Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen
Chapter 25
Alle kwaad Sterft een eindloozen dood, en goedheid rijst Uit dat groot wereldvuur gezuiverd weer Tot leven hooger, beter, eedler dan weleer.
Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).
Wedergeboorte.
Onze voorouders geloofden ten volle in de wedergeboorte en hielden het er voor, dat na een zeker tijdsverloop de aarde, gezuiverd door het vuur, gelouterd door hare indompeling in de zee, weer verrees in al hare oorspronkelijke schoonheid en verlicht werd door de zon, welker kar gevoerd werd door een dochter van Sol, geboren eer de wolf haar moeder had verslonden. De nieuwe dagtoorts was niet onvolmaakt als de eerste zon was geweest, en hare stralen waren niet langer zóó sterk dat men een schild moest plaatsen tusschen haar en de aarde. Deze meer weldadige stralen deden de aarde weldra haren groenen mantel vernieuwen en haar bloemen en vruchten in overvloed voortbrengen. Twee menschelijke wezens, een vrouw Lif, en een man Lifthrasir, doken nu op uit de diepten van Hodmimir's (Mimir's) bosch, waarheen zij gevlucht waren toen Surtr de wereld in brand stak. Zij waren daar in vredige sluimering gezonken, onbewust van de verwoesting rondom hen, en waren er gebleven, gevoed door den morgendauw, totdat zij veilig opnieuw konden uittrekken, waarop zij bezit namen van de herboren aarde, die hun afstammelingen moesten bevolken en waarover zij volkomen heerschappij zouden voeren.
Wij zullen rijzen zien Uit lichte zee aan onzen voet een aard Frisscher dan de oude, bloeiender, met vrucht Van zelf ontloken, en met menschen die Dan zullen leven in vrede als eens in twist.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Een nieuwe hemel.
Al de goden die de ontwikkelingskrachten der natuur voorstelden, werden op het noodlottige Vigridveld verslagen, maar Vali en Vidar, de typen van de onvergankelijke krachten der natuur, keerden tot het Idavold terug, waar zij Modi en Magni, Thors zonen, ontmoetten, de verpersoonlijkingen van sterkte en energie, die den heiligen hamer van hun vader uit de algemeene verwoesting redden en hem er heen brachten.
Vithar's dan en Vali's kracht Erft het ledig goôngebied; Mothi's spieren, Magni's wil Zwaaien nu den moker zwaar, Hun bezit, sinds Donar viel.
Vafthrudni-mal.
Hier ontmoetten zij Hoenir, niet langer een balling onder de Vanas, die, als ontwikkelingskrachten, ook voor goed verdwenen waren; en uit de donkere onderwereld, waar hij zoo lang gekwijnd had, rees de stralende Balder op, samen met zijn Broeder Hodur, met wien hij verzoend was en met wien hij in volkomen vriendschap en vrede zou leven. Het verleden was voor goed voorbij en de overlevende goden konden het zonder bitterheid terugroepen. De herinnering aan hun vroegere makkers was hun echter dierbaar, en vaak keerden zij naar hun oude verblijven terug. Zoo wandelden zij eens in het lange gras op Idavold en vonden weer de gouden schijven waarmede de Aesir altijd speelden.
Wij zullen gaan weer langs 't bekend terrein Van Ida, en wij zullen tusschen 't gras Vinden de gouden schijven, waarmee eens Wij speelden, dit herinnert ons 't weleer, Der goden tijdverdrijf, het wijs gesprek Van Odin, al de vreugde van 't verleên.
Balder Dood (Matthew Arnold).
Toen de kleine stoet der goden zich bedroefd naar de plaats keerde, waar hun vorstelijke verblijven eenmaal stonden, bespeurden zij, tot hun blijde verrassing, dat Gimli, het hoogste hemelsche paleis, niet vernield was, want het rees schitterend voor hen op, terwijl zijn gouden dak de zon overscheen. Zij haastten zich er naar toe en ontdekten, tot hun nog veel grooter blijdschap, dat het het toevluchtsoord was geworden voor alle deugdzamen.
In Gimli het grootsche, Daar zal de schaar Der deugdzamen zijn, En door alle eeuw Smaken de vreugde.
Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).
Een te groot om te noemen.
