Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 24

Chapter 243,836 wordsPublic domain

De lange winter liep ten einde, en in de vroege lente richtten de koning en de koningin een jachtpartij aan, waaraan het geheele hof deelnam. Toen de jacht plaats had, maakten zijn vergevorderde jaren het Sigurd Ring onmogelijk door te zetten, en zoo geschiedde het dat hij achter bleef, tot dat hij ten slotte met Frithiof alleen was. Zij reden samen langzaam voort, totdat zij een lieflijk dal bereikten dat den vermoeiden koning tot rusten uitnoodigde, en hij zeide dat hij een oogenblik wilde liggen slapen.

Toen wierp Frithiof af zijn mantel, legde hem op 't gras en zie! Vol vertrouwen lei de koning, nu zijn hoofd op Frithiofs knie Sliep zoo rustig als de held slaapt, is het strijdrumoer geschorst, Op zijn schild, of als het kind slaapt aan de zachte moederborst.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs trouw.

Toen de oude koning dus sliep, zong een vogel voor Frithiof van een boom in de nabijheid en zeide hem dat hij gebruik moest maken van de onmacht van zijn gastheer, om hem te dooden, en de bruid terug te winnen van wie hij zoo schandelijk beroofd was. Maar ofschoon Frithiofs warm jong hart naar zijn verloofde snakte, wierp hij toch de lafhartige gedachte van zich af, maar, bang dat hem de verzoeking te sterk zou worden, trots zijn afschuw van het denkbeeld, gooide hij in een opwelling zijn zwaard ver van zich in een naburig kreupelbosch.

Eenige oogenblikken later opende Sigurd Ring zijn oogen en zeide Frithiof dat hij zich slechts had gehouden alsof hij sliep; hij vertelde hem ook dat hij hem van het eerste oogenblik af had herkend en hem op allerlei wijze op de proef gesteld had en bevonden had dat zijn eer gelijk was aan zijn moed. De ouderdom was hem nu te machtig geworden en hij voelde dat de dood naderde. Frithiof zou dus mogen hopen dat zijn liefste verwachting binnenkort zou verwezenlijkt worden, en Sigurd Ring zeide hem dat hij gelukkig zou sterven als hij tot het einde toe bij hem bleef.

Maar een ander gevoel had Frithiof overmeesterd, en hij vertelde den ouden koning dat hij overtuigd was dat Ingeborg nooit de zijne kon zijn wegens den toorn van Balder. Te lang was hij gebleven; hij wilde opnieuw op zee gaan en den dood in den strijd zoeken om zoo de vertoornde goden te verzoenen. Vol van dit plan maakte hij spoedig toebereidselen om te vertrekken, maar toen hij naar het hof terugkeerde om zijn vorstelijken gastheer en zijn gastvrouw vaarwel te zeggen vond hij Sigurd Ring stervende. De oude krijgsman herinnerde zich dat een "strooien dood" Odin niet gunstig zou stemmen, en in tegenwoordigheid van Frithiof en zijn hof sneed hij moedig de doodsrunen op zijn arm en zijn borst. Toen greep hij Ingeborg met de ééne hand vast en hief de andere op om Frithiof en zijn jeugdigen zoon te zegenen, en verscheidde in vrede, naar de hallen der gezaligden.

Goden, ik groet u! Zonen van Valhalla! D'aarde verdwijnt; tot der Asenen feest Roept mij de Giallar-hoorn; Zaligheid, als een Helm van goud, omringt den gast die kome!

Tegnér, Frithiof-sage.

Verloving van Frithiof en Ingeborg.

De krijgslieden van de natie vergaderden nu in een plechtig Thing om een troonopvolger te kiezen. Frithiof had de geestdriftige bewondering van het volk gewonnen, en zij zouden hem gaarne tot koning hebben gekozen; maar hij hief Sigurd Rings zoontje hoog op zijn schild toen hij het geschreeuw hoorde dat zijn naam riep, en stelde het kind aan de vergadering voor als hun aanstaanden koning, openlijk zwerend dat hij hem zou ondersteunen totdat hij oud genoeg was om het gebied te verdedigen. De knaap, moe van zijn lastige positie, sprong stoutmoedig op den grond toen Frithiof zijn rede had geëindigd en kwam op zijn voeten te land. Deze daad van behendigheid en durf in een zóó jong persoon trof de ruwe Noren, en een luid geroep ging omhoog. "Wij kiezen u, op het schild gedragen kind!"

