Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 12

Chapter 123,898 wordsPublic domain

Heimdall heeft verschillende andere namen, onder welke wij vinden die van Hallinskide en Irmin, want soms vervangt hij Odin en wordt vereenzelvigd met dien god, evenals met andere zwaardgoden, Er, Heru, Cheru en Tyr, die allen beroemd zijn door hun schitterende wapenen. Hij echter is het meest bekend als de wachter van den regenboog en de god des hemels en van de vruchtbare regens en den dauw die verfrissching aan de aarde brengen.

Heimdall deelde ook met Bragi de eer van de helden in het Valhalla welkom te heeten, en, onder den naam van Riger, gold hij als de goddelijke voorvader van de verschillende groepen, die het menschelijke geslacht uitmaken, zooals blijkt in het volgende verhaal.

De geschiedenis van Riger.

"Heilige kind'ren, Groot en klein, Zonen van Heimdall".

Saemunds Edda.

Heimdall verliet op zekeren dag zijn plaats in Asgard om op aarde te dalen zooals de goden gewoon waren. Hij was niet ver gegaan, toen hij aan een armelijke hut op het zeestrand kwam, waar hij aantrof Ai (overgrootvader) en Edda (overgrootmoeder), een arm maar waardig paar, dat hem gastvrij uitnoodigde om hun eenvoudig maal varkensvleesch te deelen. Heimdall, die zich Riger noemde, nam verheugd deze invitatie aan en bleef bij het paar drie dagen, terwijl hij hen veel leerde. Na verloop van dien tijd hervatte hij zijn reis. Kort na zijn bezoek, baarde Edda een donkeren, dikken jongen, dien zij Thrall noemde.

Thrall toonde weldra buitengewone physieke kracht en een grooten aanleg voor allen zwaren arbeid; en toen hij groot geworden was, nam hij tot vrouw Thyr, een zwaar gebouwd meisje met door de zon gebruinde handen en platte voeten, die, evenals haar man, vroeg en laat werkte. Vele kinderen werden dit paar geboren, en van hen stamden alle slaven van de noordelijke landen af.

Zij hadden kind'ren En leefden gelukkig;

Z' omheinden landen, Bemestten 't ploegveld, Hoedden varkens, Weidden geiten, Groeven veen.

Rigsmál.

Na de arme hut op de kale zeekust te hebben verlaten was Riger het land ingegaan, waar hij spoedig aan bebouwde velden kwam en een aanzienlijke boerderij. Deze vriendelijke woning binnentredend vond hij Afi (grootvader) en Amma (grootmoeder) die hem gastvrij uitnoodigden te gaan zitten en mede te eten van het eenvoudige maar overvloedige maal dat zij zouden gebruiken.

Riger nam de uitnoodiging aan en hij bleef drie dagen bij zijn gastheer en gastvrouw, terwijl hij hun intusschen allerlei nuttige kennis mededeelde. Na zijn vertrek uit hun huis baarde Amma een blauwoogigen forschen knaap, dien zij Karl noemde. Toen hij groot werd spreidde hij enorme kennis van landbouwzaken ten toon, en te zijner tijd trouwde hij een vlugge en huishoudelijke vrouw, Snor geheeten, die hem vele kinderen baarde, van wie het ras der landbouwers afkomstig is.

Hij groeid' op, Gedijde flink; Hij temde ossen, Maakte ploegen; Bouwde huizen, Maakte schuren, Maakte wagens En dreef den ploeg.

Rigsmál.

Nadat hij dit huis van het tweede paar had verlaten, vervolgde Riger zijn reis, totdat hij kwam aan een heuvel, waarop een statig kasteel was gebouwd. Hier werd hij ontvangen door Fadir (vader) en Modir (moeder), die, wel gevoed en weelderig gekleed, hem hartelijk welkom heetten, en hem voorzetten lekkere spijzen en heerlijke wijnen.

Riger bleef drie dagen bij dit paar en keerde vervolgens naar Himinbiorg terug om zijn taak als wachter van de Asa-brug te hervatten; en spoedig daarop baarde de vrouw van het kasteel een schoonen, slank gebouwden knaap, dien zij Jarl noemde. Dit kind toonde vroeg groote liefde voor de jacht en allerlei krijgsmansoefeningen, leerde de runen verstaan en liefde om groote daden van dapperheid te verrichten, die zijn naam beroemd maakten en glorie gaven aan zijn geslacht. Man geworden huwde Jarl Erna, een aristokratisch en slank gebouwd meisje, dat zijn huishouden met verstand waarnam en hem vele kinderen baarde, allen bestemd om te regeeren; de jongste van dezen, Konur, werd de eerste koning van Denemarken. Deze mythe geeft goed aan het sterk klassegevoel onder de noordelijke volken.

