Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 11

Chapter 113,931 wordsPublic domain

Daar zij de godin van de schoonheid was, was Freya natuurlijk zeer verzot op haar toilet van schitterende sieraden en kostbare juweelen. Op zekeren dag, toen zij in Svart-alfa-heim vertoefde, het rijk onder den grond, zag zij vier dwergen den wonderbaarsten halsketting maken dien zij ooit gezien had. Schier buiten zich zelf van verlangen om dezen schat te bezitten, die Brisinga-men heette, en een zinnebeeld was van de sterren, smeekte Freya de dwergen hem haar te geven; maar zij weigerden dit met beslistheid tenzij zij beloofde dat zij hun haar gunst zou schenken. Toen zij tot dezen prijs den halsketting had gekregen, haastte Freya zich hem aan te doen, en zijn schoonheid verhoogde hare bekoorlijkheden zóó, dat zij hem dag en nacht droeg en slechts bij gelegenheid kon bewogen worden hem aan de andere godheden te leenen. Thor droeg echter dezen ketting, toen hij Freya in Jötun-heim voorstelde, en Loki begeerde hem en zou hem hebben gestolen, had Heimdall er niet opgepast.

Freya was ook de trotsche bezitster van een valkengewaad, of valkenveeren, die dengene, die ze droeg, het vermogen schonk als een vogel door de lucht te vliegen; en dit kleed was zóó onschatbaar dat het tweemaal door Loki werd geleend, en door Freya zelve gebruikt werd toen zij Odur, die weg was, ging zoeken.

Op zeek'ren dag Deed Freya aan valkenvleug'len en schoot door de lucht, Noordwaarts, zuidwaarts zocht zij Haar geliefden Odur.

Frithiof Saga, Tegnér.

Daar Freya ook werd beschouwd als de godin van de vruchtbaarheid, werd zij soms voorgesteld als rondrijdend met haar broeder Frey in de kar, die getrokken werd door het zwijn met gouden borstels, met kwistige hand strooiend vruchten en bloemen, om de harten der menschen verheugd te maken. Zij had echter zelf een wagen waarin zij gewoonlijk reed. Deze werd getrokken door katten, hare geliefkoosde dieren, de zinnebeelden van koesterende liefheid en wellust, of de verpersoonlijking van vruchtbaarheid.

Toen kwam zwartbaardige Niörd en achter hem Freya, in dun gewaad, en om haar enkels teer Speelden de grauwe katten.

Minnaars van Goedroen (William Morris).

Frey en Freya werden zóó hoog geëerd in het gansche noorden, dat hunne namen, in gewijzigde vormen, nog gebruikt worden voor "meester" en "meesteres", en één dag der week Vrijdag wordt genoemd. Freya's tempels waren inderdaad groot in getal, en werden lang in stand gehouden door hare geloovigen, het laatst te Maagdenburg, in Duitschland totdat deze op bevel van Karel den Groote werd verwoest.

Geschiedenis van Ottar en Angantyr.

Het Noorsche volk was gewoon Freya aan te roepen niet alleen om voorspoed af te smeeken in de liefde, en welvaart en rijkdom, maar ook, nu en dan, hulp en bescherming. Deze beloofde zij aan allen die haar trouw dienden, zooals bleek in het verhaal van Ottar en Angantyr, twee mannen, die, nadat zij een tijd lang getwist hadden over hun rechten op zeker stuk land, ten slotte de zaak voor het Thing brachten. Die volksvergadering besliste dat de man, die kon aantoonen dat hij de langste lijn van edele voorvaderen had, als winner zou gelden, en een bepaalden dag werd aangewezen om den geslachtsboom van iederen eischer na te sporen.

Ottar, die zich slechts eenige namen van voorvaderen kon herinneren, bracht offers aan Freya en vroeg haar hulp. De godin hoorde goedgunstig naar zijn gebed en verscheen hem en veranderde hem in een wild zwijn, en reed op zijn rug naar de woonplaats van de toovenares Hyndla, een zeer beroemde heks. Door bedreigingen en verzoeken kreeg Freya van de oude vrouw gedaan, dat zij Ottar's geslachtsboom tot Odin naspoorde, en elk der vaderen op zijn beurt zou opnoemen, terwijl zij erbij vertelde wat hij had gedaan. Daar zij vreesde dat het geheugen van haren vereerder niet bij machte zou zijn zoovele bijzonderheden te onthouden, bewerkte Freya verder dat Hyndla een dronk herinneringsdrank brouwde, dien zij hem te drinken gaf.

