Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 23

Chapter 233,854 wordsPublic domain

Na zijn vertrek kwamen boden van Sigurd Ring, den onderkoning van Ringric, in Noorwegen, die, na zijn vrouw verloren te hebben, naar Helgé en Halfdan zond om Ingeborgs hand te vragen. Voordat hij dezen koninklijken pretendent antwoord gaf, raadpleegde Helgé de Vala, of profetes, en de priesters, die allen zeiden dat de voorteekenen het huwelijk niet gunstig waren. Hierop riep Helgé zijn volk bijeen om het woord te hooren dat de boden hun meesters moesten brengen, maar koning Halfdan gaf, jammer genoeg, toe aan zijn schalkschen zin, en maakte spottend een toespeling op den gevorderden leeftijd van den koninklijken pretendent. Deze onhoffelijke woorden werden koning Ring overgebracht en beleedigde hem zóó, dat hij onmiddellijk een leger verzamelde en zich gereed maakte om tegen de koningen van Sogn op te trekken ten einde de beleediging met zijn zwaard te wreken. Toen het gerucht van zijn nadering de laffe broeders bereikte, werden zij bang en, vreezende den vijand zonder bijstand van anderen te ontmoeten, zonden zij Hilding tot Frithiof om zijn hulp te vragen.

Hilding vond Frithiof aan het schaakspelen met Björn en bracht dadelijk zijn boodschap over.

Van Belé's erven spoed 'k me voort Tot u met vragend, hoflijk woord, Zij zijn door dreigend nieuws ontsteld; Op u de hoop van gansch een volk.

In Balders tempel, prooi van zorg, Treurt dag op dag zoet' Ingeborg: Zeg, mag zij weenen ongetroost Terwijl haar ridder hoort noch komt?

Tegnér, Frithiof-sage.

Toen de oude man aan het spreken was, ging Frithiof door met spelen, terwijl hij er telkens een raadselachtige toespeling op het spel tusschen wierp, totdat hij, aan dit punt gekomen, zeide:

Björn wil vergeefs mijn koningin Die 'k sinds mijn kindsheid 't meest bemin! Z' is in mijn spel mijn liefste stuk, Kome wat wil--haar houd ik toch!

Tegnér, Frithiof-sage.

Hilding verstond zulk een wijze van antwoorden niet, en berispte Frithiof ten slotte wegens zijn onverschilligheid. Toen stond Frithiof op en, vriendelijk de hand van den ouden man drukkend, zeide hij hem, dat hij den koning moest mededeelen dat hij te diep beleedigd was om aan hun roep gehoor te geven.

Helgé en Halfdan, dus genoodzaakt te vechten zonder hun dappersten leider, sloten liever een verdrag met Sigurd Ring, en zij kwamen overeen dat zij hem niet alleen hun zuster Ingeborg zouden geven, maar ook een jaarlijksche belasting.

Bij Balders Heiligdom.

Terwijl zij dus bezig waren op Soyn Sound, haastte Frithiof zich naar Balders tempel waarheen Ingeborg veiligheidshalve gezonden was, en waar, zooals Hilding had gezegd, hij haar ten prooi vond aan het verdriet. Ofschoon het nu als een ontheiliging van den tempel werd beschouwd als een man en vrouw een woord in het heiligdom wisselden, kon Frithiof niet nalaten haar te troosten; en al het andere vergetende, sprak hij tot haar en kalmeerde haar, terwijl hij al hare gedachten dat de goden toornig zouden zijn tot rust bracht door haar te verzekeren dat Balder, de goede, hun ontschuldigen hartstocht met goedkeurende blikken moest aanzien, want een zoo zuivere liefde als de hunne kon geen tempel ontheiligen; en zij eindigden met hun trouw te bezweren op de meest gewijde plek.

Gij fluistert: "Balder"--vreest zijn woede, Die eed'le god kent toorn noch haat, Wij eeren hier een minnaar, goede, Zijn dienst in onzer harten staat. De god wiens glans 't van zon moet winnen, Wiens trouw houdt eeuwigheden stand, Was niet voor Nanna door zijn minnen, Zoo zuiver, zoo tot gloed ontbrand?

Zie hier zijn beeld, vol groot gelijken, Hoe mild, hoe zacht straalt zijn gezicht, Een offer kon ik hier hem reiken, Een hart, waar warme liefd' in licht, Kom, kniel met mij, geen altaargave, Is Balders ziel meer wellekom, Dan twee die met haar woorden staven Weerkeerige trouw in 't heiligdom.