Maar zie, gebeurd op schild zat daar Het knaapje trotsch, Zoo tuurt in zon een adelaar Uit wolk om rots.

Maar dan zijn rust'loos bloed bevond 't Hier zijn te lang, En met één sprong zocht hij den grond, Vlug en niet bang.

Tegnér, Frithiof-sage.

Volgens sommige berichten oorloogde Frithiof nu met de broeders van Ingeborg, en, na hen overwonnen te hebben, stond hij hen toe hun rijk te behouden mits zij hem een jaarlijksche schatting betaalden. Vervolgens bleven hij en Ingeborg in Ringric totdat de jonge koning in staat was de regeering te aanvaarden, waarop zij naar Hordaland vertrokken, een rijk dat Frithiof eens door verovering had verkregen, en dat hij aan zijn zonen Gungthiof en Hunthiof overliet.

De afloop van Bisschop Tegnérs verhaal is echter heel anders, en, indien het minder schijnt te passen bij den ruwen aard van de onbeschaafde zeerooverstijden, maken zijn hoogere geestelijke eigenschappen het meer aanlokkelijk. Volgens Tegnérs gedicht werd Frithiof door het volk van Sigurd Ring aangevuurd om Ingeborg te huwen en onder hen als bewaker van het land te blijven. Maar hij antwoordde dat dit niet kon, daar de toorn van Balder nog tegen hem gloeide, en niemand hem zijn geliefde bruid kon geven. Hij zeide het volk, dat hij over de zeeën wilde varen en wilde zoeken om vergiffenis van den god te krijgen, en kort daarop nam hij afscheid en dreef de wind opnieuw zijn schip voort. Frithiofs eerste bezoek werd gebracht aan den grafheuvel van zijn vader, waar hij, gedompeld in zwaarmoedigheid door de verlatenheid rondom, zijn ziel uitstortte voor den beleedigden god. Hij herinnerde zich dat het de gewoonte was van de Noormannen geld te eischen voor gedoode verwanten, en zeker zouden de zalige goden niet minder vergevend zijn dan de op aarde geborenen. Hartstochtelijk bezwoer hij Balder hem te toonen hoe hij zijn niet bedoelde vergrijp zou kunnen goedmaken, en plotseling werd hem een antwoord vergund en Frithiof zag in de wolken een visioen van een nieuwen tempel.

Daar plotseling, op het westelijk water zwevend Komt aan een Beeld, in goud en vlammen levend, Het zweeft op Balders bosch, nachtwolken onder, Als gouden kroon rust op een bed van groen. Straks staat het vast, met boog en muur en drempel, Waar Balder stond is nu een nieuwe tempel.

Tegnér, Frithiof-sage.

De held begreep onmiddellijk, dat de goden dus een middel tot verzoening hadden aangegeven, en hij zag op tegen kosten noch moeite, totdat een prachtige tempel en bosch, die verre de pracht van het oude heiligdom te boven gingen, uit de bouwvallen oprees.

Voltooid was Balders heiligdom, Geen palissade stond rondom Nu meer van hout, Een ijzeren hekwerk, punten goud, Schooner en sterker dan voorheen In evenwicht verscheen Om Balders heilig huis. Een lange stoet Geharnasten die speren schitt'ren doet. En helmen 't zonlicht--dus in pracht Blonk in het heilig woud de fiere wacht.

En van graniet, met groote zorg bedocht Een stoute kunst, was 't machtig werk gewrocht, En zooals reuzenhallen, Die tijden niet doen vallen, Rees 't op--lijk Upsals tempel, waar het Noord Valhall verbeeld zag in dit wereldsch oord.

Trotsch stond het dan op bergkant, zijn profiel Werd kalm gespiegeld in de klare zee, Rondom--gelijk een bloemengordel schoon, Ging Balders Dal, met boschjes vol muziek En teere vogelzangen, Vreeverblijf.

Tegnér, Frithiof-sage.

Ondertusschen was, toen het hout gehakt werd, koning Helgé afwezig op een tocht door het Finsche gebergte. Op zekeren dag gebeurde het, dat zijn troep een rots passeerde, waar het eenzame heiligdom stond van een vergeten god, en koning Helgé bestormde de rotsspits met het doel om den bouwvalligen muur om te halen. Het slot bood weerstand, en toen Helgé sterk trok aan de vermolmde poort, viel plotseling een gehouwen beeld van den god, die ruw uit zijn langen slaap gewekt was, van zijn nis naar beneden.