Op groeiden Jarl's zonen; Zij temden paarden, Bogen schilden Gladden pijlen, Drilden speren, Maar Kon, de jongste, Wist de runen Eeuw'ge runen En levensrunen.

Rigsmál.

HOOFDSTUK XIV: HERMOD.

De vlugge god.

Een andere zoon van Odin was Hermod, zijn speciale dienaar, een schitterende en schoone jonge god, die begaafd was met groote snelheid van beweging en daarom als de snelle of vlugge god werd aangeduid.

Maar een was er, van alle goden d' eerste, In snelheid, Hermod werd zijn naam genoemd, Het vlugst was hij.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Wegens deze belangrijke eigenschap deed Hermod doorgaans bij de goden als bode dienst, en op een enkel teeken van Odin was hij altijd bereid om zich naar welk deel der schepping ook heen te spoeden. Als een bijzonder bewijs van gunst gaf Alvader hem een prachtig pantser en een helm, die hij dikwijls aandeed als hij ging deelnemen aan het gevecht, en soms vertrouwde Odin aan zijn zorg toe de kostbare speer Gungnir, en gebood hem die over de hoofden der strijdenden te werpen, die op het punt waren den slag te wagen, opdat hun moed tot moordende woede zou worden aangezet.

Laat ons Odin bidden In ons te varen; Hij geeft en gunt Den goeden goud; Hij gaf aan Hermod Een helm en pantser.

Saemunds Edda.

Hermod had behagen in het gevecht en heette dikwijls "de moedige in den slag", en werd vereenzelvigd met den god van het Al, Irmin. Men zegt dat hij soms de Valkyren vergezelde op hun rit naar de aarde, en vaak de krijgers naar het Valhalla begeleidde, waarom hij beschouwd werd als de gids der heldhaftige dooden.

Tot hem sprak Hermoden, sprak Brage: "Wij groeten u uit naam van allen, Bij de goden bekend om uw moed zijt gij, En zij nooden u uit in hun hallen.

Owen Meredith.

Hermod's kenmerkend attribuut was, behalve zijn pantser en helm, een stok of staf, die Gambantein heette, het teeken van zijn waardigheid, dat hij overal mededroeg.

Hermod en de Waarzegger.

Eens door onbepaalde angsten voor de toekomst gedrukt en van de Nornen geen voldoende antwoorden op zijn vragen kunnende verkrijgen, beval Odin Hermod zijn wapenrusting aan te doen en Sleipnir te zadelen, dien hij, behalve Odin, alleen berijden mocht, en zich te spoeden naar het land van de Finnen. Dit volk, dat in de bevroren poolstreken woonde, had--zoo meende men--behalve dat het de koude stormen kon verwekken, die van het noorden aanwoeien en veel ijs en sneeuw in hun gevolg meebrachten, groote geheimzinnige vermogens.

De beroemdste van deze Finsche toovenaars was Rossthiof (de paardendief) die gewoon was reizigers in zijn gebied te halen door middel van magische kunsten, om hen te berooven en te vermoorden, en hij vermocht de toekomst te voorspellen, ofschoon hij steeds onwillig was het te doen.

Hermod, "de snelle" reed vlug noordwaarts, met de opdracht dezen Fin te zoeken, en in plaats van zijn eigen stok droeg hij Odins runenstaf, dien Alvader hem had gegeven om alle belemmeringen, die Rossthiof tegen hem zou mogen in het werk stellen, uit den weg te ruimen. In weerwil van de schimachtige monsters en de onzichtbare hinderlagen en valstrikken, kon Hermod de woning van den toovenaar veilig bereiken, en toen de reus hem aanviel, kon hij hem met gemak overwinnen en bond hij hem aan handen en voeten, zeggende dat hij hem niet vrij zou laten eer hij beloofde alles te openbaren wat hij wilde weten.

Toen Rossthiof zag dat er geen kans op ontvluchten was, beloofde hij te zullen doen als zijn overwinnaar wenschte, en, in vrijheid gesteld, begon hij dadelijk bezweringen te mompelen. Zoodra deze gehoord werden, verborg zich de zon achter de wolken, de aarde schudde en beefde, en de stormwinden huilden, als een troep hongerige wolven.

