij had voorzien, riep zij onmiddellijk in triomf uit, dat Alvader hun een nieuwen naam had gegeven, en dat hij dus door zijn eer gehouden was het oud Noorsch gebruik te volgen en hun ook een doopgeschenk te geven.

De naam die gij schonkt hun Eert hen en u zelven, Goed is hij en passend. Geef hun de zegepraal, Die 't eerst u begroetten; Geef hun de zegepraal, Vriend van mijn ziel.

De Longobarden-Sage (Charles Kingsley).

Toen Odin zag dat hij zoo handig misleid was, talmde hij niet, en ter herinnering aan de overwinning die zijn gunst hun schonk behielden de Winilers den naam, hun door den koning der goden gegeven, die voortaan met bijzondere zorg over hen waakte, en hun vele zegeningen gaf, onder andere een woonplaats in het zonnige Zuiden, in de vruchtbare vlakten van Lombardije.

Fulla.

Frigga had, tot haren specialen dienst, een aantal schoone meisjes, onder welke Fulla, (Volla), hare zuster, volgens sommige bronnen, aan wie zij haar juweelkistje toevertrouwde. Fulla had steeds het toezicht over het toilet van hare meesteres, had het voorrecht haar hare gouden schoenen te mogen aandoen, vergezelde haar overal heen, was haar vertrouwde, en gaf haar dikwijls raad hoe zij het best de stervelingen kon helpen die haar hulp afsmeekten. Fulla was inderdaad zeer schoon, en haar lange gouden haar, dat zij los had hangen over hare schouders, had zij enkel met een gouden ring of doek opgebonden. Zooals heur haar het gouden graan voorstelde, zoo beteekende de ring den band om de schoof. Fulla was ook bekend als Abundia of Abundantia, in sommige deelen van Duitschland, waar zij beschouwd werd als het symbool van de vruchtbaarheid der aarde.

Hlin, Frigga's tweede dienstbode, was de godin der vertroosting, uitgezonden om de tranen van weenenden weg te kussen en balsem te gieten in harten die door smart waren verscheurd. Zij luisterde ook met altijd geopende ooren naar de gebeden der stervelingen, bracht die gebeden naar hare meesteres, en ried haar soms hoe er het best op te antwoorden en den verlangden steun te schenken.

Gna.

Gna was Frigga's snelle bodinne. Op haar paard Hofvarpnir (hoefwerper) gezeten, reed zij met verwonderlijke snelheid door vuur en lucht, over land en zee, en werd daarom beschouwd als de verpersoonlijking van den verfrisschenden wind. Zoo àf en aan vliegend zag Gna alles wat op aarde gebeurde en vertelde haar meesteres alles wat zij wist. Bij zekere gelegenheid, toen zij over Hunaland ging, zag zij koning Rerir, een rechtstreekschen afstammeling van Odin, bedroefd aan het strand zittend, er over klagend dat hij geen kinderen had. De godin van den hemel, die ook de godin was van de geboorte, nam, toen zij dit hoorde, een appel (het symbool van de vruchtbaarheid) uit haar eigen voorraad, gaf dien aan Gna, en, beval haar hem aan den koning te brengen. Met de snelheid van het element dat zij personifieerde schoot Gna weg, en toen zij over Rerir's hoofd kwam, liet zij haar appel in zijn schoot vallen met een stralenden glimlach.