Zwaar kwam hij op het hoofd van den indringer neer, en Helgé viel lang uit op den rotsgrond en lag bewegingloos.

Toen de tempel naar behooren aan Balders dienst werd gewijd, stond Frithiof bij het altaar om de komst van zijn bruid af te wachten. Maar Halfdan kwam eerst over den drempel, terwijl zijn wankelende tred duidelijk toonde, dat hij een onvriendelijke ontvangst verwachtte. Toen Frithiof dit zag, gespte hij zijn zwaard los en stapte vrijmoedig op Halfdan toe met uitgestrekte hand, waarop de koning, met hoogen blos, de toegestoken hand hartelijk aannam, en van dat oogenblik af waren alle geschillen vergeten. Het volgende oogenblik kwam Ingeborg, en de hernieuwde vriendschap van de langgescheiden vrienden werd bekrachtigd door de hand van de bruid, die Halfdan in die van zijn nieuwen broeder legde.

Over den koop'ren drempel nu Halfdan schuw Kwam met angstigen blik en bleek, Schuin naar zijn machtigen vijand keek, En zwijgend op eenigen afstand stond Toen Frithiof, en zijn hand ontbond Angurvadel, den sterke, van zijn dij, Zijn gouden schild wierp hij ter zij; Op zijn vijand, bang, Trekt hij los met woord en waardigen gang, "Het edelst in 't gevecht is hij Die 't eerst zijn rechter biedt En versmaadt de trouwe verbroed'ring niet". Dan Halfdan, blozend, doet heel haastig uit Zijn ijz'ren handschoen, en zijn hand omsluit Die van den vriend, te lang gescheiden, Nu staan als bergen vast zij beiden.

En eindlijk woorden diep Weerklinken er van zegen en van roem, Zie! Ingeborg treedt binnen, rijk gesierd Met bruidstooi en het slanke lijf gehuld In kostlijk hermelijn, haar volgen stil Meisjes met klaar gelaat, zooals den maanvorst Verzellen sterrenstoeten aan de lucht! Doch d' oogen van de bruid, Twee heem'len blauw, Met tranen zijn gevuld, En aan haars broeders hart zinkt neer zij bevend; Hij, door zijn zusters rouw Ontroerd, haar hand aan die van Frithiof gevend. Legt aan zijn heldenborst den lieven last, Beproefde trouw is dat wat Ingeborg past.

Tegnér, Frithiof-sage.

HOOFDSTUK XXVIII: DE GODENSCHEMERING.

Het verhaal van de goden.

Een van de kenmerkende trekken van de Noorsche mythologie is dat het volk steeds geloofde dat hun goden tot een vergankelijk ras behoorden. De Aesir hadden een begin gehad; dus, redeneerde men, moeten zij een einde nemen; en daar zij geboren werden uit een mengsel van goddelijke elementen en van elementen der reuzen, en dus onvolmaakt waren, droegen zij de kiem des doods in zich en waren als de menschen veroordeeld den natuurlijken dood te ondergaan, teneinde geestelijke onsterfelijkheid te verkrijgen.

Het geheele schema van de Noorsche mythologie was dus een drama, waarvan elke stap gaandeweg leidde tot het toppunt of het tragisch einde, als, met echt dichterlijke rechtvaardigheid, straf en loon onpartijdig werden uitgedeeld. In de vorige hoofdstukken zijn de langzame opkomst en het verval der goden zorgvuldig vermeld. Wij hebben verhaald, hoe de Aesir de aanwezigheid van het kwaad, in Loki verpersoonlijkt, in hun midden duldden; hoe zij zwak zijn raad volgden, toestonden dat hij hen in allerlei soorten van moeilijkheden bracht, waaruit zij slechts ten koste van hun deugd of vrede konden ontkomen, en eindelijk hem veroorloofden zulk een macht over hen te krijgen, dat hij niet schroomde hen van hun liefste bezit, zuiverheid of onschuld, gepersonifieerd in Balder den goeden, te berooven.

Te laat bemerkten de goden hoe slecht deze geest was die een verblijf onder hen had gevonden, en te laat verbanden zij Loki naar de aarde, waar de menschen, volgend het voorbeeld van de goden, naar zijn lessen luisterden en bedorven werden door zijn noodlottigen invloed.

Broed'ren slaan broed'ren; Zusterskind'ren Storten elkaars bloed, Vleeschlijk kwaad neemt toe, Het zijn zwaardtijden, akstijden; Schilden klieft men door, Stormtijden, moordtijden Tot de wereld sterft, En niemand meelij voelt Meer voor zijn nevenmensch.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De Fimbul-winter.