Naar den horizon wijzende zei de toovenaar dat Hermod moest zien, en de snelle god zag in de verte een grooten stroom bloed die den grond rood maakte. Terwijl hij keek naar dien wonderbaren stroom verscheen plotseling een oude vrouw en een oogenblik later stond een klein kind naast haar. Tot verbazing van den god groeide dit kind zóó wonderbaarlijk snel dat hij weldra volwassen was, en Hermod bespeurde dat hij stoutmoedig een boog met pijlen zwaaide.

Rossthiof begon nu de voorteekenen te verklaren, die zijn kunst bezworen had, en hij legde uit dat de stroom bloed den moord van een der zonen van Odin aanduidde, maar dat als de vader der goden zou vrijen en veroveren Rinda, in het land der Ruthenen (Russen), zij hem een zoon zou baren die volwassen zou zijn in een paar uur en zijn broeders dood wreken zou.

Rind zal baren een zoon, In de west'lijke hallen; Hij zal Odins zoon verslaan, Één nacht oud.

Saemunds Edda.

Hermod luisterde aandachtig naar de woorden van Rossthiof en bij zijn terugkeer naar Asgard vertelde hij alles wat hij gezien en gehoord had aan Odin, wiens vreezen bevestigd werden, en die dus met zekerheid wist dat hij een zoon door een gewelddadigen dood verliezen zou. Hij troostte zich echter met de gedachte dat een ander van zijn afstammelingen de misdaad zou wreken en hij dus de genoegdoening zou krijgen die een echte Noorman altijd verlangde.

HOOFDSTUK XV: VIDAR.

De zwijgende god.

Men verhaalt dat Odin eens verliefd was op de schoone reuzin Grid, die woonde in een spelonk in de woestijn en dat, toen hij haar vrijde, hij van haar gedaan kreeg dat zij zijn vrouw werd. Uit deze verbintenis tusschen Odin (geest) en Grid (stof) kwam Vidar voort, een zoon die even sterk als stil was, en dien de ouden beschouwden als een verpersoonlijking van het oorspronkelijke woord of van de onsterflijke natuurkrachten.

Evenals de goden, door Heimdall, nauw verbonden waren met de zee, waren zij ook na verwant aan de bosschen en de natuur in het algemeen door Vidar, die de "zwijgende" genoemd werd en die bestemd was hun ondergang te overleven en te heerschen over een herboren aarde. Deze god woonde in Landvidi (het wijde land), een paleis versierd met groene takken en versche bloemen, gelegen in het midden van een ondoordringbaar oerwoud, waar de diepste stilte heerschte en de eenzaamheid, door hem bemind.

Overgroeid met struiken En met hoog gras In Vidar's wijd land.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

De oude Skandinavische opvatting van den zwijgenden Vidar is inderdaad zeer grootsch en dichterlijk en werd ingegeven door het woeste Noorsche landschap. "Wie heeft ooit gezworven door zulke wouden, vele mijlen ver, in een onbegrensde verte, zonder pad, zonder doel, tusschen hun geweldige schaduwen, hun gewijde duisternis, zonder vervuld te zijn met diepen eerbied voor de verheven grootheid der Natuur, die alle menschenwerk te boven gaat, zonder te voelen de verhevenheid der idee die den grondslag vormt van Vidar's wezen?"

Vidar's schoen.

Vidar wordt afgebeeld als slank, welgebouwd en schoon, gekleed in wapenrusting, omgord met een zwaard dat een breed lemmet heeft, en geschoeid met een grooten ijzeren of lederen schoen. Volgens sommige mythologen had hij deze eigenaardige voetbedekking te danken aan zijn moeder Grid, die, wetende dat hij op den jongsten dag zou moeten vechten tegen het vuur, haar als een bescherming bedoelde tegen het vurig element, zooals haar ijzeren handschoen Thor had beschut in zijn strijd tegen Geirrod. Maar andere bronnen zeggen dat zijn schoen was gemaakt van de lederreepen, die Noorsche schoenlappers hadden weggegeven of weggegooid. Daar het voornaamste was, dat de schoen groot en sterk genoeg moest zijn om de scherpe tanden van Fenrils wolf op den jongsten dag weerstand te bieden, was het een punt van religieuse verplichting onder Noorsche schoenmakers zooveel stukken en snippers leer als mogelijk was weg te geven.

De profetie van de Nornen.

