Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 15

Chapter 153,957 wordsPublic domain

Aan Odin en Frigga, zoo vertelt men ons, werden tweelingzonen geboren, zoo ongelijk in karakter en uiterlijk als bij twee kinderen mogelijk is. Hodur, god van de duisternis, was somber, zwijgend en blind, als het donker van de zonde, die hij, zoo meende men, voorstelde, terwijl zijn broeder Balder, de schoone, vereerd werd als de zuivere en stralende god van onschuld en licht. Van zijn sneeuwen voorhoofd en gouden lokken schenen stralen van zonneschijn te schitteren die de harten van goden en menschen blij maakten, door wie hij evenzeer werd bemind.

Van al de twaalf om Odins troon. Balder enkel, het meest toch schoon, De zonnegod, goed met zijn rein gezicht Werd bemind door elk, als men mint het licht.

Valhalla (J. C. Jones).

De jeugdige Balder groeide verwonderlijk snel op, en werd vroeg toegelaten tot de vergadering der goden. Hij ging wonen in het paleis Breidablik, welks zilveren dak op gouden pilaren rustte, en welks schoonheid zóó was, dat niets gewoons of onzuivers binnen zijn kring mocht komen, en hier woonde hij in volmaakte eenheid met zijn jonge vrouw Nanna (bloesem), de dochter van Nip (knopje), een schoone en bekoorlijke godin.

De god van het licht was goed thuis in de wetenschap der runen, die op zijn tong waren gesneden; hij kende de verschillende krachten van de kruiden, waarvan een, de kamille, "Balders voorhoofd" heette, omdat haar bloem even vlekkeloos zuiver was als zijn voorhoofd. Het eenige wat voor Balders stralende oogen verborgen was, was de waarneming van wat ten slotte met hem zelf gebeuren zou.

Zijn eigen huis Breidablik, op welks zuilen Balder schreef Den tooverklank die dooden leven geeft. Want wijs was hij, en kende kunsten veel, En runen ook, en zeldzaam heelend kruid; Helaas dat hij niet kende d' eene kunst Van sparen 't eigen leven, 't licht te zien.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Balders droom.

Daar het zoo natuurlijk was voor Balder, den schoone, te glimlachen en gelukkig te zijn, waren de goden zeer ongerust toen zij op zekeren dag een verandering in zijn uiterlijk begonnen te bespeuren. Allengs stierf het licht weg uit zijn blauwe oogen, een zorgvolle trek kwam op zijn gelaat, en zijn stap werd zwaar en traag. Odin en Frigga, ziende de klaarblijkelijke gedruktheid van hun beminden zoon, smeekten hem teeder de oorzaak van zijn zwijgend verdriet te zeggen. Balder gaf ten slotte aan hun dringende woorden toe en vertelde dat zijn slaap, in plaats van vredig en rustig te zijn als vroeger, onlangs vreemd ontrust was door duistere en drukkende droomen, die, ofschoon hij ze zich niet goed kon herinneren als hij ontwaakte, hem voortdurend kwelden met een vaag gevoel van vrees.

Dien god was zijn slaap Toen zeer onrustig, Zijn gunstige droomen Schenen voorbij.

Lied van Vegtam.

Toen Odin en Frigga dit hoorden, waren zij zeer ontdaan, maar zeiden dat niets hun algemeen beminden zoon zou deren. Niettemin, toen de angstige ouders de zaak verder bespraken, bekenden zij dat zij ook door vreemde voorgevoelens gedrukt werden, en ten slotte, geloovend dat Balders leven werkelijk bedreigd werd, gingen zij maatregelen nemen om het gevaar af te wenden.

Frigga zond hare dienaressen naar elke richting, met stellig bevel bij alle levende wezens, alle planten, metalen, steenen--kortom bij elk bezield en onbezield ding--er op aan te dringen dat zij plechtig zouden beloven Balder geen kwaad te doen. De geheele schepping deed gaarne den eed, want er was niets op aarde dat den stralenden god niet lief had. Zoo keerden de dienaressen tot Frigga terug, en vertelden haar dat allen naar den eisch hun woord gegeven hadden, behalve de maretak, die op den eikestam aan de poort van het Valhalla groeide, en dit, zoo voegde zij er bij, was een zoo nietig, onschadelijk ding, dat men er geen letsel van vreezen kon.

