Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 14

Chapter 143,862 wordsPublic domain

Verderop in dit gruwelijk gebied was Elvidner (ellende), de hal van de godin Hel, wier tafel Honger was. Haar mes was Begeerigheid. "Luiheid was de naam van haar man, Traagheid van haar dienstmaagd, Verval van haar drempel, Verdriet van haar bed, en Brand van hare gordijnen".

Elvidner was het huis van haar, Met ijzren bout en muren zwaar; Wie 't zag ontzette zich, en daar Was Honger haar tot leegen disch, Begeert' een mes, heur bed Gemis, Brandende Angst richtt' aan haar feest, In botten zat er elke geest. Pest sprak met Nood haar runen uit, Gemengd met Wanhoops schor geluid, Weedom ook en Stervenspijn Zullen in Hel's woning zijn.

Valhalla (J. C. Jones).

De godin had verschillende woningen voor de gasten, die dagelijks tot haar kwamen, want zij ontving niet enkel meineedigen en misdadigers van allerlei slag, maar ook hen, die ongelukkig genoeg waren om te sterven zonder bloed te vergieten. Ook werden naar haar gebied verwezen zij die van ouderdom of aan een ziekte stierven--een wijze van overlijden die men met verachting "strooien dood" noemde, daar de bedden van de menschen doorgaans van die stof waren.

Hun zenuwen gehard Door storm en vorst en werk, het kroost van hen Wier eenige vrees een bloedloos sterven was.

Thomson.

Denkbeelden aangaande het toekomstige leven.

Ofschoon de onschuldigen vriendelijk door Hel behandeld werden en een toestand van negatieve gelukzaligheid genoten, verwondert het ons niet, dat de bewoners van het Noorden terugschrikten voor een bezoek aan haar vreugdelooze woning. En terwijl de mannen zich gaarne met de speerpunt wondden, zich van een helling wierpen, of zich lieten verbranden, voordat het leven geheel was gebluscht, deinsden de vrouwen niet terug voor even heldhaftige handelwijzen. In het uiterste harer smart aarzelden zij zich niet van een berg af te storten of in het zwaard te vallen, dat haar bij haar huwelijk gegeven was, opdat haar lichamen zouden mogen verbrand worden met die van hen die zij liefhadden, en haar geesten bevrijd om hen in de blijde woning der goden te ontmoeten.

Verdere verschrikkingen wachtten echter hen, wier levens misdadig of onrein waren geweest, daar deze geesten naar Nastrond, het strand der lijken, verbannen waren, waar zij waadden in ijskoude stroomen vergif, door een hol dat van door elkaar gevlochten slangen gemaakt was, welker giftige vangarmen naar hen waren toegekeerd. Nadat zij daar onuitsprekelijke weeën hadden doorstaan, werden zij gewasschen in den ketel Hvergelmir, waar de slang Nidhug een oogenblik ophield met het knagen aan den wortel van den boom Yggdrasil, om te eten van hun beenderen.

Een hal staande Ver van de zon In Nâströnd; Haar deuren zijn noordwaarts gekeerd, Giftdruppelen vallen Door haar spleten binnen; Omgord is die heel Met tal van slangen. Zij zag er waden Door trage stroomen Bloeddorstige mannen En meineedigen, En hem die snood verleidd' Eens and'ren vrouw. Daar Nidhog teert Op doode lijven.

Saemunds Edda.

Pestilentie en honger.

Men meende, dat Hel zelve soms haar afschuwelijke woning verliet om op de aarde te zwerven op haar wit paard met drie pooten, en in tijden van pest of honger, als een deel der bewoners van een streek vluchtten, zeide men dat zij een hark hanteerde, en als heele dorpen en provinciën ontvolkt werden, zooals dit het geval was tijdens de in de geschiedenis bekende epidemie van den Zwarten Dood, vertelde men dat zij met een bezem gereden had.

De Noordelijke volken meenden verder, dat de geesten van de dooden soms de aarde weer mochten bezoeken en aan hun verwanten verschijnen, wier smart of vreugde hun zelfs na hun dood ter harte ging, zooals verteld wordt in de Deensche ballade van Aager en Else, waar een doode minnaar zijn geliefde beveelt te glimlachen opdat zijn kist met rozen moge gevuld worden in plaats van met de geronnen bloeddruppels, teweeggebracht door hare tranen.

