Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 2

Chapter 23,870 wordsPublic domain

Ten einde het hemelgewelf te steunen, plaatsten de goden de sterke dwergen, Nordri, Sudri, Austri, Westri, op zijn vier hoeken, met het bevel het op hun schouders te houden, en aan hen ontleenden de vier punten van het kompas hun tegenwoordige namen: Noord, Zuid, Oost en West. Om aan de dus geschapen wereld licht te geven versierden de goden het hemelgewelf met vonken, afkomstig uit Muspells-heim, lichtpunten die gestadig schenen door het donker als schitterende sterren. De levendigste van deze vonken echter werden bewaard tot de vervaardiging van de zon en de maan, die in mooie gouden wagens werden gezet.

En uit het vlammenland, waar Muspel heerscht, Zondt gij en haaldet vuur, en schiept gij 't licht Van zon en maan en star, gij hingt ze aan 't zwerk. Deelend de paden dus van nacht en dag.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Toen al deze toebereidselen gereed waren en de rossen Arvakr (de vroege ontwaker) en Alsvin (de snelle looper) gespannen waren voor de zonnekar, plaatsten de goden, bang dat de dieren zouden te lijden hebben als zij in de buurt van de brandende sfeer kwamen, onder hun schoudergewrichten groote vliezen, gevuld met lucht of met eene of andere verkoelende stof. Ook vormden zij het schild Svalin (de verkoeler), en plaatsten het voor den wagen om hen te behoeden voor de rechte stralen der zon, die anders hen en de aarde tot asch zouden hebben verbrand. Eveneens was de maanwagen voorzien van een snel ros, Alsvider (de al-sterke) geheeten; maar er was geen schild noodig om het te beschermen voor de milde stralen der maan.

Mani en Sol.

De wagens waren klaar, de paarden ingespannen en ongeduldig om hun dagelijksche ronde te beginnen, maar wie zou hen langs den rechten weg sturen? De goden keken om zich heen, en hun aandacht werd getrokken door de twee schoone spruiten van den reus Mundilfari. Hij was heel trotsch op zijn kinderen en had hen naar de pas geschapen bollen Mani (de maan) en Sol (de zon) genoemd. Sol, de Zonnemaagd, was de vrouw van Glaur (gloed) die blijkbaar een van Surtr's zonen was.

De namen bleken gelukkig gekozen, toen aan broeder en zuster de besturing van de paarden hunner twee naamgenooten waren toevertrouwd. Nadat zij goeden raad hadden gekregen van de goden, werden zij naar de lucht gebracht, en vervulden dagelijks de hun opgelegde plichten en stuurden hun rossen langs de hemelpaden.

Weet dat Mundilfari genoemd Vader wordt van maan en zon; Eeuwen, eeuwen gaan voorbij En zij duiden maand en dag.

Hávamál.

Vervolgens riepen de goden Nott (nacht), een dochter van Norvi, een van de reuzen, en vertrouwden haar de zorg over een donkere kar, getrokken door een zwart paard Hrim-faxi (vorst-maan), uit wiens golvende manen dauw en rijp op aarde vielen.

Hrim-faxi is het zwarte ros Dat van 't oosten brengt den nacht, Zwaar van liefdevreugd die stroomt Bijt hij op 't beschuimd gebit, Dan drupt weer de dauw en siert Rondgestrooid der aarde land.

Vafthrudni's-mal.

De godin van den nacht was driemaal getrouwd geweest, en bij haren eersten man Naglfari, had zij een zoon die Aud heette, bij haar tweeden, Annar, een dochter Jörd; en bij haar derden, den god Dellinger (dageraad) werd haar nu een andere zoon, van stralende schoonheid, geboren, en hij ontving den naam Dag.

Zoodra de goden dit prachtige wezen zagen, rustten zij ook voor hem een wagen uit, getrokken door het schitterende witte ros Skin-faxi (die blinkende manen heeft) en van zijn manen schenen felle lichtstralen van alle kanten, de wereld verlichtend en glans en vreugde brengend aan iedereen.

Voort van het oost, naar 's hemels toppunt toe, Dreef Dag zijn ros welks manen schitterden.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De wolven Sköll en Hati.

Maar daar het kwaad het goede altijd op de hielen volgt, in de hoop het te vernietigen, stelden de oude bewoners van de Noordelijke landen zich voor, dat beiden, Zon en Maan, voortdurend vervolgd werden door de woeste wolven Sköll (verzet) en Hati (haat), wier eenig doel was de schitterende wezens vóór hen in te halen en op te eten, opdat de wereld weer in haar oorspronkelijke duisternis mocht worden gehuld.

