Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 16

Chapter 163,962 wordsPublic domain

De lange nacht werd gesleten in stil gesprek, eer Hermod Hel opzocht en haar smeekte Balder vrij te laten. De inhalige godin luisterde zwijgend naar zijn verzoek en zeide eindelijk dat zij haar slachtoffer zou laten vertrekken, mits alle dingen, bezield en onbezield, hun smart over zijn verlies zouden toonen doordat zij tranen stortten.

Kom dan! als Balder was zoo teer bemind, Men in den Hemel zijn gemis zoo voelt, Hoor hoe den Hemel hij hergeven wordt, Toon mij alom de teekenen van smart! Dat Balders toeven hier hun treuren is! Laat al wat leeft en door de wereld gaat Weenen om hem, en 't levenlooze ook; Laat goden, menschen, dieren, plant en rots Beweenen hem, dan zie 'k hoe men hem mist En 'k vind het goed en geef U Balder weer.

Balder Dood (Matthew Arnold.)

Dit antwoord was zeer bemoedigend want de geheele Natuur beweende het verlies van Balder, en zeker was er niets in de geheele schepping dat niet een traan schenken wilde. Zoo verliet Hermod blijde Hel's donker gebied, den ring Draupnir bij zich, dien Balder aan Odin terugzond, een geborduurd karpet van Nanna voor Frigga, en een ring voor Fulla.

De terugkomst van Hermod.

De vergaderde goden verdrongen zich angstig rondom Hermod zoodra hij terugkwam, en toen hij zijn boodschappen en geschenken had overgebracht, zonden de Aesir herauten naar alle deelen van de wereld om alle bezielde en onbezielde dingen te smeeken dat zij zouden weenen over Balder.

Ga snel door heel de wereld nu, en smeek Te weenen al wat leeft en wie er leeft Om Balder, opdat dus hij weer ons koom'!

Balder Dood (Matthew Arnold).

Noordwaarts, Zuidwaarts, Oostwaarts en Westwaarts reden de herauten, en als zij voorbij kwamen vielen tranen van elken plant en elken boom, zoodat de grond gedrenkt was met vocht, en metalen en steenen, trots hun harde harten, weenden ook.

De weg voerde ten slotte naar Asgard, en aan den kant van den weg was een donkere grot, waarin de boden zagen neergehurkt de gestalte van een reuzin, Thok geheeten, die volgens sommige mythologen Loki in vermomming zal zijn geweest. Toen men haar aanspoorde een traan te storten, bespotte zij de herauten en vluchtend in de donkere schuilhoeken van haar grot, zei zij dat geen traan uit haar oogen zou vallen en dat, wat haar betrof, Hel haar prooi voor goed houden mocht.

Thok nu weende Met tranen droog Om Balders dood. Noch in leven, noch in dood Gaf hij mij vreugde, Houde Hel haar buit.

Oudere Edda.

Zoodra de terugkeerende boden in Asgard aankwamen, verdrongen zich de goden om hen heen om het resultaat hunner zending te hooren; maar hun gezichten, allen opgewekt in de vreugde van verwachting, werden duister van wanhoop toen zij hoorden, dat één schepsel geweigerd had zijn tranen te schenken, waarom zij Balder in Asgard niet meer zouden zien.

Balder, de Schoone, komt niet weer Uit Hel's gebied in lichter sfeer! Loki's verraad, dubbel verraad Is 't wat de Dood ten buit hem laat; Nooit komt hij uit de duisternis Tot Ragnarok verschenen is.

Valhalla (J. C. Jones).

Vali de Wreker.

De besluiten van het noodlot waren nog niet geheel volvoerd, en het laatste bedrijf van het treurspel moet nog kortelijk verteld worden.

Wij hebben reeds gezien, hoe Odin na vele weigeringen er in slaagde de toestemming van Rinda tot hun huwelijk te krijgen, en dat de zoon, uit deze verbintenis geboren, bestemd was om den dood van Balder te wreken. De komst van dit wondervolle kind had nu plaats, en Vali de Wreker, zooals hij genoemd werd, trad Asgard op den dag van zijn geboorte binnen, en op dienzelfden dag versloeg hij Hodur met een pijl uit een bundel dien hij tot dat doel schijnt gedragen te hebben. Zoo boette de moordenaar van Balder, ofschoon hij een onbewust werktuig was, voor de misdaad met zijn bloed, volgens de wet van den echten Noorman.

