Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 3

Chapter 33,676 wordsPublic domain

Ongedeerd en gelukkig als de horen klonk, en zonder elkander wrok toe te dragen om de harde stooten die men had gegeven of ontvangen, reden de Einheriar opgewekt naar Valhalla terug om in Odins lieflijk bijzijn hun feesten weer te beginnen, terwijl de Valkyren met hare witte armen en wuivend haar bevallig rondzweefden en telkens weer haar horens of haar geliefkoosde drinkschalen, de schedels harer vijanden, vulden, terwijl de skalden zongen van oorlog en van ontroerende Vikingtochten.

Zij krijgen stoot en houw den ganschen dag Bij stof en kreet en bloed en lid, verminkt; Maar keeren 's avonds weer naar Odins hal Gezond en frisch; zoo is hun hemelsch lot.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Terwijl zij dus vochten en feestvierden brachten de helden hun dagen in volkomen geluk door, terwijl Odin genoegen had in hun kracht en aantal, dat echter, dit voorzag hij, zijn val niet zou kunnen voorkomen als de dag van het laatste gevecht aanbreken zou.

Daar zulke genietingen de hoogste waren die de verbeelding van een noordelijken krijger kon schilderen, was het zeer natuurlijk dat alle krijgslieden Odin moesten liefhebben en vroeg in hun leven zich moesten wijden aan zijn dienst. Zij beloofden dat zij, zoo mogelijk, zouden sterven met de wapenen in de hand, en verwondden zelfs met hun eigen speren zich zelven als de dood naderde, wanneer zij ongelukkig genoeg waren geweest den dood op het oorlogsveld te ontgaan en bedreigd werden met "een strooien dood", zooals zij overlijden aan ouderdom of ziekte noemden.

Aan Odin trouw verpand Kerft hij zich runen, Dood-runen heel diep op zijn arm en zijn borst.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Tot loon voor deze toewijding waakte Odin met bijzondere zorg over zijn gunstelingen, gaf hun geschenken, een tooverzwaard, een speer of een paard en maakte hen onoverwinnelijk totdat hun laatste uur gekomen was, als hij zelf verscheen om op te eischen of te vernietigen de giften die hij had geschonken, en de Valkyren de helden naar Valhalla droegen.

Hij gaf aan Hermod Een helm en pantser, Van hem ontving ook Siegmund een zwaard.

Hyndla-lied.

Sleipnir.

Als Odin een werkzaam aandeel had in den oorlog, bereed hij meestal zijn acht-pootig grijs paard, Sleipnir, en droeg een wit schild. Zijn schitterende speer over de hoofden der strijdenden geslingerd, was het teeken dat het gevecht zou beginnen, en hij stormde dan in het midden van de gelederen en schreeuwde zijn oorlogskreet: "Odin heeft U allen".

En Odin doste Zich uit met rusting blinkend, helm van goud, En voerde Sleipnir voort.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Soms gebruikte hij zijn tooverboog waarvan hij tien pijlen tegelijk kon schieten, en elk velde zonder missen een vijand neer. Ook veronderstelde men dat Odin zijn begunstigden krijgers de beroemde Berserkerwoede (Berserker-naakthemd) ingaf, die hen in staat stelde, ofschoon naakt, zonder wapenen en geheel omsingeld, ongehoorde daden van moed en kracht te verrichten, en als door tooverkracht te ontwijken.

Evenals Odins eigenschappen, gelijk de allesdoordringende elementen, veelvuldig waren, zoo ook zijn namen; hij had er niet minder dan tweehonderd, die bijna alle een vorm van zijn werken aanduidden. Men beschouwde hem als den ouden god van de zeelui en van den wind.

"Machtig' Odin, Noren smeeken: U zij d' eer! Stuur ons schip, o sterke Wodan, Veilig over d' Oostzee weer".

Vail.

De wilde jacht.