Luister nu, mijn dierbare Aager, Bruidegom, al wat 'k behoef Is te weten hoe het gaat u In uw still' en sombre groef,

Elken keer als gij verheugd zijt En 't geluk uw hart vermooit, Wordt mijn stille graf met blaad'ren, Rozenbladeren getooid.

Elken keer als, lief, gij jammert En uw ziele tranen stort, Weet dan, dat mijn stille grafsteen Vol van somb'ren bloedstroom wordt.

Ballade van Aager en Else.

HOOFDSTUK XX: AEGIR.

De god van de zee.

Behalve Niörd en Mimir, die beiden oceaangoden waren, terwijl de een de zee voorstelde bij de kust en de ander den oorspronkelijken oceaan, waaruit, zooals men meende, alle dingen waren voortgekomen, erkenden de noordelijke volken een ander zeebeheerscher, Aegir of Hler geheeten, die òf in de koele diepten van zijn vloeibaar gebied woonde òf verblijf hield op het eiland Lessoe, in het Kattegat, of Hlessey.

Beneden het golvengeruisch Met lichtende glorie, In blanke victorie Was zeegods hooge huis. Meer blinkend dan baren en schuimen Blonk steeds door spelonkige ruimen Het lichtende zand van zijn vloer, Als meervlak waar windje langs voer.

Valhalla (J. C. Jones.)

Aegir (de zee) heeft--zoo meent men--evenals zijn broeders Kari (de lucht) en Loki (het vuur) tot een oudere dynastie van goden behoord, want hij werd nooit gerekend tot de Aesir, de Vana's, de reuzen, de dwergen, of elfen, maar werd als almachtige beschouwd binnen zijn gebied.

Men veronderstelde dat hij veroorzaakte en tot rust bracht de groote stormen die over de diepte jaagden, en hij werd meestal afgebeeld als een mager oud man, met langen witten baard en haar, en klauwachtige vingers, die zich altijd krampachtig toeknepen, alsof hij alle dingen in zijn greep wilde hebben. Wanneer hij boven de wateren verscheen, was het enkel om schepen te vervolgen en te overweldigen, en hen gulzig naar den bodem der zee te sleepen, een werk waarin hij--zoo dacht men--duivelsch genot vond.

De godin Ran.

Aegir was gehuwd met zijn zuster, de godin Ran, wier naam "roover" beteekent, en die even wreed, gulzig en onverzadiglijk was als haar echtgenoot. Haar geliefkoosd tijdverdrijf was te loeren bij gevaarlijke rotsen, waarheen zij de zeelieden lokte en daar haar net te spreiden, haar kostbaarst bezit, wanneer zij, na de menschen in zijn mazen verstrikt te hebben en hun schepen te hebben verbrijzeld op de scherpe klippen, hen kalm naar beneden trok in haar somber gebied.

In de holle rotsen, Aan de kust die ruischt, Bij het wilde klotsen Als de stormwind bruist, In de lange uren In de fjord van 't noord, Zit zij stil te turen, En zij grijpt tot moord En zij spant haar sterk net tot haar roof.

Geschiedenis van Siegfried (Baldwin).

Ran werd beschouwd als de godin van den dood voor allen die op zee omkwamen, en de noordelijke volken meenden dat zij de verdronkenen borg in haar koraalspelonken, waar hare bedden gespreid waren om hen te ontvangen, en waar de weide welig bloeide als in Valhalla. Verder meende men, dat de godin een groote liefde had voor goud, dat "de vlam van de zee" werd genoemd, en gebruikt werd om hare hallen te verlichten. Dit geloof kwam op bij de zeelieden en had zijn ontstaan te danken aan de treffende phosphoresceerende schittering van de golven. Om de gunst van Ran te winnen, zorgden de Noormannen er voor, wat goud bij zich te bergen als een of ander bijzonder gevaar hen op zee bedreigde.

Goud op verre tochten Is vol macht en vreugde; Die met leege handen Tot de blauwe Ran gaat, Kust zij koud, en wieglend Is dan haar omhelzing-- Maar wij schenken aan de Zeebruid goud het zuiverst.

Viking-vertelling van het Noorden (R. B. Anderson).

De golven.