Toen Vidar zijn makkers in het Valhalla ontmoette, heetten zij hem vroolijk welkom, want zij wisten dat zijn groote kracht hun van goeden dienst zou zijn in tijd van nood. Nadat zij hem vriendschappelijk hadden onthaald op de gouden meede, beval Alvader hem te volgen naar de Urdarfontein, waar de Nornen altijd bezig waren met het weven van hun web. Door Odin ondervraagd aangaande zijn toekomst en Vidars lot, antwoordden de drie zusters in orakeltaal en uitten elk een zin:

Vroeg begonnen. Verder gesponnen. Gedaan wat verzonnen.

Hier voegde haar moeder, Wyrd, de oorspronkelijke godin van het noodlot bij: Met vreugd nog eens gewonnen. Deze geheimzinnige antwoorden zouden volstrekt onbegrijpelijk zijn gebleven, had de godin niet verklaard dat de tijd verder gaat, dat alles moet veranderen, dat als zijn vader zou vallen in den laatsten slag, zijn zoon Vidar zijn wreker zou zijn en zou leven om over een herboren wereld te heerschen, nadat hij al zijn vijanden overwonnen had.

Daar zit Odins Zoon op het paard; Zal wreken zijn vader.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Terwijl Wyrd sprak, sidderden de bladeren van den wereldboom alsof zij door een koelte bewogen werden, de arend op zijn hoogsten tak klapte met zijn vleugels, en de slang Nidhug staakte een oogenblik zijn vernielingswerk aan de wortelen van den Boom. Grid, bij vader en zoon komend, verheugde zich met Odin toen zij hoorde dat hun zoon bestemd was de oudere goden te overleven en over den nieuwen hemel en de nieuwe aarde te heerschen.

Daar wonen Vidar en Vale In de heilige verblijven, Als het vuur van Surt is gebluscht.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Vidar sprak echter geen woord, maar keerde langzaam terug naar zijn paleis Landvidi, in het hart van het oorspronkelijke woud en, daar, op zijn troon zittend dacht hij lang na over eeuwigheid, toekomst en oneindigheid. Als hij hare geheimen peilde, maakte hij ze nooit openbaar, want de ouden verzekerden dat hij "zwijgend als het graf" was--een zwijgen, dat aanduidde dat niemand weet wat hem in het toekomstige leven te wachten staat.

Vidar was niet alleen een verpersoonlijking van de onvergankelijkheid der natuur, maar hij was ook een zinnebeeld van de opstanding en de vernieuwing, aanduidend de eeuwige waarheid dat nieuwe loten en bloesems zullen ontluiken om te vervangen die welke afgevallen zijn.

De schoen dien hij droeg zou zijn verdediging zijn tegen den wolf Fenris, die, Odin verslagen hebbende, zijn woede tegen hem zou keeren en zijn vreeslijke kaken zou openen om hem te verslinden. Maar de oude Noormannen zeiden dat Vidar den dus bekleeden voet zou uitstrekken tegen de benedenkaak van het monster, en, de bovenkaak vastgrijpend, met hem worstelen zou totdat hij hem in tweeën had gescheurd.

Daar slechts één schoen vermeld wordt in de Vidar-mythen, vooronderstellen sommige mythologen dat hij maar één been had, en de verpersoonlijking was van een waterstraal, die plotseling op den jongsten dag zou opstijgen, om het woeste vuur uit te blusschen, dat in den verschrikkelijken wolf Fenris verpersoonlijkt was.

HOOFDSTUK XVI: VALI.

Het vrijen van Rinda.

Billing, de koning van de Ruthenen, was zeer teleurgesteld toen hij hoorde dat een groote macht zijn rijk zou binnenvallen, want hij was te oud om als vroeger te vechten, en zijn eenig kind, een dochter die Rinda heette, weigerde, ofschoon zij op huwbaren leeftijd was, een echtgenoot te kiezen uit hare vele vrijers, en dan haren vader de hulp te geven, die hij zoo smartelijk miste.

Terwijl Billing mistroostig nadacht in zijn hal, trad plotseling een vreemdeling zijn paleis binnen. De koning keek op, en zag een man van middelbaren leeftijd, gewikkeld in een wijden mantel, met een breedgeranden hoed over zijn voorhoofd getrokken om te verbergen dat hij slechts één oog had. De vreemdeling vroeg beleefd naar de oorzaak van zijn klaarblijkelijke neerslachtigheid, en daar er iets in zijn houding was dat vertrouwen inboezemde, vertelde de koning hem alles, en op het eind van het verhaal bood hij aan het leger der Ruthenen tegen hun vijand aan te voeren.