Sköll heet de wolf Die de godin, de prachtige, Naar de zee toedrijft; Een andere, Hati genoemd Is Hrodvitnir's zoon; Hij zal voorgaan het hemelkind schoon.

Saemunds Edda.

Nu en dan vertelde men, haalden de wolven hun prooi in en trachtten ze op te eten, brachten zoo een verduistering van de stralende hemellichamen te weeg. Dan hief het verschrikte volk een zoo oorverdoovend rumoer aan, dat de wolven, door het getier verschrikt, ze direct loslieten. Dus bevrijd vervolgden Zon en Maan hun weg en ijlden sneller dan te voren, terwijl de hongerige monsters voortstormden in hun zog, snakkend naar den tijd wanneer hun pogingen zouden slagen en het einde der wereld zou komen. Want de noordelijke volken geloofden dat, daar hun goden ontsprongen waren aan een vereeniging van het goddelijke element (Börr) en het sterfelijke element (Bestla), zij eindig waren, en gedoemd onder te gaan met de wereld die zij hadden gewrocht.

Maar toen zelfs in dien vroegsten tijd Was zwak geduid de dageraad Van woesten strijd, van schok des doods, Als alles endt in Ragnarok; Als goed en kwaad, als niet en zijn Beginnend nu, enden hun kamp.

Valhalla.

Mani werd ook vergezeld door Hiuki, de wassende, en Bil, de afnemende maan, twee kinderen die hij had weggerukt van de aarde, waar een wreed vader hen noopte iederen nacht water te dragen. Onze voorouders verbeeldden zich dat zij deze kinderen, de oorspronkelijke, "Jack en Jill" met hun emmer, in vage omtrekken op de maan zagen.

De goden stelden niet alleen Zon, Maan, Dag en Nacht aan om den voortgang van het jaar aan te geven, maar riepen ook Avond, Middernacht, Morgen, Voormiddag, Middag en Namiddag om hun plichten te deelen, terwijl zij Zomer en Winter tot de beheerschers der jaargetijden maakten. Zomer, een rechtstreeksche afstammeling van Svasud (de milde en lieflijke), erfde den vriendelijken aard van zijn vader, en werd door allen bemind behalve door Winter, zijn doodelijken vijand, den zoon van Vindsual, zelf weer een zoon van den onvriendelijken god, de verpersoonlijking van den ijskouden wind.

Vindsual is de naam van hem Die heeft verwekt den wintergod; Zomer was Suasuthers kind; Beiden zullen gaan hun pad, Tot der goden schemering.

Vafthrudni's-mal.

De koude winden zweepten voortdurend neer van het noorden, en verstijfden de aarde, en de Noormannen verbeeldden zich dat deze in beweging waren gezet door den grooten reus Hraesvelgr (lijken-zwelger), die, gedost in arendsvederen, aan den meest noordelijken top van den hemel zat, en dat wanneer hij zijn armen of vleugelen ophief de koude stormen uitschoten en onbarmhartig zwiepten over het gelaat der aarde, alle dingen verwoestend met hun ijzigen ademtocht.

Hrae-svelger is de naam van hem Die zit voorbij der hemelen end, En spreidt zijn arendsvleug'len uit, Zoodat de storm te voorschijn schiet.

Vafthrudni's-mal.

Dwergen en elfen.

Terwijl de goden bezig waren met het scheppen van de aarde en voor hare verlichting zorgden, was er een gansche schare op wormen gelijkende schepselen uitgebroed in Ymirs vleesch. Deze zonderlinge wezens trokken nu de aandacht der goden. Zij riepen hen tot zich en gaven hun eerst gestalten en voorzagen hen met bovenmenschelijk verstand en verdeelden hen vervolgens in twee groote klassen. Die welke donker, verraderlijk en sluw van nature waren, werden verbannen naar Svart-alfa-heim, de woning der zwarte dwergen, gelegen onder den grond, van waar zij nooit naar buiten mochten komen over dag, op straffe dat zij in steen zouden worden veranderd. Zij werden Dwergen, Trolls, Gnomen of Kobolden genoemd en besteedden al hun tijd en kracht aan het doorvorschen van de geheime schuilhoeken der aarde. Zij verzamelden zilver, goud en kostbare steenen, die zij wegstopten in geheime spleten, waar zij ze, als zij wilden, konden uithalen. De overige dezer kleine schepselen, allen die goed, schoon en nuttig waren, noemden de goden Feeën en Elfen, en zij lieten hen wonen in het luchtgebied Alfheim (huis der lichtelfen), gelegen tusschen hemel en aarde, van waar zij konden neerzweven als zij wilden, om bij de planten en bloemen te zijn, te spelen met de vogels en vlinders, of te dansen in het zilverachtige maanlicht op het groen.