En dus werd besloten Te zenden nu Tot alle wezens, Om zekerheid Dat ze Balder niets zouden doen. Alle schepselen zwoeren Dat zij hem sparen zouden; Frigg ontving alle Geloften, contracten.

Saemunds Edda.

Frigga nam nu haar spinwerk weer ter hand in groote gerustheid, want zij voelde er zich zeker van, dat geen leed kon overkomen aan het kind dat zij boven allen liefhad.

De profetie van de Vala.

Odin had intusschen besloten een van de doode Vala of profetessen te raadplegen. Hij besteeg zijn achtpootig ros Sleipnir en reed over de sidderende brug Bifröst en over den vervelenden weg die naar Giallar voert en den ingang van Niflheim, waar hij, door de Hellepoort en langs den hond Garm gaande, in Hel's donkere woning drong.

Op rees der menschen heer met spoed, Zadelde fluks zijn ros als roet; Toen reed hij langs de steilte voort, Die voert tot Hela's somb're poort.

Afkomst van Odin (Gray).

Odin zag tot zijn verbazing dat een feest was aangericht in dit donker gebied, en dat de banken bedekt waren met tapijten en gouden ringen, alsof een of ander geëerde gast verwacht werd. Maar hij ijlde voort zonder te talmen, totdat hij de plaats bereikte waar de Vala vele jaren ongestoord had gerust, toen hij plechtig een tooverformule begon te zingen en de runen te trekken die de macht hadden de dooden op te roepen.

Hij sprak driemaal in sombre wijzen Het lied dat doet de dooden rijzen: Tot uit den hollen grond een stem Sleepend en dof bereikte hem.

Afkomst van Odin (Gray).

Plotseling opende zich het graf, en de profetes rees langzaam op, vragend wie zoo haar lange rust had durven storen. Odin, die niet wilde dat zij zou weten, dat hij de machtige vader was van goden en menschen, antwoordde dat hij Vegtam was, de zoon van Valtam, en dat hij haar geroepen had om te vragen voor wien de Hel hare banken spreidde en een feestmaal aanrichtte. In holle tonen bevestigde de profetes al zijne vreezen, hem zeggend dat de verwachte gast Balder was, die was bestemd om door Hodur, zijn broeder, den blinden god der duisternis, vermoord te worden.

Hodur zal herwaarts Zenden zijn broeder; Hij van Balder Zal zijn de moordenaar, En Odins zoon Ontnemen 't leven; Door dwang heb ik gesproken, Nu wil ik zwijgen.

Saemunds Edda.

Trots den blijkbaren onwil van de Vala om verder te spreken, was Odin nog niet voldaan en drong bij haar aan hem te zeggen wie den verwonden god zou wreken en zijn moordenaar ter verantwoording roepen. Want wraak en wedervergelding werden als een heilige plicht beschouwd door de volken van het Noorden.

Toen vertelde hem de profetes, zooals Rossthiof reeds had voorspeld, dat Rinda, de aardgodin, Odin een zoon zou baren, en dat Vali, zooals dit kind zou worden genoemd, noch zijn gelaat zou wasschen noch zijn haar kammen, totdat hij op Hodur den dood van Balder had gewroken.

In een west'lijke spelonk Baart Rinda, die haar liefde schonk, 'n Knaapje dat van Odin stamt, Dat nooit zijn zwarte lokken kamt, Noch in den stroom wascht zijn gezicht, Noch ziet het avondzonnelicht, Tot hij zal lachen bij het hout Tot brand voor Hodurs lijk gebouwd.

Afkomst van Odin (Gray).

Toen de weerstrevende Vala zoo had gesproken, vroeg Odin: "Wie zou niet willen weenen bij Balders dood?" Deze ondoordachte vraag toonde een kennis van de toekomst die geen sterveling kon bezitten, en openbaarde onmiddellijk aan Vala wie haar bezoeker was. Zij weigerde dus nog een woord te spreken en zonk terug in de stilte van het graf, verklarend dat niemand haar er weer uit zou kunnen lokken totdat het einde der wereld was gekomen.

Ga van hier en zeg thuis dan Dat nooit een wezen komen kan Dat m' uit zijn ijz'ren sluim'ring beurt, Tot Lok zijn sterke keten scheurt; Nimmer tot de diepe nacht Weer herwon zijn oude kracht, Tot in vlammen, woest van haat, 's Werelds schepping ondergaat.

Afkomst van Odin (Gray).

