Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen
Chapter 19
Eenige weken na de terugkomst van het bruidspaar, kwamen dus Volsungs goed bemande schepen in het gezicht van Siggeirs kusten. Signy had angstig uitgekeken, en toen zij ze bemerkte, haastte zij zich naar de kust om hare verwanten te smeeken niet te landen, terwijl zij ze waarschuwde dat haar man verraderlijk een hinderlaag had gelegd, waaraan zij niet levend konden ontsnappen. Maar Volsung en zijn zonen, die geen gevaar kon verschrikken, zeiden haar kalm, dat zij moest terugkeeren naar het paleis van haar echtgenoot en, hun wapenen aandoende, stapten zij fier aan land.
En zacht kuste haar Volsung: "'t Spijt mij voor u, mijn schat. Maar d'aard heeft het vernomen, wat 'k ongeboren bad, Hoe 'k nooit mij af zou keeren van zwaard of gif of vuur, En 'k heb dat woord gehouden--zal 't anders zijn dit uur? En zie op deez' uw broed'ren, wat zijn zij groot en fier, Wilt gij dat hen bespotten de meisjes (als dit hier Behoort tot het verleden) omdat zij vreesden 't lot? Laat ons wat plicht is werken en oogsten roem voor spot, En als de Nornen willen dat Volsungs huis bezwijk', 'k Weet dat de daad niet omkomt, de naam duurt sterk en rijk."
Het gebeurde zooals Signy had gezegd, want op weg naar het paleis viel de dappere kleine schare in Siggeirs hinderlaag, en, ofschoon zij met heldenmoed vochten, werden zij zóó overweldigd door het grooter getal hunner vijanden, dat Volsung werd vermoord en al zijne zonen gevangen genomen. De jonge mannen werden geboeid gebracht in de tegenwoordigheid van den lafhartigen Siggeir, die geen deel aan het gevecht had genomen, en Sigmund werd genoodzaakt zijn kostbaar zwaard af te staan, waarop hij en zijn broeders ter dood veroordeeld werden.
Signy, het wreede vonnis hoorend, kwam te vergeefs voor hare broeders op; al wat zij door hare gebeden en overredingen kon verkrijgen was, dat zij zouden worden geketend aan een omgevallen eik in het woud, om van honger en dorst om te komen als de wilde beesten hen spaarden. Dan, opdat zij hare broeders niet zou opzoeken en helpen, sloot Siggeir zijn vrouw in het paleis op, waar zij dag en nacht nauwkeurig werd bewaakt.
Elken morgen vroeg zond Siggeir zelf een bode in het woud om te zien of de Volsungs nog leefden, en elken morgen kwam de man weerom, zeggende dat een monster 's nachts was gekomen en een van de prinsen had verslonden, niets dan zijn beenderen overlatend. Ten slotte, toen niemand dan Sigmund in leven was, dacht Signy een plan uit, en zij kreeg van een harer dienaren gedaan dat deze wat honig in het woud bracht en dien over het gezicht en den mond van haar broeder smeerde.
Toen het wilde beest dien nacht kwam, aangetrokken door den geur van den honing, likte het Sigmunds gelaat, en stak zelfs zijn tong in zijn mond. Zijn tanden er op vastklemmend hield Sigmund, zwak en gewond als hij was, het dier beet, en in zijn wilde worsteling vielen zijn boeien af, en hij slaagde er in het roofdier te vermoorden dat zijn broeders verslonden had. Toen verdween hij in het woud, waar hij verborgen bleef totdat de bode van den koning als gewoonlijk was gekomen, en totdat Signy, uit de gevangenschap bevrijd, naar het woud kwam om over de overblijfselen van hare verwanten te weenen.
Hare diepe smart ziende en wetend dat zij geen deel had gehad aan Siggeirs wreedheid, sloop Sigmund uit zijn schuilplaats en troostte haar zoo goed als kon. Samen begroeven zij toen de bleekende beenderen, en Sigmund zwoer een plechtigen eed dat hij het onrecht, zijn geslacht aangedaan, zou wreken. Deze gelofte vond groote instemming bij Signy, die echter haar broeder verzocht een gunstigen tijd af te wachten en beloofde hem hulp te zullen zenden. Toen scheidden de broeder en zuster neerslachtig, zij om weer te keeren tot haar gehaat paleis, en hij naar een verwijderd deel van het woud, waar hij een kleine hut bouwde en het beroep van smid uitoefende.
