Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 20

Chapter 203,956 wordsPublic domain

Toen de vermoedens van Elf dus bevestigd waren, vroeg hij de voorgewende dienstmaagd ten huwelijk, terwijl hij Hiordis beloofde voor haar kindje te zorgen, een belofte die hij edelmoedig nakwam. Toen het kind werd geboren, besprenkelde Elf het zelf met water--een plechtigheid die onze heidensche voorvaderen nauwgezet nakwamen--en gaf het den naam Sigurd. Toen het grooter werd, werd het als 's konings eigen zoon behandeld en zijn opvoeding werd toevertrouwd aan Regin, den wijsten der menschen, die alle dingen wist, zijn eigen lot zelfs niet uitgezonderd, want het was hem geopenbaard dat hij door de hand van een jongeling zou vallen.

Nog was er een dien de Helper in zijn woning bij zich had, Baardloos en klein van gestalte, zijn gezicht gerimpeld en mat. Zoo zeldzaam oud was Regin dat niemand zeggen kon, Wanneer in vervlogen dagen in dit land hij te wonen begon. Maar opgevoed had hij vorst Elf en den Helper, zeldzaam knap, Ja en diens vaders vader, hij wist alle wetenschap En was thuis in allerlei kunsten, behalve 't hanteeren van 't zwaard. Zoo zoet was hij in zijn spreken, dat elk dacht hem 't vertrouwen waard. Als zijn hand de harp bespeelde vermengde hij tonen van smart Met tonen van groote vreugde; nooit was zijn vertelling verward, De Meester aller Meesters in de kunst van den smid was hij, Hij kon omgaan met wind en weder en stillen het golvengetij, En niemand kon heelkunst hem leeren, want eer het geslacht was gewrocht En de generatie der menschen, had hij hun toekomst doorzocht.

Onder dezen leidsman nam Sigurd dagelijks in wijsheid toe, totdat weinigen hem konden overtreffen. Hij was een meester in de smeedkunst en de kunst van allerlei runen te snijden; hij leerde talen, muziek en welsprekendheid; en werd eindelijk een wakker krijgsman, dien niemand kon overwinnen. Toen hij den manlijken leeftijd had bereikt, drong Regin hem den koning om een oorlogspaard te vragen, een verzoek dat dadelijk werd ingewilligd, en Gripir, de stalmeester, kreeg in opdracht hem te laten kiezen uit de koninklijke stallen het paard dat hij het mooist vond.

Op zijn weg naar de weide waar de paarden aan het grazen waren, ontmoette Sigurd een eenoogige vreemdeling, gekleed in grijs en blauw, die den jongen man aansprak en hem vroeg de paarden in de rivier te jagen, en dat te kiezen hetwelk tegen den stroom met de grootste gemakkelijkheid op kon.

Sigurd nam den raad verheugd aan, en toen hij de weide bereikte, dreef hij de paarden in den stroom die aan den eenen kant liep. Een van hen draafde, na hem overgestoken te zijn, de weide aan den overkant rond; en, zich in de rivier stortend, kwam het naar zijn vroegere weide terug, zonder eenige teekenen van vermoeienis te toonen. Sigurd aarzelde dus niet dit paard te kiezen, en hij gaf het den naam Grane of Grijssel. Het paard stamde af van Odins achtpootig paard Sleipnir, en behalve dat het buitengewoon sterk en onvermoeid was, was het even onbevreesd als zijn meester.

Op een winterdag, toen Regin en zijn leerling bij het vuur zaten, sloeg de oude man zijn harp en op de wijze der Noorsche scalden zong of droeg hij voor, in het volgend verhaal, het verslag van zijn leven.

De schat van den dwergkoning.

Hreidmar, koning van het dwergvolk, was de vader van drie zonen. Fafnir, de oudste, was begiftigd met een dapper hart en een krachtigen arm; Otter, de tweede, met strik en net, en de macht om, als hij dat wilde, van gedaante te veranderen; en Regin, de jongste, met alle wijsheid en vlugheid van hand. Om den hebzuchtigen Hreidmar te believen maakte zijn jongste zoon hem een huis, bezet met schitterend goud en fonkelende edelsteenen en dit werd door Fafnir bewaakt, wiens vurige blikken en Aegishelm niemand durfde trotseeren.