Aegir en Ran hadden negen schoone dochters, de Golven, of golfmeisjes, wier sneeuwige armen en boezems, lang gouden haar, diepblauwe oogen, en slanke, bekoorlijke gestalten buitengewoon betooverend werkten. Deze meisjes hadden er genoegen in, te spelen op het oppervlak van haars vaders breed gebied, licht gekleed in doorschijnend blauwe, witte of groene sluiers. Zij waren echter zeer luimig en grillig, nu eens speelsch, dan neerslachtig en apathisch, en soms elkander bijna tot waanzin opzettend, heur haar en sluiers verscheurend, zich zorgeloos op hare harde bedden, de rotsen, werpende, elkaar met woeste haast verjagend, en luid schreeuwend van vreugd of wanhoop. Maar zij kwamen zelden spelen, tenzij haar broeder, de Wind, op het pad was, en overeenkomstig zijn stemming waren zij zacht en speelsch, of ruw en rumoerig.

Men meende doorgaans dat de Winden bij drieën rondgingen, en men zeide dikwijls dat zij speelden rondom de schepen van de Vikingen dien zij gunstig gezind waren, elke belemmering op hun pad wegnemend, en hen helpend opdat zij spoedig hun doel bereikten.

En Aegirs dochters in haar blauwe wijl, Springen om 't roer, en stuwen 't bollend zeil.

Viking-vertellingen van het Noorden (R. B. Anderson).

Aegirs Brouwketel.

Aan de Angel-Saksers was de zeegod Aegir bekend onder den naam Eagor, en zoo vaak een buitengewoon groote golf tegen de kust kwam donderen, riepen de matrozen, zooals de Trentschippers nog doen: "Zie, Eagor komt!" Hij was ook bekend onder den naam Helr (de hoeder) onder de Noorsche volken en Gymir (de verstopper), omdat hij altijd bereid was dingen te verbergen in de diepten van zijn gebied, en men er op aan kon dat hij de aan zijn zorg toevertrouwde geheimen niet openbaarde. En omdat, zooals men zeide--de wateren van de zee dikwijls ziedden en kookten, heette de oceaan vaak Aegirs brouwketel of vat.

De twee voornaamste dienaren van den god waren Elde en Funfeng, zinnebeelden van het phosphoresceeren der zee; zij waren beroemd om hun snelheid en zij wachtten steeds op de gasten die hij tot zijn banketten in de diepten der zee noodigde. Aegir verliet soms zijn gebied om de Aesir in Asgard te bezoeken waar hij altijd koninklijk werd onthaald en hij behagen schepte in Bragi's vele geschiedenissen van de avonturen en daden der goden. Opgewekt door deze verhalen en ook door de tintelende mee, die er mede gepaard ging, waagde de god het eens de Aesir uit te noodigen het oogstfeest bij hem in Hlesey bij te wonen, waar hij beloofde hem op zijn beurt te zullen onthalen.

Thor en Hymir.

Verrast door deze uitnoodiging, waagde een der goden Aegir er aan te herinneren dat zij aan een lekker menu gewoon waren; daarop verklaarde de god van de zee dat, wat het eten betrof, zij niet bang behoefden te zijn, daar hij er zeker van was voor de grootste eters genoeg te hebben; maar hij bekende dat hij niet zoo gerust was wat aanging het drinken, daar zijn brouwketel vrij klein was. Dit hoorende bood Thor dadelijk aan, een goeden ketel te verschaffen en trok uit met Tyr om dien te halen. De twee goden reisden oostelijk van Elivagar in Thors geitenkar, en, deze verlatend bij het huis van den boer Egil, Thialfi's vader, gingen zij te voet naar de woning van den reus Hymir, van wien men wist dat hij een ketel had, een mijl diep en naar verhouding wijd.

Oostwaarts woont Van Elivagar d' Alwijze Hymir, Aan 's hemels end. Mijn heer, trotsch van zin, Bezit een vat, Een grooten ketel, Een mijl diep.

Saemunds Edda.

Alleen de vrouwen echter waren thuis, en Tyr herkende in de oudste--een leelijk oud wijf met negen honderd hoofden--zijn eigen grootmoeder; terwijl de jongere, een schoone jonge reuzin, naar het scheen, zijn moeder was, en zij ontving haren zoon en zijn makker gastvrij en gaf hun te drinken.