Odin, in zijn hoedanigheid van windgod, werd afgebeeld als midden door de lucht ijlend op zijn achtpootig paard, waarvan het oudste Noorsche raadsel afkomstig is, dat aldus luidt: "Wie rijden er samen naar het gevecht? Zij hebben drie oogen, tien voeten, één staart: en zwerven zoo de landen door". En daar men meende dat de zielen van de dooden werden weggedreven op de vleugelen van den storm, werd Odin vereerd als de leider van alle zielen die het lichaam hadden verloren. In deze rol was hij het meest algemeen bekend als de Wilde Jager, en als de menschen het geruisch en gebulder van den wind hoorden, schreeuwden zij luid in bijgeloovige vrees en verbeeldden zich dat zij hem zagen voorbij rijden met zijn stoet, allen gezeten op snuivende paarden, en vergezeld van blaffende honden. En men beschouwde het voorbijgaan van de Wilde Jacht, bekend als Wodan's Jacht, de Razende Menigte, Gabriels Honden of Asgardreia, ook als een voorteeken van onheil als b.v. oorlog of pest.

De Rijn vloeit klaar, maar een dof gebrom Van kamp hoort straks zijn bed, En van speren galmt het land rondom En er schreeuwt ginds een trompet, En de dapp're ligt in zijn bloed, geveld, Want de Wilde Jager is langs gesneld.

De Wilde Jager (Mevr. Hemans).

Verder dacht men dat wanneer iemand zoo oneerbiedig was dat hij in scherts mee deed aan het wild hallo, hij direct zou worden gegrepen en met de verdwijnende schare meegevoerd, terwijl diegenen die aan het hallo deelnamen met onvoorwaardelijk goed geloof, beloond zouden worden met het plotselinge geschenk van een paardepoot, van boven hun toegeworpen, en dat deze, als zij hem zorgvuldig bewaarden tot den volgenden morgen, veranderd zou worden in een klomp goud.

Zelfs na de invoering van het Christendom was het onontwikkelde Noorsche volk nog bang voor den opkomenden storm en beweerde dat het de Wilde Jacht was die voortjoeg door de lucht.

"Hem schrikt gerucht, Want boven hem is Gabriels hondenstoet, Die met hun slechten heer steeds jagen moet Het vliedend hert in hooge streek der lucht".

Sonnet (Wordsworth).

Soms liet zij een kleinen zwarten hond achter, die hinkend en jankend op een nabijzijnden haard, een heel jaar lang bewaard en zorgvuldig opgepast moest worden, indien hij niet kon worden uitgedreven of weggeschrikt. Het gewone voorschrift was, precies als voor de onttoovering van vondelingen, bier te brouwen in eierschalen, en men meende dat dit bedrijf den spookhond zulk een schrik zou aanjagen, dat hij zou wegvluchten met zijn staart tusschen de beenen, uitroepend, dat, ofschoon zoo oud als het Bohemer bosch, hij nooit eerder zoo iets doms gezien had.

Ik ben oud Als 't Bohemer woud, En heb van mijn leven Zulk gebrouw niet gezien.

Oud gezegde.

Het voorwerp van deze schimmenjacht was zeer afwisselend, en was òf een denkbeeldig wild zwijn òf wild paard, meisjes met blanke borsten die gevangen werden en weggevoerd slechts eens in de zeven jaren, of de boschnimfen, mosmeisjes genoemd, van wie men dacht dat zij de herfstbladen voorstelden, van de boomen afgescheurd en weggewaaid door den winterstorm.

In de middeleeuwen, toen het geloof in de oude heidensche godheden ten deele vergeten was, was de aanvoerder van de Wilde Jacht niet langer Odin, maar Karel de Groote, Frederik Barbarossa, koning Arthur, of deze of gene Sabbatschender, zooals de Heer van Rodenstein of Hans von Hackelberg, die, tot straf voor zijn zonden, veroordeeld was voor goed te jagen door de lucht.

Men meende, dat, daar de winden het hevigst bliezen in herfst en winter, Odin het liefst in dat seizoen op jacht ging, vooral in den tijd tusschen Kerstmis en Driekoningen, en de boeren zorgden er altijd voor de laatste schoof of maat graan op de velden achter te laten als voedsel voor zijn ros.