Nu gebeurde het dat Odin, Hoenir en Loki eens in menschelijke gedaante, op een van hun gewone tochten die zij deden om de harten van de menschen te bespieden, in het land kwamen waar Hreidmar woonde.

Bij de drie was de wijze Odin, de heer van die valt in den slag En Loki, d' Albenijder, wien geen werk gelukken mag, En Hoenir, de zondelooze die wrocht des menschen hoop En zijn hart en zijn zielsverlangens, toen hij begon zijn loop, De God die was in den voortijd en die later nog zal zijn Als het nieuwe licht zal zenden over aard en zee zijn schijn.

Toen de goden bij Hreidmars woning kwamen, bespeurde Loki een Otter die zich koesterde in de zon. Deze was niemand anders dan de tweede zoon van den koning, Otter, die nu bezweek voor Loki's gewone liefde tot vernieling. Het ongelukkige schepsel vermoordend wierp hij zijn levenloos lichaam over zijn schouders, denkende dat hij een goeden schotel zou geven als de tijd tot eten kwam.

Loki haastte zich daarop om zijn makkers in te halen, en Hreidmars huis met hen binnentredend, wierp hij zijn last neer op den vloer. Toen het oog van den dwergkoning op den gewonden Otter viel, brak hij in hevige woede uit, en, eer zij actieven weerstand konden bieden, lagen de goden gebonden, en hoorden zij Hreidmar zeggen dat zij nooit hun vrijheid weerom zouden krijgen, voordat zij zijn dorst naar goud konden voldoen, door hem van die kostbare stof genoeg te geven om de huid van den Otter van binnen en van buiten te bedekken.

Nu hoort naar den vloek dien ik spreke! Gij vreemden zult worden weer vrij, Als gij schenkt de vlam van de wat'ren, 't verzamelde zeegoud aan mij, Dat Andvari houdt verborgen in het bleek gebied, flets als het graf, En de heer der list zal het halen, en de hand die nooit iets gaf, En het hart des Albenijders zal geven en toonen zijn spijt, Zie, dit is het vonnis des wijzen, geen ander wordt u bereid.

Daar de otterhuid de eigenschap openbaarde zich tot een fabelachtige afmeting te kunnen uitrekken, was geen gewone schat voldoende om ze te bedekken, en de taak van de goden was een heel lastige. De zaak werd echter wat hoopvoller, toen Hreidmar toestond een hunner vrij te laten. De gekozene die zou gaan, was Loki die geen tijd liet verloren gaan om naar den waterval waar de dwerg Andvari woonde te vertrekken, opdat hij de daar opgestapelde schatten zou verkrijgen.

Ginds is een schrikbre woestijn aan het uiterste deel onzer aard Waar over een muur van bergen het machtige water vaart, Welks bron geen schepsel kent noch waar zijn monding is, En die macht is de macht van Andvari, een Elf van de Duisternis. Hij woont in de wolk en woestijn in het midden van 't land alleen En zijn werk is het sparen van schatten die hij houdt in zijn huis van steen.

In weerwil van ijverig zoeken kon Loki den dwerg niet vinden, totdat hij een zalm bespeurde, die in de schuimende wateren speelde, en het hem inviel dat misschien de dwerg deze gedaante aangenomen had. Hij leende Ran's net en ving spoedig den visch, en kwam te weten dat het, zooals hij had vermoed, Andvari was. Bezinnend dat er niets anders op zat, bracht de dwerg nu met tegenzin zijn grooten schat te voorschijn en gaf hem geheel en al over, met inbegrip van den Helm van Schrik en een pantser van goud, terwijl hij enkel achterhield een ring die met wonderbare kracht was begiftigd en die, als een magneet, het kostbare goud aantrok. Maar de slimme Loki, die dien in het oog kreeg, lichtte hem van den vinger van den dwerg en ging lachend weg, terwijl zijn slachtoffer hem booze vervloekingen achterna schreeuwde, zeggende dat de ring altijd zou blijken het verderf voor zijn bezitter te zijn en de dood van velen zou veroorzaken.

Dat goud Dat de dwerg bezat Zou voor twee broeders De oorzaak zijn van dood, En voor acht vorsten Van veel tweedracht, Uit mijn schat zal geen Iets goeds geworden.

Saemunds Edda.