De beteekenis van de geschiedenis.

De naturalistische verklaring van deze mythe moet men zoeken of in het dagelijksch ondergaan van de zon (Balder) die beneden de westelijke golven verdwijnt, weggedreven door de duisternis (Hodur), of in het eindigen van den korten Noorschen zomer en de lange regeering van het winterjaargetij. "Balder beteekent de lichte en klare zomer, als schemering en dag elkander kussen en hand in hand gaan in deze Noorsche streken."

Balders mutserd de zon verbeeldt, Kleurt den heiligen haard, Spoedig de laatste vlam er speelt, Hodur regeert op aard.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

"Zijn door Hodur bewerkte dood is de overwinning van de duisternis over het licht, de duisternis van den winter over het licht van den zomer; en de wraak van Vali is het doorbreken van het nieuwe licht na de wintersche duisternis."

Loki, het vuur, is jaloersch op Balder, het zuivere licht van den hemel, die de eenige onder de Noorsche goden was welke nooit vocht, maar altijd klaar was met woorden van verzoening en vrede.

Maar van uw lippen, Balder, nacht of dag, Heeft niemand ooit een toornig woord gehoord Aan God of Held, maar gij betoomdet steeds De anderen, stillend een gerezen twist.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De tranen, door alle dingen gestort voor den geliefden god, verbeelden den lentedauw die komt na de hardheid en koude van den winter, als elke boom en twijg en zelfs de steenen van vocht druipen; Thok (kool) alleen toont geen bewijs van teederheid, daar zij diep begraven is in de donkere aarde en het zonlicht niet meer noodig heeft.

Zooals des winters, als de vorst verdwijnt Aan 's winters eind, eer dat de lente komt, Een warme zoelte blaast en dauw begint-- Een enkel uur, dan hoort men 't drupp'len reeds In alle wouden, en de sneeuw die ligt Onder de boomen, wordt van vocht doorzeefd, En van de takken komt de sneeuwlast neer; Op heuv'len zuidwaarts hellend ziet het oog Reeds groene plaatsen door de sneeuw in 't rond, Die grooter worden, vreugde voor den boer-- Zoo werd gehoord alom een stil gedrop, De dingen weenden, wenschen wederkomst Van Balder, en den goden deed dit goed.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Uit de diepten van hun ondergrondsche gevangenis trachten de zon (Balder) en de plantengroei (Nanna) den hemel (Odin) en de aarde (Frigga) te verblijden door hun den ring Draupnir te zenden, het symbool van de vruchtbaarheid, en het bebloemde kleed, symbool van het karpet van groen dat de aarde weer zal bedekken en door zijn bekoring haar schoonheid zal vergrooten.

De zedelijke beteekenis is niet minder schoon, want Balder en Hodur zijn de zinnebeelden van de strijdende machten van goed en kwaad, terwijl Loki den verzoeker personifieert.

In iedere ziel de wijze vindt Geboren Hodur, Balders broeder blind, Dan neemt hij toe, zijn kracht wordt meer Want blind geboren wordt elk kwaad, als jonge beer, Nacht is van kwaad het kleed; maar alle goed Is steeds gehuld in wâ van licht en gloed. De drukke Loki, die van ouds verleidt, Gaat voorwaarts onophoud'lijk, vat altijd Des blinden moord'naars hand, wiens vlugge speer Doorboort jong Balders borst, die zon van Valhal's sfeer.

Viking-verhalen van het noorden (R. B. Anderson).

De vereering van Balder.

Een van de meest belangrijke feesten werd gehouden tijdens de zomerzonnewende of den avond van midzomer, ter eere van Balder den goede. Want men beschouwde dien dag als den gedenkdag van zijn dood en van zijn neerdaling in de onderwereld. Op dien dag, den langsten van het jaar, kwamen de menschen buiten bij elkander, staken groote vreugdevuren aan en keken naar de zon, die in de hooge Noorsche streken weinig beneden den horizon daalt eer zij weer opkomt. Van midzomer worden de dagen langzamerhand korter en de zonnestralen minder warm, tot de winterzonnewende, die "Moeder nacht" heette, daar het de langste nacht was van het jaar. Midzomeravond, die eens ter eere van Balder gevierd werd, heet nu St. Johannesdag, daar die heilige Balder den goede geheel en al vervangen heeft.

HOOFDSTUK XXII: LOKI.

De geest van het kwade.