Drinken zal hij Heerlijke teugen, Alle goden smeek ik Te zeeg'nen Ottar.

Saemunds Edda.

Zoo voorbereid verscheen Ottar voor het Thing op den vastgestelden dag, en zei vloeiend zijn stamboom op, zooveel meer voorvaders noemende dan Angantyr zich kon herinneren, dat hem zonder moeite het bezit werd toegewezen dat hij verlangde.

Een plicht is te wijzen zóó Dat de jonge vorst Zijn vaderlijk erfdeel zal hebben Volgens zijn afkomst.

Saemunds Edda.

De mannen van Freya.

Freya was zóó schoon dat al de goden, reuzen en dwergen naar hare liefde verlangden en om beurten haar tot vrouw wilden. Maar Freya bespotte de leelijke reuzen en weigerde zelfs Thrym, toen Loki en Thor voor hem pleitten. Zij was niet zoo onverzettelijk waar het de goden zelf betrof, als men de verschillende mythologen mag gelooven, want als de verpersoonlijking van de aarde, zegt men, heeft zij Odin (de lucht), Frey (den vruchtbaren regen), Odur (den zonneschijn) enz. getrouwd, totdat het scheen alsof zij de beschuldiging verdiende die de opperduivel Loki tegen haar uitgilde, dat zij om beurten alle goden bemind had en gehuwd.

Vereering van Freya.

Het was gebruik bij plechtige gelegenheden Freya's gezondheid te drinken met die van de andere goden, en toen het Christendom in het noorden werd ingevoerd, werd deze dronk overgebracht op de Maagd of op St. Gertruida; Freya werd, evenals alle heidensche godheden, tot een demon verklaard of een heks, en verbannen naar de bergtoppen van Noorwegen, Zweden of Duitschland, waar men den Brocken aanwijst als haar speciaal verblijf, en de algemeene verzamelplaats van haar duivelenstoet in den Valpurgisnacht.

Koor van heksen.

De heksen gaan den Brocken op, De stoppel is geel, groen is de knop. Van alle kanten komen ze aan, En bovenop zit Uriaan. Zoo gaat het over steen en stok, Laat de heks een sch--t, dan st--t de bok.

Goethe's Faust (vert. v. Adama v. Scheltema).

Daar de zwaluw, de koekoek en de kat in heidensche tijden Freya gewijd waren, meende men dat deze schepselen duivelsche eigenschappen hadden, en tot heden toe worden heksen altijd afgebeeld met koolzwarte katten naast zich.

HOOFDSTUK XI: ULLER.

De god van den winter.

Uller, de god van den winter, was de zoon van Sif, en de stiefzoon van Thor. Zijn vader die nooit vermeld wordt in de Noorsche sagen moet een van de meest gevreesde vorstreuzen zijn geweest, want Uller hield van de koude en reisde gaarne door het land op zijn breede sneeuwschoenen of glinsterende schaatsen. Deze god hield ook van de jacht, en dreef zijn spel in de Noorsche wouden, zich maar weinig bekommerend om ijs en sneeuw, waartegen hij goed was beschermd door de dikke pelzen waarin hij altijd was gehuld.

Als god van de jacht en het boogschieten wordt hij afgebeeld met een koker vol pijlen en een grooten boog, en daar de taxis het beste hout geeft tot vervaardiging van deze wapenen, zegt men dat dit zijn geliefkoosde boom was. Om altijd genoeg geschikt hout tot zijn gebruik bij de hand te hebben, sloeg Uller zijn verblijf op te Ydalir, het dal der taxisboomen, waar het altijd zeer vochtig was.

Ydalir heet het, Waar Uller zich Gemaakt heeft een woning.

Saemunds Edda.