Daar de Noormannen, die zich op IJsland vestigden, en door wie de meest volledige expositie van het Odins geloof ons in de Eddas en Sages heeft bereikt, niet geheel bekeerd werden voor de elfde eeuw--ofschoon zij in aanraking waren gekomen met Christenen op hun vikingtochten bijna zes eeuwen vroeger,--is het zeer waarschijnlijk, dat de Noordelijke scalden eenige denkbeelden van de Christelijke leerstellingen opdeden, en dat deze kennis in zekere mate invloed op hen uitoefende, en hun beschrijvingen van het wereldeinde en de wedergeboorte der aarde kleurde. Misschien was het deze vage kennis ook, die hen er toe bracht aan de Edda een vers toe te voegen dat men gewoonlijk voor een interpolatie houdt, waarin gezegd wordt dat een andere God, te groot om te noemen, zou verrijzen om over Gimli te heerschen. Van deze hemelsche plaats zou hij de menschheid oordeelen en de boozen van de goeden scheiden. De eersten zouden worden verbannen naar de ellendige oorden van Nastrond, terwijl de goeden naar de zalige hallen van Gimli, het lieflijke, zouden worden overgebracht.
Dan komt een ander, Nog meer machtig, Maar Hem te noemen Durf ik niet wagen. Meest ziet niet verder Men dan waar Odin Den wolf gaat treffen.
Letterkunde en Romantiek van Noord-Europa (Howitt).
Er waren twee andere hemelsche verblijven echter, het eene afgezonderd voor de dwergen en het andere voor de reuzen; want daar deze schepselen geen vrijen wil hadden en slechts blindelings de bepalingen van het lot uitvoerden, achtte men hen niet verantwoordelijk voor eenig kwaad dat zij hadden gedaan; en dus, meende men, verdienden zij geen straf.
De dwergen, geregeerd door Sindri, bewoonden, meende men, een gebouw in de Nidabergen, waar zij de vonkelende meê dronken, dewijl de reuzen zich vermaakten in de hal Crimer, gelegen in de streek Okolnur, (niet koel), want de macht van de koude was geheel vernietigd, en er was geen ijs meer.
Verschillende mythologen hebben natuurlijk beproefd deze mythen te verklaren, en eenigen, zooals wij reeds hebben gezegd, zien in het verhaal van Ragnarok den invloed van Christelijke onderrichting en beschouwen het enkel als een barbaarsche vertolking van het wereldeinde en van de komende oorlogsdag, als een nieuwe hemel en aarde zal rijzen en alle goeden eeuwige zaligheid zullen genieten.
HOOFDSTUK XXIX: GRIEKSCHE EN NOORSCHE MYTHOLOGIE.
Vergelijkende Mythologie.
Gedurende de laatste vijftig jaren hebben geleerden van allerlei landen zóó grondig de philologie en vergelijkende mythologie beoefend, dat zij boven allen twijfel hebben gesteld "dat het Engelsch, met alle Teutonische dialekten van het vasteland, tot de groote taalfamilie behoort, die, behalve de Teutonische, Latijnsche, Grieksche, Slavische en Celtische, de Oostersche talen van Indië en Perzië omvat." "Ook is het bewezen dat de verschillende stammen, die van hun gemeenschappelijk gebied uitgingen om Europa in het Noorden en Indië in het Zuiden te ontdekken, met zich namen niet alleen een gemeenschappelijke taal maar ook een gemeenschappelijk geloof en een gemeenschappelijke mythologie. Dit zijn feiten waarmede men onbekend kan zijn, maar waarover men niet kan twisten, en de twee wetenschappen van vergelijkende spraakleer en vergelijkende mythologie, schoon slechts van jongen datum, berusten op een grondslag zóó degelijk en vast als welke inductieve wetenschap ook." "Want meer dan duizend jaar zijn de Skandinavische bewoners van Noorwegen in de taal van hun Teutonische broederen op het Vasteland gescheiden geweest, en toch hebben beiden niet alleen eenzelfde bezit van volksoverleveringen bewaard, maar zij vertelden ze, bij verschillende gelegenheden, in schier dezelfde woorden."
Deze gelijkenis, die zoo sterk is in de vroege literatuur van volken, die landen bewonen welke in vele opzichten hetzelfde physiek karakter vertoonden en bijna hetzelfde klimaat hebben, is niet zoo sprekend als wij de Noorsche mythen vergelijken met die van het geniale Zuiden. Toch, in weerwil van het contrast tusschen Noord- en Zuid-Europa, waar deze mythen geleidelijk rijpten en haar vollen wasdom erlangden, is er analogie tusschen de beide mythologiën, die toont dat de kiemen, waaruit beide voortkwamen, oorspronkelijk dezelfde waren.