Tegnér, Frithiof-sage.

Gerustgesteld door deze redeneering, die versterkt werd door de stem, welke luide uit haar eigen hart sprak, kon Ingeborg niet weigeren Frithiof te zien en met hem te spreken. Tijdens de afwezigheid der koningen spraken de jonge minnenden elkander dagelijks, en zij wisselden teekenen van liefde, terwijl Frithiof aan Ingeborg Völunds armring gaf, dien zij--zoo beloofde zij plechtig--aan haar minnaar zou terugsturen als zij gedwongen zou worden haar belofte om voor hem alleen te leven, zou breken. Frithiof toefde te Framnäs totdat de koningen terugkwamen, toen hij toegevend aan de zachte overredingen van Ingeborg de Schoone weer voor haar verscheen en beloofde hen van haar afhankelijkheid van Sigurd Ring te zullen bevrijden, als zij slechts op hun besluit wilden terugkomen en hem de hand hunner zuster beloven.

Strijd wacht en slaat Zijn schittrend schild nu in uw rijksgebied; Uw land, vorst Helgé, is in slavernij Maar geef m' uw zuster, en ik leen mijn arm Tot uwe hulp. Zij komt u goed te pas. Kom, laat de twist van ons nu zijn vergeten, 'k Voed die ongaarne tegen Ingborgs broeder, Laat raden u, wees wijs, en red meteen Uw gouden kroon en 't lieve zusterhart Hier is mijn hand, ik zweer bij Asa-Thor, Dat nooit ik weer ze tot verzoening strek.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof verbannen.

Maar ofschoon dit aanbod onder toejuiching van de verzamelde krijgers werd ontvangen, vroeg Helgé boos aan Frithiof of hij met Ingeborg had gesproken en zoo Balders tempel had ontheiligd.

Een geroep van "Zeg neen, Frithiof! zeg neen!" brak los uit den kring van helden, maar hij antwoordde fier: "Ik zou niet liegen als ik Valhalla er mede beërven kon. Ik heb gesproken tot uw zuster, Helgé, toch heb ik Balder's vrede niet verstoord."

Een gemompel van afgrijzen doorliep de rijen bij deze bekentenis, en toen de ruwe stem van Helgé zich tot het vonnis verhief, was er niemand die de rechtvaardigheid van de uitspraak loochende.

Deze was schijnbaar niet hard, maar Helgé wist zeer goed dat zij den dood beteekende en dit was zijn bedoeling.

Ver westelijk lagen de Orkney-eilanden, geregeerd door Jarl Angantyr, wiens jaarlijksche belasting aan Belé niet inkwam nu de oude koning in zijn graf lag. Men zeide dat hij een harde vuist had en zwaar van hand was, en aan Frithiof werd de taak opgedragen in persoon van hem de schatting te eischen.

Voordat hij uittoog op den tocht waartoe hij veroordeeld was, zocht hij echter nog eens Ingeborg op, en smeekte haar met hem te ontvluchten naar het zonnige Zuiden, waar haar geluk ook het zijne zoude zijn en waar zij zou regeeren over zijn onderdanen als zijn geëerbiedigde vrouw. Maar Ingeborg weigerde bedroefd met hem mee te gaan, zeggende, dat sedert haar vader er niet meer was, zij onvoorwaardelijk aan hare broeders moest gehoorzamen en niet kon huwen zonder hun toestemming.

De vurige geest van Frithiof was eerst ongeduldig omdat zijn hoop was teleurgesteld, maar ten slotte zegevierde zijn edele natuur, en na een hartverscheurend afscheidstooneel scheepte hij zich in op de Ellida en zeilde bedroefd de haven uit, terwijl Ingeborg, door een nevel van tranen, het zeil nastaarde toen het flauwer werd en in de verte verdween.

Het schip was geheel uit het gezicht, toen Helgé om twee heksen, Heid en Ham, zond, die hij beval door tooverbezweringen een storm op zee te verwekken, waarin zelfs het goddelijke schip Ellida het niet zou kunnen uithouden, zoodat allen aan boord zouden omkomen. De heksen gehoorzaamden onmiddellijk; en met behulp van Helgé verwekten zij weldra een storm welks woede ongeëvenaard is in de geschiedenis.

Helgé op 't strand Doet zijn tooverspel, Heeft hen in zijn hand, Duiv'len van de hel. Duisternis omwolkt de lucht, Hoor, de donder rolt verwoed, Bleeke bliksem waar hij vlucht Tint de grauwe zee met bloed. De oceaan die kookt en ziedt, Spreidt z'n schuim in wild gebruis, Gillend of met snelheid vliedt Vooglen vlucht naar veilig thuis.