Odin die de leidende geest was geweest in al deze ondernemingen, gebood nu den goden, zijn afstammelingen, hem te volgen naar de breede vlakte, Idavold geheeten, ver boven de aarde, aan de andere zijde van den grooten stroom Ifing, welks wateren nimmer bevroren.

Ifings diep' en donk're vloed Scheidt der aarde kind'ren nu Van de plek, der goden woon; Open ligt het water, dat Nimmer ijskorst stremmen zal Wijl het wiel der eeuwen vliegt.

Vafthrudni's-mal.

In het midden van de heilige ruimte, die van het begin der wereld gereserveerd was tot hun eigen verblijf en Asgard (huis der goden) heette, kwamen al de twaalf Aesir (goden) en vier-en-twintig Asynjur (godinnen) samen op Odins bevel. Toen werd een groote bijeenkomst gehouden, waarop werd vastgesteld dat geen bloed binnen de perken van hun gebied of vredeplaats zou vergoten worden, maar dat er harmonie zou heerschen voor altijd. Als een verdere uitkomst der bespreking richtten de goden een smidse op waar zij al hun wapenen maakten en de gereedschappen, noodig tot het bouwen van de prachtige paleizen van kostbare metalen waarin zij lange jaren woonden in zulk een gelukkigen toestand dat deze periode de Gouden Eeuw is genoemd.

De schepping van den mensch.

Ofschoon de goden van den beginne Midgard, of Mana-heim hadden aangewezen tot woning van den mensch, waren er eerst geen menschelijke schepsels om er in te wonen. Op zekeren dag trokken Odin, Vili en Ve, volgens sommigen, of Odin, Hoenir (de schitterende) en Lodur of Loki (vuur) er samen op uit en wandelden langs de zeekust toen zij vonden òf twee boomen, den esch, Ask, en den olm Embla, òf twee blokken hout, gehouwen in de ruwe gelijkenis van de menschelijke gestalte. De goden staarden eerst op het levenlooze hout in stille verbazing; toen, merkende wat er van gemaakt kon worden, gaf Odin dezen blokken zielen, Hoenir verschafte beweging en zintuigen, en Lodur verleende bloed en bloeiende kleur.

Zoo begiftigd met taal en gedachte en met het vermogen om lief te hebben en te hopen en te werken, en met leven en dood, mochten de pas geschapen man en vrouw Midgard beheerschen zooals zij wilden. Zij bevolkten het gaandeweg met hunne nakomelingen terwijl de goden, zich herinnerend dat zij hen in het leven hadden geroepen, een bijzonder belang stelden in al wat zij deden, over hen waakten en hun dikwijls hulp en bescherming verleenden.

De boom Yggdrasil.

Alvader schiep vervolgens een forschen esch, Yggdrasil, den boom van het heelal, van den tijd of van het leven, die de heele wereld vulde, daar hij niet enkel wortel schoot in de verst verwijderde diepten van Niflheim, waar de bron Hvergelmir vloeide, maar ook in Midgard, bij Mimirs bron (den oceaan), en in Asgard, bij de Urdas-fontein.

Door zijn drie groote wortels verkreeg de boom een zoo wonderbare hoogte dat zijn opperste tak, Lerad, (de vredegever) Odins hal overschaduwde, terwijl de andere wijd zich uitspreidende twijgen over de andere werelden staken. Een adelaar zat vastgeroest op den tak Lerad, en tusschen zijn oogen de valk Vedfolnir, die zijn doordringende blikken in den hemel zond en op de aarde en naar Niflheim, en vertelde al wat hij zag.

Daar de boom Yggdrasil altijd groen was en zijn bladeren nooit verdorden, diende hij als weide, niet enkel voor Odins geit Heidrun, die de hemelsche mee, den drank der goden, verstrekte, maar ook voor de herten Dain, Dvalin, Duneyer en Durathor, van welker hoornen honigdauw op aarde druppelde en dat water voor alle rivieren in de wereld verstrekt.

