Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 13

Chapter 133,866 wordsPublic domain

De Nornen weefden soms zóó groote webben dat als een van de wevers stond op een hoogen berg in het verste Oosten, een ander ver in de Westersche zee waadde. De draden van haar weefsel geleken op koorden en verschilden zeer in kleur, in overeenstemming met den aard der gebeurtenissen die zouden geschieden, en een zwarte draad, die van het Noorden ging naar het Zuiden, gold vast als een teeken van dood. Wanneer deze zusters de spoel deden wentelen af en aan, zongen zij een plechtig gezang. Zij schenen niet te weven volgens hare eigen wenschen, maar blindelings alsof zij met tegenzin den wil uitvoerden van Orlog, de eeuwige wet van het al, een oudere en hoogere macht, die blijkbaar begin noch einde had.

Twee van de Nornen, Urd en Verdandi, werden voor heel welwillend gehouden, terwijl, zooals men zeide, de derde steeds haar werk te niet deed en het dikwijls, als het bijna klaar was, toornig in flarden scheurde, terwijl zij de overblijfselen op de winden des hemels uitstrooide. Als verpersoonlijking van den tijd werden de Nornen voorgesteld als zusters van verschillenden leeftijd en karakter, terwijl Urd (Wurd, tooverkracht) heel oud en afgeleefd scheen en voortdurend omkeek alsof zij zich verdiepte in het beschouwen van voorbijgegane gebeurtenissen en volken van het verleden; Verdandi, de tweede zuster, jong, actief en zonder vrees, keek recht voor zich uit, terwijl Skuld, het type van het toekomstige, meestal afgebeeld werd als dichtgesluierd, met het hoofd gekeerd in tegengestelde richting als Urd, en vasthoudend een boek of rol, die nog niet geopend of ontrold was.

Dagelijks kregen deze Nornen bezoek van de goden, die ze gaarne raadpleegden; en zelfs Odin reed dikwijls naar de Urdarfontein om haar hulp in te roepen, want meestal beantwoordden zij zijn vragen, 't zwijgen bewarend over zijn eigen lot en dat zijner medegoden.

Lang en heel snel reed hij heen, Onders 's Levens boom (waar 't vocht Van de heil'ge Bron welt) zocht Urdar, Norne van 't Verleên; Maar haar oog, dat rugwaarts zag Hielp hem niet op dezen dag. Op Verdandi's blad viel neer Schaduw, meldend kommer meer, Schaduw, die op Asgard hing, Wierp er op een duistren kring 't Geheim was niet bij deze vrouw, Wat 't schoone Valhall redden zou. De jongste zuster, van wat komt Norna, Skuld, bleef gansch verstomd. Toen hij vroeg om toekomsts zin, Haar somber oog sloot kommer in.

Valhalla (J. C. Jones).

Andere beschermgeesten.

Behalve de drie voornaamste Nornen, waren er vele andere, veel minder belangrijk, die de beschermgeesten der menschheid schijnen te zijn geweest, aan wie zij dikwijls verschenen, terwijl zij allerlei soorten van geschenken aan hun gunstelingen gaven, en zelden in gebreke bleven tegenwoordig te zijn bij geboorte, bij huwelijk en dood.

Veelvuldig is hun maagschap, wie zal hen noemen allen? Zij heerschen over de menschen en der sterren rijzen en vallen.

Sigurd de Volsung (William Morris).

De geschiedenis van Nornagesta.

Eens bezochten de drie zusters Denemarken, en traden de woning binnen van een edelman, toen zijn eerste kind ter wereld kwam. Het vertrek binnentredend waar de moeder lag, beloofde de eerste Norne dat het kind flink en braaf zou zijn, en de tweede dat hij gelukkig zou wezen en een groot zanger zou worden--voorspellingen, die de harten der ouders met blijdschap vervulden. Intusschen had zich het nieuws van het gebeurde verspreid, en de buren kwamen in zóó groote menigte het vertrek binnen dat het dringen van de nieuwsgierige schare schuld was dat de derde Norne op ruwe wijze van haar stoel werd gestooten.