Toen Odin de besluiten van Orlog (lot) had vernomen, waarvan hij wist dat zij niet afgeweerd konden worden, besteeg hij zijn ros, en wendde zich bedroefd naar Asgard, denkend aan den tijd, die niet ver af was, als zijn geliefde zoon niet meer gezien zou worden in de hemelsche verblijven, en wanneer het licht van zijn tegenwoordigheid voor goed verdwenen zou zijn.

Toen hij Gladsheim binnentrad, werd Odin echter wat gerust gesteld door de mededeeling die Frigga hem dadelijk deed, dat alle dingen onder de zon beloofd hadden Balder geen leed te zullen doen, en zich overtuigd voelend dat als niets hun geliefden zoon zou vermoorden, hij zeker moest voortgaan goden en menschen met zijn tegenwoordigheid te verblijden, zette hij de zorg opzij en gaf zich over aan de genietingen van het feestmaal.

De goden aan het spelen.

De speelplaats van de goden was gelegen op de groene vlakte van Ida en heette Idavold. Hier gingen de goden gewoonlijk heen als zij lust in het spel hadden, en hun geliefkoosde uitspanning was het werpen met hun gouden schijven, die zij met groote behendigheid konden gooien. Zij waren met verdubbelden ijver tot dit gewone tijdverdrijf teruggekeerd, sedert de wolk die hun geesten had neergedrukt door de voorzorgsmaatregelen van Frigga was weggevaagd. Toen zij echter ten slotte genoeg hadden van de gewone sport, bedachten zij een nieuw spel. Zij hadden gehoord dat Balder door geen enkel werptuig kon gedeerd worden, en zoo amuseerden zij zich door allerlei wapenen, steenen enz. naar hem te werpen, zeker dat hoe slim zij het ook aanlegden en hoe nauwkeurig zij ook mikten, de voorwerpen, die gezworen hadden hem geen kwaad te zullen doen, òf op zij zouden vliegen òf hem niet zouden raken. Dit nieuw vermaak bleek zóó aangenaam te zijn dat weldra alle goden zich rondom Balder verzamelden en hem elken keer als hij ongetroffen bleef met groot gelach begroetten.

De dood van Balder.

Deze uitingen van vroolijkheid wekten de nieuwsgierigheid van Frigga op, die in Fessalir zat te spinnen; en toen zij een oud vrouwtje haar woning zag voorbij gaan, zei zij dat zij even moest blijven en haar vertellen wat de goden deden dat zoo den lachlust prikkelde. Het oude vrouwtje was niemand anders dan Loki in vermomming, en hij antwoordde Frigga dat de goden steenen en andere werptuigen, stomp en scherp, naar Balder gooiden, die glimlachend en ongedeerd in hun midden stond, en hen uitdaagde hem aan te raken.

De godin glimlachte en vatte haar werk weer op, zeggende dat het volmaakt natuurlijk was dat niets Balder zou deren, daar alle dingen het licht liefhadden, waarvan hij het zinnebeeld was, en plechtig hadden gezworen hem geen leed te doen. Loki, de verpersoonlijking van het vuur, was zeer verdrietig toen hij dit hoorde, want hij was jaloersch op Balder, de zon, die hem zoo geheel overschaduwde en die algemeen bemind was, terwijl hij zooveel mogelijk gevreesd werd en geschuwd; maar hij verborg wijslijk zijn boosheid en vroeg Frigga of zij geheel zeker was dat alle dingen tot het verbond waren toegetreden.

Frigga antwoordde trotsch dat zij den plechtigen eed van alle dingen hadden ontvangen, uitgezonderd van een, een onschuldig klein woekerplantje, den maretak, dat op den eik bij de poort van het Valhalla groeide, en dit was te klein en te zwak om er bang voor te zijn. Deze mededeeling was alles wat Loki noodig had, en hij zei Frigga vaarwel en strompelde weg. Zoodra hij veilig en wel buiten het gezicht was, nam hij echter zijn gewone gestalte weer aan en haastte zich naar het Valhalla, waar hij bij de poort den eik van den maretak vond, zooals Frigga had aangegeven. Daarop gaf hij door de uitoefening van tooverkunsten aan den parasiet een omvang en hardheid die er geheel vreemd aan was.

