Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 22

Chapter 223,706 wordsPublic domain

Overeenkomstig een derde en zeer afwijkende overlevering verdronk Goedroen niet, maar werd door de golven naar het land gevoerd waar Jonakur koning was. Daar werd zij zijn vrouw en de moeder van drie zonen, Sörli, Hamdir en Erp. Zij kreeg bovendien haar geliefde dochter Swanhild terug, die intusschen tot een mooi meisje van huwbaren leeftijd was opgegroeid.

Swanhild.

Swanhild werd uitgehuwlijkt aan Ermenrich, koning van Gothland, die zijn zoon Randwer en een van zijn knechten, Sibich, zond om zijn bruid naar zijn rijk te voeren. Sibich was een verrader en hij had een plan gesmeed tot uitroeiing van de koninklijke familie opdat hij zelf het rijk mocht krijgen; dus beschuldigde hij Randwer dat hij getracht had de genegenheid van zijn jonge stiefmoeder te verwerven. Deze beschuldiging maakte Ermenrich zóó boos, dat hij het bevel gaf zijn zoon op te hangen en Sigurd te doen doodtrappen onder de pooten van wilde paarden. De schoonheid van deze dochter van Sigurd en Goedroen echter was van dien aard, dat zelfs de wilde paarden er niet toe gebracht konden worden om haar leed te doen, totdat zij onder een groot kleed verborgen werd waarna zij haar doodtrapten onder hun wreede hoeven.

Toen zij het lot van haar geliefde dochter vernam, riep Goedroen hare drie zonen bij zich en deed hen een rusting en wapenen aan waarop enkel steen invloed had, en beval hen te vertrekken en hun vermoorde zuster te wreken, waarna zij van verdriet stierf, en op een grooten brandstapel werd verbrand.

De drie jongelingen, Sörli, Hamdir en Erp, gingen naar Ermenrichs rijk, maar eer zij hunne vijanden ontmoetten, bespotten de twee oudsten, die Erp te jong vonden om hen bij te staan, dezen om zijn kleinheid, en vermoordden hem ten slotte. Sörli en Hamdir vielen toen Ermenrich aan, hieuwen zijn handen en voeten af, en zouden hem vermoord hebben als niet een eenoogig vreemdeling plotseling was verschenen en de omstanders had aangespoord de jonge mannen met steenen te werpen. Zijn bevelen werden onmiddellijk uitgevoerd en Sörli en Hamdir vielen weldra onder den regen van steenen, die, zooals wij gezien hebben, alleen in staat waren hen te deren.

Gij hoordet vroeger van Sigurd hoe hij Gods vervolgers sloeg; Hoe uit de donk're diepten het goud der wat'ren hij droeg, Hoe hij wekte de liefste in de bergen en wekte Brunhild schoon, En toefd' een tijdlang op aard' en droeg onder allen de kroon, Gij hoordet van 't Nevelvolk en de diepe schemering, En hoe de wereld verstoord werd en Sigurd onderging, Nu kent gij der Niblungen nooden en wat kwam toen trouw werd bespot, Ook het sterven van vorsten en prinsen, en de smart van Odin den Goth.

Verklaring van de sage.

Sommige geleerden beweren dat deze geschiedenis van de Volsungs een reeks van zonnemythen is, waarin Sigi, Reri, Volsung, Sigmund en Sigurd om beurten den aanbrekenden dag personifieeren. Zij zijn allen gewapend met onoverwinnelijke zwaarden, de zonnestralen, en reizen allen door de wereld, vechtend tegen hun vijanden, de demonen van koude en duisternis. Sigurd, evenals Balder, wordt door allen bemind; hij huwt Brunhild, het schemeringmeisje, die hij midden in de vlammen vindt, en van wie hij weggaat om haar enkel weer te vinden als zijn loopbaan geëindigd is. Zijn lichaam wordt verbrand op den brandstapel, die, evenals die van Balder, òf de ondergaande zon òf de laatste vlam van den zomer voorstelt, waarvan hij ook het type is. Het dooden van Fafnir symboliseert de vernietiging van den demon van koude of duisternis, die gestolen heeft den gouden schat van den zomer of de gele stralen van de zon.