Toen hij aan Hreidmars huis kwam, bevond Loki dat de geweldige schat niets te groot was, want de huid werd wijder met elk voorwerp dat er op werd geplaatst, en hij werd genoodzaakt den ring Andvaranaut (Andvari's ring) er in te werpen, dien hij had willen bewaren om de bevrijding van zichzelf en zijn makkers te bewerken. Andvari's vloek van het goud begon spoedig zijn kracht te doen gevoelen. Fafnir en Regin begeerden beiden een deel, terwijl Hreidmar nacht en dag over zijn schat tuurde, en er niets van wilde weggeven. Fafnir, de onoverwinlijke, ziende ten slotte dat hij niet anders aan zijn lust kon voldoen, versloeg zijn vader en nam den geheelen schat, want, toen Regin kwam om een deel op te eischen, joeg hij hem toornig weg en zeide dat hij zijn eigen kost maar moest verdienen.

Zoo verbannen nam Regin zijn toevlucht onder de menschen, aan wie hij de kunsten leerde van zaaien en maaien. Hij toonde hun hoe zij metalen moesten bewerken, de zeeën bevaren, paarden dresseeren, lastdieren temmen, huizen bouwen, spinnen, weven en naaien--kortom, alle industrieën van het beschaafde leven, die tot nu toe onbekend waren geweest. Jaren verliepen, en Regin wachtte geduldig zijn tijd af, hopend dat hij den een of anderen dag een held zou vinden, sterk genoeg om zijn onrecht op Fafnir te wreken, wien de jaren van turen over zijn schat hadden veranderd in een vreeslijken draak, den schrik van Gnîtaheid (schitterende Heuvel), waar hij zijn verblijf gevestigd had.

Toen zijn verhaal uit was, wendde Regin zich plotseling tot den aandachtigen Sigurd, zeggend dat hij wist dat de jonge man den draak als hij wilde kon dooden, en vragend of hij bereid was hem te helpen het hem geschiedde onrecht te wreken.

En hij sprak: Hebt gehoord gij, Sigurd? Wilt gij helpen een man die is oud Zich te wreken ter wille zijns vaders? Wilt gij hebben een schat van goud En meer zijn dan de vorsten der aarde? Verlossen de aard van een kwaad En genezen de pijn en de droefnis die sinds tijden geen rust mij laat?

Sigurds zwaard.

Sigurd stemde onmiddellijk toe, op voorwaarde echter dat de vloek zou worden opgenomen door Regin, die ook om voor het aanstaand gevecht den jongen man behoorlijk uit te rusten, hem een zwaard zou smeden dat geen slag zou kunnen breken. Tweemaal maakte Regin een wonderbaar wapen, maar tweemaal brak Sigurd het op het aanbeeld in stukken. Toen dacht Sigurd aan de gebroken stukken van Sigmunds wapen, die zijn moeder bewaard had, en tot Hiordis gaande vroeg hij haar erom; en òf hij òf Regin smeedde er uit een zwaard zoo sterk, dat het het groote aanbeeld in tweeën splitste zonder gedeukt te zijn, en welks gesteldheid van dien aard was dat het wat wol die op den stroom los ronddreef in tweeën deelde.

Sigurd ging nu op afscheidsbezoek bij Gripir, die, de toekomst wetende, elke gebeurtenis in zijn aanstaande loopbaan vertelde; daarop nam hij afscheid van zijn moeder en vergezeld door Regin zette hij koers naar het land zijner vaderen, belovend dat hij den draak zou verslaan als hij zijn eersten plicht had vervuld; het wreken van den dood van Sigmund.

Eerst zult gij, vorst, Wreken uw vader, En voor de schuld van Eglymi Neemt gij boete, Gij zult de wreedaards, De zoons van Hunding, Fier verslaan, En zult overwinnen.

Lied van Sigurd den Fafnerdooder.

Op zijn weg naar het land van de Volsungs werd iets heel wonderlijks gezien, want er kwam een man over het water wandelen. Sigurd nam hem dadelijk aan boord van zijn drakenschip en de vreemdeling, die zich Feng of Fiöllnir noemde, beloofde gunstige winden. Ook leerde hij Sigurd hoe gunstige voorteekenen te onderscheiden. In werkelijkheid was de oude man Odin of Hniker, de golvenstiller, maar Sigurd vermeldde niet dat hij het was.

Het gevecht met den draak.

