Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen
Chapter 18
Nu was Esbern, ofschoon van geringen stand, trotsch van hart, evenals de heer, en hij besloot, wat er van komen mocht, een weg te vinden om zijn geliefde te krijgen. Zoo ging hij tot een troll in Ullshoi Hell, en trof een overeenkomst waarbij de troll een mooie kerk zou bouwen, maar als zij klaar was moest Esbern den naam van den bouwer zeggen of zijn oogen en zijn hart verbeuren.
Nacht en dag werkte de troll voort, en toen het gebouw bijna klaar was, werd Esbern Snara, droeviger. Hij luisterde bij de spleten van den heuvel in den nacht; hij lette op overdag; hij werd als een schim door zijn angstige gedachten; hij bezwoer de elven hem te helpen. Maar het baatte allemaal niets. Geen geluid hoorde hij, niets zag hij dat den naam van den bouwer verried.
Intusschen werd de zaak bekend, en de schoone Helva, die van de leelijke overeenkomst hoorde, bad voor de ziel van den ongelukkigen man.
De tijd ging voorbij, totdat op zekeren dag aan de kerk slechts één pilaar ontbrak, en verleid door duistere wanhoop, zonk Esbern uitgeput op een bank, waar hij den dwerg den laatsten steen hoorde hameren in den harden ondergrond. "Dwaas die ik ben", zeide hij bitter, "ik heb mijn graf gebouwd".
Juist toen hoorde hij een lichten voetstap, en toen hij opkeek, zag hij zijn geliefde. "Ik wilde dat ik in uw plaats sterven kon", zeide zij, door hare tranen heen, en daarop bekende Esbern dat hij uit liefde voor haar oogen zoowel hart als ziel had gewaagd.
Terwijl de troll onder den grond voorthamerde, bad Helva naast haren minnaar, en de gebeden van het meisje waren sterker dan de toovermacht van den troll, want plotseling ving Esbern den klank op van een troll-vrouw die voor haar kind zong en zeide dat het stil moest zijn, want dat, den volgenden dag, Vader Fine zou terugkeeren met de oogen en het hart van een sterveling.
Zeker van zijn slachtoffer ijlde de troll naar Kallundborg met den laatsten steen. "Te laat, Fine!" zei Esbern, en bij dat woord verdween de troll met zijn steen en men zegt dat de boeren 's nachts het gezucht van een vrouw onder den grond hoorden en de stem van den dwerg, die luid schold.
Van den dwerg van de kerk zij zingen het lied als de maan op de zee hare stralen giet, en de visschers van Zeeland zij hooren zijn stem en bij Ulshoi-heuvel het schelden van hem.
En ginds aan den zeekant waar bloeit de berk, staat steeds nog de toren van Kallundborg kerk, Waar d' eerste aan 't outer als huwend paar, Stonden Helva van Nesvek en Esbern Snare.
J. G. Whittier.
De tooverij van de dwergen.
De dwergen, zoo goed als de elven, werden geregeerd door een koning, die in verschillende landen van Noord-Europa bekend was als Alberich, Elbegast, Gondemar, Laurin, of Oberon. Hij woonde in een prachtig onderaardsch paleis, versierd met de edelsteenen die zijn onderdanen uit den boezem der aarde gehaald hadden, en behalve onnoemelijke rijkdommen, en de Tarnkap, bezat hij een tooverring, een onoverwinlijk zwaard en een krachtgordel. Op zijn bevel vervaardigden de kleine mannen, die heel handige smeden waren, wonderbare juweelen of wapenen, die hun gebieder aan geliefde stervelingen schonk.
Wij hebben reeds gezien, hoe de dwergen Sifs gouden haar, het schip Skidbladnir, de punt van Odin's speer Gungnir, den ring Draupnir, het zwijn met gouden borstels Gullin-bursti, den hamer Miölnir en Freya's gouden halsketen Brisingamen maakten. Men zegt ook dat zij hebben vervaardigd den toovergordel, dien Spenser beschrijft in zijn gedicht "Faerie Queene"--een gordel, die, zooals men beweerde, de kracht had om te openbaren of hij, die hem droeg, deugdzaam was of een huichelaar.
Die gordel gaf de deugd van kuische min En trouw aan wie haar omhad, iedereen, Maar elk die sloeg verboden wegen in Kon hem niet dragen om het middel heen, Dan ging hij los of scheurd' ook wel van een.