In de voorafgaande hoofdstukken is het stelsel van Noorsche mythologie zoo duidelijk mogelijk geschetst, en de natuurbeteekenis van de mythen is er verklaard. Nu zullen wij trachten de overeenkomst tusschen de Noorsche mythologie en die van de andere Aziatische volken te laten zien door ze te stellen naast de Grieksche, waarop zij echter niet zooveel gelijkt als de Oostersche.
Natuurlijk is het in een werk als dit onmogelijk meer te doen dan aan te geven de hoofdpunten van overeenkomst in de verhalen, die den grondslag van deze godsdiensten vormen; maar dit zal ook voor den grootsten scepticus voldoende zijn om aan te toonen, dat zij identiek moeten zijn geweest in een tijd, die te veraf ligt om dien nu met eenige zekerheid aan te wijzen.
Het begin van de dingen.
De Noorsche volken, evenals de Grieken, dachten dat de wereld uit een chaos voortkwam, en terwijl de laatsten dien beschreven als een nevelige, vormelooze massa, schetsten de eersten, onder den invloed van hun onmiddellijke omgeving, hem als een chaos van vuur en ijs--een combinatie die maar al te begrijpelijk is voor iemand die IJsland heeft bezocht en het wilde, bijzondere contrast heeft gezien tusschen zijn vulcanischen bodem en spuitende geysers, en de groote ijsbergen die het rondom omheinen gedurende het lange, donkere winterseizoen.
Uit deze tegengestelde elementen, vuur en ijs, werden de eerste goden geboren, die, evenals de eerste goden van de Grieken, reusachtig waren in gestalte en ruw in uiterlijk. Ymir, de groote ijsreus, en zijn afstammelingen, kan men vergelijken met de Titanen, die ook elementaire natuurkrachten waren, verpersoonlijkingen van het onderaardsche vuur, en beiden moesten, nadat zij een tijd onbeperkt geheerscht hadden, wijken voor grooter volmaaktheid. Na een geweldige worsteling om de opperheerschappij werden zij allen verslagen, en verbannen naar de verschillende afgelegen gebieden van den Tartarus en van Jötun-heim.
De triade, Odin, Vili en Ve, van de Noorsche mythen, is het volledige pendant van Jupiter, Neptunus en Pluto, die, de Titanische machten overwinnend, op hun beurt over de wereld heerschappij voeren. In de Grieksche mythologie nemen de goden, die ook allen verwant aan elkander zijn, hun toevlucht tot den Olympus, waar zij gouden paleizen tot hun gebruik bouwen; in de Noorsche mythologie gaan de goddelijke overwinnaars naar Asgard en bouwen gelijke woningen.
Kosmogonie.
De Noorsche kosmogonie deed wel denken aan de Grieksche, want het volk meende dat de aarde, Mana-heim, geheel door de zee omringd was, op welker bodem de groote Midgardslang lag, die beet in haar eigen staart; en het was volkomen natuurlijk dat zij, ziende de door den storm gezweepte winden, die tegen de rotsen sloegen, moesten denken, dat deze door haar krampachtig gekronkel werden veroorzaakt. De Grieken, die ook meenden dat de aarde rond was en door een groote rivier, Oceanus genoemd, werd omgeven, beschreven haar als vloeiend met "een gelijkmatigen stroom", want zij keken doorgaans op kalme en zonnige zeeën. Niflheim, het Noorsche gebied van voortdurende koude en nevel, had zijn pendant in het land ten Noorden van de Hyperboreërs, waar veêren (sneeuw) voortdurend in de lucht dwarrelden, en waar Hercules het Cerynaeïsche hert in een sneeuwstorm najoeg eer hij het kon grijpen en vastbinden.
De luchtverschijnselen.
Evenals de Grieken geloofden de Noorsche volken dat de aarde het eerst was geschapen, en dat de gewelfde hemelen naderhand waren gemaakt om haar geheel te overkappen. Zij meenden ook, dat de zon en de maan dagelijks door de lucht reden, in wagens, getrokken door vurige rossen. Sol, de zonnemaagd, kwam dus overeen met Helios, Hyperion, Phoebus of Apollo, terwijl Mani, de Maan, (in overeenstemming met een eigenaardigheid van de Noorsche spraakkunst, die de Zon vrouwelijk maakt en de Maan mannelijk), het pendant was Phoebe, Diana of Cynthia.