Boos over deze beleediging stond Skuld trotsch op en zei dat de giften harer zusters niet zouden baten, daar zij zou bepalen dat het kind niet langer zou leven dan de kaars die bij het bed stond zou branden. Deze onheilspellende woorden vervulden het hart der moeder met schrik, en bevend sloot zij haar kind vaster aan haar borst, want de kaars was bijna afgebrand en het kon niet lang meer duren of zij ging uit. De oudste Norne echter had geen plan haar voorspelling aldus te niet te laten doen; maar daar zij hare zuster niet kon dwingen hare woorden in te trekken, greep zij snel de kaars, deed het licht uit en terwijl zij het rookende eind aan de moeder van het kind gaf, beval zij haar het zorgvuldig te bewaren, en het nooit aan te steken eer haar zoon van het leven genoeg had.

In het huis was het nacht: De Nornen kwamen Die zouden beslissen Over 's prinsen leven.

Saemunds Edda.

Deze jongen werd Nornagesta genoemd ter eere van de Nornen, en groeide op tot een zoo schoonen, dapperen en begaafden man als een moeder maar kon wenschen. Toen hij oud genoeg was om den ernst van het hem toevertrouwde te verstaan, vertelde hem zijn moeder de geschiedenis van het bezoek der Nornen, en gaf hem het eindje kaars dat hij vele jaren bewaarde, terwijl hij het veiligheidshalve in de kast van zijn harp opborg. Toen zijn ouders dood waren, zwierf Nornagesta van plaats tot plaats, en nam deel aan ieder gevecht en onderscheidde zich in den oorlog, zijn heldenwijzen zingend waar hij ook ging. Daar hij van geestdriftigen en dichterlijken aard was, had hij niet spoedig genoeg van het leven, en terwijl andere helden gerimpeld en oud werden, bleef hij jong van hart en krachtig van gestalte. Hij was dus getuige van de geweldige daden der heldeneeuwen, was de trouwe makker van de oude krijgslieden, en nadat hij driehonderd jaar geleefd had, zag hij dat het geloof in de oude heidensche goden langzamerhand plaats maakte voor de prediking der Christenzendelingen. Eindelijk kwam Nornagesta aan het hof van koning Olaf Tryggvesson, die, overeenkomstig zijn gewoonte, hem schier door geweld bekeerde en hem dwong den doop te ontvangen. Wenschend zijn volk te overtuigen dat de tijd voor het bijgeloof voorbij was, noodzaakte de koning den ouden skalde de kaars voor den dag te halen en aan te steken, die hij meer dan drie eeuwen zorgvuldig had bewaard.

Ofschoon hij pas bekeerd was, sloeg Nornagesta de flikkerende vlam angstig gade, en toen zij ten slotte uitging, zonk hij levenloos op den grond, dus bewijzend, in weerwil van den ontvangen doop, dat hij nog in de voorspelling van de Nornen geloofde.

In de middeleeuwen, en zelfs later, komen de Nornen in vele verhalen en mythen voor, en verschijnen dan als feeën of heksen, zooals, bij voorbeeld, in het verhaal van de "Schoone Slaapster", en Shakespeare's treurspel Macbeth.

Eerste heks. Wanneer 't volgend samenzijn? Bij regen, storm of weerlichtsschijn?

Tweede heks. Als 't rumoeren is gedaan, Als men hoort victorie slaan.

Derde heks. Dat is na zonsondergaan.

Shakespeare's Macbeth (vert. v. Burgersdijk).

De Vala.

Soms droegen de Nornen den naam Vala, of profetessen, want zij hadden de gave der waarzegging--een gave die bij alle noordelijke volken in hoog aanzien was. Zij dachten dat zij het vrouwelijk geslacht was voorbehouden. De voorspellingen van de Vala werden nooit in twijfel getrokken, en men zegt dat de Romeinsche generaal Drusus zóó verschrikt was door de verschijning van Veleda, een der profetessen, die hem waarschuwde niet de Elbe over te trekken, dat hij inderdaad het sein tot den terugtocht gaf. Zij voorspelden zijn ophanden zijnden dood, die inderdaad kort daarop plaats had door een val van zijn paard.

Deze profetessen, die ook bekend waren als Idises, Dises, of Hagedises, deden dienst in de boschtempels en in de heilige wouden, en vergezelden altijd de legers die een aanval deden. Aan het hoofd of in het midden van de schare rijdend, zetten zij de strijders krachtig tot de overwinning aan, en als de slag voorbij was sneden zij dikwijls den bloedigen arend op de lichamen van de gevangenen. Het bloed werd verzameld in groote tonnen, waarin de Dises hare naakte armen tot de schouders toe dompelden, voordat zij deel namen aan milden daad waarmee de plechtigheid eindigde.