In den ziedenden ketel Hvergelmir, dicht bij den grooten boom, knaagde een verschrikkelijke draak, Nidhug, voortdurend aan de wortels, en werd in zijn vernielingswerk bijgestaan door tallooze wormen, welker doel was den boom te dooden, daar zij wisten dat zijn dood het teeken zou zijn van der goden val.

En altijd roofziek werkt een macht baldadig, De wreede Nidhung uit des wereld diep, Hij haat het asa-licht welks glans weldadig Op heldenhoofd en zwaard zijn weerschijn schiep.

Viking-verhalen uit het noorden. (R. B. Anderson).

Onophoudelijk de takken en den stam van den boom op en afvliegend, sleet het eekhoorntje Ratatosk (takboorder), de typische woelwater en babbelaar, zijn tijd met aan den draak beneden de opmerkingen van den adelaar boven te vertellen en omgekeerd, in de hoop twist tusschen hen te verwekken.

De brug Bifröst.

Het lag, natuurlijk, in de rede, dat de boom Yggdrasil in volkomen staat werd gehouden, en dit was de plicht der Nornen of Schikgodinnen, die hem elken dag besprenkelden met de heilige wateren van de Urdar-fontein. Als dit water naar de aarde druppelde door de takken en de bladeren, voorzag het de bijen van honig.

Aan weerskanten van Niflheim, hoog zich verheffend boven Midgard, rees de heilige brug Bifröst (Asabru, de regenboog) op, gebouwd uit vuur, water, en lucht, welker beweeglijke en wisselende tinten zij behield, en waarover de goden heen en weer naar de aarde trokken of naar de Urdar-bron, aan den voet van den esch Yggdrasil, waar zij dagelijks vergaderden.

"De goden stonden op Namen hun paarden, vingen aan hun rit Over de Bifröst, brug die Heimdall hoedt, Naar Yggdrasil, den esch, naar 't Idavold, Thor kwam te voet, maar heel de rest te paard.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Van al de goden ging alleen Thor, de dondergod, nooit over de brug, uit vrees dat zijn zware tred of de hitte van zijn bliksem ze zou vernielen. De god Heimdall hield er dag en nacht de wacht. Hij was gewapend met een scherp zwaard, en droeg een trompet, Giallar-hoorn genaamd, waarop hij gewoonlijk een zachten toon blies om de komst of het vertrek der goden aan te geven, maar waarop hevig zou geblazen worden als Ragnarok zou komen, en de vorstreuzen en Surtr samenspanden om de wereld te verwoesten.

Surtr van het zuiden komt Met flikk'rende vlam; Blinkt van zijn zwaard Niet Val-gods zon? De rotsen worden saam gesloopt. De reuzenbergen wank'len; De menschen gaan het pad der hel, De hemel is gespleten.

Saemunds Edda.

De Vana's.

Ofschoon nu de oorspronkelijke bewoners van den hemel de Aesir waren, waren zij niet de eenige godheden van de noordelijke rassen, die ook de macht erkenden van de zee- en windgoden, de Vana's, wonend in Vana-heim en regeerend naar hun willekeur. In vervlogen tijden, eer de gouden paleizen in Asgard gebouwd waren, ontstond een twist tusschen de Aesir en Vana's, en zij grepen naar de wapenen, terwijl zij rotsen, bergen en ijsschotsen gebruikten als werptuigen in het gevecht. Maar toen zij weldra ontdekten dat in eenheid hun kracht lag, legden zij hunne geschillen bij en sloten vrede, en om het verbond te bekrachtigen wisselden zij gijzelaars uit.

Zoo gebeurde het dat de Van, Niörd, kwam wonen in Asgard, met zijn twee kinderen, Frey en Freya, terwijl de Asa, Hoenir, Odins eigen broeder, zijn tenten opsloeg in Vana-heim.

HOOFDSTUK II: ODIN.

Odin vader van goden en menschen.

Odin, Wuotan, of Wodan, was de hoogste en heiligste god van de noordelijke rassen. Hij was de alles doordringende geest van het heelal, de verpersoonlijking van de lucht, de god van universeele wijsheid en overwinning, en de leider en beschermer van vorsten en helden. Daar men veronderstelde dat al de goden van hem afstamden, had hij den bijnaam Alvader, en als oudste en opperste onder hen bezette hij den hoogsten zetel in Asgard. Bekend onder den naam Hlidskialf, was deze stoel niet enkel een verheven troon, maar ook een geweldige wachttoren, van waar hij de heele wereld kon overzien en met een enkelen blik in oogenschouw nemen alles wat er gebeurde onder goden, reuzen, elfen, dwergen en menschen.