Faerie Queene (Spenser).
De dwergen maakten ook het mythische zwaard Tyrfing, dat ijzer en steen kon doorsnijden en dat zij aan Angantyr gaven. Dit zwaard, evenals dat van Frey, vocht uit zich zelf en kon niet in de scheede gestoken worden, nadat het eens was getrokken, voordat het bloed had geproefd. Angantyr was zóó trotsch op dit wapen, dat het met hem begraven werd; maar zijn dochter Hervor bezocht zijn grafmonument te middernacht, sprak tooverformulieren uit en noodzaakte hem uit zijn graf op te staan en haar het kostbare zwaard te geven. Zij voerde het dapper en het werd later het eigendom van een anderen der Noorsche helden.
Een ander beroemd wapen, dat volgens de overlevering door de dwergen in Oostelijke landen gesmeed werd, was het zwaard Angurvadel, dat Frithiof kreeg als een deel der erfenis van zijn vaderen. Zijn gevest was van geslagen goud, en op het staal waren runen gegrift die onzichtbaar waren, totdat het in den oorlog gezwaaid werd, wanneer zij rood vlamden als de kam van den vechtenden haan.
De held was verloren Die vond in een nachtelijk gevecht dit zwaard met z'n vurige runen, Wijd in het rond beroemd, het kostlijkst der zwaarden van 't Noorden.
Tegnér's Frithiof.
Het weggaan van de dwergen.
De dwergen waren over het algemeen vriendelijk en hulpvaardig, soms kneedden zij brood, maalden meel, brouwden bier, verrichtten tallooze huiselijke werkzaamheden en dorschten het koren voor de boeren. Als zij echter slecht behandeld werden of belachelijk gemaakt, verlieten deze kleine wezens het huis en kwamen nooit weerom. Toen de oude goden niet meer aangebeden werden in de noordelijke landen, trokken de dwergen zich geheel uit de streek terug, en een veerman vertelt hoe hij gehuurd was door een geheimzinnig persoon om zijn boot op zekeren nacht heen en weer over de rivier te sturen, en bij iederen tocht was zijn schip zóó vol geladen met onzichtbare passagiers dat het bijna zonk. Toen zijn nachtelijke arbeid gedaan was, kreeg hij een rijke belooning, en zijn klant zeide hem dat hij de dwergen over de rivier had gebracht, daar zij het land voor goed verlieten wegens het ongeloof van het volk.
Ondergeschoven kinderen.
Volgens het populair bijgeloof trachtten de dwergen, die ijverzuchtig waren op de forschere gestalte van den mensch, dikwijls hun geslacht te verheffen door menschelijke vrouwen te veroveren of door ongedoopte kinderen te stelen, en hun eigen kroost in plaats er van aan de menschelijke moeder ter zooging te geven. Deze dwergkinderen waren kenbaar aan hun kleine en schamele gestalte. Om haar eigen kind terug te krijgen en zich van het ondergeschovene te ontdoen, moest een vrouw bier in eierschalen brouwen of de zolen van de voeten van het kind met vet insmeren en ze zóó dicht bij de vlammen houden dat de dwergouders, aangetrokken door de wanhopige kreten van hun kroost, zich haastten hun eigen kind op te eischen en het gestolene weerom te geven.
Men zeide, dat de troll-vrouwen de macht hadden zich te veranderen in Mara's of nachtmerries en te kwellen ieder dien zij wilden; maar als het slachtoffer er in slaagde het gat te stoppen, waardoor een Mara zijn kamer binnendrong, was zij geheel aan zijn genade overgeleverd en hij kon haar zelfs noodzaken hem te trouwen als hij dit verkoos. Een vrouw, die dus verkregen was, moest blijven zoolang de opening, waardoor zij in het huis gekomen was, was gesloten, maar als de prop was verwijderd hetzij bij toeval of met opzet, vluchtte zij dadelijk en kwam nooit weerom.
De Troll-pieken.
Natuurlijk zijn de overleveringen aangaande het kleine volkje overal in het Noorden veelvuldig, en vele plaatsen zijn verbonden met hun herinnering. De welbekende Troll-pieken (Trold-Tindterne) in Noorwegen zijn, zegt men, het tooneel van een strijd tusschen twee troepen dwergen, die in de hevigheid van het gevecht er niet op letten dat de zon opging, met het gevolg, dat zij in kleine rotspunten veranderd werden, die op de kammen van den berg duidelijk zichtbaar zijn.