En Signy weende stil, Toen zij ging van den laatsten der haren; toch weende zij gansch niet meer Als zij was aan het hof van Siggeir, en zoo lieflijk als weleer Scheen haar blik in aller oogen, en niets deed kennen haar rouw, Noch haar vrees, noch eenig begeeren; geen die kon zeggen in trouw, Dat zij ooit sinds dat uur heeft gelachen totdat haar sterfuur kwam.
Signy's Zonen.
Siggeir nam nu bezit van het Volsungrijk en gedurende de eerste paar jaren sloeg hij trotsch het opgroeien van zijn oudste zoon gade, dien Signy heimelijk naar haar broeder zond toen hij tien jaar oud was, opdat Sigmund het kind zoover mocht brengen, dat hij hem zou helpen in zijn wraakoefening als hij dit zou blijken te verdienen. Sigmund nam met tegenzin de opdracht aan; maar zoodra hij den jongen op den proef had gesteld, vond hij dat hij gebrek aan moed had en zond hem dus òf terug naar zijn moeder, òf, zooals sommige overleveringen verhalen, vermoordde hem.
Eenigen tijd hierna werd de tweede zoon van Signy, met hetzelfde doel in het bosch gezonden, maar Sigmund merkte, dat hij even weinig moed had. Blijkbaar zou niemand anders dan een Volsung van onvervalschten bloede geschikt zijn voor het grimmige werk der wraak, en Signy, dit begrijpend, besloot een misdaad te begaan.
En zij mompelde eens in het donker: "Waar was dan het oud refrein Dat de goden tweelinggeboren het dochten geen kwaad te zijn Te paren ten dienste der wereld, waaruit de Aesir ontsprong En de Vanir en het Dwergkind en al wat op aarde gong?
Haar besluit was genomen, en zij riep een schoone jonge heks en ruilde met haar van gestalte, waarna zij de diepten van het donkere woud opzocht en een schuilplaats zocht in Sigmunds hut. De Volsung ontdekte de vermomming van zijn zuster niet. Hij hield haar slechts voor de heks die zij scheen, en spoedig door haar coquetterie gewonnen maakte hij haar tot zijn vrouw. Drie dagen later verdween zij uit de hut, en, naar het paleis terugkeerend, nam zij hare oude gestalte weder aan, en toen zij daarop een zoon baarde, verheugde zij zich er over dat zij in zijn fieren blik en sterken bouw de belofte zag van een Volsungheld.
Sinfiotli.
Toen Sinfiotli, zooals het kind werd genoemd, tien jaar oud was, nam zij zelf een voorloopige proef van zijn moed door zijn kleed aan zijn huid vast te naaien, en het daarop plotseling af te rukken, en daar de dappere jongen geen spier vertrok maar luidkeels lachte, zond zij hem vol vertrouwen naar de hut in het bosch. Sigmund maakte spoedig aanstalten tot zijn gewone proefneming, en eer hij op zekeren dag de hut verliet, beval hij Sinfiotli meel uit een bepaalden zak te nemen en het te kneden en brood te bakken. Bij zijn thuiskomst vroeg Sigmund of zijn bevelen waren uitgevoerd. De knaap antwoordde doordat hij het brood toonde, en toen hij verder ondervraagd werd, bekende hij eenvoudig weg dat hij in het brood een groote adder had moeten kneden, die in het meel was verborgen. Verheugd te bespeuren dat de knaap voor wien hij een vreemde genegenheid voelde, met goed gevolg de proef had doorstaan die zijn broeders had afgeschrikt, stelde Sigmund hem er vrij van, het brood te eten, want ofschoon hij bestand was tegen den beet van een slang, kon hij niet, zooals zijn mentor, vergif gebruiken zonder er letsel van te ondervinden.
Want het verhaal der ouden verbaast de menschen zeer, Dat Sigmund zoo was geschapen onder alle vorsten op aard. Dat hij adders kon hanteeren en wat andren sterven baart, En drinken vergif zonder letsel, maar zoo was Sinfiotli's bouw, Dat een beet van kruipende dieren in 't geheel hem niet deren zou.
De weerwolven.