De Noorsche dichters, die dachten dat zij de steigerende gestalten van witgemaande paarden in de vliegende wolken zagen, en het schitteren van speren in het stralende licht van den noordelijken morgen, zeiden, dat de Valkyren of slagmaagden door de lucht galoppeerden, terwijl de Grieken in hetzelfde natuurverschijnsel de witte kudden van Apollo zagen die door Phaetusa en Lampetia werden gehoed.
Als de dauw uit de wolken viel, zeiden de Noorsche dichters dat hij van de manen der Valkyren druppelde, terwijl de Grieken, die opmerkten dat hij doorgaans het langst blonk in de kreupelboschjes, hem met Daphne en Procris vereenzelvigden, wier namen zijn afgeleid van het Sanskrit woord dat "sprenkelen" beteekent, en die door hunne minnaars, Apollo en Cephalus, verpersoonlijkingen van de zon, worden vermoord.
De aarde werd in het Noorden zoo goed als in het Zuiden beschouwd als een vrouwelijke godheid, de voedstermoeder aller dingen; en het lag aan klimaatverschillen alleen, dat de mythologie van het Noorden, waar de menschen dagelijks het recht moesten veroveren om met de Natuur op voet van oorlog te leven, haar als hard en bevroren voorstelden zooals Rinda, terwijl de Grieken haar verpersoonlijkten in de blijde Ceres. De Grieken geloofden, dat de koude winterwinden van het Noorden neerzweepten, en de Noorsche volken voegden er bij, dat zij veroorzaakt werden door het klapwieken van den grooten adelaar Hrae-svelgr.
De dwergen of donkere elfen, gebroed in Ymirs vleesch, kwam hierin met Pluto's dienstknechten overeen, dat zij nooit hun onderaardsch gebied verlieten, waar zij ook de kostbare metalen zochten, die zij tot prachtige versierselen vormden, zooals Vulcanus die aan de goden gaf, en tot wapenen die niemand kon deuken of bederven. Wat de lichte elfen betreft die boven den grond leefden en voor planten, boomen en rivieren zorgden, deze waren blijkbaar bij de Noren dezelfde als de nimfen, dryaden, oreaden en hamadryaden, die de bosschen, dalen en fonteinen van oud-Griekenland bevolkten.
Jupiter en Odin.
Jupiter was, evenals Odin, de vader der goden, de god der overwinning en een verpersoonlijking van het Al. Hlidskialf, Alvaders verheven troon, was niet minder hoog dan Olympus of Ida, van waar de Donderaar alles wat plaats greep kon waarnemen; en Odins onoverwinlijke speer Gungnir was even schrikwekkend als de bliksems die zijn Grieksch prototype zwaaide. De Noorsche goden hielden steeds hunne feesten met meê en zwijnenvleesch, den drank en het vleesch dat het best paste bij de bewoners van een noordelijk klimaat, terwijl de goden van den Olympus den nectar en de ambrosia verkozen, die hun uitsluitend levensonderhoud uitmaakten.
Twaalf Aesir zaten in Odins raad om te beraadslagen over de beste maatregelen tot bestuur van wereld en menschen, en een even groot aantal goden verzamelde zich op de bewolkte spits van den Berg Olympus tot een zelfde doel. De Gouden Eeuw in Griekenland was een periode van idyllisch geluk, te midden van altijd bloeiende velden en onder balsemrijke luchten, terwijl de Noorsche gelukseeuw ook een tijd was waarin vrede en onschuld op aarde bloeiden, en het kwaad nog zoo goed als geheel onbekend was.
De schepping van den mensch.
Gebruik makend van de materialen, die bij de hand waren modelleerden de Grieken hun eerste beelden uit klei; daarom dachten zij natuurlijk, dat Prometheus de menschen uit die stof had gemaakt, toen hij geroepen werd een schepsel te vormen, dat slechts de mindere was van de goden. Daar de Noorsche beelden uit hout waren gehouwen, vertelden de Noorsche volken, als iets dat van zelf sprak, dat Odin, Vile en Ve (die hier overeenkomen met Prometheus, Epimetheus en Minerva, de drie Grieksche scheppers van den mensch) het eerste menschenpaar, Ask en Embla, uit houtblokken maakten.