Het is niet te verwonderen dat deze vrouwen zeer gevreesd waren. Offers werden gebracht om ze gunstig te stemmen, en eerst in latere tijden werden zij verlaagd tot den rang van heksen, en verwezen naar de duivelbende op den Brocken, of den Blocksberg, in den Valpurgisnacht.

Behalve de Nornen of Dises, die ook als schutsgodinnen beschouwd werden, schreven de Noormannen aan ieder menschelijk wezen een beschermgeest toe, Fylgie geheeten, die hem zijn geheele leven vergezelde, hetzij in menschelijke, hetzij in dierlijke gestalte, en onzichtbaar was, behalve op het oogenblik van zijn dood voor allen behalve de enkele ingewijden.

De allegorische beteekenis van de Nornen en van hun web des lots is te duidelijk om verklaring te eischen; toch hebben enkele mythologen ze tot geesten van de lucht gemaakt, en zeggen dat haar webbe het wolkenweefsel was, en dat de nevelbanden, die zij knoopten van rots tot boom, van berg tot berg, gewelddadig verscheurd werden door den plotselingen opstekenden wind. Sommige autoriteiten zeggen bovendien dat Skuld, de derde Norne, bij tijd en wijle een Valkyre was, en dan weer de godin van den dood, de schrikwekkende Hel voorstelde.

HOOFDSTUK XVIII: DE VALKYREN.

De slagmaagden.

Odin's speciale dienaressen, de Valkyren, of slagmaagden, waren òf zijn dochters zooals Brunhild, òf het kroost van sterfelijke koningen, maagden die het voorrecht hadden onsterflijk en onwondbaar te blijven zoolang zij den god trouw gehoorzaamden en maagden bleven. Zij en hunne paarden waren de verpersoonlijking van de wolken, hare schitterende wapenen waren de bliksemschichten. De ouden dachten dat zij naar de aarde streken op Valfaders bevel, om onder de in het gevecht gesneuvelden de helden te kiezen, die waardig waren de vreugde van het Valhalla te genieten, en dapper genoeg om hulp te verleen en aan de goden wanneer de groote slag zou bevochten worden.

Daar door een slagveld, waar de mannen sneuv'len, Rijden zij voort, haar paarden diep in 't bloed, Lezen de dappersten ten doode uit, Brengen hen thuis des avonds in den hemel, Tot vreugd der goden en tot Valhall's feest.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Deze maagden werden voorgesteld als jong en schoon, met verblindend witte armen en golvend gouden haar. Zij droegen helmen van zilver of goud, en bloedroode pantsers, en met blinkende speren en schilden snelden zij moedig door het gevecht op hare vurige witte rossen. Deze paarden galoppeerden door de lucht en over de sidderende Bifröst, dragende niet alleen hun schoone berijdsters, maar ook de verslagen helden, die, nadat zij den doodskus der Valkyren ontvangen hadden, dan onmiddellijk naar het Valhalla werden overgebracht.

De wolkenpaarden.

Daar de rossen van de Valkyren verpersoonlijkingen waren van de wolken, moest men natuurlijk denken dat de ruige vorst en de dauw op aarde neerdruppelden van hun schitterende manen, als zij snel af en aan stormden door de lucht. Zij werden daarom in hooge eere gehouden, want het volk schreef aan haren weldadigen invloed toe veel van de vruchtbaarheid der aarde, lieflijkheid van dal en berghelling, de pracht der pijnboomen, en de vetheid van het weideland.

Zij kiezen de gevallenen.

De Valkyren werden niet enkel naar de slagvelden op aarde gezonden, maar dikwijls reden zij over de zee en namen de stervende Vikings op van hun zinkende drakenschepen. Soms stonden zij op het strand om hen er heen te wenken, een onbedriegelijke waarschuwing dat de aanstaande strijd hun laatste zou zijn, en een die elke Noorsche held met vreugde ontving.

Zij reden langzaam naar de kust, En toen men kon zien hun heir, Scheen elk op een machtig ros in rust En te dragen een groote veêr, En te wenken met zachte hand Van het donker, rotsig strand En te drillen een blinkende speer.

Toen kwam er vrede in zijnen geest, Wetend wat dit beduidt, Want hij kende den stoet der Nornen die leest De gevallen krijgers uit.

Valkyriur lied (Mrs. Hemans).

Hun getal en hun werk.