Behalve den afschuwelijker reus Utgard-Loki, de verpersoonlijking van slechtheid en kwaad, dien Thor en zijn metgezellen in Jötun-heim bezochten, hadden de oude Noormannen een ander type van de zonde, dien zij ook Loki noemden, en dien wij reeds onder verschillende gestalten hebben gezien.

Oorspronkelijk was Loki enkel de verpersoonlijking van het haardvuur en den geest des levens. Eerst een god, werd hij langzamerhand "god en duivel tegelijk" en wordt ten slotte algemeen verafschuwd als een volkomen evenbeeld van den middeleeuwschen Lucifer, den vorst der leugens, "den veroorzaker van bedrog en den lasteraar" van Aesir.

Volgens sommige bronnen heette Loki de broeder van Odin, maar anderen beweren dat de twee niet verwant waren, maar elkander alleen bloedbroederschap hadden gezworen, zooals dit in het Noorden algemeen voorkomt.

Odin! weet gij nog Hoe wij in vroeger dagen Ons bloed vermengden? Toen gij beslist niet wildet Bier proeven, Tenzij we 't samen dronken?

Saemunds Edda.

Loki's karakter.

Terwijl Thor de belichaming is van Noorsche activiteit, verbeeldt Loki de uitspanning, en de innige kameraadschap die eertijds tusschen deze twee goden bestond, toont heel duidelijk hoe spoedig onze voorvaderen begrepen dat beiden tot het welzijn der menschheid noodig waren. Thor is altijd werkzaam en in ernst, maar Loki maakt van alles een grap, totdat ten slotte zijn genot in ondeugendheid hem geheel op dwaalwegen brengt, en hij alle liefde voor het goede verliest en hij uiterst zelfzuchtig en kwaadwillig wordt.

Hij vertegenwoordigt het kwaad in den verleidenden en schijnbaar schoonen vorm waarin het zich in de wereld vertoont. Wegens deze bedriegelijke verschijning vermeden de goden hem eerst niet, maar behandelden hem als een der hunnen in alle vriendschappelijkheid en namen hem met zich mede overal waar zij heen gingen, lieten hem verder niet alleen tot hun vermaken toe, maar ook tot hun vergaderzaal, waar zij, helaas! te dikwijls naar zijn raad luisterden.

Zooals wij reeds gezien hebben, speelde Loki een groote rol in de schepping van den mensch, dien hij toerustte met het vermogen om zich te bewegen en wien hij het bloed vrijelijk door de aderen deed loopen, waardoor hij met hartstochten werd bezield.

Als verpersoonlijking zoowel van het vuur als van de ondeugendheid ziet men Loki (bliksem) dikwijls met Thor (donder), dien hij naar Jötun-heim vergezelt om zijn hamer terug te halen, naar Utgard Loki's kasteel en naar Geirrod's huis. Hij is het, die Freya's halsketting en Sif's haar steelt, en Idoen verraderlijk overlevert in de macht van Thiassi, en ofschoon hij den goden soms goeden raad geeft en hen werkelijk helpt, is het enkel om hen te bevrijden uit een of anderen toestand waarin hij hen overijld heeft meegesleept.

Sommige bronnen beweren, dat deze god, in plaats van een deel uit te maken van de scheppingsdriehoek (Odin, Hoenir en Loeder of Loki) oorspronkelijk behoorde tot een geslacht van goden ouder dan Odin, en de zoon was van den grooten reus Fornjotnr (Ymir), terwijl zijn broeders waren Kari (lucht) en Hler (water), en zijn zuster Ran, de verschrikkelijke godin van de zee. Andere mythologen echter maken hem tot den zoon van den reus Farbauti, die vereenzelvigd is met Bergelmir, den eenigen overlevende uit den zondvloed, en van Laufeia (bladrijk eiland) of Nal (schip), eigen moeder, dus vaststellend dat zijn betrekking tot Odin enkel die was van den Noorschen eed van kameraadschap.

Loki (vuur) huwde eerst Glut (gloed), die hem twee dochters baarde, Eisa (spranken) en Einmyria (asch); het is dus zeer duidelijk, dat de Noormannen hem als zinnebeeld van het haardvuur beschouwden en als het vlammend hout op den haard knettert, dan zeiden de moedertjes in het Noorden dat Loki zijn kinderen slaat. Behalve zijn vrouw, zegt men, heeft Loki ook nog gehuwd de reuzin Angur-boda (de angstvoorspellende), die in Jötun-heim woonde, en die, zooals wij reeds gezien hebben, hem de drie monsters baarde: Hel, de godin van den dood, de Midgardslang Iörmungandr, en den grimmigen wolf Fenris.