Tegnér, Frithiof-sage.

Dan de storm schiet aan, gevleugeld, Wilder, wilder, drukt hen neer, Nu in diep, dan, onbeteugeld, Heft hen tot der goden sfeer; Elke schrikgeest vaart nu dreigend Op de torenhooge zee Uit de golven, wentlend, stijgend Bodemloos, een graf van wee.

Tegnér, Frithiof-sage.

De Storm.

Onbeangst door de kokende golven en gierende winden zong Frithiof een vroolijk lied om zijn verschrikt scheepsvolk te kalmeeren; maar toen het gevaar zóó groot werd dat zijn uitgeputte makkers zich verloren waanden, dacht hij aan de schatting van de godin Ran, die altijd goud vraagt van hen, die in vrede onder de zeegolven zullen rusten. Hij nam zijn armband en hieuw hem met zijn zwaard doormidden en verdeelde hem in gelijke stukken onder zijn mannen.

Wie met leege handen Gaat tot blauwe Ran? Kil zijn hare kussen, Vloeiend haar omarming.

Tegnér, Frithiof-sage.

Hij beval Björn toen het roer te houden, en zelf klom hij boven in den mast om den horizon te zien. Toen hij daar zat onderscheidde hij een walvisch waarop de twee heksen den storm beheerschten. Sprekend tot zijn goed schip, dat begaafd was met verstand en zijn bevelen kon gehoorzamen, overviel hij nu beiden, walvisch en heksen, en de zee werd rood gekleurd met hun bloed. Op hetzelfde oogenblik ging de wind liggen, de golven hielden op te dreigen, en mooi weer lachte weder over het water.

Uitgeput door hun voorafgaande bovenmenschelijke pogingen en door de inspanning die het uitscheppen van hun met water vol geloopen vaartuig hun kostte, waren de mannen te zwak om te landen, toen zij ten slotte de Orkney-eilanden bereikten, en moesten aan de kust worden gebracht door Björn en Frithiof, die hen zacht op het zand legden en zeiden dat zij moesten uitrusten en zich verfrisschen na al den nood dien zij hadden doorstaan.

Toch nog moeier dan hun Draakschip Wank'len Frithiofs mannen aan, Steunt ook ieder op zijn wapen Nauwlijks kan hij rechtop staan. Björn op sterke schouders waagt het Vier te beuren op het strand. Frithiof neemt er acht en draagt ze Waar het vuur reeds lustig brandt.

Neen, schaamt u niet, gij bleeken! Want golven zijn als Vikings, Zwaar is d' oneven strijd, Zeedochters haten ons. Zie, daar komt de drinkhoorn, Gaand' op gouden voet, Verwarmt u, koude zeelui, Ik drink op Ingeborg.

Tegnér, Frithiof-sage.

De komst van Frithiof en zijn mannen, en hun manier van landen, werd opgemerkt door den wachter van Angantyr, die dadelijk zijn meester meedeelde alles wat hij gezien had. De vorst riep dat het schip, hetwelk zulk een storm doorstaan had, enkel Ellida kon zijn en dat zijn kapitein zonder twijfel Frithiof was, de dappere zoon van Thorsten. Toen hij dit hoorde nam een van zijn Berserkers, Atlé, zijn wapens en schreed uit de hal, zeggende dat hij Frithiof wilde uitdagen, en dus zich zelf voldoening wilde verschaffen in zake de waarheid van de verhalen, die hij aangaande den moed van den jongen held had gehoord.

Atlé's uitdaging.

Ofschoon nog zeer uitgeput nam Frithiof onmiddellijk Atlé's uitdaging aan, en na een hevig zwaar gevecht, waarin Angurvadel overwon, vochten de twee kampioenen in doodelijke omarming. Wijd en zijd is die worsteling in het Noorden beroemd, en de helden waren beide goede partijen, maar ten slotte wierp Frithiof zijn tegenstander neer, dien hij toen en daar ter plaatste zou gedood hebben als zijn zwaard binnen zijn bereik was geweest. Atlé zag zijn bedoeling en verzocht hem het wapen te gaan halen, terwijl hij beloofde dat hij onbewegelijk zou blijven gedurende zijn afwezigheid. Daar Frithiof wist dat zulk een belofte van een held onschendbaar was, gehoorzaamde hij onmiddellijk; maar toen hij met zijn zwaard terugkwam en zijn tegenpartij rustig den dood vond afwachten, werd hij getroffen en verzocht Atlé op te staan en te leven.