Als wintergod werd Uller, of Oller, zooals hij ook heette, beschouwd als de tweede na Odin, wiens plaats hij gedurende zijn afwezigheid in de wintermaanden van het jaar zich toeëigende. Gedurende dit tijdperk voerde hij algeheele heerschappij over Asgard en Midgard, en ook, volgens sommige bronnen, nam hij bezit van Frigga, Odins vrouw, zooals vermeld wordt in de mythe van Vili en Ve. Maar daar Uller zeer zuinig was en nooit iets gaf aan de menschheid, begroette zij met groote blijdschap den terugkeer van Odin, die zijn onderkruiper wegjoeg en hem noodzaakte zijn toevlucht te nemen òf in het bevroren noorden òf op de toppen van de Alpen. Hier, als wij de dichters mogen gelooven, had hij een zomerhuis gebouwd, waarin hij zich terugtrok, totdat, wetend dat Odin weer weg was, hij opnieuw in de dalen durfde verschijnen.

Uller werd ook beschouwd als de god van den dood, en men dacht dat hij in de Wilde Jacht reed en ze soms zelf leidde. Hij is in het bijzonder bekend om zijn snelheid van beweging, en daar de sneeuwschoenen, die men in noordelijke streken gebruikt, soms van been worden gemaakt, en bovenaan zijn opwaarts gekeerd als de boeg van een schip, vertelde men gewoonlijk dat Uller tooverrunen had gesproken over een stuk been, dat hij in een schip veranderde, hetwelk hem over land of zee droeg naar zijn wil.

Daar sneeuwschoenen als een schild er uit zien, en daar het ijs waarmee hij jaarlijks de aarde omwikkelde als schild dient dat ze voor letsel in den winter beschermt, had Uller den bijnaam van schildgod, en hij werd in het bijzonder aangeroepen door alle personen die moesten meedoen aan een tweegevecht of een wanhopigen strijd.

In Christelijke tijden werd zijn plaats in den dienst des volks ingenomen door St. Hubert, als jager, die ook gemaakt werd tot den patroon der eerste maand, welke op 22 November begon, en aan hem gewijd was, daar de zon door het sterrenbeeld Sagittarius ging, of den boogschutter.

In het Angelsaksisch was Uller bekend als Vulder; maar in sommige deelen van Duitschland heette hij Holler en werd beschouwd als de gemaal van de schoone godin Holda, wier velden hij met een dikken mantel van sneeuw bedekte, om ze meer vruchtbaar te maken wanneer de lente kwam.

Bij de Skandinaviërs vertelde men, dat Uller Skadi had gehuwd, Niörds gescheiden vrouw, de vrouwelijke verpersoonlijking van den winter en de koude en hun smaak was zóó gelijk dat zij in volkomen harmonie samen leefden.

Dienst van Uller.

Vele tempels waren in het Noorden aan Uller gewijd, en op zijn altaren, even goed als die van de andere goden, lag een heilige ring, waarop eeden werden gezworen. Men zeide dat deze de ring kracht had zóó hevig ineen te krimpen, dat hij den vinger van een met opzet meineedige afrukte. Het volk bezocht Ullers tempel, vooral gedurende de maanden November en December, om hem te vragen dat hij een dikke deken van sneeuw over hun landen zou brengen, als waarborg van een goeden oogst; en daar men geloofde dat hij de schitterende stralen van het noorderlicht zond, die de Noorsche lucht in haar langen nacht verlichten, dacht men dat hij in nauwe betrekking stond tot Balder, de verpersoonlijking van het licht.

Volgens andere bronnen was Uller Balders speciale vriend, vooral omdat hij ook een deel van het jaar in de duistere diepten van Nevelheim doorbracht, met Hel, de godin van den dood. Men meende dat Uller daar jaarlijks, gedurende de zomermaanden, verbannen werd, als hij zijn heerschappij over de aarde moest afstaan aan Odin, den zomergod, en daar ontmoette hem Balder op Midzomer, den dag waarop hij uit Asgard verdween, want dan begonnen de dagen korter te worden, en de heerschappij van het licht (Balder) week allengs voor de steeds toenemende macht der duisternis (Hodur).

HOOFDSTUK XII: FORSETI.

De god van de waarheid.

Zoon van Balder, den god van het licht en van Nanna, de godin der vlekkelooze reinheid, was Forseti de wijste, welsprekendste en lieflijkste van alle goden. Toen men vernam dat hij in Asgard was, stonden de goden hem een zetel toe in de vergaderzaal, bepaalden dat hij de beschermer zou zijn van gerechtigheid en rechtvaardigheid, en gaven hem tot verblijf het schitterende paleis Glitnir. Deze woning had een zilveren dak, dat op pilaren van goud rustte, en het straalde zóó, dat men het op grooten afstand kon zien.