Zoo maakte hij van den houten stengel handig een schacht waarmee hij zich terugspoedde naar Idavold, waar de goden nog werptuigen naar Balder wierpen, terwijl alleen Hodur ondertusschen bedroefd tegen een boom stond geleund en geen deel nam aan het spel. Zorgeloos naderde Loki den blinden god, en den schijn van belangstelling aannemend vroeg hij de oorzaak van zijn zwaarmoedigheid, te gelijker tijd listig insinueerend dat trots en onverschilligheid hem weerhielden aan het spel mee te doen. Als antwoord op deze opmerkingen betuigde Hodur dat enkel zijn blindheid hem weerhield aan het nieuwe spel deel te nemen, en toen Loki hem de maretakschacht in zijn hand gaf en hem in het midden van den kring bracht, hem de richting van het nieuwe mikpunt aanwijzend, wierp Hodur zijn schacht met kracht. Maar tot zijn spijt trof in plaats van het luide gelach dat hij verwachtte, een ontstellende kreet van afgrijzen zijn oor, want Balder, de schoone, was op den grond gevallen, door den noodlottigen maretak doorstoken.

Zoo op den vloer lag Balder dood; gestrooid Rondom de zwaarden, bijlen, speren al Waarmee men had geworpen--dwaas gespeel-- Op Balder wien geen werptuig wondd' of schond; Maar in zijn borst stak de fatale tak De maretwijg, die Lok, de Duivel, gaf Aan Hodur, en onwetend Hodur wierp-- Hiertegen slechts was Balder niet bestand.

Balder Dood (Matthew Arnold).

In vreeslijken angst verzamelden zich de goden rondom hun geliefden makker, maar helaas! het leven was geheel uitgebluscht, en al hunne pogingen om den gevallen zonnegod weer te wekken hielpen niet. Ontroostbaar wegens hun verlies keerden zij zich nu boos naar Hodur, dien zij daar direct zouden hebben vermoord, waren zij niet weerhouden door de wet der goden, dat geen opzettelijke daad van geweld hun gewijde vredeplaatsen mocht ontheiligen. Het rumoer van hun luid geklaag bracht de godin in groote haast bij het vreeselijke tooneel, en toen Frigga zag dat haar lieveling dood was, smeekte zij de goden hartstochtelijk naar Niflheim te gaan en Hel te overreden haar slachtoffer los te laten, want de aarde kon zonder hem niet gelukkig zijn.

Hermod's Boodschap.

Daar de weg uiterst ruw en moeilijk was, durfde eerst geen der goden te gaan; maar toen Frigga beloofde dat zij en Odin den bode boven al de Aesir zouden beminnen, verklaarde zich Hermod bereid om de boodschap over te brengen. Om hem hiertoe in staat te stellen leende Odin hem Sleipnir, en het edele ros, dat geen ander op zijn rug duldde dan Odin, vertrok zonder aarzeling op den donkeren weg, dien zijn hoeven reeds tweemaal te voren betreden hadden.

Ondertusschen liet Odin het lichaam van Balder naar Breidablik brengen, en hij beval de goden naar het woud te gaan en hooge pijnboomen te vellen waarmee een waardige brandstapel zou worden gebouwd.

Maar toen de goden naar het woud gegaan Waren, bracht Hermod Sleipnir uit zijn stal En deed hem 't zadel aan; te voren wou Sleipnir geen hand dan Odin's op zijn nek, En droeg geen and'ren rijder op zijn rug; Nu stond hij echter stil aan Hermod's zij, Buigend zijn hals, en, voor zijn man gereed, Omdat hij wist hoe Balder werd bemind, Maar Hermod nu besteeg hem, ging heel stil En zwijgend op den onbekenden weg Die van het Noorden takt, en toog dus voort Den ganschen dag; het licht verdween, 't werd nacht, En heel dien nacht dus reed en reisde hij. Zoo negen dagen, negen nachten lang, Naar 't noordlijk ijs, door dalen, stroomomgord. En op den tienden dag zag hij de brug Die overspant met gouden boog den stroom Van Giall, en op die brug een vrouw, gedost In rusting, waar men komt aan d' overkant En waar de weg in rotsen zich verliest.

Balder Dood (Matthew Arnold).

De brandstapel.

Terwijl Hermod zich langs den somberen weg spoedde die tot Niflheim leidde, hakten en haalden de goden naar de kust een groote massa brandstof, dat zij op het dek van Balder's drakenschip, Ringhorn, opstapelden terwijl zij een grooten brandstapel maakten. Volgens gewoonte werd deze versierd met tapijtbehangsels, bloemenguirlanden, vaten en wapenen van allerlei soort, gouden ringen en tallooze voorwerpen van waarde, eer het vlekkelooze lichaam, rijkelijk uitgedost, er heen gebracht en er opgelegd werd.