Ziende dat de misdaad tierde en al het goede van de aarde verbannen was, bedachten de goden dat de van oudsher gedane voorspellingen op het punt waren in vervulling te treden, en dat de schaduw van Ragnarok, de schemering der goden, reeds over hen was. Sol en Mani werden bleek van schrik, en stuurden hunne wagens bevend langs de paden die zij moesten gaan, terwijl zij bevreesd omkeken naar de hen achtervolgende wolven, die hen spoedig zouden inhalen en verslinden; en toen hun glimlach verdween, werd de aarde droevig en koud, en de vreeslijke Fimbul-winter begon. Toen viel er sneeuw uit de vier windstreken tegelijk, de scherpe winden joegen aan van het noorden en de geheele aarde was met een dikke laag ijs bedekt.

De strenge Fimbul woedde en bracht Op aard veel storm en sneeuwjacht, De zee sloeg schotsen kort en klein En wierp het ijsschuim, tot waar zijn De bergen hoog; Geen zoelte toog, Geen lichtglans, zij het nog zoo flauw. Temp'rend den nacht van vorst en kou.

Valhalla (J. C. Jones).

Deze strenge winter duurde drie volle seizoenen zonder tusschenpoozen en werd gevolgd door drie andere, even streng, waarin alle vreugde van de wereld wegging en de misdaden der menschen met vreeslijke snelheid toenamen, terwijl in den algemeenen strijd voor het leven, de laatste gevoelens van menschelijkheid en mededoogen verdwenen.

De wolven losgelaten.

In de donkere hoeken van het IJzerbosch voedde de reuzin Iarnsaxa of Angur-boda nauwgezet de wolven Hati, Sköll en Managarm, het kroost van Fenris, met het merg van moordenaars en de beenderen van echtbrekers; en zóóveel kwamen deze lage misdaden voor, dat de schier onverzadelijke monsters nooit gebrek aan voedsel hadden. Zij wonnen dagelijks aan kracht om Sol en Mani te vervolgen, en haalden hen eindelijk in en verscheurden hen terwijl zij de aarde overstroomden met bloed uit hun druipende muilen.

Zij zat in het Oosten, die oude Jarnrid, En zij voedd' er de kinderen, geboren uit Fenrir; Hij zal zijn het schrikkelijkst van al, hij, Die, onder den vorm van een monster, zal verzwelgen de maan.

Voluspa.

Bij dit vreeselijk onheil trilde en schokte de geheele aarde, de sterren, ontsteld, vielen van hunne plaatsen, en Loki, Fenris en Germ, hun pogingen vernieuwend, rukten hun keten van elkander en stormden aan om wraak te nemen. Op hetzelfde oogenblik knaagde de draak Nidhug den wortel van den esch Yggdrasil door, die tot aan zijn bovensten top sidderde; de roode haan Fialar, zwevend boven Valhalla, kraaide luid alarm, wat onmiddellijk beantwoord werd door Gullin-kambi, den huishaan in Midgard en door Hels donkerrooden vogel in Niflheim.

De haan met gouden kam Riep luid te wapen allen in 't Valhal; De haan, bloedrood, roept even fel bijeen Die zijn op aard en ook er onder.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson.)

Heimdall geeft het sein.

Heimdall, deze voorzeggende teekenen bespeurend en hoorend den schrillen kreet van den haan, bracht onmiddellijk den Giallar-hoorn aan zijn lippen en blies den langverwachten klank, die door de wereld werd gehoord. Bij het eerste klinken van verzamelen sprongen Aesir en Einheriar van hun gouden bedden op en stormden dapper uit de groote hal, gewapend tot den aanstaanden slag, en, bestijgend hun ongeduldige paarden, galloppeerden zij over de sidderende regenboogbrug naar het wijde veld Vigrid, waar, zooals Vafthrudnir lang te voren voorspeld had, de laatste slag moest plaats hebben.

De verschrikkingen van de zee.

De vreeselijke Midgardslang Iörmungandr werd door de algemeene beweging gewekt, en met ontzaglijke kronkelingen en trekkingen, waardoor de zeeën tot zóó hooge golven werden opgezweept als vroeger nooit de diepte van den oceaan ontrust hadden, kroop hij op het land en haastte zich om aan den vreeslijken strijd mede te doen, waarin hij een hoofdrol zou spelen.