Sigmund begon nu Sinfiotli geduldig alles te leeren wat een krijgsman van het Noorden moest weten, en de twee werden weldra onafscheidelijke metgezellen. Op zekeren dag toen zij samen door het woud zwierven, kwamen zij aan een hut, waar zij twee mannen in diepen slaap vonden. Dicht bij hen hingen twee wolfshuiden, die onmiddellijk aangaven dat de vreemdelingen weerwolven waren, wien een wreede betoovering hun natuurlijke gedaante ontzegde, tenzij voor korten tijd. Door nieuwsgierigheid gedreven trokken Sigmund en Sinfiotli de wolfshuiden aan, en zij zwierven weldra, als wolven vermomd, door het woud, vermoordend en verslindend alles wat hun in den weg kwam.
Zóó wolfsch was hun aard, dat zij weldra elkander aanvielen, en na een wild gevecht viel Sinfiotli, de jongste en zwakste, dood neer. Dit ongeluk bracht Sigmund tot bezinning, en hij bukte zich in wanhoop over zijn vermoorden metgezel. Op dit oogenblik zag hij twee wezels uit het bosch komen en elkander woedend aanvallen, totdat de een dood neerlag. De overwinnaar sprong toen in het kreupelhout om met een blad terug te komen, dat hij op de borst van zijn makker legde. Toen zag men een wonder gebeuren, want op de aanraking van het tooverkruid kwam het doode dier weer in het leven. Een oogenblik later liet een raaf die over hen heenvloog een dergelijk blad vallen aan Sigmunds voeten, en hij, begrijpend dat de goden hem wilden helpen, legde het op Sinfiotli, die te gelijker tijd weer levend werd.
In vreeslijken angst dat zij elkander weer kwaad zouden doen, kropen Sigmund en Sinfiotli nu naar huis, en wachtten, tot de tijd van hun verlossing zou aanbreken. Tot hun groote verlichting vielen de huiden den negenden nacht af, en zij wierpen ze snel in het vuur, waar zij geheel verteerd werden, en de tooverkracht was voor goed gebroken.
Sigmund en Sinfiotli door Siggeir gevangen genomen.
Sigmund vertelde nu het verhaal van het hem aangedaan onrecht aan Sinfiotli, die zwoer dat, ofschoon Siggeir zijn vader was (want noch hij noch Sigmund wisten het geheim van zijn geboorte), hij hem in zijn wraakneming zou helpen. Bij het vallen van den avond dus vergezelde hij Sigmund naar de hal van den koning en zij traden ongezien binnen, terwijl zij zich in den kelder verborgen, achter de groote vaten bier. Hier werden zij ontdekt door Signy's twee jongste kinderen, die, terwijl zij met gouden ringen speelden, welke in den kelder rolden, plotseling tegen de mannen in hinderlaag aanliepen.
Zij riepen luidkeels hun ontdekking aan hun vader en zijn gasten, maar eer Siggeir en zijn mannen de wapenen konden opvatten, nam Signy beide kinderen, sleepte ze in den kelder en beval haar broeder de kleine verraders te vermoorden. Sigmund wilde dit volstrekt niet doen, maar Sinfiotli sloeg hunne hoofden af eer hij zich keerde tegen de aanvallers, die nu op hem aankwamen.
In weerwil van alle pogingen vielen Sigmund en zijn dappere jonge makker in handen van de Gothen, waarop Siggeir hen veroordeelde levend begraven te worden in denzelfden wal, met een steenen afscheiding tusschen hen, zoodat zij elkander noch konden zien noch aanraken. De gevangenen werden dus in hun levend graf opgesloten, toen Signy kwam met een bos stroo, dien zij aan Sinfiotli's voeten mocht werpen, want de Gothen dachten dat hij enkel eenige proviand bevatte, dat zijn doodstrijd zou kunnen verlengen, zonder dat het hem hielp ontsnappen.
Toen alles stil was, maakte Sinfiotli de schoof open, en groot was zijn vreugde, toen hij in plaats van brood het zwaard vond dat Odin aan Sigmund gegeven had. Wetende dat niets het scherpe staal van dit mooie wapen kon afstompen of breken, stootte Sinfiotli het door de steenen afscheiding, en, geholpen door Sigmund, slaagde hij er in, een opening te maken en ten slotte bewerkten beiden hun ontvluchting door het dak.
Toen in de donkre diepten stond koning Sigmund hoog, En met zijn naakte hand hij het oorlogszwaard bewoog; Zij trokken 't Godsgeschenk met moeite heen en weer, Sigmund, Sinfiotli zaagde, de steen, gekloofd, viel neer; Toen kusten zij elkander, zij hieuwen met veel kracht, Tot door de open spleten hun scheen de winternacht, Toen sprongen z' uit met vreugde, zij hadden reeds verstaan, Eer zij 't elkander zeiden, waarheen zij zouden gaan.