Deze jacht was natuurlijk onder verschillende namen bekend in de onderscheiden landen van Noordelijk Europa; maar daar de verhalen, er van verteld, overal gelijk zijn, hadden zij blijkbaar hun oorsprong in hetzelfde oude heidensche geloof, en tot dezen dag denken onontwikkelde menschen met een noorsche fantasie, dat het gehuil van een hond in een stormachtigen nacht een onbedriegelijk voorteeken is van dood.

En ijlen zal de sombre jacht Tot tijd volend is in zijn duur, Des daags in holle aardeschacht, Komt zij er uit in 't nachtlijk uur,

Dit zijn de horen, hond en paard Die 's avonds soms verneemt de boer, Dan slaat hij 't kruis, door vrees vervaard, Als hij bemerkt het wild rumoer.

De wakk're priester treurt dan stil Om 's menschen trots en 's menschen wee, Als bij zijn nachtmis dringt een gil, De helsche roep van "holla hé".

Sir Walter Scott.

De Wilde Jacht, of de Razende Schaar van Duitschland, heette in Engeland Herlathing, naar den mythischen koning Herla, den vermeenden aanvoerder; in noordelijk Frankrijk droeg zij den naam van Mesnée d'Hellequin, naar Hell, de godin van den dood; en in de middeleeuwen was zij bekend als Cains Jacht of Herodes' Jacht. Deze laatste namen kreeg zij, omdat men geloofde dat de aanvoerders geen rust konden vinden wegens de schandelijke moorden op Abel, op Johannes den Dooper en op de Heilige Onschuldigen.

In midden-Frankrijk heet de Wilde Jager, dien wij in andere landen al hebben leeren kennen als Odin, Karel den Groote, Barbarossa, Rodenstein, von Hackelberg, Koning Arthur, Hel, een van de Zweedsche koningen, Gabriel, Cain of Herodes, ook wel de Groote Jager van Fontainebleau (le Grand Veneur de Fontainebleau), en men beweert dat men den avond van den moord op Hendrik IV en ook precies voor het uitbreken van de groote Fransche Omwenteling, zijn geschreeuw duidelijk kon hooren toen hij ijlde door de lucht.

Algemeen geloofde men onder de Noorsche volken dat de ziel ontsnapte uit het lichaam in de gedaante van een muis, die uit den mond van een lijk kroop en wegliep, en die ook zou kruipen in en uit de monden van menschen die in somnambule-toestand verkeerden. Terwijl de ziel afwezig was, kon geen poging of middel den patiënt tot het leven terugroepen; maar zoodra zij weerom was, kwam de bezieldheid terug.

De Rattenvanger.

Daar Odin de aanvoerder was van al de schimmen, werd hij in de middeleeuwen vereenzelvigd met den Rattenvanger van Hamelin. Volgens middeleeuwsche legenden werd Hamelin zoo door ratten gekweld dat het leven ondragelijk werd, en een groote belooning werd aangeboden aan dengene, die de stad van deze knagers bevrijden zou. Een fluitspeler, in veelkleurige kleederen, wilde het werk op zich nemen, en toen men de voorwaarden had vastgesteld, begon hij door de straten te spelen zóó, dat al de ratten uit haar gaten werden gelokt totdat zij een aaneengesloten stoet vormden. Er was iets in de melodie dat haar dwong mee te gaan, totdat eindelijk de rivier de Weser bereikt was en allen in haar wateren verdronken.

En eer de fluit drie tonen deed gaan Scheen 't of een leger kwam murmelend aan; En het murmelen werd tot een dof gerommel, En het rommelen werd tot een luider brommen, En uit ieder huis kwamen ratten in drommen. Groote, kleine, lenige, vleezige, Bruine en zwarte, dikke en pezige, Grijze, halfgele, deftige, vlugge, Vaders, moeders, oomes en neven, Snorren gepunt, staarten boven de ruggen, Familiën in massa, hoe groot is om 't even, Broeder en zuster, heer en mevrouw, Volgden den vreemden Pijper getrouw, Van straat tot straat blies hij doordringend, En stap voor stap volgden zij springend, Tot zij kwamen aan de rivier de Weser, Waar allen in vielen en verdronken.

Robert Browning.