Volgens andere geleerden is deze sage gegrond op de geschiedenis. Atli is de wreede Attila, de "Geesel Gods", terwijl Gunnar is Gundicarius, een Bourgondisch vorst, wiens rijk verwoest werd door de Hunnen, en die met zijn broeders vermoord werd in 451. Goedroen is de Bourgondische prinses Ildico, die haar man in haar huwelijksnacht vermoordde, zooals reeds gemeld is, terwijl zij het schitterend zwaard gebruikte, dat eens aan den zonnegod behoord had, om haar vermoorde bloedverwanten te wreken.

HOOFDSTUK XXVII: DE GESCHIEDENIS VAN FRITHIOF.

Bisschop Tegnér.

Misschien heeft geen schrijver van de negentiende eeuw zooveel gedaan om belangstelling te wekken voor de letterkundige schatten van Scandinavië als Bisschop Esaias Tegnér, dien een Zweedsch auteur karakteriseerde als "dat machtig Genie dat zelfs wanorde organiseert."

Tegnérs "Frithiofsage" is ten minste éénmaal in iedere Europeesche taal vertaald, en een twintig keer in het Engelsch en het Duitsch. Goethe sprak van het werk met het grootste enthousiasme, en het verhaal, dat een ongeëvenaard beeld geeft van onze heidensche voorouders in het noorden, oogstte evenveel lof van Longfellow, die het beschouwde als een van de merkwaardigste producten zijner eeuw.

Ofschoon Tegnér enkel de Frithiofsage tot zijn onderwerp heeft gekozen, zien wij dat dat verhaal het vervolg is op de oudere maar minder belangwekkende Thorstensage waarvan wij hier een zeer kort overzicht geven, enkel om den lezer in staat te stellen elke toespeling in het nieuwere gedicht goed te begrijpen.

Evenals zoo dikwijls het geval is bij deze oude verhalen, begint de geschiedenis met Haloge (Loki), die naar het noorden kwam met Odin en over noordelijk Noorwegen begon te regeeren, dat naar hem Halogaland werd genoemd. Volgens de Noorsche mythologie had deze god twee lieflijke dochters. Zij werden geschaakt door stoutmoedige vrijers, die, door Haloge's vervloekingen en tooverkunsten van het hoofdland verbannen, met hun pas verkregen vrouwen op naburige eilanden hun toevlucht namen.

Geboorte van Viking.

Zoo geschiedde het dat Haloge's kleinzoon, Viking, geboren werd op het eiland Bornholm in de Oostzee, waar hij woonde totdat hij vijftien jaar was, en waar hij de grootste en sterkste man van zijn tijd werd. Geruchten aangaande zijn kracht bereikten ten slotte Hunvor, een Zweedsche prinses, die gekweld werd door de attenties van een reusachtigen vrijer dien niemand durfde wegjagen, en zij zond om Viking om haar te verlossen.

Zoo geroepen vertrok de jongeling nadat hij van zijn vader een tooverzwaard, Angurvadel geheeten, gekregen had, welks slagen noodlottig zouden blijken zelfs voor een reus als de vrijer van Hunvor. Een "holmgang" zooals een tweegevecht in het Noorsch heette, volgde, zoodra de held op het tooneel verscheen, en Viking, na zijn tegenstander verslagen te hebben, zou de prinses hebben kunnen huwen, ware het niet als ongepast voor een Noorman beschouwd als hij, voordat hij twintig was, huwde.

Om den tijd dien hij op de hem beloofde bruid wachten moest, te korten, trok Viking op een goedbemand drakenschip uit; en kruisend tusschen de Noordelijke en Zuidelijke zeeën had hij tallooze avonturen. Gedurende dezen tijd werd hij in het bijzonder vervolgd door de familieleden van den reus dien hij had verslagen, en die in de tooverij bedreven waren, en zij brachten tallooze gevaren over hem te land en ter zee.

Geholpen en ondersteund door zijn boezemvriend Halfdan, ontsnapte Viking aan elk gevaar, versloeg vele zijner vijanden, en na Hunvor, die intusschen de vijand naar Indië had gevoerd, teruggehaald te hebben, zette hij zich neer in Zweden. Zijn vriend, trouw zoowel in vrede als in oorlogstijd, zette zich naast hem neer en huwde ook, terwijl hij zich tot vrouw koos Ingeborg, Hunvor's kamermaagd.

De sage beschrijft nu de lange, vreedzame winters, als de helden feest vierden en luisterden naar de verhalen der skalden, terwijl zij zich enkel opmaakten tot krachtige daden als de terugkeerende lente hen weer toestond hun drakenschepen van stapel te laten loopen en opnieuw hun zeerooverstochten te beginnen.