Glitnir is het tiende; Gedragen door goud, Ook met zilver gedekt. Daar woont Forseti Altijd door, Beslecht elken strijd.

Saemunds Edda.

Hier, op een hoogen troon, zat Forseti, de wetgever, dag aan dag, en vereffende de geschillen van goden en menschen, geduldig luisterend naar beide kanten van elke vraag, en ten slotte uitsprekend beslissingen zóó billijk dat niemand ooit met zijn besluiten ontevreden was. Zóó groot waren de welsprekendheid en overredingskracht van dezen god, dat hij er altijd in slaagde de harten zijner hoorders te treffen, en het hem altijd gelukte ook de bitterste vijanden te verzoenen. Allen, die van hem vandaan gingen, waren voor het vervolg er zeker van in vrede te leven, want niemand durfde een gelofte te breken die hem eens was gedaan, anders zou hij zijn rechtmatigen toorn oploopen en onmiddellijk ten doode verwezen worden.

Forseti, Balders groote zoon Hoorde mijn eed, Geef mij rechtvaard'gen dood ter loon Als 'k hem vergeet.

Viking-verhalen van het Noorden (R. B. Anderson).

Als de god van de gerechtigheid en eeuwige wet, meende men, was Forseti voorzitter bij elke rechtszitting; steeds wendden zich tot hem allen die een verhoor moesten ondergaan, en men zeide dat hij zelden in den steek liet degenen die zijn hulp verdienden.

De geschiedenis van Heligoland.

Om de administratie van het recht in hun land te vergemakkelijken, benoemden de Friezen, zegt men, twaalf van hun wijste mannen, de Asegeir, of oudsten, om de wetten van de verschillende familiën en stammen die hun natie uitmaakten te verzamelen, en daaruit een wetboek samen te stellen dat de grondslag zou zijn van uniforme wetten. Toen de oudsten heel nauwkeurig de verschillende gegevens hadden verzameld, scheepten zij zich in op een klein schip, om een eenzame plaats te vinden waar zij vreedzaam hun besprekingen zouden kunnen houden. Maar nauwelijks waren zij van wal gestoken, of een storm zette op, die hun schip ver naar zee dreef, nu in deze richting en dan in die, zoodat zij geheel hun kalmte verloren. In hun wanhoop riepen de twaalf rechtsgeleerden Forseti aan, en smeekten hem hen te helpen het land weer te bereiken, en nauwelijks was het gebed uit, of zij bespeurden, tot hun groote verrassing, dat het schip een dertienden passagier aan boord had.

Het roer grijpend wendde de vreemdeling het vaartuig, stuurde het naar de plaats waar de golven het hoogst sloegen, en in ongeloofelijk korten tijd kwamen zij aan een eiland waar de stuurman hen aanspoorde zich te ontschepen. In eerbiedige stilte gehoorzaamden de twaalf mannen; en hun verbazing steeg nog meer, toen zij den vreemdeling zijn oorlogsbijl zagen zwaaien en een heldere bron zagen opspringen van de plaats op het grasveld waar zij neerkwam. Op voorbeeld van den vreemdeling dronken allen van dit water zonder een woord te spreken; toen gingen zij in een kring zitten, zich verbazend omdat de vreemdeling op ieder hunner in een of andere bijzonderheid geleek, maar toch veel van hen verschilde in algemeen voorkomen en uiterlijk.

Plotseling werd het zwijgen verbroken en de vreemdeling begon te spreken op zachten toon, die vaster en luider werd toen hij een wetboek ging voordragen dat al de verschillende bestaande bepalingen vereenigde die de Asegeir hadden verzameld. Toen zijn rede uit was, verdween de vreemdeling even snel en geheimzinnig als hij was gekomen, en de twaalf rechtsgeleerden, hun spraak terug krijgend, riepen tegelijk uit dat Forseti zelf bij hen was geweest, en het wetboek had gegeven volgens hetwelk de Friezen voortaan moesten gevonnisd worden. Ter herinnering aan de verschijning van den god verklaarden zij het eiland waarop zij stonden heilig, en zij spraken een plechtige vervloeking uit over ieder die zijn heiligheid door twist of bloedvergieten zou ontwijden. Zoo werd dit eiland, bekend als Forseti's land of Heligoland (heilig land) hoogelijk geëerd door alle Noorsche volken en zelfs de stoutmoedigste vikings plunderden zijn kusten niet, om geen schipbreuk te lijden of een schandelijken dood te ondergaan tot straf voor hun misdaad.