Een voor een kwamen de goden nu nader om een laatsten groet te brengen aan hun geliefden makker, en toen Nanna zich over hem neerboog, brak haar minnend hart en zij viel levenloos naast hem neder. Toen zij dit zagen legden de goden haar eerbiedig naast haren echtgenoot, opdat zij hem tot zelfs in den dood zou vergezellen; en nadat zij zijn paard en honden gedood hadden en den brandstapel met doornen, het zinnebeeld van den slaap, hadden omvlochten, kwam Odin, de laatste der goden, naderbij.

Ten teeken van genegenheid voor den doode en van verdriet over zijn verlies, hadden allen hun meest kostbare bezittingen op zijn brandstapel gelegd, en Odin, zich neerbuigend, voegde nu bij de geschenken zijn tooverring Draupnir. De verzamelde goden merkten dat hij iets fluisterde in het oor van zijn gestorven zoon, maar geen was dicht genoeg bij om te hooren wat hij zeide.

Toen deze droeve toebereidselen gedaan waren, maakten de goden aanstalten om het schip van stapel te laten loopen, maar bevonden dat de zware last van brandhout en schatten hun vereenigde pogingen weerstand bood en zij konden het schip geen duim doen bewegen. De bergreuzen, die het tooneel van verre zagen en hun verlegenheid bespeurden, kwamen nu naderbij en zeiden dat zij wisten van een reuzin die Hyrrokin heette en die in Jötun-heim woonde en sterk genoeg was om zonder eenige hulp het schip van stapel te laten loopen. De goden lieten dus een van de stormgeesten Hyrrokin roepen, en spoedig verscheen deze, gezeten op een reusachtige wolf, dien zij aan een leidsel, van kronkelende slangen gemaakt, stuurde. Naar de kust rijdende steeg de reuzin af en betuigde trotsch haar bereidheid om de gevraagde hulp te geven, als de goden intusschen wilden zorgen voor haar ros. Odin zond onmiddellijk vier van zijn meest woeste Berserkers om den wolf te houden, maar in weerwil van hun geweldige kracht, konden zij het monsterachtig schepsel niet bedwingen, totdat de reuzin het had neergeworpen en vastgebonden.

Toen Hyrrokin zag dat zij nu haar weerspannig ros zouden kunnen besturen, ging zij langs het strand tot waar, hoog boven den waterspiegel, Balders machtig schip Ringhorn lag.

Zeventig el vier zich strekte Op het gras de kiel in praal Hoog er boven, fonklend rekte Zich de drakenkop bloeddorstig Met zijn kam van staal.

De Sage van koning Olaf (Longfellow).

Zij zette haar schouders tegen zijn achtersteven en met een geweldige inspanning duwde zij het met een vaart in het water. Maar zóó groot was het gewicht van de massa en de snelheid waarmede het in zee schoot, dat de aarde als door een aardbeving schokte en de rollen waarop het schip gleed door de wrijving vuur vatten. De onverwachte schok deed de goden bijna hun evenwicht verliezen, en dit maakte Thor zóó boos dat hij zijn hamer ophief en hij de reuzin zou vermoord hebben, ware hij niet door zijn makkers tegengehouden. Gemakkelijk gekalmeerd, zooals gewoonlijk--want Thors woede, ofschoon snel gewekt, was voorbijgaande, greep hij nog eens het schip aan om den brandstapel te wijden met zijn heiligen hamer. Toen hij deze ceremonie verrichtte strompelde de dwerg Lit hem hinderlijk in den weg, waarop Thor, die nog niet heelemaal weer tot kalmte was gekomen, hem in het vuur wierp, dat hij juist met een doorn had aangestoken, en de dwerg werd tot asch verbrand met de lichamen van het goddelijk paar.

Het groote schip dreef nu in zee en de vlammen van den brandstapel leverden een prachtig schouwspel op, dat elk oogenblik grootscher werd, totdat, toen het schip den westelijken horizon naderde, het scheen alsof zee en lucht in brand stonden. De goden keken treurig naar het brandende schip en zijn kostbaren last, totdat het plotseling in de golven dook en verdween; en zij wendden zich niet af noch keerden tot Asgard terug voordat de laatste lichtsprank was verdwenen, en de wereld, ten teeken van rouw over Balder den brave, in een mantel was gehuld.