Toen de Skald nam zijn harp en zong En breed door het spel der tonen gong 't Geluid, aan het lied gepaard, Van de harpesnaren stroomd' een klank Of men ze sloeg met het ijzer blank Van een zwaard.

En de Berserks altemaal Barstten los in een roep, die de zaal Deed daav'ren, uit volle borst: Ze sloegen de tafel bij hun zang En riepen: "leve het Strijdzwaard lang En de Vorst!"

Longfellow's Saga van koning Olaf.

In de oude sage vertellen de skalden met groot genoegen elke phase van aanval en verweer gedurende het gevecht, en beschrijven elken slag die gegeven en ontvangen wordt, terwijl zij met voldoening stilstaan bij het bloedbad en de donkere vlammen, die beide vijanden en schepen in gemeenschappelijken ondergang omhullen. Een dapper gevecht is echter dikwijls een belofte van toekomstige vriendschap, en wij vernemen dat Halfdan en Viking nadat zij er niet in waren geslaagd Njorfe, een vijand van grooten moed, meester te worden, hun zwaarden na een hevigen strijd in de scheede staken en hun vijand als derden in hun innig vriendschapsverbond opnamen. Op weg huiswaarts van een dezer gewone tochten, verloor Viking zijn beminde vrouw; en haar kind, Ring, toevertrouwend aan de zorg van een pleegvader, trouwde de dappere held, na een korten tijd van rouw, opnieuw. Deze keer was zijn huwelijkszegen grooter, want de sage vertelt dat zijn tweede vrouw hem negen flinke zonen schonk.

Njorfe, koning van Uplands, in Noorwegen, verheugde zich ook in een gezin van negen dappere zonen. Maar, ofschoon hun vaders door banden van de hechtste vriendschap waren verbonden, daar zij elkander bloedbroederschap hadden gezworen volgens de echte Noorsche zeden, waren de jonge mannen naijverig op elkander en zeer tot vechten geneigd.

Het Balspel.

Niettegenstaande deze smeulende geprikkeldheid ontmoetten de jongelui elkander dikwijls; en de sage vertelt dat zij gewoon waren samen met den bal te spelen, en geeft een beschrijving van het vroegste balspel dat in de Noorsche jaarboeken vermeld wordt. Viking's zonen, even forsch en sterk als hij, waren geneigd zich weinig erom te bekommeren hoe het hun tegenpartij ging, en te oordeelen naar het volgend verslag, dat uit de oude sage is vertaald, waren de spelers dikwijls in een even droevigen toestand als na een modern spel.

"Den volgenden morgen gingen de broeders aan het spelen, en hadden bijna steeds den bal dien dag in handen; zij troffen menschen en lieten hen ruw vallen en sloegen anderen. 's Avonds hadden drie mannen gebroken armen en velen waren gekneusd of verminkt."

Het spel tusschen Njorfes en Vikings zonen liep op een twist uit, en een van Njorfes zonen bracht een zijner tegenpartijders een gevaarlijken en verraderlijken slag toe. Verhinderd op dat oogenblik en op die plaats wraak te nemen, daar de toeschouwers tusschen beiden kwamen, maakte de beleedigde man een nietszeggende verontschuldiging om alleen naar het strijdperk terug te keeren; en toen hij daar zijn aanvaller ontmoette, doodde hij hem.

De bloedveete.

Toen Viking hoorde dat een zijner zonen een van de kinderen van zijn vriend had vermoord was hij zeer verontwaardigd, en gedachtig aan zijn eed dat hij alle onrecht, Njorfe aangedaan, zou wreken, verbande hij den jongen moordenaar. Toen de andere broeders deze uitspraak hoorden, deden zij de gelofte dat zij den balling zouden vergezellen, en zoo nam Viking bedroefd afscheid van hen, terwijl hij zijn zwaard Angurvadel aan Thorsten den oudsten gaf, en hen aanried rustig te blijven op een eiland in het Wener meer, totdat alle gevaar voor vergelding van de zijde van Njorfes overgebleven zonen voorbij zou zijn.