De geit Heidrun, die de hemelsche meede verschafte, is gelijk aan Amalthea, Jupiters eerste voedster, en de drukke, praatgrage Ratatosk is gelijkwaardig met de sneeuwwitte kraai in de geschiedenis van Coronis, die zwart werd tot straf van haar gesnoep. Jupiters adelaar heeft zijn pendant in de raven Hugin en Munin, of in de wolven Geri en Freki, die steeds aan Odins voeten liggen.
Nornen en Schikgodinnen.
De groote overeenkomst tusschen den Noorschen Orlog en het Grieksche Noodlot, godinnen wier besluiten de goden zelven moesten eerbiedigen, en de even machtige Nornen en Moerae, is te duidelijk om te behoeven vermeld te worden, terwijl de Vanas pendanten zijn van Neptunus en de overige zeegoden. De groote strijd tusschen de Vanas en de Aesir is slechts een andere overlevering van het geschil tusschen Jupiter en Neptunus over de oppermacht in de wereld. Evenals Jupiter zijn broeder noodzaakt zich voor zijn macht te bukken, zoo blijven de Aesir meester van alles, maar willen wel voortgaan met hun macht te deelen met hun overwonnen vijanden, die dus hun bondgenooten en vrienden werden.
Evenals Jupiter wordt Odin altijd beschreven als majestueus en van middelbaren leeftijd, en beide goden gelden als de goddelijke stamvaderen van koninklijk geslacht, want terwijl de Heracliden Jupiter als hun vader opeischten, dachten de Inglingen, Skioldings enz. dat Odin de stichter hunner familiën was. De plechtigste eeden werden gezworen bij Odins speer zoo goed als bij Odins voetschabel, en beide goden hebben een groot aantal namen, die alle de verschillende phasen van hun aard en eeredienst beschrijven.
Odin, evenals Jupiter, bezocht dikwijls de aarde vermomd, om de gastvrijheid der menschen op de proef te stellen, zooals in de geschiedenis van Geirrod en Agna, die aan die van Philemon en Baucis doet denken. De bedoeling was: gastvrijheid aan te bevelen; daarom worden in beide geschiedenissen zij, die zich humaan betoonden, rijkelijk beloond, en in de Noorsche mythen wordt de les versterkt door de bestraffing die Geirrod ontvangt, daar de skalden in poëtische gerechtigheid geloofden en zagen dat deze zorgvuldig werd uitgemeten.
De wedstrijd in scherpzinnigheid tusschen Odin en Vafthrudnir heeft zijn parallel in den muzikalen wedstrijd van Apollo en Marsyas, of in den strijd tusschen Minerva en Arachne, die moest toonen, wie het knapst was. Odin leek verder hierin op Apollo, dat hij ook de god was der welsprekendheid en poëzie en dat hij alle harten kon winnen door zijn goddelijke stem; hij geleek op Mercurius hierin, dat hij de stervelingen het gebruik van de runen leerde, terwijl de Grieksche god het alphabet invoerde.
Mythen, die betrekking hebben op de jaargetijden.
Het verdwijnen van Odin, de zon of den zomer, en de daaruit volgende verlatenheid van Frigga, de aarde, is slechts een andere overlevering van de mythen van Proserpina en Adonis. Als Proserpina en Adonis weg zijn, betreurt de aarde (Ceres of Venus) bitter hun afwezigheid en weigert alle vertroosting. Slechts wanneer zij terugkomen uit hun ballingschap, werpt zij haar rouwkleederen en somberheid af, en dost zich weer in al hare juweelen. Zoo beschreien Frigga en Freya de afwezigheid van hunne echtgenooten Odin en Odur, en blijven hard en koud totdat zij terugkeeren. Odin's vrouw, Saga, de godin der geschiedenis, die toefde bij Sokvabek "den stroom van den tijd en het gebeuren", terwijl zij alles wat zij zagen bewaren, is gelijk aan Clio, de muze der geschiedenis, die Apollo zocht bij de inspireerende bron van den Helicon.
Evenals er volgens Euhemerus een historische Zeus was, in Creta begraven, waar men zijn graf nog kan zien, zoo was er een historische Odin, wiens grafheuvel bij Upsala verrijst, waar de grootste Noorsche tempel eens stond, en waar een machtige eik was, die den beroemden boom van Dodona evenaarde.
Frigga en Juno.