Een gissing.
Sommige schrijvers hebben de gissing gewaagd, dat de dwergen, die zoo dikwijls in de oude sagen en feeënvertellingen genoemd worden, misschien de Phoenicische mijnwerkers waren, die, in de kool-, ijzer-, koper-, goud- en tinmijnen van Engeland, Noorwegen, Zweden enz. werkend, gebruik maakten van den eenvoud en de lichtgeloovigheid der oorspronkelijke bewoners en hen wijs maakten dat zij behoorden tot een bovennatuurlijk ras en altijd onder den grond woonden, in een gebied dat Svart-alfa-heim, of de woonplaats der zwarte elven heette.
HOOFDSTUK XXV: DE ELVEN.
Het gebied der Elven.
Behalve de dwergen was er een andere talrijke klasse van kleine wezens, Lios-alfan, licht- of witte elven geheeten, die het gebied der lucht tusschen den hemel en de aarde bewoonden, en in het algemeen geregeerd werden door den beschermgod Frey uit zijn paleis Alf-heim. Zij waren lieflijke, weldoende schepselen, zóó zuiver en onschuldig dat, volgens sommigen, hun naam was afgeleid van denzelfden wortel als het Latijnsche woord "wit" (albus) die, in een gewijzigden vorm, gegeven werd aan de met sneeuw bedekte Alpen, en aan Albion (Engeland) wegens zijn witte kalkrotsen, die men uit de verte kan zien.
De elven waren zóó klein, dat zij onzichtbaar konden rondzweven, terwijl zij over de bloemen, vogels en vlinders waakten, en daar zij hartstochtelijk verzot waren op dansen, gleden zij dikwijls op de aarde neer op een maanstraal om te dansen op het groen. Elkaar bij de hand houdend, dansten zij in cirkels en maakten daarbij "elvenkringen", die men kon onderscheiden door het dieper groen en de grootere weelderigheid van het gras, dat hun kleine voeten hadden gedrukt.
Vroolijk' elven, voeten strekkend Op muziek uit hooge lucht, Groene ring op heigrond trekkend, Dansen vlot met blij gerucht.
Sir Walter Scott.
Als een sterveling in het midden van een dezer elvenkringen stond, kon hij, volgens het populair geloof in Engeland, de feeën zien en hun gunst verwerven; maar de Skandinaviërs en Teutonen beweerden, dat de ongelukkige mensch sterven moest. Ter illustratie van dit bijgeloof wordt verteld hoe Sir Olaf, die ter bruiloft reed, door de elven in hun kring werd gesloten. Den volgenden dag waren zijn vrienden in plaats van vroolijk ter bruiloft te gaan, getuigen van een drievoudige uitvaart, want zijn moeder en zijn bruid stierven ook, toen zij zijn zielloos lichaam zagen.
Heer Olaf reed uit, eer de nacht was gegaan En kwam bij het dansende elvenvolk aan, De dans is zoo vroolijk, Zoo vroolijk in 't woud.
En 's anderen morgens eer 't zonlicht was rood, Vond men in zijn huis drie gestrekt in den dood. De dans is zoo vroolijk, Zoo vroolijk in 't woud.
Heer Olaf het eerst, dan zijn jeugdige bruid, Zijn moeder--zij hield het van jammer niet uit. De dans is zoo vroolijk, Zoo vroolijk in 't woud.
Meester Olaf en de Elvendans.
De Elvendans.
Deze elven waren ook geestdriftige musici en hadden vooral genot in een zekere melodie, die als de elvendans bekend was, en zóó onweerstaanbaar was dat niemand ze kon hooren en zijn danslust bedwingen. Als een sterveling, die de melodie hoorde, het waagde ze na te doen, merkte hij plotseling, dat hij niet kon ophouden en verder en verder moest spelen, totdat hij van uitputting stierf, tenzij hij handig genoeg was om de melodie achterstvoren te spelen of iemand zoo goed was de snaren van zijn viool te breken. Zijn hoorders, die moesten dansen zoolang de tonen aanhielden, konden slechts ophouden als deze zwegen.
De dwaallichtjes.