Het getal der Valkyren verschilt veel volgens onderscheiden mythologen, loopend van drie tot zestien; de meeste bronnen noemen er echter slechts negen. De Valkyren werden beschouwd als godheden van de lucht; zij werden ook Nornen of wenschmeisjes genoemd. Men zei dat Freya en Skuld haar ten strijde voerden.

Zij zag Valkyren Komen van ver, Tot rijden gereed Naar der goden stam; Skuld hield het schild Skaugel kwam toen, Gunnr, Hildr, Gaundul, En Geir-skaugul, Zoo zijn geteld De oorlogsnornen.

Saemunds Edda.

De Valkyren hadden, zooals wij gezien hebben, belangrijke dingen in Valhalla te doen, als zij hare bloedige wapenen hadden afgedaan en de hemelsche mee voor de Einheriar inschonken. Deze drank vervroolijkte de zielen van de pas gekomenen, en zij heetten de schoone meisjes even hartelijk welkom, als toen zij ze het eerst op het slagveld hadden gezien en hadden begrepen dat zij hen zouden brengen waar zij gaarne zouden wezen.

Nu komen in schaduw zeer rijzige gestalten, Heur handen als sneeuwvlokken blinken in 't maanlicht; Zij wenken, zij fluisteren, "O! met moed omgorden, U wachten de gasten--mee schuimt in 't Valhalla."

Finn's Saga (Hewitt).

Wieland en de Valkyren.

Men meende dat de Valkyren dikwijls naar de aarde vlogen in zwanenveeren, die zij afdeden als zij aan een eenzamen stroom kwamen, om een bad te nemen. Als een sterveling ze dus verraste en hare veeren wegnam, kon hij ze beletten, de aarde te verlaten en deze trotsche maagden zelfs dwingen hem ter wille te zijn, als hij dat begeerde.

Men vertelt dat drie van de Valkyren, Olrun, Alvit en Svanhvit, eens in het water speelden, toen plotseling de drie broeders Egel, Slagfinn en Völund of Wieland de smid bij ze kwamen, en hare zwanenveeren wegnemend, dwongen de jonge mannen ze op aarde te blijven en hun vrouwen te worden. De Valkyren, zoo vastgehouden, bleven bij hare mannen negen jaren, maar op het eind van dien tijd deden zij hare veêren weer aan of werd op andere wijs de betoovering verbroken, en gelukte het haar te ontvluchten.

Daar zij toefden Zeven winters lang; Maar in den achtsten Greep heimwee allen; En in den negenden Scheidde ze 't lot; De meisjes smachtten Naar 't donker woud.

Völundlied.

De broeders voelden het verlies hunner vrouwen buitengewoon, en twee hunner, Egil en Slagfin, deden hun sneeuwschoenen aan en gingen hunne geliefden zoeken, terwijl zij in de koude en mistige streken van het Noorden verdwenen. De derde broeder Völund echter bleef thuis, wetend dat alle zoeken niets baten zou, en hij vond troost in de beschouwing van een ring, dien Alvit hem als liefdeteeken had geschonken, en hij voelde de vaste hoop dat zij zou terugkeeren. Daar hij een knap smid was en de mooiste versierselen van goud en zilver kon maken, even goed als tooverwapenen die geen slag kon breken, gebruikte hij nu zijn vrijen tijd om zeven honderd ringen te vervaardigen, die alle precies gelijk waren aan den eenen, dien zijn vrouw hem had gegeven. Toen deze klaar waren, bond hij ze samen; maar toen hij 's nachts van de jacht thuis kwam, merkte hij dat iemand een ring had weggenomen, en zijn verwachtingen werden opnieuw aangewakkerd, want hij hield zich zelf voor, dat zijn vrouw er geweest was en spoedig voor goed zou terugkeeren.

Dienzelfden nacht echter werd hij verrast in zijn slaap en gekneveld en gevangen genomen door koning Nidud van Zweden die zijn zwaard in bezit nam, een prachtig wapen, met tooverkracht bedeeld, dat hij voor zijn eigen gebruik behield, en den liefdering, uit zuiver Rijngoud gemaakt, dien hij later gaf aan zijn eenige dochter Bodvild. Wat den ongelukkigen Völund zelf betrof, hij werd als gevangene weggevoerd naar een naburig eiland, waar, na lam gemaakt te zijn, opdat hij niet zou ontsnappen, de koning hem voortdurend aan het werk hield om wapenen en versierselen tot zijn gebruik te smeden. Hij liet hem ook een ingewikkeld labyrinth bouwen, en tot dezen dag is een doolhof op IJsland bekend als "Völund's huis".