Toen zijn diensten met blijdschap waren aanvaard, duurde het niet lang of Odin--want hij was het--behaalde een merkwaardige overwinning, en, in triomf terugkeerend, vroeg hij toestemming om 's konings dochter Rinda te vrijen. Ofschoon de pretendent op jaren was, hoopte Billing dat zijn dochter een gunstig oor zou leenen aan een vrijer die zich zeer bleek te onderscheiden en hij gaf onmiddellijk toestemming. Zoo vertoonde Odin, nog onbekend, zich aan de prinses, maar zij wees boos zijn voorstel af en sloeg hem ruw om de ooren toen hij haar poogde te kussen.

Genoopt zich terug te trekken, gaf Odin niettemin het plan niet op Rinda tot zijn vrouw te maken, want hij wist, dank zij Rossthiofs profetie, dat geen andere dan zij den aangewezen wreker van zijn vermoorden zoon kon ter wereld brengen. Zijn volgende poging was dus de gedaante van een smid aan te nemen, en in die vermomming kwam hij terug in Billings hal, en terwijl hij kostelijke versierselen maakte van zilver en goud, vermenigvuldigde hij zóó kunstig deze schoone bijouteriën, dat de koning gaarne zijn toestemming gaf, toen hij vroeg of hij zich tot de prinses mocht wenden. De smid, Rosterus, zooals hij zich aandiende, werd echter met even weinig plichtplegingen door Rinda afgescheept als zij dit den gelukkigen veldheer had gedaan; maar ofschoon zijn oor opnieuw suisde van haar harden klap, was hij meer besloten dan ooit haar tot zijn vrouw te maken.

Den volgenden keer toen Odin zich vertoonde voor de grillige dame, was hij vermomd als een fier oorlogsheld, want, dacht hij, een jong soldaat zou misschien het hart van het meisje treffen, maar toen hij haar weer poogde te kussen, stootte zij hem zóó plotseling terug, dat hij struikelde en op één knie viel.

Menig schoone maagd Is voor mannen onverschillig Als men haar kent; Dat ondervond ik Toen ik beproefde, Dat stille meisje Voor mij te winnen; Allerlei smaad Hoopte toen op mij Dat luimige kind; Niets van die schoone kreeg ik gedaan.

Saemunds Edda.

Deze derde beleediging maakte Odin zóó woedend, dat hij zijn magischen runestaf uit zijn borst trok, hem op Rinda richtte en een zóó vreeselijke bezwering uitsprak, dat zij in de armen harer dienstbaren viel, stijf en schijnbaar levenloos.

Toen de prinses weer tot zich zelf kwam, was haar vrijer verdwenen, maar de koning ontdekte tot zijn groot verdriet dat zij geheel haar verstand verloren had en zwaarmoedig krankzinnig was. Te vergeefs werden alle dokters geroepen en beproefden zij hun middelen; het meisje bleef stil en bedroefd, en haar ongeruste vader had bijna alle hoop opgegeven, toen een oude vrouw, die zich als Vecha, of Vak, aandiende, verscheen, en aanbood de prinses te genezen. De oude vrouw, die Odin was in vermomming, schreef der patiënte eerst een voetbad voor; maar, toen dit geen kennelijke uitwerking scheen te hebben, stelde zij voor met een krachtiger behandeling de proef te nemen. Tot dit doel, zei Vecha, moest de patiënte aan haar uitsluitende zorg worden toevertrouwd en stevig worden vastgebonden zoodat zij niet den minsten weerstand kon bieden. Billing, die zijn kind wilde redden, vond alles goed; en toen hij dus volledige macht over Rinda had gekregen, dwong Odin haar hem te huwen, terwijl hij haar slechts uit hare banden en hare betoovering los liet, toen zij eerlijk beloofd had zijn vrouw te worden.

De geboorte van Vali.

De voorspelling van Rossthiof was nu vervuld, want Rinda baarde een zoon, Vali (Ali, Bous of Beav) geheeten, een personifiëering van het lengen der dagen, die zóó snel opgroeide, dat hij in den loop van één enkelen dag zijn volle lengte kreeg. Zonder zelfs den tijd te nemen om zijn gezicht te wasschen of zijn haar te kammen, haastte zich deze jonge god naar Asgard, boog en pijl in de hand, om Balders dood op zijn moordenaar Hodur, den blinden god der duisternis, te wreken.