En uit de hal des hemels toog hij weg Naar Lidskialf, en zat er op zijn troon, Den berg, van waar zijn oog de wereld ziet. En uit den hemel sloeg hij lichten blik En zag naar Midgard, d' aard' en 't menschenvolk.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Odins persoonlijke verschijning.

Niemand dan Odin en zijn vrouw en koningin Frigga mochten dezen zetel gebruiken, en als zij er op zaten keken zij meestal naar het Zuiden en het Westen, het wit van alle verwachtingen en tochten der noordelijke volken. Odin werd meestal voorgesteld als een groot, sterk man, ongeveer vijftig jaar oud, hetzij met donker krullend haar of met een langen grijzen baard en kaal hoofd. Hij was gekleed in een grijs gewaad, met een blauwe kap, en zijn gespierd lichaam was gehuld in een wijden blauwen mantel met grijze spikkels--een beeld van de lucht met haar wollige wolken. In zijn hand had Odin doorgaans de speer Gungnir die altijd trof en die zoo heilig was dat een eed, bij haar punt gezworen, nooit kon gebroken worden, en aan zijn vinger of arm droeg hij den wonderbaren ring, Draupnir, het zinnebeeld van vruchtbaarheid, boven vergelijking waardevol. Als hij op zijn troon zat of tot het gevecht was gewapend--want dikwijls daalde hij naar de aarde af om daaraan deel te nemen--dan droeg Odin zijn adelaarshelm; maar als hij vreedzaam over de aarde ging in menschelijke gestalte om te zien wat men uitvoerde, dan droeg hij doorgaans een breedgeranden hoed, laag over zijn voorhoofd getrokken, ten einde het feit te verbergen dat hij maar één oog had.

Twee raven, Hugin (gedachte) en Munin (geheugen) zaten op zijn schouders als hij op zijn troon zetelde, en deze zond hij elken morgen de wijde wereld in, met spanning wachtend op hun terugkeer tegen den avond, wanneer zij hem in het oor fluisterden alles wat zij gezien hadden en gehoord. Zoo werd hij goed op de hoogte gehouden van alles wat op aarde gebeurde.

Hugin en Munin Vliegen elken dag Over de wijde wereld. Ik vrees voor Hugin Dat hij niet weerkomt, Maar nog meer in angst ben ik voor Munin.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Aan zijn voeten hurkten twee wolven of jachthonden, Geri en Freki, dieren die daarom als heilig beschouwd werden en als goede voorteekenen wanneer men hen op weg tegenkwam. Odin voederde deze wolven altijd met eigen hand en met vleesch dat voor hen was neergezet. Hij wilde zelf geen voedsel en proefde zelden van iets behalve van de heilige mee.

Geri en Freki De krijger voedt, Der benden machtige heer; Maar van wijn enkel Bestaat de sterke Odin, hoogberoemd.

Lied van Grimnir.

Als hij in staatsie op zijn troon zat, deed Odin zijn voeten rusten op een voetbank van goud, het werk der goden wier meubelen en werktuigen alle gemaakt waren òf van dat kostbare metaal òf van zilver.

Behalve de prachtige hal Gladsheim, waar de twaalf zetels stonden waarop de goden zaten wanneer zij vergaderden, en Valaskialf, waar zijn troon, Hlidskialf, was geplaatst, had Odin een derde paleis in Asgard, gelegen in het midden van het wondervolle bosch Glasir, welks glanzende bladeren waren van rood goud.

Valhalla.

Dit paleis, Valhalla geheeten (de hal der uitgelezen verslagenen) had vijfhonderd veertig deuren, breed genoeg om achthonderd krijgslieden naast elkander door te laten, en boven den hoofdingang waren een zwijnskop en een adelaar welks scherpe blik doordrong tot de verste hoeken van de wereld. De muren van dit wondervolle gebouw waren gemaakt van schitterende speren, zoo sterk gepolijst dat zij de hal verlichtten. Het dak was van gouden schilden, en de banken waren versierd met schoone rustingen, de geschenken van den god aan zijn gasten. Hier boden lange tafels ruimschoots gerief aan de Einheriar, soldaten gevallen in den slag, die in het bijzonder door Odin begunstigd werden.