De jonge mannen gehoorzaamden; maar Njorfes zonen hadden besloten hun broeder te wreken, en, ofschoon zij geen booten hadden om hen over het meer te zetten, maakten zij gebruik van de hulp van een toovenaar om een sterke vorst te verwekken. Vergezeld van vele gewapenden slopen zij toen, zonder leven te maken, over het ijs om Thorsten en zijn broeders aan te vallen, en een vreeslijk bloedbad volgde. Slechts twee van de aanvallers slaagden er in te ontvluchten, maar zij lieten, zooals zij meenden, al hunne vijanden onder de dooden.

Toen kwam Viking zijn zonen begraven, en hij bevond dat twee van hen, Thorsten en Thorer, nog leefden; waarop hij hen heimelijk in een kelder onder zijn woning bracht, en na verloop van tijd herstelden zij van hun wonden.

Njorfe's twee overlevende zonen ontdekten weldra door tooverkunsten, dat hun tegenstanders niet dood waren, en zij deden een tweede vergeefsche poging om hen te vermoorden. Viking zag dat de twist voortdurend hernieuwd zou worden als zijn zonen thuis bleven; daarom zond hij hen nu tot Halfdan, wiens hof zij bereikten na een reeks van avonturen die in vele opzichten doen denken aan die van Theseus op weg naar Athene.

Toen de lente aanbrak, ging Thorsten op een zeerooverstocht en ontmoette toen Johul, Njorfes oudsten zoon, die, intusschen, met geweld had bezit genomen van het koninkrijk Sogn, nadat hij den koning had vermoord, zijn erfopvolger Belé had verbannen, en zijn schoone dochter, Ingeborg, veranderd had in een oude heks.

In het verloop der geschiedenis wordt Johul voorgesteld als een soort lafaard, want hij nam bij voorkeur zijn toevlucht tot tooverij als hij Vikings zonen kwaad wilde doen. Zoo verwekte hij hevige stormen, en Thorsten, na tweemaal schipbreuk geleden te hebben, werd slechts uit de golven gered door de gewaande heks, die hij beloofde te huwen uit dankbaarheid voor hare goede diensten. Thorsten, geraden door Ingeborg, ging nu Belé zoeken, dien hij vond en weer op zijn erfelijken troon plaatste, nadat hij hem erfelijke vriendschap gezworen had. Hierop werd de ellendige betoovering gebroken, en Ingeborg, die nu in de haar aangeboren schoonheid werd gezien, werd met Thorsten verbonden en woonde met hem te Framnäs.

Thorsten en Belé.

Elke lente trokken Thorsten en Belé er samen op uit in hunne schepen; en op een van deze tochten verbonden zij zich met Angantyr, een vijand wiens moed zij behoorlijk hadden leeren kennen, en kregen weer een niet te schatten goed in bezit, een magisch drakenschip, Ellida geheeten, dat Aegir, god van de zee, eens aan Viking had gegeven als loon voor een gastvrije behandeling, en dat hem ontstolen was.

Een vorstlijke gift om te zien, want d' opgaande planken van 't schipraam Waren met spijkers niet vast, zooals pleegt, maar gegroeid in elkander. Zijn gestalte was die van een draak als hij zwemt, maar verder naar voren Rees zijn kop met veel fierheid omhoog, zijn hals daarbij straalde van veel goud; Zijn buik was gevlekt met rood en met geel, maar achter bij 't roer lag Rond gevouwen zijn staart in cirkels, gansch schubbig van zilver; Vleug'len zwart met punten van rood; als ieder gespreid was Vloog Ellida vooruit met den storm, nog sneller dan d' arend, Ging zij volledig bemand haar weg over golvende zeeën, O, dan hieldt gij het wis voor een drijvend kasteel of een slotburg, 't Schip was beroemd waar men kwam, en het eerste der schepen in 't Noorden.

Tegnér, Frithiof-sage.

In het volgende seizoen veroverden Thorsten, Belé en Agantyr de Orkney-eilanden, die als koninkrijk aan den laatsten gegeven werden, terwijl hij vrijwillig beloofde een jaarlijksche belasting te zullen betalen aan Belé. Daarop gingen Thorsten en Belé een tooverring zoeken, of een armband, die eens door Völund, den smid, gesmeed was en door Soté, een beroemd roover, was gestolen.