In de middeleeuwen waren de dwaallichtjes in het Noorden bekend als elvenlichten, want deze kleine geesten, vooronderstelde men, deden de reizigers verdwalen, en het volksbijgeloof hield het er voor, dat de dwaallichtjes de rustelooze geesten van moordenaars waren, die tegen hun wil werden gedwongen naar het tooneel hunner misdaden terug te keeren. Als zij elken nacht hierheen gingen, zoo vertelde men, herhaalden zij norsch met iederen stap: "Het is goed", maar als zij terugkwamen herhaalden zij droevig: "Het is verkeerd".
Oberon en Titania.
In latere tijden heette het, dat de feeën of elven geregeerd werden door den koning der dwergen, die een onderaardsche geest was en als een demon beschouwd werd en wellicht de toovermacht bezat, door de zendelingen aan den god Frey ontweldigd. In Engeland en Frankrijk werd de koning der feeën Oberon genoemd; hij regeerde het feeënland met zijn koningin Titania, en de grootste feesten op aarde werden in Midzomernacht gehouden. Dan kwamen al de feeën rondom hem samen en dansten zoo vroolijk.
Viert dan, blij als vogel, feest, Iedere elf en toovergeest Zingen saam in harmonie, Dansen op de melodie.
Midzomernachtsdroom (Shakespeare).
Alf-blot.
In Scandinavië en Duitschland werden aan de elven offers gebracht om ze gunstig te stemmen. Deze offers bestonden in een klein dier, of een schotel honig en melk, en waren bekend als Alf-blot. Zij kwamen veel voor, totdat de zendelingen het volk leerden dat de elven slechte demonen waren; toen werden zij op de engelen overgebracht, die men lang smeekte om de vrienden der menschen te zijn en die gunstig gestemd werden door dezelfde gaven.
Vele elven, meende men, leefden en stierven met de boomen en planten waarvoor zij zorgden, maar deze mos-, woud- of boommaagden waren bijzonder schoon als men ze van voren, maar hol als een trog, wanneer men ze van achteren zag. Zij komen in vele volksvertellingen voor als welwillende en hulpvaardige geesten, want zij hielpen de stervelingen gaarne en traden gaarne in vriendschappelijke verhoudingen tot hen.
Beelden op deurposten.
In Scandinavië werden de elven, beide lichte en donkere, vereerd als huisgodheden, en hunne beelden werden gesneden op de deurposten. De Noormannen, die van huis werden gedreven door de tirannie van Harald Harfager in 874, namen hun besneden deurposten met zich op hunne schepen mee. Dergelijke snijwerken, die beelden van de goden en helden bevatten, versierden de pilaren van hun hooge zetels, die zij ook meenamen. De ballingen toonden hun vertrouwen in hunne goden doordat zij deze houten beelden overboord wierpen, toen zij de kusten van IJsland naderden en zich neerzetten, waar de golven de posten heendroegen, al scheen ook de plaats nauwelijks de meest begeerlijke. "Zoo droegen zij met zich mede den godsdienst, de poëzie en de wetten van hun ras, en op het verlaten vulkanisch eiland bewaarden zij deze herinneringen honderden jaren onveranderd, terwijl andere Teutonische volken langzamerhand den invloed ondergingen van hun omgang met de Romeinsche en Byzantijnsche Christenheid". Deze herinneringen, zorgvuldig bewaard door Saemund den geleerde, vormen de Oudere Edda's, het meest waardevolle overblijfsel van de Oud-Noorsche letterkunde, zonder hetwelk wij betrekkelijk weinig van den godsdienst onzer voorvaderen zouden weten.
De sagen vertellen dat de eerste vestigingen in Groenland en Vinland op dezelfde wijze plaats hadden, terwijl de Noormannen namelijk landden waar hunne huisgoden aan de kust dreven.
HOOFDSTUK XXVI: DE SIGURD SAGA.
Het begin van het verhaal.
Terwijl het eerste deel van de Oudere Edda bestaat uit een verzameling allitereerende gedichten, die de schepping der wereld beschrijven en de avonturen van de goden en hun eventueelen ondergang, en een volledige uiteenzetting geeft van de Noorsche zedewet, bevat het tweede deel een reeks heldenliederen die de ondernemingen van het Volsunggeslacht beschrijven, en vooral van hun representatief hoofd, Sigurd, den geliefden held van het Noorden.
De Volsunga Saga.