Loki verwekte den wolf Bij Angur-boda.

Saemunds Edda.

Sigyn.

Loki's derde huwelijk was met Sigyn, die zich een liefhebbende vrouw en vol toewijding betoonde, en hem twee zoons baarde, Narve en Vali, de tweede een naamgenoot van den god die Balder wreekte. Sigyn was altijd trouw aan haren echtgenoot en verliet hem niet, zelfs toen hij uit Asgard was geworpen en in de ingewanden der aarde opgesloten.

Daar Loki de belichaming was van het kwaad in de oogen der Noorsche volken, hadden zij enkel vrees voor hem, bouwden geen tempels hem ter eere, brachten geen offers aan hem en noemden de schadelijkste kruiden naar zijn naam. De trillende, overhitte atmosfeer van den zomer--meende men--duidde zijn nabijheid aan, want de menschen zeiden dan dat Loki zijn wilde haver zaaide, en als de zon scheen water te halen, vertelden zij dat Loki bezig was te drinken.

De geschiedenis van Loki is zóó innig verbonden met die van de andere goden, dat de meeste mythen die op hem betrekking hebben, reeds verteld zijn en er zijn slechts twee episoden van zijn leven te verhalen over, een die zijn beteren kant toont voordat hij tot den aartsbedrieger was ontaard, en de andere laat zien hoe hij ten slotte de goden er toe bracht, hun vreedzame verblijven door opzettelijken moord te bezoedelen.

Skrymsli en het kind van den boer.

Een reus en een boer speelden eens samen een spel (waarschijnlijk schaak, dat een geliefkoosd tijdverdrijf voor den winter was bij de Noorsche vikings). Natuurlijk hadden zij bepaald dat zij voor zekeren inzet zouden spelen, en de reus, die won, kreeg den eenigen zoon van den boer, dien hij--zoo zeide hij--den volgenden dag zou komen halen en opeischen, tenzij zijn ouders hem zóó knap konden verbergen dat hij niet kon worden gevonden.

Wetende dat zoo iets voor hen onmogelijk uitvoerbaar was, smeekten de ouders vurig tot Odin om hulp, en in antwoord op hun beden kwam de god op aarde neer en veranderde den knaap in een kleinen graankorrel, die hij in een korenaar midden in een groot veld verborg, verklarend dat de reus hem niet zou kunnen vinden. De reus Skrymsli echter bezat wijsheid, veel grooter dan Odin dacht, en toen hij het kind niet thuis vond, ging hij onmiddellijk naar het veld met zijn zeis, en maaide het koren af en koos juist de aar uit waar de knaap was verborgen. Terwijl hij de graankorrels telde zou hij juist zijn hand op den rechten leggen, toen Odin, die den angstkreet van het kind hoorde, de korrel uit de hand van den reus rukte en den knaap aan zijn ouders teruggaf, hem zeggende dat hij alles wat in zijn vermogen was had gedaan om hen te helpen. Maar toen de reus verklaarde, dat hij bedrogen was en den volgenden dag den knaap weer zou opeischen tenzij de ouders hem te slim af waren, gingen de ongelukkige boeren nu naar Hoenir om hulp. De god hoorde hen goedgunstig aan en veranderde den knaap in een pluisje dons, dat hij in den borst van een zwaan verborg die in een vijver in de buurt zwom. Toen nu, eenige minuten later, Skrymsli kwam, giste hij wat er gebeurd was, en den zwaan grijpend, beet hij zijn hals af en zou het dons verslonden hebben, had Hoenir het niet van zijn lippen weggeblazen, buiten zijn bereik, terwijl hij den knaap gezond en wel aan zijn ouders teruggaf, maar hen zeide, dat hij hen niet verder kon helpen.

Skrymsli waarschuwde de ouders dat hij een derde poging zou wagen om het kind te krijgen, waarop zij zich in wanhoop tot Loki wendden, die het kind naar de zee bracht en het als een klein ei in de kuit van een bot verborg. Van zijn expeditie terugkeerend ontmoette Loki den reus bij de kust, en ziende dat hij uit visschen ging, wilde hij hem vergezellen. Hij voelde zich niet op zijn gemak, vreezende dat de verschrikkelijke reus zijn plan zou hebben doorzien, en dacht dat het daarom goed voor hem zou zijn als hij in geval van nood ter plaatse was. Skrymsli sloeg het aas aan den haak, en was meer of minder gelukkig in zijn hengelen, toen hij plotseling dezelfde bot optrok waarin Loki het knaapje, waarvoor hij te zorgen had, had verborgen. Hij sneed den visch op zijn knie open en ging nauwkeurig de kuit onderzoeken, totdat hij het ei vond dat hij zocht.