"Nu stormen zonder beven "Als baren held op held "En slaan met staal omgeven "Hun borsten met geweld."

"Zij vechten als hun beren "Op sneeuwland, fel verwoed, "En als twee aad'laars weren "Zich boven wilden vloed. "Zelfs hechte rotsen zouden "Hen nauwelijks weerstaan, "De sterkste eik der wouden "Viel vast voor minder slaan "Hun zweet vloeit neer in stroomen, "Hun borsten zwoegen wild; "Ook krijgen steenen, boomen "Den slag van speer die trilt."

Tegnér, Frithiof-sage.

Samen gingen nu de gekalmeerde helden naar Angantyr's hal, die, zooals Frithiof zag, zeer verschilde van de ruwe woningen van zijn geboorteland. De muren waren met leder bedekt dat rijk versierd was met vergulde teekeningen. Het schoorsteenstuk was van marmer, en glasruiten waren in de vensterramen. Een zacht licht werd verspreid door vele kaarsen die in zilveren armen brandden, en de tafels bogen onder de meest weelderige spijs.

Hoog in een zilveren stoel zat de vorst, gekleed in een gouden maliënkolder, waarover een rijke mantel was heengeworpen, die met hermelijn was omzoomd; maar toen Frithiof binnentrad schreed hij van zijn zetel en strekte vriendelijk de hand uit. "Menigen horen heb ik met mijn ouden vriend Thorsten geledigd," zeide hij, "en zijn dappere zoon is eveneens welkom aan mijn disch."

Rustig ging Frithiof naast zijn gastheer zitten, en nadat hij had gegeten en gedronken, vertelde hij zijn avonturen te land en ter zee.

Ten slotte echter deelde Frithiof zijn boodschap mede, waarop Angantyr zeide dat hij geen schatting verschuldigd was aan Helgé, en hem geen wilde betalen; maar dat hij de verschuldigde som als een vrije gift aan den zoon van zijn ouden vriend zou geven, terwijl hij hem de vrijheid liet er over te beschikken zooals hij wilde. Intusschen, daar het jaargetijde ongeschikt was tot de terugreis en stormen voortdurend de zee zweepten, noodigde de koning Frithiof uit met hem den winter over te blijven; en het was eerst toen de lieflijke lentekoelten weer bliezen, dat hij hem ten slotte toestond weg te gaan.

Frithiofs thuiskomst.

Afscheid nemende van zijn gastheer stak Frithiof in zee en, gestuurd door gunstige winden, kwam de held, na zes dagen in het gezicht van Framnäs, en bevond dat zijn huis in een vormlooze aschhoop was verkeerd op bevel van Helgé. Bedroefd schreed Frithiof over de verwoeste plek waar het huis zijner kindsheid had gestaan, en, toen hij de troostelooze plaats overzag, brandde zijn hart in hem. De ruïnen waren echter niet geheel verlaten, en plotseling voelde Frithiof den kouden snuit van zijn hond in zijn hand. Eenige oogenblikken daarna sprong zijn geliefkoosd ros aan zijns meesters zijde en de trouwe schepselen waren bijna wild van vreugde. Toen kwam Hilding hem bezoeken met de mededeeling dat Ingeborg nu de vrouw van Sigurd Ring was. Toen Frithiof dit hoorde, beving hem een Berserker woede en hij beval zijn mannen de schepen in de haven in den grond te boren, terwijl hij naar den tempel ging om Helgé te zoeken.

De koning stond gekroond in het midden van een kring van priesters, van welke eenigen brandende pijntakken zwaaiden, terwijl allen een offermes van steen vasthielden. Plotseling was er een gekletter van wapenen en Frithiof stortte naar binnen, zijn voorhoofd donker als herfststormen. Helgé's gelaat werd bleek toen hij den toornigen held aanzag, want hij wist wat zijn komst beteekende. "Neem uw schatting, Koning," zei Frithiof, en met deze woorden nam hij de beurs uit den gordel en wierp ze in Helgé's gezicht met zulk een kracht, dat het bloed uit zijn mond stroomde en hij aan Balder's voeten in zwijm viel.

De zilvergebaarde priesters naderden de plaats waar de gewelddaad was geschied, maar Frithiof wenkte hen terug, en zijn blikken waren zóó dreigend, dat zij niet ongehoorzaam durfden wezen.