Deze liederen vormen den grondslag van het groote Scandinavische heldendicht, de Volsunga Saga, en hebben niet alleen de stof geleverd voor het Nibelungenlied, het Germaansche epos, en voor tallooze volksvertellingen, maar ook voor Wagners beroemde opera's, Het Rijngoud, De Walküren, Siegfried en De Godenschemering. In Engeland heeft William Morris hun den vorm gegeven die zij waarschijnlijk zullen behouden in onze letterkunde, en uit dit groote epische gedicht citeeren wij in dit hoofdstuk, daar wij het verkiezen boven uittreksels uit de Edda.
Sigi.
De geschiedenis van de Volsungs begint met Sigi, een zoon van Odin, een machtig man, en over het algemeen geëerd, totdat hij iemand uit ijverzucht vermoordde, omdat de laatste meer buit maakte, toen zij samen op jacht waren. Wegens deze misdaad werd Sigi uit zijn eigen land verdreven en vogelvrij verklaard. Maar het schijnt dat hij niet geheel Odins gunst had verbeurd, want de god voorzag hem nu van een goed toegerust schip en een aantal dappere volgelingen en beloofde hun dat de overwinning hen altijd zou vergezellen.
Zoo, door Odin geholpen, werden de strooptochten van Sigi een schrik voor zijne vijanden, en ten slotte veroverde hij het schitterende rijk van de Hunnen en regeerde vele jaren als machtig vorst. Maar op hoogen leeftijd veranderde zijn geluk. Odin liet hem in den steek, de familie van zijn vrouw overviel hem en hij werd vermoord in een verraderlijk gevecht.
Rerir.
Zijn dood werd echter spoedig gewroken, want Rerir, zijn zoon, die terugkwam van een expeditie, waardoor hij op dien tijd uit het land was geweest, bracht de moordenaars ter dood als zijn eerste daad toen hij den troon beklom. De regeering van Rerir werd gekenmerkt door alle teekenen van voorspoed, maar zijn liefste wensch, een zoon, die hem zou opvolgen, bleef vele jaren onvervuld. Eindelijk echter besloot Frigga zijn standvastig gebed te verhooren en den erfgenaam, dien hij verlangde, te beloven. Zij zond dus haar snelle bodinne Gna, of Liod, met een wonderkrachtigen appel, dien zij in zijn schoot liet vallen toen hij alleen op den heuvelkant zat. Opkijkend herkende Rerir de gezante der godin en haastte zich vol vreugde naar huis om met zijn vrouw van den appel te eten. Het kind, dat te zijner tijd werd geboren onder deze gunstige omstandigheden, was een aardige kleine jongen. Zijn ouders noemden hem Volsung, en terwijl hij nog maar een kind was, stierven zij beiden en de knaap werd heer van dat land.
Volsung.
De jaren gingen voorbij en Volsungs rijkdom en macht namen steeds toe. Hij was de fierste leider en verzamelde vele dappere soldaten om zich heen. Vaak dronken zij zijn meede onder den Branstock, een grooten eik, die midden in zijn hal stond en het dak doorboorde en het geheele huis overschaduwde.
En als in al and're dingen 't was een huis als geen er is, Aan den muur hingen schoone schilden, van den roem getuigenis, En van binnen zag men 't mooiste, een wonder, roemrijk ding, Want uit den vloer in het midden van de hal een boom opging, Die spreidde zijn zegen over het dak en omkranste het wijd Met de glorie van elken zomer en de bloesems van den tijd.
Tien sterke zonen werden Volsung geboren, en een dochter, Signy, vervroolijkte zijn huis. Zóó lieflijk was dit meisje dat, toen zij den huwbaren leeftijd bereikte, vele vrijers naar hare hand dongen, onder welken was Siggeir, de koning van de Gothen, die ten slotte Volsungs toestemming kreeg, ofschoon Signy hem nooit had gezien.
Het trouwen van Signy.
Toen de trouwdag kwam en de bruid den haar bestemden man zag, schrikte zij met smart terug, want zijn nietige gestalte en loerende blikken contrasteerden onaangenaam met de flinke figuren en open gelaatstrekken harer broeders. Maar het was te laat om zich terug te trekken--de eer der familie stond op het spel--en Signy verborg met zóó goed gevolg haar afkeer, dat niemand behalve haar tweelingbroeder Sigmund vermoedde, met welke tegenzin zij Siggeirs vrouw werd.