De zaak van den knaap stond zeker zeer gevaarlijk, maar Loki, zijn kans afwachtende, rukte het ei uit de vuist van den reus, veranderde het weer in het kind en beval het heimelijk naar huis te loopen, zijn weg te nemen door het boethuis waar het langs moest en de deur achter zich sluiten. De verschrikte knaap deed onmiddellijk zooals hem bevolen was toen hij aan land was, en de reus, die dadelijk zijn vlucht merkte, sprong hem achterna in het boethuis. Nu had Loki listig een scherpe piek zóó geplaatst, dat het groote hoofd van den reus er in volle vaart tegen aan liep, en hij op den grond viel met een kreet, waarop Loki, ziende dat hij hulpeloos was, hem een zijner beenen afsneed. Verbeeld u echter de teleurstelling van den god, toen hij zag dat de stukken zich vereenigden en onmiddellijk samengroeiden. Maar Loki was een meester in bedrog en bespeurende dat hier tooverij in het spel was, sneed hij het andere been af, terwijl hij dadelijk steen en staal tusschen het gescheurde lid en het lichaam wierp, waardoor hij verdere betoovering verhinderde. De boeren waren ontzaglijk verlicht toen zij bevonden dat hun vijand verslagen was, en in het vervolg beschouwden zij Loki steeds als den machtigsten van den hemelschen raad, want hij had hen werkelijk van hun vijand bevrijd, terwijl de andere goden slechts tijdelijke hulp verleend hadden.

De reus-Bouwmeester.

In weerwil van hun wonderbare brug Bifröst, den sidderenden weg, en de waakzaamheid van Heimdall, konden de goden zich niet geheel veilig voelen in Asgard, en waren dikwijls bang dat de vorstreuzen in Asgard zouden komen. Om deze mogelijkheid te ontgaan, besloten zij ten slotte een onneembare sterkte te bouwen, en terwijl zij plannen maakten hoe dit gedaan kon worden, kwam een onbekend architect met het aanbod den bouw te ondernemen, mits de goden hem zon, maan en Freya, godin van jeugd en schoonheid, zouden geven als loon. De goden waren boos over een zoo aanmatigend aanbod, maar toen zij verontwaardigd den vreemdeling uit hun tegenwoordigheid wilden jagen, drong Loki er op aan, dat zij een contract zouden maken hetwelk de vreemdeling onmogelijk zou kunnen houden, en dus zeiden zij ten slotte tot den bouwmeester, dat hij de belooning zou hebben, mits de sterkte in een enkelen winter klaar zou zijn, en hij het werk met geen andere hulp zou voltooien dan met die van zijn paard Svadilfare.

In Asgard kwam een bouwheer aan Die een kasteel wou stichten gaan, Een hoog gebouw Dat schutten zou Voor Jötunlist en ruw geweld; Dit was de eisch door hem gesteld: Dat Freya met én maan én zon Het loon zou zijn dat eens hij won.

Valhalla (J. C. Jones).

De onbekende architect stemde in deze schijnbaar onmogelijke voorwaarden toe en ging onmiddellijk aan het werk, terwijl hij 's nachts zware steenblokken haalde en overdag bouwde, en zóó vlug voortmaakte, dat de goden wat bang begonnen te worden. Weldra merkten zij dat meer dan de helft van het werk voltooid was door het wonderros Svadilfare, en toen zij, tegen het einde van den winter zagen, dat het werk gereed was behalve slechts één portaal, dat--begrepen zij--de architect gemakkelijk in den nacht kon afmaken:

Toen werden zij met schrik vervuld, Gereed was bijna het gebouw, Drie dagen maar En 't werk was klaar, Dan moesten zij hun afspraak trouw, Betalen hem hun schuld.

Valhalla (J. C. Jones).

Bevreesd dat ze geroepen zouden worden te scheiden niet enkel van de zon en de maan, maar ook van Freya, de verpersoonlijking van jeugd en schoonheid in de wereld, wendden de goden zich tot Loki en dreigden hem te vermoorden, tenzij hij middelen wist om den architect in de voltooiing van zijn gebouw binnen den bepaalden tijd te verhinderen.