Zie, Vali komt, straft Hodur blind, Hij zoon van 't west en Rinda's kind, En Odins, in één dag volboren, Hij gunt zich rust niet naar behooren, Noch toeft te wasschen zich de handen Zich 't haar te kammen, ijlt door landen Totdat z'n roeping is vervuld En Hodur heeft geboet zijn schuld.

Valhalla (J. C. Jones).

In deze mythe weerstaat Rinda, een verpersoonlijking van de bevroren aardkorst, de warme liefde van de zon, Odin, die te vergeefs aanduidt dat de lente de tijd is voor oorlogsondernemingen, en die de sieraden van den gouden zomer aanbiedt. Zij geeft slechts toe, als, na een bui (het voetbad) de dooi begint. Overwonnen dan door de onweerstaanbare macht van de zon, geeft de aarde zich neer onder zijn omhelzing, wordt bevrijd van de betoovering (het ijs) die haar hard en koud maakte, en brengt voort Vali, den voeder, of Bous, den boer, die uit zijn donkere hut te voorschijn komt als de liefelijke dagen zijn gekomen. Het vermoorden van Hodur door Vali beteekent dus het "voor den dag komen van nieuw licht na de duisternis van den winter."

Vali, die als een der twaalf goden voorkomt welke de zetels in de groote hal van Gladsheim innemen, deelde met zijn vader het huis dat Valaskialf heette, en was, reeds vóór zijn geboorte, voorbestemd om het laatste gevecht en de godenschemering te overleven, en met Vidar te regeeren over de herboren aarde.

Dienst van Vali.

Vali is de god van het eeuwige licht, zooals Vidar van de onvergankelijke stof; en daar de lichtstralen dikwijls pijlen heetten, wordt hij altijd als boogschutter voorgesteld en vereerd. Daarom wordt zijn maand in den Noorschen kalender aangeduid door het teeken van den boog, en heet Lios-beri, de lichtbrengende. Daar zij valt tusschen het midden van Januari en Februari, wijdden de eerste Christenen deze maand aan St. Valentijn, die ook een ervaren boogschutter was, en die, evenals Vali, de heraut van lichter dagen heette, en de wekker van teedere gevoelens en de beschermheer van alle minnaars.

HOOFDSTUK XVII: DE NORNEN.

De drie schikgodinnen.

De Noorsche godinnen van het noodlot, die Nornen heetten, waren in geen enkel opzicht afhankelijk van de andere goden, die noch naar hare besluiten mochten vragen, noch er invloed op oefenen. Zij waren drie zusters, waarschijnlijk afstammelingen van den reus Norvi, van wien Nott (nacht) afkomstig was. Zoodra de Gouden Eeuw voorbij was en de zonde zelfs de hemelsche woningen van Asgard binnensloop, verschenen de Nornen onder den grooten esch Yggdrasil en vestigden zich bij de Urdar-fontein. Volgens sommige bronnen moesten zij de goden waarschuwen voor toekomstig kwaad, hen op het hart binden goed gebruik te maken van het heden, en hen gezonde lessen leeren trekken uit het verleden.

Deze drie zusters die Urd, Verdandi en Skuld heetten, stelden het verleden, het heden en de toekomst voor. Haar voornaamste bezigheden waren de webbe van het lot te weven, dagelijks den heiligen boom te besprenkelen met water uit de Urdar-fontein en versche aarde te leggen om zijn wortelen, opdat hij frisch en altijd groen zou blijven.

Vandaar komen de maagden Die zeer veel weten, Drie van de hal Beneden den boom; Een heette was, D' andre zijnde De derde die zijn zal.

De Völuspâ.

Sommigen beweren verder dat de Nornen wacht hielden over de gouden appelen, die aan de takken van den boom des levens, der ervaring en der kennis hingen, en dat zij slechts Idoen toestonden de vrucht te plukken, de vrucht waardoor de goden konden vernieuwen hun jeugd.

De Nornen verzorgden en voedden ook twee zwanen die over het spiegelgladde oppervlak van de Urdarfontein zwommen en van die paar vogels stammen--meende men--alle zwanen op aarde af. Soms, zoo zegt men, bekleedden zich de Nornen met zwanenveeren om de aarde te bezoeken, of vermaakten zich als meerminnen langs de kusten en in verschillende meren en rivieren, waar zij van tijd tot tijd aan de stervelingen verschenen om hun de toekomst te voorspellen of hun wijzen raad te geven.

Het web der Nornen.