Sigmunds wraak.
Zoodra zij vrij waren, keerden Sigmund en Sinfiotli naar de hal van den koning terug, hoopten er ontbrandbare stoffen om heen op en staken die massa in brand. Toen stelden zij zich op aan beide kanten van den ingang en beletten allen behalve de nonnen den doortocht. Zij bezwoeren Signy met luider stem te ontsnappen eer het te laat was, maar zij begeerde niet te leven, en toen zij in den ingang kwam tot een laatste omhelzing, vond zij gelegenheid om het geheim van Sinfiotli's geboorte te verraden, waarop zij terug in de vlammen sprong en met de overigen omkwam.
En koning Siggeirs dakboom dreigde laatste val, De muren stortten samen, en wat was arm en kleen Vermengde nu de vuurdood met 's konings kostbaarheen.
Helgi.
De lang beraamde wraak wegens het vermoorden van de Volsungs dus volvoerd hebbende, ging Sinfiotli, die voelde dat hem nu niets terughield in het land van de Gothen, scheep, en keerde weerom naar Hunnenland, waar hij hartelijk welkom geheeten werd tot den zetel der heerschappij onder de schaduw van zijn voorvaderlijken boom, den fieren Branstock. Toen zijn gezag volkomen was gevestigd, trouwde Sigmund Borghild, een schoone prinses, die hem twee zonen schonk, Hamond en Helgi. De tweede kreeg bezoek van de Nornen toen hij in zijn wieg lag, en zij beloofden hem een rijk onthaal in het Valhalla, als zijn aardsche loopbaan zou zijn geëindigd.
De vrouw was schoon en lieflijk en schonk hem kroost, geëerd, Zij heetten Hamond en Helgi, en, toen zij Helgi had, Verschenen aan zijn wiegje de Nornen met veel schat, Zij hebben hem Zonneheuvel, Scherpzwaard en Ringland genoemd, En zeiden dat hij zou worden groot en onder vorsten beroemd.
Noorsche koningen vertrouwden de opvoeding hunner zonen meestal aan een vreemdeling toe, want zij dachten dat zij zoo minder toegeeflijk behandeld zouden worden dan thuis. Dienovereenkomstig werd Helgi opgevoed door Hagal, en onder diens leiding werd de jonge vorst zóó moedig, dat hij, toen hij vijftien jaar was, zich alleen in de hal van Hunding waagde, met wiens geslacht zijn familie in twist was. Zonder letsel en onherkend kwam hij door de hal en liet een onbeschaamde boodschap achter, die Hunding zóó vertoornde dat hij onmiddellijk er op uitging om den brutalen jongen prins te vervolgen, dien hij nazette tot het huis van Hagal. Om veilig te zijn had Helgi zich als een dienstmeisje toegerust en was bezig koren te malen alsof dit zijn gewone werk was. De vervolgers verbaasden zich eenigszins over de forsche gestalte en de gespierde armen van het meisje, maar vertrokken niettemin zonder te vermoeden dat zij zoo dicht bij den held waren geweest dien zij zochten.
Nadat hij zoo handig was ontsnapt, kwam Helgi bij Sinfiotli en, een leger op de been brengende, trokken de beide jonge mannen moedig tegen de Hundings op, tegen wie zij een groot gevecht leverden, waarover de Valkyren zweefden, wachtend om de verslagenen naar het Valhalla te brengen. Goedroen, een van de oorlogsmeisjes, werd zoo getroffen door den moed dien Helgi ten toon spreidde, dat zij hem openlijk zocht en beloofde zijn vrouw te zullen worden. Slechts een van het Hundinggeslacht, Dag, bleef in leven, en hij mocht vrij uitgaan, nadat hij beloofd had geen poging te zullen doen om den dood zijner bloedverwanten te wreken. Deze belofte werd echter niet gehouden, en Dag, Odins speer Gungnir in bezit gekregen hebbend, versloeg Helgi er verradelijk mede. Goedroen, die intusschen haar belofte om zijn vrouw te worden was nagekomen, schreide vele tranen over zijn dood, en sprak een plechtige vervloeking uit over zijn moordenaar; toen, hoorend van een harer meisjes dat haar vermoorde echtgenoot haar uit de diepte van het graf riep, trad zij zonder vrees den heuvel bij nacht binnen en vroeg hem teeder waarom hij riep en waarom zijn wonden na zijn dood bleven bloeden. Helgi antwoordde dat hij niet kon rusten wegens haar smart, en zeide dat voor elken traan, dien zij geschreid had, een druppel bloed moest vloeien.