Toen viel zijn oog op den armring dien hij aan Ingeborg had gegeven en dien Helgé aan den arm van Balder had gedaan, en, toeschrijdend op het houten beeld zeide hij: "Vergiffenis, groote Balder, niet voor u werd de ring gehaald uit Völunds graf!" Toen greep hij den ring, maar hoe hard hij ook trok, hij wilde er niet af. Eindelijk spande hij al zijn krachten in, en met een plotselingen ruk kreeg hij den ring en op hetzelfde oogenblik viel het beeld van den god voorover op het altaarvuur. Onmiddellijk werd het in vlammen gehuld, en voordat iets kon gedaan worden stond de geheele tempel in vuur en rook.

't Is al voorbij! Nu heft omhoog De roode haan zijn vleug'len! Zit op het dak, schreeuwt waar hij vloog Met wieken, niet te teug'len.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof, hevig verschrikt bij de ontwijding die hij zonder het te willen op zijn geweten had, trachtte te vergeefs de vlammen te blusschen en het kostbare heiligdom te redden, maar, bespeurend dat zijn pogingen niets gaven, ontvlood hij naar zijn schip en besloot tot het moeizame leven van een verworpene en een banneling.

Gij moogt niet rusten Weg van de kusten Ellida!--voort Van oord tot oord, Steeds verder spoeden Door zoute vloeden Mijn dierb're Draak!

Gij golven stout Helpt me! wij beiden Gaan nooit weer scheiden! Mijns vaders groef Ligt ginder droef, De waat'ren neuren In eindloos treuren, Toch blauwt mijn boot Door zeeën groot, Door buien zwoegend, De golven ploegend Zal verder gaan, Op, af en aan; Wees mij voor 't leven Tot woon gegeven, Wees graf voor mij O zee, zoo vrij.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof als balling.

Helgé vervolgde hem met tien groote drakenschepen, maar deze waren nauwelijks onder weg of zij begonnen te zinken, en Björn zeide lachend: "Wat Ran toevouwt zal zij dunkt mij houden". Met moeite kwam koning Helgé aan land, en de overlevenden moesten hulpeloos blijven toekijken terwijl Ellida's groote zeilen langzaam wegzonken achter den horizon. Zoo zag Frithiof bedroefd zijn geboorteland uit het gezicht verdwijnen; en toen hij verdween riep hij een teeder vaarwel toe aan het geliefde land, dat hij nooit weer dacht terug te zien.

Na zoo zijn geboorteland verlaten te hebben, zwierf Frithiof over zee als een roover of viking. Zijn wet was: nooit ergens aan wal te gaan, op zijn schild te slapen, te vechten en noch kwartier te geven noch te nemen, de schepen te beschermen die hem schatting opbrachten en de andere te plunderen, en den geheelen buit onder zijn manschappen te verdeelen, terwijl hij voor zich zelf niets anders behield dan den roem van de onderneming. Zoo varend en vechtend bezocht Frithiof vele landen en kwam ten slotte aan de zonnige Grieksche eilanden waar hij gaarne Ingeborg als bruid had heengebracht; en het gezicht riep zoovele droeve herinneringen bij hem wakker, dat hij bijna overweldigd was door het verlangen naar zijn geliefde en naar zijn geboorteland.

Aan het hof van Sigurd Ring.

Drie jaren waren voorbijgegaan en Frithiof besloot noordwaarts terug te keeren en het hof van Sigurd Ring te bezoeken. Toen hij zijn plan aan Björn mededeelde, verweet hem zijn trouwe makker dat hij zoo onbezonnen was er over te denken om alleen te reizen, maar Frithiof wilde niet worden afgebracht van zijn plan en zeide: "Ik ben nooit alleen terwijl Angurvadel aan mijn zijde hangt". Hij stuurde Ellida de Vik (het opperste gedeelte van de Christiania Fiörd) op, vertrouwde haar toe aan de zorg van Björn, en, gewikkeld in een berenhuid, die hij als vermomming droeg, vertrok hij alleen te voet naar het hof van Sigurd, waar hij aankwam toen de Yulefeesten aan den gang waren. Alsof hij niet meer was dan een oude bedelaar ging Frithiof op de bank bij de deur zitten, waar hij weldra het voorwerp van de ruwe grappen der hovelingen werd. Toen echter een van zijn plagers te dicht bij hem kwam, greep hem de zoogenaamde bedelaar met sterke vuist en zwaaide hem hoog boven zijn hoofd.