In reuzenbocht de slang lag neer Diep in de zee, tot, vrij van boei, Hij oprees op het schuimgeloei; Onder de zwieping van zijn staart Zwol water, bergenhoog, op 't land. Toen ijlend wild dwars door het diep Stortend zijn bloedig schuim in vaart, Als hagel, aad'mend giftig fel Doodlijken nevel over d' aard, Zocht hij door branding heen het strand.

Valhalla (J. C. Jones).

Een van de golven, door Iörmungandr's bewegingen opgezet, maakte Nagilfar vlot, het noodlottig schip, dat enkel gemaakt was uit de nagels van die doode menschen, wier verwanten, door de eeuwen heen, hun plicht verzuimd hadden om de nagels der overledenen te knippen eer zij ter ruste werden gelegd. Nauwelijks was dit schip vlot, of Loki ging er op met de vurige bende van Muspells-heim en stuurde het stout over de stormachtige wateren naar de plaats van het gevecht.

Dit was niet het eenige schip echter dat naar Vigrid koers zette, want uit een dikke mistbank noordwaarts kwam een ander schip, bestuurd door Hrym, waarin al de vorstreuzen waren, tot de tanden gewapend en zich verheugend in den strijd tegen de Aesir, die zij altijd hadden gehaat.

De verschrikkingen van de Onderwereld.

Terzelfder tijd kroop Hel, de godin van den dood, door een spleet van de aarde uit haar huis onder den grond, op den voet gevolgd door den Hellehond Garm, den boosdoener van haar vreugdeloos gebied, en den draak Nidhug, die over het slagveld vloog terwijl hij lijken op zijn schouders droeg. Zoodra hij landde, heette Loki deze versterkingen met vreugde welkom en, zich aan het hoofd plaatsend, marcheerde hij met hen ten gevecht.

Plotseling werd de lucht in tweeën gescheurd en door de vurige bres reed Surtr met zijn vlammend zwaard, gevolgd door zijn zonen; en toen zij over de brug Bifröst reden, met het plan om Asgard te bestormen, viel de roemrijke boog met gekraak onder den tred hunner paarden in.

Door het gebied der lucht, In blinkend staal, geducht, En in slagorden rijk; Ging het, wijl heet gevlam Uit snelle hoeven kwam, Voerend zijn stoet vol glans reed Surtur Tusschen de stroomen woedend vuur.

Valhalla (J. C. Jones.)

De goden wisten zeker dat hun einde nu nabij was en dat hun zwakheid en gebrek aan voorzorg hen in een zeer nadeeligen toestand hadden gebracht, want Odin had slechts één oog, Tyr slechts één hand, en Frey enkel één hertshoorn om zich daarmede te verdedigen, in plaats van zijn onverwinlijk zwaard. Niettemin lieten de Aesir geen wanhoop blijken, maar, als echte slaggoden van het Noorden, trokken zij hun rijkste kleeding aan, en reden vroolijk naar het slagveld, besloten hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.

Terwijl zij dus hunne krachten monsterden, reed Odin nog eens naar de Urdarfontein, waar, onder den nedervallenden Yggdrasil, de Nornen zaten met gesluierde aangezichten en hardnekkig zwijgend, terwijl haar weefsels verscheurd aan hare voeten lagen. Nog eenmaal fluisterde de vader der goden een geheimzinnige mededeeling aan Minir toe, waarop hij Sleipnir besteeg en met den wachtenden troep meeging.

Het groote gevecht.

De strijders waren nu samen op Vigrids breede vlakte. Aan den eenen kant waren de fiere, kalme gezichten der Aesir, Vanas en Einheriar gerangschikt; terwijl aan den anderen kant vereenigd waren de bonte troep van Surtr, de grimmige vorstreuzen, het bleeke leger van Hel, en Loki en zijn verschrikkelijk gevolg, Garm, Fenris en Iörmungandr, terwijl de beide laatsten vuur en rook braakten en wolken uitademden van schadelijke, doodelijke dampen, die den geheelen hemel en de geheele aarde met hun giftigen adem vervulden.

De jaren gaan, Geslachten vlieden, eeuwen worden oud, 't Brengt als ons nader tot den lesten dag, Als uit het Zuid de vurige stoet marcheert En overschrijdt de brug, Loki als gids, En Fenris volgend met gebroken boei, Terwijl van 't oost de groote Rymer komt En stuurt zijn schip en landen doet de slang; En allen worden op het hemelveld Gevoerd tegen de goden in carré.

Balder Dood (Matthew Arnold.)