Toen de ratten allen dood waren en er geen kans was dat zij zouden terugkeeren om hen te plagen, weigerden de menschen van Hamelin de belooning te betalen, en zij zeiden dat de fluitspeler maar zien moest wat hij kon. Hij hield hen bij hun woord, en eenige oogenblikken later klonken de vreemde melodieën van de tooverfluit opnieuw, en dezen keer waren het de kinderen die in troepen uit de huizen kwamen en vroolijk den fluitspeler volgden.

Toen kon men ontwaren de woelige maren Van vroolijke scharen in hevig misbaren, Van voetjes die trappen en klompjes die stappen, Van handjes die klappen en mondjes die snappen, En als vogels op zaad, dat de hong'rigen happen, Renden aan al de kinderen, meisjes en knapen, Met wangetjes rood en goud haar om de slapen, En tanden en oogjes tot schitt'ren geschapen, Tripp'lend en hipp'lend in vroolijken stoet, Den wonderen speelman gevolgd op den voet,

Robert Browning.

De burgers waren niet bij machte het treurspel te voorkomen, en toen zij als door tooverkracht verlamd stonden, voerde de speelman de kinderen uit de stad naar den Koppelberg, een heuvel aan de grenzen van de stad, die miraculeus openging om den stoet te ontvangen en zich niet eerder weer sloot dan toen het laatste kind buiten het gezicht was. Deze legende deed blijkbaar de zegswijze ontstaan "den speelman betalen". Sedert heeft men in Hamelin de kinderen nooit teruggezien, en tot herinnering aan dit algemeene onheil zijn sedert alle officieele besluiten gedateerd zoovele jaren na het bezoek van den Rattenvanger.

Zij maakten een wet dat juristen nimmer Moesten meenen hun stukken goed gesteld, Als na den dag van de maand en het jaar Niet stond te lezen, duid'lijk en klaar; "En zoo lang na dat wat gebeurd is daar, Op twee en twintig Juli, net geteld, Van dertien honderd en zes en zeventig"; Om het feit te houden voortdurend levendig, En de plek, waar de kinderen het laatst men zag, Noemden zij de Rattenvangerstraat sinds dien dag, En als iemand er voortaan blies op een fluit Ging hij ongetwijfeld zijn baantje uit.

Robert Browning.

In deze mythe is Odin de speelman, de schrille tonen van de fluit zijn zinnebeelden van den fluitenden wind, de ratten vertegenwoordigen de zielen van de dooden, die hem vroolijk volgen, en de holle berg waarin hij de kinderen voert, verbeeldt het graf.

Bisschop Hatto.

Een andere Germaansche legende, die harer oorsprong dankt aan dit geloof, is het verhaal van Bisschop Hatto, den ongelukkigen prelaat, die, geërgerd door het gezucht der armen tijdens een hongersnood, hen allen levend verbrand had in een verlaten schuur, evenals de ratten, waarop zij, volgens zijn zeggen geleken en hun niets had willen meedeelen van het kostelijke graan dat hij voor zich zelf had vergaard.

"O Zie, 't is een heerlijk vreugdevuur" zei De bisschop, "het land heeft verplichting aan mij, Want ik heb het gered, in dagen van nood, Van ratten die enkel verteren het brood."

Robert Southey.

Kort nadat deze verschrikkelijke misdaad was bedreven, berichtten de hoorigen van den bisschop de komst van een groote menigte ratten. Deze waren, naar het schijnt, de zielen van de vermoorde boeren, die de gedaante van de ratten hadden aangenomen, waarmede de bisschop hen vergeleken had. Zijn pogingen tot ontvluchten waren vergeefsch, en de ratten vervolgden hem zelfs tot midden in den Rijn, naar een steenen toren waarin hij trachtte te ontkomen aan hun tanden. Zij zwommen naar den toren, knaagden zich een weg door de steenen muren, stortten zich er van alle kanten tegelijk binnen, vonden den bisschop en verslonden hem levend.

En in door de vensters en in door de poort, En dwars door den vloer gaat het stormende voort, En af van den zolder, geen muur die ze stoort, Van rechts en van links, van zuid en van noord, Van binnen en buiten, van hier en van daar, Dringt af op de bisschop de ijlende schaar, Gewet zijn hun tanden vooraf aan het steen, Zij bijten den kerkvorst tot diep op het been, Zij rukten zijn vleesch van het lichaam hem af, Want dit was hun taak: hem te brengen zijn straf.