Na vernomen te hebben wat zij wilden, zei Thyr's moeder dat de bezoekers zich moesten verbergen onder eenige groote ketels, die op een balk aan het eind van de hal stonden, want haar man Hymir was zeer driftig en versloeg dikwijls zijn zoogenaamde gasten met een enkelen toornigen blik. De goden volgden vlug haar raad; en zoodra zij verborgen waren, kwam de oude reus Hymir binnen. Toen zijn vrouw hem zei dat er bezoek was, keek hij zoo verschrikkelijk boos, en wierp een zóó toornigen blik naar hun schuilplaats, dat de dwarsbalk spleet en de ketels met een slag neervielen, en, behalve de groote, alle stuk waren.

Stuk vloog de pilaar Op den blik van den reus; De balk werd eerst In tweeën geknakt, Acht ketels vielen, Maar slechts een er van, Een harde ijzeren Bleef ongedeerd.

Saemunds Edda.

De vrouw van den reus echter kreeg van haren man gedaan, dat hij Tyr en Thor welkom heette, en hij slachtte drie ossen om hen te verkwikken, maar groot was zijn teleurstelling, toen hij zag dat de dondergod twee er van voor zijn avondmaaltijd opat. Mompelend dat hij den volgenden morgen vroeg zou gaan visschen om een ontbijt te krijgen voor een zoo vraatzuchtigen gast, ging de reus naar bed, en toen hij 's anderen daags in de schemering naar de kust ging, kwam Thor bij hem die zeide dat hij hem was komen helpen. De reus beval hem op zijn eigen lokaas te letten, waarop Thor kalmweg den grootsten os van zijn gastheer Himinbrioter, (hemelbreker) doodde en, zijn hoofd afhakkend, ging hij in een schip en roeide ver in zee. Te vergeefs protesteerde Hymir dat zijn gewoon vischterrein bereikt was en dat hij de verschrikkelijke Midgardslang zoude kunnen ontmoeten als zij zich nog verder waagden; Thor roeide met volharding voort, totdat hij dacht dat zij vlak boven dit monster waren.

Op donkeren bodem onder zilten vloed, Lag neer de reuzenslang in sluimering zoet, Er is geen macht die haar ontwaken doet.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Terwijl hij den kop van den os aan den hengel sloeg, vischte Thor Iörmungandr, terwijl de reus intusschen twee walvisschen ophaalde, die hem genoeg schenen te zijn voor een vroeg ontbijt. Hij wilde dus juist voorstellen terug te keeren, toen Thor plotseling een schok voelde, en hij begon zoo hard als hij kon te rukken, want hij wist door den weerstand van zijn buit en den verschrikkelijken storm die door zijn woeste kronkelingen veroorzaakt werd, dat hij de Midgardslang aan den haak had. Bij zijn stellige pogingen om de slang te dwingen tot het oppervlak te rijzen, drukte Thor zijn voeten zóó stevig tegen den bodem van de boot dat hij er doorging en op het bed van de zee stond.

Na een onbeschrijfelijke worsteling verscheen de vergifspuwende kop van het monster en Thor, grijpende zijn hamer, zou het juist vernietigen, toen de reus, verschrikt door de nabijheid van Iörmungandr en bang dat de boot zou zinken en hij de buit van het monster zou worden, de vischlijn doorsneed en dus de slang als een steen op den bodem der zee deed terugvallen.

Daar komt het mes, en diep onder de zee Zonk neer de slang, vermoeid door zooveel wee En zooveel arbeid mee.

Thors vischvangst (Oehlenschläger).

Boos op Hymir omdat hij zoo van onpas was tusschenbeide gekomen, bracht Thor hem een slag toe met zijn hamer die hem over boord deed slaan; maar zonder aarzelen waadde Hymir naar het strand, en ontmoette den god toen hij van de kust terugkeerde. Hymir nam toen beide walvisschen, zijn zeebuit, op zijn rug, om ze naar huis te dragen; en Thor, die ook zijn kracht wilde toonen, nam boot, roeispanen en vischtuig op zijn schouders en volgde hem.

Toen het ontbijt gereed was, daagde Hymir Thor uit zijn kracht te toonen door zijn beker te breken; maar ofschoon de dondergod hem met onweerstaanbare kracht tegen steenen pilaren wierp, bleef hij heel en was zelfs niet gedeukt. Maar op een influistering van Tyrs moeder smeet Thor den kroes plotseling tegen het hoofd van den reus, de eenige stof die harder was, waarop hij in splinters op den grond viel.

Nadat Hymir zoo Thors kracht had leeren kennen, zeide hij hem, dat hij den ketel mocht hebben die de twee goden waren komen zoeken, maar Tyr trachtte te vergeefs hem op te tillen, en Thor kon hem enkel van den grond oplichten toen hij zijn krachtgordel had dichtgetrokken tot het laatste knoopsgat.