Sigurd was zeer gelukkig in zijn aanval op Signy, dien hij met velen zijner volgelingen versloeg. Hij vertrok toen uit zijn heroverd rijk en kwam met Regin terug om Fafnir te verslaan. Samen reden zij door de bergen, die steeds hooger en hooger voor hen oprezen, totdat zij kwamen bij een groot woestijnpad, dat volgens Regin het verblijf van Fafnir was. Sigurd reed nu alleen verder totdat hij een eenoogig vreemdeling ontmoette die hem zeide dat hij grachten moest graven midden op den weg waar de draak elken dag zijn slijmig lichaam naar de rivier sleepte om zijn dorst te lesschen, en dat hij in een van deze moest liggen wachten, totdat het monster over hem heen kwam, dan kon hij het zijn zwaard dwars door zijn hart boren.

Sigurd volgde dankbaar dezen raad en werd met volledig succes beloond, want toen de walgelijke vouwen van het monster over zijn hoofd rolden, stak hij zijn zwaard van boven in zijn linker borst, en toen hij uit de gracht sprong, lag de draak te zieltogen in doodsstuipen.

Toen kwam een groote stilte, en Sigmunds zoon vol moed Stond op d' oneffen vlakte, waar vloeide Fafnir's bloed, En de slang lag aan zijn voeten, dood, en zwaar en grauw, En over de Lichte Heide scheen de zon uit 's hemels blauw, En een windje volgde de zon en blies lang het doodsche zand Zoo frisch als het rimpelt het zeevlak en buigt het korenland.

Regin was wijslijk op een afstand gebleven totdat alle gevaar voorbij was, maar, ziende dat zijn vijand was verslagen, kwam hij nu nabij. Hij was bang dat de jonge held een belooning zou eischen, dus begon hij hem te beschuldigen dat hij zijn bloedverwant had vermoord, maar, met geveinsde grootmoedigheid zeide hij in plaats van leven voor leven te willen, overeenkomstig de zeden van het Noorden, hij het als een genoegzame voldoening zou beschouwen als Sigurd uitsneed het hart van het monster en het voor hem aan een spit braadde.

Zoo Regin sprak tot Sigurd: "van boete wilt ge vrij? Breng dan een vuur te zamen en braad het hart voor mij, Dat ik het eet' en leve, en zij uw meester en meer, Want daarin was macht en wijsheid en wetenschap weleer: Of anders ga uw pad met angst van de Lichtende Hei".

Sigurd was zich bewust dat een echt soldaat nooit voldoening van welken aard ook mocht weigeren aan de familie van den vermoorde, en dus stemde hij toe in het schijnbaar onbeteekenend voorstel, en maakte zich dadelijk gereed om als kok op te treden, terwijl Regin dutte totdat het vleesch klaar was. Na eenigen tijd raakte Sigurd het gebraad aan om te zien of het gaar werd, maar hij brandde erg zijn vingers en stak ze onwillekeurig in zijn mond om de pijn te stillen. Nauwelijks had Fafnirs bloed zijn lippen aangeraakt of hij ontdekte, tot zijn uiterste verbazing, dat hij de zangen der vogels kon verstaan, waarvan velen zich reeds om het aas verzamelden. Nauwkeurig luisterend merkte hij dat zij vertelden hoe Regin kwaad tegen hem voor had, en hoe hij den ouden man moest dooden en het goud zich toeëigenen dat hem toekwam omdat hij het veroverd had, en dat hij daarna het hart en het bloed van den draak moest nemen. Daar dit overeenkwam met zijn eigen wenschen doodde hij den slechten ouden man met een stoot van zijn zwaard en ging voort met eten en drinken, zooals de vogels hadden aangegeven, terwijl hij een stukje van Fafnirs hart voor later gebruik bewaarde. Hij ging dan op zoek van den grooten schat, en na den Helm van Schrik, de gouden hellebaard en dan den ring Andvaranaut te hebben aangedaan, terwijl hij Greyfell met zóóveel goud belaadde als hij kon dragen, sprong hij in het zadel en zat met graagte te luisteren naar de zangen der vogels om te weten wat zijn toekomstige tocht moest zijn.

De slapende oorlogsmaagd.

Weldra hoorde hij van een oorlogsmaagd, vast in slaap op een berg en omringd door een fonkelende vlammenhaag, waar slechts de dapperste der mannen kon doordringen om haar te wekken.