Robert Southey.

Men meent dat de roode gloed van den zonsondergang, boven den muizentoren bij Bingen aan den Rijn de spiegeling is van het helsche vuur waarin de slechte bisschop langzaam wordt geroosterd als straf voor zijn gruwelijke misdaad.

Irmin.

In sommige streken van Duitschland hield men Odin voor denzelfden als den Saksischen god Irmin, wiens beeld, de Irminzuil, bij Paderborn, door Karel den Groote in 772 werd vernield. Men vertelde dat Irmin een grooten koperen wagen had waarop hij door de lucht reed langs het pad dat wij kennen als den Melkweg, maar dat de oude Germanen aanduidden als Irmins weg. De wagen, welks geratel soms voor menschenooren verneembaar was als donder, verliet nooit de lucht, waar men hem nog kan zien in het sterrenbeeld van den Grooten Beer, in het Noorden ook bekend als Odins of Karels wagen.

"De Wagen, die rijdt door de hemel Immer zijn cirk'lenden weg, en blijft in de buurt van Orion, Eenige ster aan de lucht die nooit zich baadt in de golven.

Homerus Ilias.

Mimirs bron.

Ten einde de groote wijsheid te krijgen waardoor hij zoo beroemd is, bezocht Odin, in het begin der tijden, Mimirs (Memor, herinnering) bron, "de fontein van alle wetenschap en wijsheid", in welker heldere diepten zelfs de toekomst klaar gespiegeld werd, en verzocht den ouden man, die ze bewaakte, hem een teug te gunnen. Maar Mimir, die heel goed de waarde van zulk een gunst kende (want zijn bron gold als de bron of hoofdstroom der herinnering), weigerde de gift tenzij Odin toestond een van zijn oogen in ruil te geven.

De god aarzelde niet, zoo hoog schatte hij de teug, maar rukte onmiddellijk een van zijn oogen uit, dat Mimir te pand hield en liet zinken diep in zijn fontein, waar het scheen met milden glans. Odin bleef met één oog over, wat men als een beeld van de zon beschouwt.

Wij zoeken heel ons leven naar de zon; Dat brandend voorhoofd is het oog van Odin. Zijn tweede oog, de maan, schijnt niet zoo hel; Hij gaf 't aan Mimir, in zijn bron, te pand, Dat hij er hale water, 't welk geneest, Dit oog tot sterking, ied'ren nieuwen dag.

Oehlenschläger.

Toen Odin diep dronk uit Mimirs bron, verkreeg hij de kennis, die hij verlangde, en hij beklaagde zich nooit over het offer dat hij had gebracht, maar tot verdere herinnering aan dien dag brak hij een tak van den heiligen boom Yggdrasil, die de bron overschaduwde, en vormde er van zijn geliefde speer Gungnir.

Een moedig god Ging om een teug naar de bron, Waar hij liet in ruiling Gaarne het licht van een oog. Van d' Yggdrasil Rukt' eer hij ging Wotan een tak En hij spleet het hout Met heftige kracht van den stam.

Godenschemering, Wagner.

Maar ofschoon Odin nu alwijs was, was hij bedroefd en gedrukt, want hij had een blik gekregen in de toekomst en had de vergankelijke natuur van alle dingen bemerkt, en zelfs het lot der goden, die allen tot ondergang waren gedoemd. Deze wetenschap deed hem zóó aan, dat hij naderhand er steeds melancholiek en peinzend uitzag.

Om de waarde van de wijsheid, die hij dus had gekregen, te beproeven, ging Odin den geleerdste van al de reuzen, Vafthrudnir, bezoeken, en begon met hem een spiegelgevecht in scherpzinnigheid, waarbij de inzet niet minder was dan het hoofd van den verliezer.

Odin spoedde zich en ging Tot een kamp in wetenschap Met den Jute, wijs en sterk; Naar Vafthrudnirs hooge hal Kwam de groote runenvorst.

Vafthrudnirs-mal.