Gij weent, goudglanzende! Wreede tranen, Zonlichte dochter van 't zuid! Eer gij slapen gaat; Elk valt bloedig Op 's prinsen borst, Nat, koud, pijnend, Van droefenis zwaar.
Saemunds Edda.
Om de geest van haar geliefden man tot rust te brengen, hield Goedroen van dat oogenblik op met weenen, maar zij bleven niet lang gescheiden, want spoedig nadat de geest van Helgi over Bifröst had gereden en Valhalla was binnengegaan, om aanvoerder van de Einheriar te worden, kwam Goedroen bij hem, die, opnieuw als Valkyre, haar liefdevolle genegenheid tot hem keerde. Als zij op bevel van Odin zijn zijde verliet voor tooneelen van menschelijken strijd, was het om nieuwe recruten voor het leger te zoeken dat haar heer ten strijde moest voeren als Ragnarok, de godenschemering, komen zou.
De dood van Sinfiotli.
Sinfiotli, Sigmunds oudste zoon, stierf ook vroeg; want, nadat hij in een twist den broeder van Borghild had verslagen, besloot zij hem te vergiftigen. Twee malen ontdekte Sinfiotli de poging en vertelde zijn vader dat er vergif in den beker was. Twee malen ledigde Sigmund, wien geen vergif kon deren, den beker, en toen Borghild een derde poging deed, zeide hij Sinfiotli dat hij den wijn door zijn baard moest laten loopen. De bedoeling van zijns vaders woorden verkeerd verstaande, ledigde Sinfiotli den beker onmiddellijk en viel levenloos op den grond, want het vergif was van de meest doodelijke soort.
Hij dronk toen hij sprak het woord en het gif vloeide neder dan In een kouden vloed over zijn hart, en dood viel de sterke man Zonder stervensklacht tot besluit, noch met stervensblik die blonk En de vloer van de hal des Volsungs dreunde toen neer hij zonk. Toen hieven de ouden van dagen zich op met bitteren kreet, En beurden het hoofd van het offer; geen durfde hooren van 't leed Dat sprak uit zijn mond, ten minste wanneer hij woorden zei; Ten ware die uitte Alvader toen Balder gestorven lei. En weer als vóór den slag kwam, werd schemerig des Volsungs gewelf, En weer scheen hij in de bosschen, waar hij sprak met zich zelf.
Sprakeloos van smart nam Sigmund teeder het lichaam van zijn zoon in zijn armen, en schreed uit de hal naar de kust, waar hij zijn kostbaren last in een bootje legde dat een eenoogige bootsman op zijn roepen bracht. Hij zou zelf ook gaarne aan boord zijn gegaan, maar eer hij dit kon doen, stiet de bootsman af en het ranke vaartuig was uit het gezicht. De beroofde vader ging toen langzaam naar huis, troost puttend uit de gedachte dat Odin zelf gekomen was om den jongen held op te eischen en met hem "naar het westen" was geroeid.
Hiordis.
Sigmund zette Borghild als zijn vrouw en koningin tot straf voor haar misdaad af, en toen hij zeer oud was, dong hij naar de hand van Hiordis, een schoone jonge prinses, dochter van Eglimi, koning van de Eilanden. Deze jonge maagd had vele vrijers, o.a. koning Lygni van Hundings geslacht, maar zóó groot was Sigmunds roem, dat zij hem verheugd aannam en zijn vrouw werd. Lygni, de versmade vrijer, was zóó kwaad over deze beslissing, dat hij onmiddellijk een groot leger verzamelde en tegen zijn gelukkigen medeminnaar optrok, die, ofschoon overweldigd door de veel grootere schare, met den moed der wanhoop vocht. Uit de diepten van een bosch, dat het oorlogsterrein bestreek, wachtten Hiordis en haar maagd angstig het verloop van het gevecht af. Zij zagen Sigmund de dooden rondom zich ophoopen, want niemand kon hem weerstand bieden, totdat ten slotte een forsch, eenoogig krijgsman verscheen, en de hevigheid van het gevecht week voor den schrik door zijn aanwezigheid.