Dra met veel leven steeg 't geweldig vuur, Het brandhout knetterd' en tusschen de blokken Wiekten vuurtongen bevend op, en vuur Sprong krullend, schietend hooger, lekte straks Den top van 't hout, de dooden, ook de mast, Knaagd' aan de dorre zeilen; toch bleef 't schip Nog voortgaan, brandend boven romp in vlam. De goden stonden op de kust, elk keek, En wijl zij keken neigde zich de zon In rook omhulde zee, en aan kwam nacht, Toen legde zich de wind en kalmte kwam; Maar door het duister zagen zij het schip Nog over wijde waatren voortgevoerd, Verder en verder, als een oog van vuur Zoo leek nu Balder's mutserd in den nacht, Maar zwakker scheen hij in het sterrenlicht, De lijken werden dus verteerd, ook 't hout. En evenals in uitgaand wintervuur 't Verkoolde blok als 't valt nog vonken schiet-- Zoo viel met vonkenstroom de mutserd in, Kleurend de zee rondom; 't was donker toen.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hermod's tocht.

De goden traden treurig Asgard binnen, waar geen geluiden van vroolijkheid of feestvieren het oor begroetten, want alle harten waren met angstige bezorgdheid vervuld over den afloop van alle dingen die men voelde komen. En waarlijk, de gedachte aan den vreeselijken Fimbul-winter, die hun dood verkondigde, was er wel een om de goden te verontrusten. Frigga alleen koesterde hoop, en zij wachtte met angst op den terugkeer van haren bode, Hermod den snelle, die intusschen over de sidderende brug was gereden en langs den donkeren Helleweg, totdat hij, in den tienden nacht, den ruischenden stroom van de rivier Giöll overkwam. Hier werd hij aangehouden door Mödgud, die vroeg waarom de Giallar-brug meer onder den stap van zijn paard sidderde dan wanneer een geheel leger er over ging, en vroeg waarom hij, een levend ruiter, trachtte binnen te dringen in het gevreesde gebied van Hel.

Wie zijt gij op uw zwart en vurig paard, Onder welks hoeven Giall's brug hevig schudt En rammelt? Zeg mij uw geslacht en huis. Eerst gistren ochtend kwamen hier voorbij Vijf troepen dooden op hun weg naar Hel, Deden de brug niet schudden als gij doet, En gij hebt vleesch en kleur toch op 't gelaat, Als levenden, die aad'men lucht nog in; Ook ziet gij er niet uit als dooden doen, Zielen die afwaarts gaan, die 'k daaglijks schouw.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hermod vertelde aan Mödgud de rede van zijn komst, en nadat hij zekerheid had gekregen dat Balder en Nanna vóór hem over de brug waren gereden, haastte hij zich verder, totdat hij kwam aan de poort, die belemmerend voor hem op rees.

Niet afgeschrikt door dezen slagboom, steeg Hermod af op het gladde ijs, en de riemen van zijn zadel vaster makende, steeg hij weer op, bedolf zijn sporen diep in de zachte zijden van Sleipnir en dwong hem tot een verbazenden sprong, die hem behouden aan den anderen kant van de Hellepoort bracht.

Toen reed hij verder over 't veld van ijs Nog noordwaarts, tot hij kwam aan hooge muren (Belemmerend zijn weg) met traliewerk. Toen steeg hij af, en trok de riemen aan, Op 't gladde ijs, van Sleipnir, Odin's paard, En deed hem springen, en kwam dus er in.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Voortrijdende kwam Hermod ten slotte aan Hel's eetzaal, waar hij Balder vond, bleek en uitgeput, liggend op een bank, zijn vrouw Nanna naast hem, onafgewend starend op een beker meê, dien hij blijkbaar geen moed had om te verzwelgen.

De voorwaarde van Balders invrijheidsstelling.

Te vergeefs vertelde Hermod zijn broeder dat hij gekomen was om hem te verlossen; Balder schudde droevig zijn hoofd en zeide te weten dat hij in zijn vreugdeloos verblijf moest vertoeven totdat de laatste dag kwam, maar hij smeekte Hermod Nanna met zich terug te nemen, daar het huis der schimmen geen plaats was voor een zoo prachtig en schoon schepsel. Maar toen Nanna dit verzoek hoorde, drong zij dichter aan de zijde van haren man en bezwoer dat niets er haar toe zou kunnen brengen van hem te scheiden, en dat zij voor altijd bij hem zou blijven, zelfs in Niflheim.