Odin en Vafthrudnir.

Bij deze gelegenheid had Odin zich vermomd als een zwerver, op raad van Frigga, en toen hem zijn naam werd gevraagd, zij hij dat die naam Gangrad was. De strijd begon onmiddellijk, want Vafthrudnir vroeg zijn gast naar de paarden die Dag en Nacht door de lucht trokken, naar de rivier Ifing die Jötun-heim van Asgard scheidde, en ook naar Vigrid, het veld waar het laatste gevecht moest worden geleverd.

Al deze vragen werden nauwkeurig beantwoord door Odin, die, toen Vafthrudnir klaar was, op zijn beurt begon te vragen, en even uitvoerige antwoorden kreeg aangaande den oorsprong van hemel en aarde, de schepping van de goden, hun strijd met de Vana's, de bezigheden van de helden in Valhalla, de plichten van de Nornen, en de heerschers die de Aesir moesten vervangen als dezen waren ondergegaan met de wereld die zij hadden geschapen. Maar toen ten slotte Odin zich bij den reus boog en zacht de woorden vroeg die Alvader fluisterde tot zijn dooden zoon Balder, als hij lag op zijn brandstapel, herkende Vafthrudnir plotseling zijn goddelijken bezoeker. Hij deinsde teleurgesteld terug en zei dat alleen Odin die vraag kon beantwoorden, en dat het hem nu volkomen duidelijk was dat hij dwaaslijk een strijd had aangegaan in scherpzinnigheid en wetenschap met den koning der goden, en ten volle de boete verdiende omdat hij verloren had, n.l. het verlies van zijn hoofd.

Niet de mensch van sterflijk ras Weet het woord, door u gesproken, Tot uw zoon in ouden tijd. Ik hoor den tred van dood die komt; Hij rukt der runen wijsheid weg, En 't weten van der goden worden Uit d' ongelukkige ziel die streed Met Odin zelf den geesteskamp, Met hem die wijs is boven elk; De prijs was 't leven, en gij wont.

Vafthrudnirs-mal.

Zooals het met vele Noorsche mythen het geval is, die vaak fragmentair en duister zijn, eindigt deze hier, en geen der dichters vertelt ons of Odin werkelijk zijn tegenstander versloeg, noch ook wat het antwoord was op zijn laatste vraag; maar mythologen hebben het vermoeden gewaagd dat het woord, door Odin in Balders oor gefluisterd om hem over zijn ontijdigen dood te troosten "opstanding" moet zijn geweest.

Vinding van de Runen.

Behalve god der wijsheid was Odin god en uitvinder van de runen, het oudste alphabet in gebruik bij de noordelijke natiën, welke karakters, die geheimenis beteekenen, eerst voor waarzegging werden gebruikt, ofschoon zij later dienden voor inschriften en documenten. Evenals men de wijsheid slechts kon verkrijgen ten koste van offers, vertelt Odin zelf dat hij negen dagen en nachten hing aan den heiligen boom Yggdrasil, starende in de onmetelijke diepten van Niflheim, verzonken in diepe gedachten, en door eigen speer gewond, eer hij de kennis kreeg die hij zocht.

Ik weet dat ik hing Aan een zwiependen tak Negen nachten lang, Door een speer verwond, En aan Odin gewijd, Ik zelf aan mij zelven; Aan dien boom Waarvan niemand weet Waar zijn wortel is.

Odins Runenzang.

Toen hij deze wetenschap volledig meester was, sneed Odin tooverrunen op zijn speer Gungnir, op de tanden van zijn paard Sleipnir, op de klauwen van den beer, en op tallooze andere bezielde en onbezielde dingen. En omdat hij dus had gehangen over den afgrond een zoo langen tijd, beschouwde men hem later altijd als den beschermgod van allen die veroordeeld waren om opgehangen te worden of die door den strop omkwamen.

Nadat hij de gave der wijsheid en der runen verkregen had, die hem heerschappij gaf over alle dingen, wilde Odin ook de gave der welsprekendheid en der poëzie, die hij verwierf op een wijze waarvan wij zullen vertellen in een volgend hoofdstuk.

Geirrod en Agnar.