Zonder een oogenblik te talmen richtte de nieuwe kampioen een hevigen slag op Sigmund, dien de oude held met zijn zwaard afwendde. De schok verbrijzelde het ongeëvenaarde zwaard, en ofschoon de vreemde aanvaller verdween zooals hij gekomen was, bleef Sigmund zonder verweer achter en werd spoedig door zijn vijanden doodelijk gewond.
Doch zie, door de haag van de lansen een sterke held aankwam, Eenoogig en schijnbaar oud reeds, maar zijn aangezicht lichtt' als een vlam, Stralend grijs was z'n wambuis en wolkig blauw zijn hoed, En hij droeg een groote helbaard, toen hij schreed door de pijlen vol moed, En stond tegenover Sigmund, zijn wapen geheven ten slag, Nog eens om het hoofd van den Volsung men het Branstock's licht glanzen zag Het zwaard dat kwam van Odin, en Sigmunds wilde gerucht Ging boven het woelen der krijgers op naar de hooge lucht. Dan stieten op elkander de sneden bij Sigmunds stoot; En in splinters viel ter aarde de brenger van angst en dood. Maar veranderd was Sigmunds uitzicht en de moed verliet zijn blik Want de grauwe sterke helper was weg, en tot zijn schrik Drong d' ongebroken speerschacht op Volsungs leege hand En velde neder Sigmund, het wonder van ieder land, Op de krijgers, op de gewonden, die dien dag hij had neergeleid.
Toen het gevecht nu was gewonnen, en het geheele Volsunggeslacht vermoord, haastte Lygni zich van het oorlogsveld om bezit te nemen van het koninkrijk en de schoone Hiordis te dwingen zijn vrouw te worden. Zoodra hij echter gegaan was kroop de schoone jonge koningin uit haar schuilplaats in het kreupelhout en zocht de plek waar Sigmund zoo goed als dood lag. Zij nam den gewonden held aan haar borst in een laatste hartstochtelijke omarming en luisterde toen onder tranen, terwijl hij haar zeide, de stukken van zijn zwaard te verzamelen, en ze zorgvuldig te bewaren voor hun zoon die--voorspelde hij--spoedig zou geboren worden, en die bestemd was zijns vaders dood te wreken en veel grooter te zijn dan hij.
'k Heb eerlijk gewerkt voor de Volsungs en toch wist ik al te goed, Dat een het zal voleinden die mij overtreft in moed: Men zal de splinters smeden voor hem, het zal zijn mijn zoon Die gedenkt wat ik heb vergeten en zet op mijn werken de kroon.
Elf, de Viking.
Terwijl Hiordis treurde over Sigmunds levenloos lichaam, waarschuwde haar dienstmeisje haar plotseling dat een bende Vikings naderde. Zij trokken zich nogmaals in het bosch terug, en de twee vrouwen verwisselden hare kleederen, waarop Hiordis het meisje beval vooruit te loopen en zich als de koningin te houden, en zoo gingen zij den viking Elf (Helfrat of Helferich) tegemoet. Elf ontving de vrouwen beleefd en haar verhaal van het gevecht wekte zóó zijn bewondering voor Sigmund op, dat hij de overblijfselen van den gevallen held eerbiedig naar een passende plaats liet brengen, waar zij met alle behoorlijke plechtigheden werden ter aarde besteld. Hij bood toen de koningin en haar meisje een veilig toevluchtsoord aan in zijn hal en zij vergezelden hem met vreugde over de zeeën.
Daar hij van het eerste oogenblik af beider betrekkingen onderling betwijfeld had, nam Elf de eerste de beste gelegenheid te baat--nadat hij in zijn rijk was aangekomen--om een schijnbaar onbeduidende vraag te doen opdat hij de waarheid zoude weten. Hij vroeg de eene die zich voor koningin uitgaf, hoe zij wist dat het uur was gekomen om op te staan, wanneer de winterdagen kort waren en er geen licht was om het aanbreken van den morgen te melden, en zij antwoordde, dat, daar zij altijd gewoon was melk te drinken eer zij de koeien voerde, zij altijd dorstig wakker werd. Toen dezelfde vraag aan de werkelijke Hiordis werd gedaan, antwoordde zij, met even weinig nadenken, dat zij den morgen gekomen wist, omdat op dat uur de gouden ring, dien haar vader haar had gegeven, koud werd in haar hand.
De geboorte van Sigurd.