Gemakkelijk wordt herkend, Door hen die tot Odin gaan, Het verblijf als men het ziet, Zijn dak met speren belegd, Zijn hal met schilden bedekt, Met wapenen elke bank versierd.

Grimnirs Lied.

De oudste Noorsche natiën, die den oorlog voor het meest eervolle bedrijf hielden, en moed als de grootste deugd beschouwden, vereerden Odin vooral als god van strijd en zegepraal. Zij geloofden dat, zoo dikwijls er een gevecht op handen was, hij zijn bijzondere dienaressen, de schild-, strijd- of wenschmaagden, Valkyren (kiezers der gesneuvelden) geheeten, uitzond, die uit de doode krijgers het halve aantal kozen en ze droegen op haar snelle rossen over de sidderende regenboogbrug, Bifröst, in het Valhalla. Welkom geheeten door Odins zonen, Hermod en Bragi, werden de helden geleid naar den voet van Odins troon, waar zij den prijs ontvingen die hun moed toekwam. Als een of andere uitverkorene van den god dus in Asgard werd gebracht, stond Valvader (vader der gesneuvelden) zooals Odin heette wanneer hij het voorzitterschap bekleedde over de krijgers, soms van zijn troon op en heette hem in persoon welkom aan de groote ingangspoort.

Het feest van de helden.

Behalve den roem van zulk een onderscheiding en het genot van Odins geliefde tegenwoordigheid dag op dag, wachtten nog andere stoffelijke genietingen de krijgers in het Valhalla. Een onbekrompen onthaal werd hun bereid aan lange tafels, waar de schoone maagden met hare blanke armen, de Valkyren, hen met nauwgezetten ijver dienden, nadat zij hare wapenrusting hadden afgelegd en zij zich in zuivere, witte kleederen hadden gedoscht. Deze maagden, negen in getal, volgens sommige bronnen, brachten den helden groote horens met heerlijke mêe gevuld, en zetten hun enorme porties wild-zwijnenvleesch voor, waarvan zij lekker smulden. De gewone Noorsche drank was bier of ale, maar onze voorvaderen vonden dit drinken te gemeen voor de hemelsche sfeer. Zij verbeeldden zich dus dat Valvader zijn tafel ruim voorzien had van mee of honigwijn die dagelijks in groote hoeveelheid door zijn geit Heidrun werd geleverd. Deze geit graasde voortdurend de teere bladeren en twijgen op Lerad, den hoogsten top van den Yggdrasil.

Veel strijd, gevaarvol vechten was hun leus; Ontijdig en met purpren wonden vol, Was harde dood hun keus; hij bracht hun aan Een recht op feest en drinken dat nooit eindt In Odins hal, welks ruim weerklinken deed 't Vroolijk rumoer der schimmen, eens geveld In woest gevecht of door gedurfden slag.

Vrijheid (James Thomson).

De spijs die de Einheriar aten was het vleesch van het goddelijke everzwijn Saehrimnir, een wonderbaar dier, dat dagelijks geslacht werd door den kok Andhrimnir, en gekookt in den grooten ketel Eldhrimnir; maar ofschoon de gasten van Odin echten noorschen eetlust hadden en tot verzadigings toe aten, was er altijd vleesch genoeg voor allen.

Andhrimnir kookt In Eldhrimnir Saehrimnir; 't Is 't beste vleesch; Geen schier kent Der Einherjen spijs.

Grimnirs lied.

Bovendien was de voorraad onuitputtelijk, want het wilde zwijn kwam altijd weer in het leven terug vóór het uur van den volgenden maaltijd. De wonderbare vernieuwing van voorraad in de provisiekamer was niet de eenige miraculeuse gebeurtenis in Valhalla, want men zegt dat de krijgers na tot verzadigd wordens toe gegeten en gedronken te hebben, altijd naar hun wapenen vroegen, zich uitrustten en naar het groote hofplein reden, waar zij tegen elkander vochten en de wapenfeiten herhaalden, waardoor zij beroemd waren geworden op aarde, en dat zij elkander roekeloos vreeslijke wonden toebrachten, die echter op wonderdadige wijze totaal waren genezen zoodra de etenshoren klonk.

Odins uitverkoren gasten Spelen daag'lijks 't oorlogsspel; Van het feestlijk kampgebied Rijden zij in glinstrend staal; En vroolijk, aan der goden disch, Zwelgt men den kroes met fonklend bier, En eet Saehrimni's roemrijk vleesch.

Vafthrudni's-mal.