Frigga was, evenals Juno, een verpersoonlijking van den dampkring, de beschermvrouw van het huwelijk, van de echtelijke en moederlijke liefde, en de godin der geboorte. Zij ook was voorgesteld als een schoone, statige vrouw, die genoegen schept in hare sieraden, en haar bijzondere dienstmaagd, Gna, evenaart Iris in de snelheid waarmede zij de bevelen harer meesteres uitvoert. Juno heeft volkomen heerschappij over de wolken, die zij met een beweging van haar hand kon wegvagen, en men gelooft dat Frigga ze weeft uit de draden die zij gesponnen heeft op haar met juweelen bezet spinnewiel.
In de Grieksche mythologie vinden wij vele voorbeelden van de wijzen waarop Juno Jupiter zoekt te bedriegen. Dergelijke verhalen ontbreken in de Noorsche mythen niet. Juno krijgt Io in bezit, trots den tegenstand van haar man, die niet van haar wil scheiden, en Frigga bezorgt slim de overwinning aan de Winilers in de Langobarden Saga. Odin's toorn over Frigga's diefstal van het goud van zijn standbeeld komt overeen met Jupiters mishagen over Juno's jaloezie en haar tusschenbeide komen in den Trojaanschen oorlog. In de geschiedenis van Gefjon en de slimme manier waarop zij land van Gylfi kreeg, om haar koninkrijk Zeeland te vormen, hebben wij een herhaling van de geschiedenis van Dido, die door krijgslist het land machtig werd waarop zij haar stad Carthago bouwde. In beide verhalen komen ossen in het spel, want terwijl in de Noorsche mythen deze sterke beesten het stuk land ver naar zee uitleggen, dient in het andere een ossenhuid, in reepen gesneden, om de schenking der koningin te omsluiten.
Muzikale mythen.
De Rattenvanger van Hamelin, die alle levende wezens door zijn muziek kon aantrekken, komt overeen met Orpheus of Amphion, wier lieren dezelfde kracht hadden; en Odin, als de aanvoerder van de schimmen, is het pendant van Mercurius Psychopompus; beiden verbeelden den wind, op welks vleugelen van het lichaam beroofde zielen, zooals men meende, uit deze sterfelijke sfeer werden weggedreven.
De trouwe Eckhardt, die Tannhäuser gaarne wilde redden en zijn terugkeer wilde voorkomen om zich zelf aan de betoovering der tooveres bloot te stellen, in den Hörselberg, komt overeen met den Griekschen Mentor, die niet alleen Telemachus vergezelde, maar hem ook goeden raad gaf en wijze instructies, en Ulysses uit de handen van Calypso wilde hebben verlost.
Thor en de Grieksche goden.
Thor en de Noorsche dondergod heeft ook vele punten van overeenkomst met Jupiter. Hij voert den hamer Miölnir, het Noorsche symbool van den doodelijken bliksem; en, evenals Jupiter, gebruikt hij hem nog als hij oorlog voert tegen de reuzen. In zijn snellen groei gelijkt Thor op Mercurius, want terwijl de eerste spelenderwijs verscheidene balen ossenhuiden rondwerpt een paar uur na zijn geboorte, steelt de tweede Apollo's ossen, voordat hij één dag oud is. In lichaamskracht gelijkt Thor op Hercules, die ook proeven gaf van ongewone sterkte door de slangen te worgen die gestuurd waren om hem in zijn wieg te vermoorden, en die er later genoegen in had reuzen en monsters aan te vallen en te overwinnen. Hercules werd een vrouw en ging spinnen om Omphale, de Lydische koningin, ter wille te zijn, en Thor deed de kleeren van een vrouw aan om Trym te bezoeken en zijn hamer weerom te halen, die negen roeden onder den grond verborgen was. De hamer, zijn voornaamste attribuut, werd tot vele gewijde doeleinden gebruikt. Hij heiligde den brandstapel der dooden en de huwelijksgebruiken, en grenspalen, die met een hamer waren ingedreven, werden als heilig beschouwd onder de Noorsche volken, evenals de Hermae of standbeelden van Mercurius, op welker verwijdering de doodstraf was gesteld.
Thors vrouw, Sif, met haar weelderig gouden haar, is, zooals wij reeds gezegd hebben, een zinnebeeld van de aarde, en heur haar was haar rijke plantengroei. Loki's diefstal van deze lokken is gelijk aan Pluto's roof van Proserpina. Om de gouden lokken weerom te krijgen, moet Loki de dwergen (Pluto's knechten) bezoeken, terwijl hij kruipt in de lage doorgangen van de onderwereld; zoo moet Mercurius Proserpina zoeken in den Hades.