Het zwaard van Branstock.
Terwijl het trouwfeest aan den gang was en de vreugde op het hoogst, werd de ingang van de hal plotseling verdonkerd door de rijzige gestalte van een éénoogig man, die dicht was gewikkeld in een mantel van wolkenblauw. Zonder een woord te spreken of naar iemand in de vergadering te zien, stapte de vreemdeling naar den Branstock en stak een schitterend zwaard tot het gevest toe in zijn grooten stam. Toen, zich langzaam omkeerend keek hij de verschrikte en zwijgende vergadering aan en verklaarde dat het wapen voor den krijgsman zou zijn die het uit zijn eiken scheede zou kunnen trekken, en dat het hem de overwinning zou verzekeren in ieder gevecht. Nadat hij had uitgesproken, ging hij weg zooals hij gekomen was en verdween, terwijl hij in de harten van allen de overtuiging achterliet, dat Odin, de koning van de goden, in hun midden was geweest.
Zoo zoet klonken zijn woorden, zoo wijs ook al zijn reên, Dat ieder zat te zwijgen, bewegen durfde geen, Zoo doet in schoone droomen, die niet ontwaken wou. Maar na zijn spreken ging hij weer weg uit Volsungs bouw, En geen dorst hem iets vragen of volgen op zijn pad. Zij wisten, het was Odin, van hem dit zwaard, die schat.
Volsung was de eerste die weer kon spreken, en zijn eigen recht om het eerst zijn kunst te beproeven opgevend, noodigde hij Siggeir, uit de eerste poging te wagen, om het goddelijke wapen uit den boomstam te trekken. De bruidegom trok en spande zich krachtig in, maar het zwaard bleef stevig vast in den eik en hij ging weer zitten met een teleurgesteld gezicht. Toen beproefde Volsung het met hetzelfde gevolg. Het wapen was blijkbaar niet voor een hunner bestemd, en de jonge Volsungprinsen werden vervolgens uitgenoodigd hun kracht te beproeven.
'k Wou zonen die ik minde, komt nu, beproeft uw kracht, Dat Odin niet vertelle, hoe hij hier zwierf op aard En hij den niet bedoelde wel geven moest zijn zwaard.
Sigmund.
De negen oudste zonen hadden even weinig succes; maar toen Sigmund, de tiende en de jongste, zijn sterke jonge hand op den greep legde, gaf het zwaard gemakkelijk op zijn aanraking mee, en hij trok het triomfantelijk uit den stam alsof het slechts in zijn scheede had gezeten.
Ten laatste stond bij den Branstock jonge Sigmund, Volsungs zoon, Zijn rechter, in 't strijden geoefend, greep het zwaard, dat Odin er liet, 't Ging of het hem niets kon schelen, of hij telde voor niet, Toen, plots, van den grond tot den dakspar, een luid geroep weerklonk. Want zie in de hand van Sigmund, het naakte lemmer blonk, Toen over zijn hoofd hij het zwaaide; want het staal was losgeraakt Uit den greep in het hart van den Branstock, of het niet er was vastgemaakt.
Bijna alle aanwezigen waren verheugd over het succes van den jongen prins; maar Siggeirs hart was met nijd vervuld, en hij wilde het wapen hebben. Hij bood aan het te koopen van zijn jongen zwager, maar Sigmund wilde er tot geen prijs afstand van doen, zeggend, dat het duidelijk was dat het wapen door hem moest gedragen worden. Deze weigering beleedigde Siggeir zóó, dat hij heimelijk besloot de trotsche Volsungs uit te roeien, en het goddelijk zwaard te bemachtigen, terzelfder tijd waarop hij zijn haat jegens zijn nieuwe verwanten koelde.
Zijn spijt verbergend keerde hij zich tot Volsung en noodigde hem hartelijk uit zijn hof een maand later te bezoeken, samen met zijn zonen en verwanten. De uitnoodiging werd onmiddellijk aangenomen, en ofschoon Signy, die iets kwaads vermoedde, haren vader heimelijk opzocht, terwijl haar man sliep en hem smeekte zijn belofte in te trekken en thuis te blijven, wilde hij er niet van weten zijn gegeven woord terug te nemen en zoo vrees te toonen.
Siggeirs verraad.