Völund's woede en wanhoop namen toe bij elke nieuwe beleediging, hem door Nidud aangedaan, en dag en nacht peinsde hij, hoe hij zich zou kunnen wreken. Ook vergat hij niet te zinnen op zijn ontsnapping, en als hij niet werkte, maakte hij een paar vleugels die geleken op die welke zijn vrouw als Valkyre gebruikt had, en deze wilde hij aandoen zoodra hij aan zijn wraak toe was. Op zekeren dag kwam de koning zijn gevangene bezoeken en bracht hem het gestolen zwaard om het te maken; maar Völund stelde er handig een ander wapen voor in de plaats dat zóó volkomen op het tooverzwaard geleek, dat het den koning misleiden moest als hij het kwam terug vragen. Eenige dagen later lokte Völund 's konings zonen in zijn smidse en doodde ze, waarop hij knaphandig drinkschalen uit hun schedels vervaardigde en juweelen uit hun oogen en tanden, die hij bestemde voor hun ouders en zuster.

Maar hun schedels Onder het haar Zette hij in zilver, Gaf ze aan Nidud; En uit hun oogen Vormde hij edelsteenen, Die aan Nidud's Sluwe vrouw hij zond Maar van de tanden Maakte hij borsttooi, Zond dien aan Bödvild.

Lied van Völund.

De koninklijke familie vermoedde niet, van waar zij kwamen; en zoo werden deze geschenken met vreugde aanvaard. Wat de arme jonge mannen betrof, men meende dat zij naar zee waren gedreven en verdronken waren.

Kort daarop bezocht ook Bodvild, die haar ring hersteld wilde hebben, de hut van den smid, waar, toen zij er wachtte, zij onvoorziens een tooverdrank te drinken kreeg, die haar deed inslapen en in Völund's macht gaf. Toen zijn laatste daad van wraak vervuld was, deed Völund onmiddellijk de vleugels aan die hij voor dezen dag in gereedheid had gebracht, en zijn zwaard en ring nemend steeg hij langzaam in de lucht. Hij vloog naar het paleis, hield zich buiten bereik en vertelde zijn misdaden aan Nidud. De koning, buiten zich zelven van woede, riep Egil, Völund's broeder, die ook in zijn macht was gekomen, en beval hem zijn wonderlijke behendigheid als boogschutter te gebruiken om den onbeschaamden vogel neer te leggen. Gehoorzamend aan een wensch van Völund, mikte Egil op een knobbel onder zijn vleugel waar een blaas vol met het bloed der prinsen verborgen was, en de smid vloog triomfantelijk weg zonder letsel, zeggend dat Odin zijn zwaard zou geven aan Sigmund--een voorspelling die volkomen uitkwam.

Völund ging toen naar Alf-heim, waar, als men de legende mag gelooven, hij zijn geliefde vrouw vond, en weer gelukkig met haar leefde tot de godenschemering.

Maar zelfs in Alf-heim ging deze knappe smid voort met zijn handigheid te toonen, en tal van ondoordringbare rustingen, die hij zou hebben gemaakt, worden in latere heldendichten beschreven. Behalve Balmung en Joyeuse, de beroemde zwaarden van Sigmund en van Karel den Groote, zegt men dat hij Miming vervaardigd heeft voor zijn zoon Hermie, en vele andere merkwaardige wapenen.

Het is gelijk aan Miming Aller zwaarden vorst, En Wieland wrocht het, Bitterfer zijn naam.

Angelsaksische Poëzie.

Er zijn tallooze andere verhalen van zwaanmeisjes of Valkyren die met stervelingen zouden hebben verkeerd; maar het meest populaire is dat van Brunhild, de vrouw van Siguro, een afstammeling van Sigmund en den meest beroemden van de Noorsche helden.

William Morris, in "het Land ten Oosten der Zon en ten Westen der Maan," geeft een prachtige bewerking van een andere dezer Noorsche legenden. De geschiedenis behoort tot de schoonste der verzameling in "Het Aardsche Paradijs".

Brunhild.