Verschrikt door deze openbaring van bovenmenschelijke kracht trokken de hovelingen zich fluks terug van zijn gevaarlijke nabijheid, terwijl Sigurd Ring, wiens aandacht door de drukte getrokken werd, den vreemden gast met strengheid beval nabij te komen en te vertellen wie dus den vrede durfde verstoren in zijn koninklijke hal.

Frithiof antwoordde ontwijkend dat hij in boetedoening was groot gebracht, dat hij armoede had geërfd en dat hij honger had; wat zijn naam betrof, deze kwam er niet op aan. De koning, zooals hoffelijke gewoonte was, drong niet verder bij hem aan, maar noodigde hem uit een zetel te nemen naast hem en de koningin, en met hen te eten. "Maar eerst", zei hij "laat de gehavende kleedij vallen, die, als ik mij niet vergis, een flinke gestalte verbergt".

Frithiof nam gaarne de dus hartelijk tot hem gerichte uitnoodiging aan, en toen de harige bedekking van zijn hoofd en zijn schouders viel, stond hij bloeiend in de fierheid van de jeugd, zeer tot verbazing der verzamelde krijgers.

Maar ofschoon zijn verschijning hem deed kennen als iemand van ongewoon ras, herkende hem geen der hovelingen. Het was echter iets anders met Ingeborg. Als een nieuwsgierig oog in dat oogenblik op haar gericht geweest ware, zou haar verschietende kleur en de snelle beweging van haar borst haar diepe ontroering hebben geopenbaard.

Hoe kleurt nu een tint van rood haar het vorst'lijke, bleeke gezicht, Zoo purper op velden in sneeuw het huiverende wonderlicht, Als twee witte waterlelies die dobbren op stroom, ongestild, Maar aldoor rijzend en dalend, dus zwoegt haar het harte wild.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof had nauwelijks plaats genomen aan tafel, toen met trompetgeschal een groot wild zwijn werd binnengebracht en voor den koning geplaatst. Overeenkomstig de Yule-gewoonte dier dagen stond de oude vorst op, en, aanrakend den kop van het dier, uitte hij een gelofte dat hij met hulp van Frey, Odin en Thor den stoutmoedigen kampioen Frithiof zou overwinnen. Het volgende oogenblik stond ook Frithiof overeind, en met zijn zwaard slaande op de groote houten bank, verklaarde hij dat Frithiof zijn bloedverwant was en hij ook de gelofte wilde doen, dat, ofschoon de heele wereld er tegen op kwam, den held geen leed zou geschieden, zoolang hij de macht had zijn zwaard te voeren.

Op deze onverwachte interruptie waren de mannen snel van de eikenhouten banken opgestaan. Maar Sigurd Ring glimlachte toegeeflijk over de heftigheid van den jongen man, en zeide: "Vriend, uwe woorden zijn overmoedig, maar nooit werd hier een gast ontzegd zijn gedachten te uiten in deze koninklijke hal". Toen keerde hij zich tot Ingeborg en beval haar een grooten, rijkversierden horen, die voor haar stond, tot den rand met haar beste meede te vullen en haar den gast aan te bieden. De koningin gehoorzaamde met ter neder geslagen oogen en het beven van haar hand maakte dat het vocht overliep. Twee gewone mannen konden nauwelijks de groote hoeveelheid opgedronken hebben, maar Frithiof hief ze naar zijn lippen, en, toen hij den horen terugtrok, was er geen druppel van de meede meer in.

Eer de maaltijd geëindigd was noodigde Sigurd Ring den jongen vreemdeling uit om aan zijn hof te blijven totdat het weer lente was, en Frithiof, de aangeboden gastvrijheid aannemend, werd de trouwe makker van het vorstelijk paar, dat hij bij alle gelegenheden vergezelde.

Op zekeren dag ging Sigurd Ring met Ingeborg naar een feestmaal. Zij reisden in een slee, terwijl Frithiof op schaatsen, bevallig naast hen ging en vele geheimzinnige teekenen in het ijs kraste. Hun weg voerde hen over een gevaarlijk stuk van de bevroren vlakte, en Frithiof waarschuwde den koning dat het verstandig zou zijn dit te vermijden. Hij wilde echter naar den raad niet hooren, en plotseling zonk de slee in een diepe spleet, die ze met den koning en de koningin dreigde te verzwelgen. Maar als een valk zoo snel was Frithiof in een oogenblik bij hen en trok zonder moeite het paard en zijn last op het harde ijs. "Inderdaad," zeide Ring, "Frithiof zelf kon het niet beter gedaan hebben."