Deze stoute roover was zóó bang dat iemand den tooverring in bezit zou krijgen, dat hij zich zelf er mee levend begraven had in een aardhoop in Bretland. Hier, zoo zeide men, hield zijn geest er steeds de wacht over, en toen Thorsten in zijn graf kwam, hoorde Belé, die buiten wachtte, het geluid van geweldige slagen die gegeven en teruggegeven werden, en zag hij donkere vlammen van bovennatuurlijk vuur.

Toen Thorsten eindelijk uit den aardhoop, bleek en bebloed, maar triumfeerend kwam aan wankelen, weigerde hij te spreken van den schrik dien hij doorstaan had om den begeerden schat te winnen, maar vaak placht hij te zeggen, als hij dien liet zien: "Ik beefde eens slechts in mijn leven, en dat was toen ik hem wegnam".

Geboorte van Frithiof en Ingeborg.

Zoo, eigenaar van de drie grootste schatten van het Noorden, keerde Thorsten huiswaarts naar Framnäs, waar Ingeborg hem een schoonen jongen, Frithiof, schonk, terwijl twee zonen, Halfda en Helge, aan Belé geboren werden. De knapen speelden samen en waren reeds vrij groot, toen Ingeborg, Belé's dochtertje, geboren werd, en eenigen tijd later werd het kind toevertrouwd aan de zorg van Hilding, die reeds Frithiofs pleegvader was, daar Thorstens veelvuldige afwezigheid het hem moeilijk maakte de opvoeding van zijn jongen te behartigen.

Zij groeiden op in zuiv're vreugd; Een jonge boom was Frithiofs jeugd; En nevens hem in bloesemschoon Zoet' Ingeborg, der tuinen kroon.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiof werd spoedig gehard en dapper onder de leiding van zijn pleegvader, en Ingeborg ontwikkelde snel de lieflijkste trekken van karakter en aanvalligheid. Beiden waren het gelukkigst als zij samen waren; en toen zij ouder werden, werd hun kinderlijke genegenheid dagelijks dieper en inniger, totdat Hilding, dezen staat van zaken ziende, den jongen man beval te bedenken dat hij een onderdaan van den koning was, en dus geen partij voor zijn eenige dochter.

Tot Odin, in zijn sterrenpracht, Klimt op haar roemrijk voorgeslacht; Maar Thorstens zoon zijt gij: dit weet! Want "soort past best bij soort" zoo 't heet.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs liefde voor Ingeborg.

Deze wijze raadgevingen kwamen echter te laat, en Frithiof verklaarde met nadruk dat hij de schoone Ingeborg als bruid wilde winnen, trots alle belemmeringen en zijn nederige afkomst.

Kort hierop ontmoetten Belé en Thorsten elkander voor het laatst, bij het prachtige heiligdom van Balder, waar de koning, voelend dat zijn einde nabij was, een plechtige vergadering, of Thing, had belegd van al zijn voornaamste onderdanen, om zijn zonen Helge en Halfdan aan zijn volk als zijn verkoren opvolgers voor te stellen. De jonge erfgenamen werden bij deze gelegenheid zeer koel ontvangen, want Helge was somber en stil van aard en tot een priesterlijk leven geneigd, en Halfdan was van een zwakke, verwijfde natuur en bekend meer om zijn liefde tot vermaken dan tot oorlog en jacht. Frithiof, die aanwezig was en naast hen stond was het voorwerp van vele bewonderende blikken der menigte.

Maar op hen volgde Frithiof dan, Gehuld in blauw gewaad Een hoofd wel grooter, teeken van Zijn heldelijken staat.

Hij stond nabij de broeders daar Als rijpe dag, geschouwd Tusschen den morgen rozig klaar En nacht in donker woud.

Tegnér, Frithiof-sage.

Nadat hij zijn laatste instructies en raad aan zijn zonen had gegeven en vriendelijk tot Frithiof had gesproken, voor wien hij een hartelijke genegenheid koesterde, wendde de oude koning zich tot zijn trouwen makker Thorsten, om afscheid van hem te nemen, maar de oude krijgsman zeide dat zij niet lang gescheiden zouden zijn. Belé sprak toen weder tot zijn zonen en beval hen dat zij zijn grafheuvel in het gezicht van dien van Thorsten zouden oprichten, opdat hun geesten met elkander omgang zouden hebben over de wateren van de nauwe kreek die tusschen hen zou vloeien, opdat zij zoo zelfs niet in den dood gescheiden zouden worden.

Helge en Halfdan.