De geschiedenis van Brunhild vindt men in velerlei vorm. Sommige bewerkingen beschrijven de heldin als de dochter van een koning die Odin aannam om in zijn Valkyrenschaar te dienen, anderen als opperste der Valkyren en zijn eigen dochter. In Richard Wagners verhaal "De Ring van den Nibelung" geeft de groote toonkunstenaar een bijzonder aantrekkelijke, zij het ook een meer moderne conceptie van de opperste Strijd-maagd, en haar gehoorzaam zijn aan het gebod van Odin toen zij den jeugdigen Siegmund moest roepen van de zijde zijner geliefde Sieglinde naar de hallen der Gezaligden.

HOOFDSTUK XIX: HEL.

Loki's kroost.

Hel, de godin van den dood, was de dochter van Loki, den god van het kwaad, en van de reuzin Angur-boda, de voorzegster van ellende. Zij kwam ter wereld in een donkere hal in Jötun-heim tegelijk met de slang Iörmungandr en den vreeselijken Fenriswolf, en deze drie werden beschouwd als de voorstellingen van smart, zonde en dood,

Loki verschijnt, bron van al leed Hem vloekt die mensch of Aesir heet, De goden zullen rouwen lang, Om, zelfs nog na der tijden gang, Zijn laag bedrog op Asgardsburg. En diep in Jötun-heim, zoo fel, Zijn Fenrir, Slang en gruw'bre Hel, Zijn kindren drie, Pijn, Zond' en Dood, Hij heeft ze lief en bracht ze groot, Door hen brengt hij der wereld nood.

Valhalla (J. C. Jones).

Te zijner tijd bespeurde Odin het vreeslijke gebroed dat Loki koesterde, en hij besloot, zooals wij reeds gezien hebben, ze van het gelaat der aarde te verbannen. De slang werd daarom in zee geworpen, waar, zoo dacht men, haar gekronkel de verschrikkelijkste stormen veroorzaakte; de wolf Fenris werd in ketenen geslagen, dank den onverschrokken Tyr; en Hel of Hela, de godin van den dood, werd in de diepten van Niflheim gestort, waar Odin haar macht gaf over negen werelden.

En Hela storttet gij in Niflheim, En gaaft haar negen duistere werelden, Als koningin die over dooden heerscht.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hel's Koninkrijk in Niflheim.

Dit gebied, dat,--meende men--onder de aarde lag, kon men enkel na een lastige reis over de ruwste wegen in de koude, donkere streken van het verste Noorden naderen. De poort was zóó ver van alle menschelijke woning, dat zelfs Hermod de snelle, op Sleipnir gezeten, negen lange nachten moest reizen eer hij de rivier Giöll bereikte. Deze vormde de grens van Niflheim, en over haar was een brug geslagen van kristal met gouden boog, die aan een enkel haar hing, en die steeds bewaakt werd door het grimmige geraamte Mödgud, dat elken geest een tol in bloed liet betalen, eer het hem doorliet.

De glazen brug hing aan een haar. Over den stroom van duisternis, De Giöll, die grens der Helle is. Hier stond de gruwbre maagd Mödgud, En wachtt' als tol des geesten bloed. Een vrouw, verschriklijk van gelaat, Ontvleescht, met lake' en doodsgewaad.

Valhalla (J. C. Jones).

De geesten gingen meestal over deze brug op de paarden of in de wagens die op den brandstapel met den doode tot dat doel waren verbrand, en de Noorsche volken zorgden er goed voor, dat aan de voeten van den overledene een bijzonder sterk paar schoenen werden gebonden, Helschoenen geheeten, opdat zij geen pijn zouden lijden gedurende de lange reis over ruwe wegen. Spoedig nadat de Giallar-brug was gepasseerd, bereikte de geest het IJzerbosch, waar enkel kale boomen met ijzeren bladeren stonden, en, als hij er door was, kwam hij aan de Hellepoort, waarnaast de vraatzuchtige, met bloed bevlekte hond Garm wacht hield, neergehurkt in een donker hol, dat bekend stond als de Gnipa-spelonk. De woede van dit monster kon enkel gestild worden doordat men het een Helle-koek gaf, waaraan zij nooit gebrek hadden, die altijd aan de behoeftigen brood hadden geschonken.

Luid blaft Garm, Voor het Gnipa-hol.

Saemunds Edda.

Binnen de poort, te midden van de hevige koude en de ondoordringbare duisternis, hoorde men het zieden van den grooten ketel Hvergelmir, het rollen van de gletschers in de Elivagar en andere stroomen van de Hel, onder andere de Leipter, waarbij plechtige eeden werden gezworen, en de Slid, in welker woelige wateren steeds bloote zwaarden rolden.