Op den berg daar ligt Een oorlogsmaagd in slaap; Over haar golft Linde's vergif: Ygg stak voorheen Een slaapdoorn in 't kleed Der maagd, die eerst De helden uitkoos.

Fafnir-lied.

Dit avontuur was juist iets voor Sigurd, en hij vertrok dadelijk. De weg voerde door ongebaande streken, en de reis was lang en onaangenaam, maar ten slotte kwam hij bij de Hindarfiall in Frankenland, een hoogen berg welks met wolken bedekte top door vurige vlammen scheen omringd.

Lang rijdt hij door de steppen, tot hij eens, 's morgens, ziet, Uit de verweerde rotsen, en in 't bewolkt gebied, Hoe rijst een trotsche berg op, en 't is alsof er brandt, Een toorts in krans van nevel: en Sigurd gaat dien kant Waar hij denkt dat van die hoogte men ziet den omtrek goed En Grijsvel hinnikt vroolijk, hij zelf is vol van moed.

Sigurd reed de berghelling op, en het licht werd al sterker en sterker naarmate hij verder kwam, totdat, toen hij den top bereikt had, een haag van donkere vlammen voor hem stond. Het vuur brandde met een geraas dat het hart van ieder ander zou verschrikt hebben, maar Sigurd herinnerde zich de woorden van de vogels, en zonder een oogenblik te aarzelen, stortte hij zich er midden in.

Nu wendt zich Sigurd in 't zadel, 't gevest van Toorn hij richt, Hij heft de teugels hooger en snoert zijn gordel dicht, En roept dan luid tot Grijsvel en rijdt in 't midden van 't vuur, Maar de vlammen slaan ter zijde en dus wijkt de witte muur, Hoog boven zijn hoofd stijgt het branden en groot en wild is 't gerucht. Als het draagt de machtige barning naar de hooge hemellucht. Toch gaat hij door het ruischen als een krijgsman door roggeveld Als het buigt voor wind in den zomer en onder de koelte zwelt. De witte vlam lekt zijn kleeren en de manen van zijn paard. En streelt de handen van Sigurd, en 't in bloed gedoopte zwaard, En windt zich om zijn helm heen en mengt zich met zijn haar, Maar niets ontloutert zijn kleeding die schittert als vroeger klaar; Dan valt zij; verdwijnt en wordt donker tot alles schijnt volbracht, En de vlam is opgezwolgen in diepen, duist'ren nacht.

Toen de dreigende vlammen nu waren weggestorven, vervolgde Sigurd zijn tocht over een breed spoor van witte asch en richtte zijn weg naar een groot kasteel met muren met schilden behangen. De groote poorten stonden wijd open, en Sigurd reed er doorheen, niet belemmerd door wachters of gewapenden. Behoedzaam voortgaande, omdat hij een of andere list vreesde, kwam hij eindelijk midden op de plaats, waar hij een gestalte zag liggen in wapenrusting. Sigurd steeg van zijn paard en deed handig den helm weg, toen hij van verbazing terugdeinsde omdat hij in plaats van een krijgsman, het gelaat van een zeer schoon meisje zag.

Al zijne pogingen om de slaapster te wekken waren echter vergeefsch, totdat hij haar wapenrusting had afgedaan, en zij voor hem lag in zuiver wit-linnen kleederen, terwijl haar lange haren in gouden golven om haar heen vielen. Toen de laatste sluiting van haar rusting openging, sloeg zij haar schoone oogen op, die de opgaande zon ontmoetten, en eerst met verrukking het prachtig schouwspel begroetend, wendde zij zich tot haren bevrijder, en de jonge held en het meisje beminden elkander op het eerste gezicht.

Toen wendde zij zich tot Sigurd, haar oogen ontmoetten zijn oog, En krachtig en zonder grenzen steeg hunne liefde hoog, Want beider begeeren kwam samen en hij wist dat zij lief hem had. En zij sprak tot hem alleenig en haar lippen betuigden dat.

Het meisje begon nu aan Sigurd haar geschiedenis te vertellen. Haar naam was Brunhild en volgens sommige bronnen was zij de dochter van een aardsch koning, die Odin had verheven tot den rang van Valkyre. Zij had hem lang trouw gediend, maar eens had zij het gewaagd haar eigen wensch boven den zijnen te stellen, toen zij aan een jongeren en dus meer sympathieken tegenstander de overwinning gaf die Odin een ander had toegedacht.