Tyr poogde tweemaal Te bewegen het vat, Maar elken keer Bleef de ketel staan; Toen nam Môdi's vader Bij den rand hem, En liep dus Door 't vertrek.

Hymir-lied.

De ruk waarmede hij hem eindelijk ophief, bracht groote schade toe aan het huis van den reus, en zijn voeten gingen door den vloer. Toen Tyr en Thor vertrokken, de laatste met den grooten pot op zijn hoofd in plaats van een hoed, riep Hymir zijn broeders de vorstreuzen, en stelde voor, dat zij hun hevigen vijand zouden vervolgen en verslaan. Toen hij zich omkeerde, merkte Thor plotseling wat zij wilden, en herhaalde malen Miölnir naar de reuzen werpend, versloeg hij hen allen eer zij hem konden inhalen. Tyr en Thor aanvaardden toen de terugreis naar Aegir, den ketel bij zich waarin het bier voor het oogstfeest moest gebrouwen worden.

De naturalistische beteekenis van deze mythen is natuurlijk een onweer (Thor), een strijd met de woeste zee (de Midgardslang) en het breken van het poolijs (Hymirs beker en vloer) in de hitte van den zomer.

De goden kleedden zich nu in feestgewaad en gingen vroolijk naar Aegirs feest, en zij waren sedert steeds gewoon het oogstfeest in zijn koraalspelonken te vieren.

Vana's en Aesir keeren zij Van aard en lucht en Asgard, blij Met hun godinnen, wonderbaar, Een zeldzaam schitterende schaar, Verzellend Odin, trokken voort Over de zee in lichten tocht.

Valhalla (J. C. Jones).

Onbeminde godheden.

Aegir, zooals wij hebben gezien, beheerschte de zee met behulp van de verraderlijke Ran. Deze beide godheden werden als wreed beschouwd door de noordelijke volken, die veel van de zee hadden te lijden, welke, hen aan alle kanten omringende, ver in het hart hunner landen drong door de vele fjorden, en dikwijls de schepen hunner Vikingen verzwolg met heel hun oorlogsbemanning.

Andere goden van de zee.

Behalve in deze voornaamste godheden van de zee geloofden de noordelijke volken in meermannen en meerminnen, en vele verhalen worden verteld van meerminnen, die voor een tijd de zwaneveeren of robbengewaden uitdeden, die zij op de kust lieten en welke door de menschen gevonden werden, waardoor deze de schoone meisjes konden dwingen op het land te blijven.

Zij kwam door de zee toen de maan klaar scheen, Dreef op de golven van d' oceaan, Zij kwam toen ik liep langs het strand alleen Met een hart zoo licht als een hart kan slaan.

L. E. R.

Er waren ook boosaardige zeemonsters, bekend als Nicort, van wier naam het spreekwoordelijke Oude Nikker is afgeleid. Vele van de lagere watergoden hadden vischstaarten, de vrouwelijke droegen den naam Undines en de mannelijke Stromkarels, Nixies, Necks of Neckar.

Waar in moerassen de roerdompen spelen Nicker de ziellooze zit wat te kweelen, Zit er ontroostbaar, heeft vijand noch vrind, Nicker de ziellooze treurt als een kind.

Uit Broeder Fabian's Handschrift.

In de middeleeuwen geloofde men, dat deze watergeesten hun geboortestroomen soms verlieten, om te verschijnen bij dorpsdansen, waar zij herkend werden aan den natten zoom hunner kleederen. Vaak zaten zij naast de vloeiende beek of rivier, spelend op een harp, of zingend verleidende liederen, terwijl zij hun lang groen haar uitkamden.

De Neck speelt zijn harp hier in 't glazen kasteel En meerminnen kammen heur haren er veel, En bleeken heur glanzende kleeren.

Stagnelius.

De Nixies, Undines en Stromkarls waren bijzonder vriendelijke en liefelijke wezens, en waren zeer verlangend herhaalde verzekeringen te krijgen van hun eeuwig heil.

Vele verhalen worden verteld van priesters of kinderen die hen ontmoetten, spelend aan een stroom, en die hen dreigden met toekomstige verdoemenis, een bedreiging die altijd de vroolijke muziek in droevige klachten verkeerde. Dikwijls haastten priesters of kinderen, als zij hun fout ontdekten en geroerd waren door den angst hunner slachtoffers, zich terug naar den stroom en verzekerden de watergeesten met hun groene tanden, dat zij behouden zouden worden, als zij steeds weer hun blijde melodieën hervatten.