Al het verborgen antagonisme van eeuwen werd nu ontbonden in een stroom van haat, terwijl ieder lid van de tegenover elkander staande legers met grimmige vastberadenheid vocht, zooals onze voorouders van ouds deden, hand tegen hand, en van aangezicht tot aangezicht. Met een hevigen schok, die gehoord werd boven het krijgsrumoer uit dat het heelal vervulde, kwamen Odin en de Fenriswolf in geweldige aanraking, terwijl Thor de Midgardslang aanviel, en Tyr handgemeen werd met den hond Garm. Frey vocht met Surtr, Heimdall met Loki, dien hij vroeger reeds verslagen had, en de rest van de goden en al de Einheriar vonden vijanden die hun dapperheid waard waren. Maar trots hun dagelijksche oefening in de hemelsche stad, was Valhalla's schare veroordeeld om te komen, en Odin was onder de eersten der blinkenden die vallen moest. Zelfs de groote moed en de machtige eigenschappen van Alvader konden het getij van het kwaad dat in den Fenriswolf verpersoonlijkt was, niet weerstaan. Elk volgend oogenblik van den strijd nam zijn kolossale gestalte groote afmetingen aan, totdat ten slotte zijn wijdgeopende kaken de gansche ruimte tusschen hemel en aarde omvatten en het vreeslijk monster aanstormde op den vader van de goden en hem in levenden lijve met zijn verschrikkelijken muil verzwolg.

Fenrir zal met fellen tand Aller eeuwen heer verslaan; Vithar zal zijn wreker zijn, En, vechtend met den ruigen wolf, Klieven zijn bebloeden muil.

Vafthrudni's-mal.

Geen van de goden kon Alvader een helpende hand bieden op het kritieke oogenblik, want het was voor allen een moeilijke tijd. Frey deed heldhaftige pogingen, maar Surtr's vlammend zwaard bracht hem een doodelijken slag toe. In zijn strijd met den aartsvijand Loki ging het Heimdall beter, maar zijn laatste overwinning werd duur gekocht, want ook hij viel dood. De strijd tusschen Tyr en Garm had hetzelfde tragische einde, en Thor, na een allerverschrikkelijkst gevecht met de Midgardslang, en na hem met een slag van Miölnir te hebben neergeslagen, deinsde negen stappen terug en verdronk in den stroom vergif die uit de kaken van het stervende monster kwam.

Odins zoon gaat Met het monster ten strijde, Midgard's Veor in toorn Wil dooden den draak, Negen voeten treedt Fiorgyns zoon, Door de slang gebogen Die geen vijand vreesde.

Saemunds Edda.

Vidar kwam nu aansnellen van een verwijderd deel der vlakte om den dood van zijn machtigen heer te wreken, en de voorspelde vloek trof Fenris, wiens onderkaak nu den slag van dien schoen voelde die voor dezen dag bewaard was. Op hetzelfde oogenblik greep Vidar de bovenkaak van het monster met zijn handen, en scheurde hem met een vreeslijken ruk in tweeën.

Het verslindende vuur.

De andere goden die deelnamen aan het gevecht, en al de Einheriar waren nu gevallen, en Surtr wierp nu plotseling zijn vurige donders over hemel, aarde en de negen rijken der Hel. De woedende vlammen omringden den zwaren stam van den wereldsche Yggdrasil, en bereikten de gouden paleizen der goden die geheel verteerd werden. De plantengroei op aarde werd eveneens vernietigd en de brandende hitte deed al de wateren zieden en koken.

Vuuraâm valt aan Den alvoedenden boom, Stijgend vuur speelt Naar de lucht zelfs toe.

Saemunds Edda.

De groote brand woedde verschrikkelijk totdat alles verteerd was, toen de aarde, zwart en gewond, onder de kokende golven der zee wegzonk. Ragnarok was inderdaad gekomen, de tragedie der wereld was voorbij, de goddelijke spelers waren gedood en de chaos scheen haar vroegere heerschappij herwonnen te hebben. Maar evenals in een tooneelstuk, nadat de hoofdpersonen vermoord zijn en het gordijn is gevallen, de aanwezigen nog verwachten dat de gunstelingen verschijnen en een buiging maken, zoo meenden de oude Noorsche volken dat als alles in Surtr's vlammen was omgekomen, uit de algemeene ruïne de goedheid zou oprijzen, om hare heerschappij over de aarde te hernemen, en dat sommige goden zouden terugkeeren en voor eeuwig in den hemel zouden wonen.