Tot straf voor deze daad van ongehoorzaamheid was zij van haar ambt ontzet en naar de aarde verbannen, waar zij, volgens besluit van Alvader, als ieder ander lid harer sexe zou huwen. Deze uitspraak vervulde Brunhilds hart met teleurstelling, want zij vreesde zeer dat het haar lot zou zijn zich met een lafaard te verbinden dien zij zou verachten. Om deze vrees weg te nemen, bracht Odin haar naar Hindarfiall of Hindfel, en haar met den Doren van den Slaap aanrakend, opdat zij in onveranderde jeugd en schoonheid de komst van den haar bestemden echtgenoot zou afwachten, omringde hij haar met een muur van vlammen, waar geen ander dan een held zich doorheen zou wagen.

Van den top van Hindarfiall wees Brunhild nu aan Sigurd haar vroegere woonplaats, te Lymdale of Hunaland, en zeide hem dat hij haar daar zou vinden als hij haar als zijn vrouw kwam opeischen; en toen, terwijl zij samen op den eenzamen bergtop stonden, deed Sigurd den ring Andvaranaut aan haar vinger, ten teeken van hun verloving, en zwoer haar alleen te zullen liefhebben zijn heele leven lang.

En van zijn hand trekt Sigurd Andvari's gouden ring, Niets is er dan de hemel boven hun hoofden, kring Die ophoudt noch vernieuwt zich, en steeds een teeken is, Dat God niet meer verandert, daar hij voleindigd is; En Sigurd riep: Brunhilde, o hoor mij nu ik zweer Dat de zon aan de lucht zal sterven en de dag zijn schoon niet meer, Als 'k zoek niet liefd' in Lymdale en uw geboortehuis, En 't land waar gij ontwaaktet bij bosch en zeegeruisch! En zij riep: o Sigurd, Sigurd, hoor mij nu hoe ik zweer Dat de dag voor goed zal sterven en de zonne praalt niet meer, Eer 'k u vergeet, o Sigurd, als bij bosch en zeegeruisch Ik lig in het land van Lymdale en mijn geboortehuis.

De opvoeding van Aslaug.

Volgens sommige bronnen scheidden de minnenden, na elkander dus trouw te hebben beloofd; maar anderen zeggen dat Sigurd Brunhild opzocht en huwde, met wie hij een tijd lang in volkomen geluk leefde, totdat hij haar en zijn dochtertje Aslaug moest verlaten. Dit kind, als wees achtergebleven, werd door Brunhilds vader groot gebracht, die, van huis verdreven, haar in een kunstig vervaardigde harp verborg, totdat hij in een ver land kwam en daar vermoord werd door een troep boeren wegens het goud dat--zoo dachten zij--er in zat. Hun verwondering en teleurstelling waren inderdaad groot, toen zij het instrument open braken en een klein mooi meisje vonden, dat zij voor stom hielden omdat het geen woord wilde zeggen. De tijd ging voorbij en het kind, dat zij als een slavin hadden gebruikt, groeide op tot een schoone maagd, en zij verwierf de genegenheid van den voorbijtrekkenden Viking, Ragnar Lodbrog, Koning van de Denen, aan wien zij haar geschiedenis vertelde. De koning voer weg naar andere landen om te doen wat het doel van zijn reis was, maar toen een jaar was voorbijgegaan, in welken tijd hij veel roem oogstte, kwam hij terug en voerde Aslaug weg als zijn bruid.

Ze hoord' een stem haar welbekend, Verwacht in uren zonder end, Een krachtig arm haar leest omwond; Maar toen haar sidderende mond Den hemel van dien kus verliet, Ontging haar in zijn oogen niet De jonge trots, de hoop, de min; Nu wist zij; dit was slecht begin, En beiden zouden gaan, gelijk Nu saam langs 't strand, door 't leven rijk.

De opvoeding van Aslaug (William Morris).

In het verdere van de geschiedenis van Sigurd en Brunhild wordt ons echter medegedeeld, dat de jonge man avonturen ging zoeken in de groote wereld, waar hij, als een echte held, beloofd had het onrecht te bestrijden en de vaderloozen en verdrukten te verdedigen.

De Niblungen.