Kent gij de Nixen, blij en klaar? Hun oogen zijn zwart, groen is hun haar Zij toeven op helmige kusten.

Mathisson.

Riviernimfen.

Naast Elf of Elb, den watergeest die den naam gaf aan de rivier de Elbe in Duitschland, de Neck, waarnaar de Neckar heet, en ouden Vader Rijn met zijn talrijke dochters (bijrivieren), is de beroemdste van alle lagere watergoden de Loreley, het sirenenmeisje dat zit op de rots bij St. Goar aan den Rijn, en wier verlokkend lied menig schipper in den dood heeft gelokt. De legenden over die sirene zijn inderdaad zeer talrijk, een der oudste is als volgt:

Legenden van de Lorelei.

Lorelei was een onsterflijke, een waternimf, dochter van Vader Rijn; overdag woonde zij in de koele diepten der rivierbedding, maar laat in den avond verscheen zij in het maanlicht, hoog zittend op een rotspunt, in het volle gezicht van allen die den stroom op en af gingen. Soms bracht de avondkoelte eenige tonen van haar lied tot de ooren van de bootslieden, zoodat zij tijd en plaats vergetend bij het luisteren naar deze betooverende melodieën, op de scherpe en gekante rotsen dreven, waar zij wis omkwamen.

De jonkvrouw is gezeten Daarboven wonderbaar Hoe blinkt haar gouden keten! Zij kamt haar gouden haar.

Met kam, de gouden, reine, En zingt een lied daarbij, Dat heeft een wonderfijne, Geweldige melodij.

Den schipper bij 't golvenklotsen Omvat het met wild gerucht, Hij speurt niet de scherpe rotsen, Hij tuurt maar omhoog in de lucht.

'k Geloof, in 't golvenbangen Zijn schipper en boot vergaan, Dat heeft met hare zangen De Lorelei gedaan.

Lied, Heine.

Slechts één persoon, zegt men, heeft de Lorelei van zeer nabij gezien. Dit was een jonge visscher van Oberwesel, die haar elken avond aan den rivierkant ontmoette, en eenige genotvolle uren met haar doorbracht, hare schoonheid indrinkend en luisterend naar haar wegsleepend gezang. De overlevering vertelde, dat eer zij scheidden de Lorelei de plaatsen aanwees waar de jongeling 's anderen morgens zijn netten moest werpen--bevelen, waaraan hij altijd gehoorzaamde en die hem steeds voordeelig waren.

Op zekeren avond zag men den jongen visscher naar de rivier gaan, maar daar hij nooit wederkeerde, ging men hem zoeken. Daar men hem niet kon vinden, vertelden de lichtgeloovige Teutonen ten slotte, dat de Lorelei hem had naar beneden getrokken naar haar koraalgrotten opdat zij steeds van zijn gezelschap zou mogen profiteeren.

Overeenkomstig een andere overlevering lokte de Lorelei, met haar wegsleepende melodieën van de scherpe rotsen zóóvele visschers ten grave in de diepten van den Rijn, dat een gewapende troep eens bij het vallen van den avond gezonden werd om haar te omringen en te grijpen. Maar de waternimf betooverde den kapitein en zijn mannen zóó, dat zij hand noch voet konden bewegen. Terwijl zij onbewegelijk rondom haar stonden, ontdeed de Lorelei zich van hare sieraden en wierp ze in het water onder zich; toen zong zij een tooverformule en liet de wateren komen tot den top van de rots waarop zij stond, en, tot verbazing van de soldaten, omsloten de golven een zeegroene kar, door rossen met witte manen getrokken, en de nimf sprong er vlug in en de tooverwagen was onmiddellijk uit het gezicht. Eenige oogenblikken later viel de Rijn tot zijn gewoon peil terug, de betoovering was gebroken en de mannen konden zich weer bewegen, en keerden terug om te vertellen dat hun pogingen vergeefsch waren geweest. Sedert dat oogenblik echter is de Lorelei niet gezien, en de boeren zeggen dat zij nog boos is wegens de haar aangedane beleediging en dat zij nooit weer hare koraalgrotten zal verlaten.

HOOFDSTUK XXI: BALDER.

De meest beminde.