Deze bevelen werden met piëteit uitgevoerd, toen, kort daarop, de oude makkers hun laatsten adem uitbliezen; en toen de groote grafheuvels waren opgericht, begonnen Helge en Halfdan hun koninkrijk te regeeren, terwijl Frithiof, hun vroegere speelmakker, zich naar zijn eigen plaats te Framnäs begaf, een vruchtbaar verblijf, liggend in een mooi dal, dat omgeven was door de hooge bergen en de wateren van de altijd veranderende kreek.

Drie mijl strekten zich uit de velden in 't rond; aan drie kanten Dalen en bergen en heuv'len, waar aan den vierden de zee lag, Berken kroonden de toppen, maar over de hellende heuvels Glansde het goudene koren, en manshoog wuifde de rogge.

Tegnér, Frithiof-sage.

Maar ofschoon omringd door trouwe vrienden en gezegend met veel rijkdom en het bezit van de beroemde schatten van zijn voorvader, het zwaard Angurvadel, de Völundring, en het ongeëvenaarde drakenschip Ellida, was Frithiof ongelukkig, omdat hij de schoone Ingeborg niet langer elken dag kon zien. Al zijn vroegere geestkracht herleefde echter toen, in de lente, op zijn uitnoodiging beide koningen hem kwamen bezoeken, samen met hun schoone zuster, en opnieuw brachten zij lange uren door in vroolijkheid en gezelligheid. Daar zij dus telkens samen waren, vond Frithiof gelegenheid om aan Ingeborg zijn diepe genegenheid kenbaar te maken, en hij ontving als antwoord de betuiging van hare liefde.

Hij zat aan haar zijde en drukte haar hand En hij voelde den druk dien zij gaf van haar kant; Toen zijn blik zag haar aan Dien zij weergaf als 't zonlicht de teedere maan.

Tegnér, Frithiof-sage.

Frithiofs vrijage.

Toen het bezoek voorbij was en de gasten vertrokken waren, deelde Frithiof zijn vertrouweling en aanzienlijksten metgezel, Björn, zijn besluit mee om hen te volgen en openlijk Ingeborgs hand te vragen. Zijn schip werd van zijn kettingen losgemaakt en het schoot als een adelaar over naar de kust bij Balders heiligdom, waar de vorstelijke broeders gezeten waren in statie op Belé's graf om te luisteren naar de smeekingen hunner onderdanen. Zonder omwegen ging Frithiof vóór hen staan en deed moedig zijn verzoek, er bij voegend dat de oude koning hem altijd had lief gehad en zeker zijn bede zou toegestaan hebben.

Geen vorst was mijn vader, noch eêl van geslacht: Toch zingen de skalden van wat hij volbracht, De Rune noemt 't werk Volvoerd door mijn stam op bebeitelde zerk.

Heel licht kon ik winnen mij aanzien en land Maar liever vertoef ik op 't welbekend strand, Als 'k waap'nen hanteer Bescherm ik den arme, mijn koning zijn eer.

Op heuvel van Belé hier staan wij, elk woord In donkere diepten wordt door hem gehoord; Met Frithiof pleit mede De vorst in zijn graf: denk dus na, is mijn bede.

Tegnér, Frithiof-sage.

Toen beloofde hij verder levenslange trouw en den dienst van zijn sterken rechterarm tot loon van het geschenk dat hij begeerde.

Toen Frithiof ophield, rees Helgé op, en den jongen man boos aanziende, zeide hij "Onze zuster is niet voor een boerenzoon; trotsche heeren van het Noorden mogen om haar hand dingen, niet gij. Wat uw aanmatigend aanbod betreft, weet dat ik mijn koninkrijk kan verdedigen. Maar indien gij mijn dienaar wilt zijn, een plaats in mijn huis kunt gij krijgen".

Woedend over de beleediging hem dus openlijk aangedaan, trok Frithiof zijn onoverwinnelijk zwaard; maar, bedenkend dat hij op een gewijde plek stond, sloeg hij enkel op 's konings schild, dat in twee stukken kletterend op den grond viel. Toen terugkeerend naar zijn schip in somber zwijgen, scheepte hij zich in en voer weg.

In tweeën gekloofd door een slag viel toen daar Het schild van den vorst van zijn eiken pilaar; De slag heeft ontzet Die leven op aard, die in groef zijn gebed.

Tegnér, Frithiof-sage.

Sigurd Ring als vrijer.