Loki's list bleek opnieuw tegen den toestand opgewassen. Hij wachtte tot den avond van den laatsten dag kwam, toen hij, terwijl Svadilfare langs den zoom van een woud ging, met moeite een der groote steenblokken sleepend die tot de voltooiing van het werk geëischt werden, in de vermomming van een merrie uit een donkere plaats aanrende en zóó verlokkend hinnikte, dat, in een oogenblik, het paard zich uit zijn tuig losrukte en de merrie achterna liep, op den voet gevolgd door zijn vertoornden meester. De merrie galoppeerde snel voort, listig paard en meester dieper lokkend in de woudschaduwen, totdat de nacht bijna voorbij was en het niet langer mogelijk was het werk te voltooien. De architect was niemand anders dan een verschrikkelijke Hrimthurs, in vermomming, en hij keerde nu naar Asgard terug in groote woede over het bedrog dat men hem had aangedaan. Hij nam zijn gewone afmetingen aan en zou de goden vernietigd hebben, als niet Thor van een reis plotseling was teruggekeerd en hem met zijn tooverhamer, Miölnir, dien hij met verschrikkelijke kracht hem vlak in het gezicht sloeg, had vermoord.

De goden hadden zich bij deze gelegenheid enkel door bedrog en door de ruwe daad van Thor weten te redden, en door deze zou groote ellende over hen gebracht worden, en zelfs hun val worden bewerkt en de komst van Ragnarok worden verhaast. Loki echter voelde, wat hem betrof, geen berouw, en men zegt, dat hij te zijner tijd de vader werd van een achtpootig ros, Sleipnir geheeten, dat, zooals wij gezien hebben, Odin's geliefkoosd paard was.

Maar Sleipnir verwekte Hij bij Svadilfare.

Hyndlalied.

Loki bedreef zóóvele slechte daden gedurende zijn leven, dat hij ten volle den naam "aartsbedrieger" verdiende, die hem gegeven werd. Hij werd in het algemeen gehaat wegens zijn boosaardige handelingen, en wegens een ingewortelde gewoonte van draaierij, waardoor hij ook den titel van "vorst des leugens" kreeg.

Loki's laatste misdaad.

Loki's laatste misdaad, en die welke de maat zijner ongerechtigheid volmaakte, was, dat hij Hodur er toe bracht den noodlottigen maretak naar Balder te werpen, die hij haatte enkel wegens zijn onbezoedelde reinheid. Misschien zou hem zelfs deze misdaad zijn vergeven, ware hij niet verhard geweest toen hij, in de gedaante van een oude vrouw Thok, een traan voor Balder storten moest. Zijn handelwijze bij deze gelegenheid toonde den goden dat er enkel boosheid in hem was, en zij spraken eenstemmig over hem het vonnis uit, dat hij voor goed van Asgard zou worden verbannen.

Aegirs banket.

Om de somberheid der goden af te leiden en hen voor een korten tijd het verraad van Loki te doen vergeten en Balders verlies, noodigde Aegir, de god van de zee, hen uit deel te nemen aan een banket in zijn koraalgrotten op den bodem van de zee.

Tot troost nu van der goden smart Tot laafnis van hun treurend hart. Uit rijk der baren, Waar grotten waren, Riep koning Aegir De fiere Aesir. Te maaltijd allen In zijne hallen; Opdat, schoon elk om Balder nog Treurend in rouw, Vergeten zou Men aan zijn disch de zorgen toch.

Valhalla (J. C. Jones).

De goden namen verheugd de uitnoodiging aan en in de rijkste kleeding gedost en met een feestelijken glimlach, verschenen zij in de koraalgrotten op den vastgestelden tijd. Er was niemand afwezig behalve de schitterende Balder, om wien menige spijtige zucht geslaakt werd, en de booze Loki; over wien niemand zich kon bedroeven. In den loop van het feest echter verscheen de laatstgenoemde god in hun midden als een duistre schaduw, en, toen hem bevolen werd te vertrekken, gaf hij lucht aan zijn slechte luim in een stroom van verwijten aan de goden.

Van de Aesir en de Alfar Die zijn hier binnen Heeft geen een vriendlijk woord voor u.

Aegir's Drinkgelag of Loki's Woordenwisseling.