Plechtige rechtszittingen werden dikwijls op het heilige eiland gehouden, terwijl de rechters er altijd water schepten en het zwijgend dronken, ter herinnering aan Forseti's bezoek. De wateren van deze bron werden bovendien als zóó heilig beschouwd, dat allen die er van dronken voor gewijd werden gehouden, en zelfs het vee dat er van genuttigd had niet mocht worden geslacht. Daar men zeide dat Forseti zijn zittingen hield in de lente, den zomer en den herfst, maar nooit in den winter, werd het gewoonte, in alle Noorsche landen, de gerechtshoven vacantie te geven in deze jaargetijden, want het volk vond, dat, alleen wanneer het licht helder aan den hemel scheen, het recht allen zichtbaar kon zijn, en dat het volstrekt onmogelijk zou wezen een rechtvaardig vonnis te wijzen gedurende het donkere winterseizoen. Forseti wordt zelden genoemd dan samen met Balder. Hij nam blijkbaar geen deel aan de eindelooze twisten, waarin al de andere goden een zoo groote rol speelden.

HOOFDSTUK XIII: HEIMDALL.

De wachter van de goden.

Toen hij eens langs het zeestrand wandelde, zag Odin negen schoone reuzinnen, de golfmeisjes Gialp, Creip, Egia, Augeia, Ulfrun, Aurgiafa, Sindur, Atla en Iarnsaxa, in diepen slaap op het witte zand. De god van de lucht werd zóó bekoord door deze schoone wezens, dat, zooals de Edda vertelt, hij alle negen huwde, en zij werkten op hetzelfde oogenblik samen tot de geboorte, van een zoon, die den naam Heimdall kreeg.

'k Ben een kind van negen moeders, 'k Ben een zoon van negen zusters.

Saemunds Edda.

De negen moeders voedden hun kind met de kracht der aarde, de vochtigheid der zee en de hitte der zon, en deze zonderlinge leefregel bleek zóó versterkend, dat de jonge god in een verwonderlijk korten tijd volwassen was, en zich naar zijn vader in Asgard spoedde. Hij trof de goden aan terwijl zij met trots de regenboogbrug beschouwden, die zij juist uit vuur, lucht en water hadden gemaakt; nog kan men deze drie grondstoffen duidelijk zien in haar langen boog, waar de drie hoofdkleuren schitteren: het rood dat het vuur, het blauw dat de lucht en het groen dat de koele diepten van de zee aanduidt.

De wachter van den regenboog.

Deze brug verbond hemel en aarde en eindigde onder de schaduw van den machtigen wereldboom Yggdrasil, dicht bij de fontein, waar Mimir wacht hield, en de eenige belemmering om ten volle van het prachtige schouwspel te genieten, was de vrees dat de vorstreuzen er over heen zouden gaan en zoo in Asgard binnendringen.

De goden hadden besproken dat het geraden was een betrouwbaren wachter aan te stellen, en zij heetten den nieuweling welkom als iemand die volkomen geschikt was om die ernstige taak te vervullen.

Heimdall nam gaarne de verantwoordelijkheid op zich, en van nu af aan hield hij dag en nacht de wacht over den regenboogweg die naar Asgard voerde.

Bifröst in 't oosten blonk in kleuren rein; En op zijn top, in blanksten schijn, Bleek Heimdall op zijn post te zijn.

Oehlenschläger.

Ten einde hun wachter in staat te stellen de nadering van een vijand van verre te zien, gaven de goden hem zóó scherpe zintuigen, dat--zooals men zegt--hij het gras op de heuvelhelling en de wol op den rug van het schaap kon hooren groeien; dat hij honderd mijlen ver zoowel 's daags als 's nachts duidelijk kon zien; en bij dit alles had hij minder slaap noodig dan een vogel.

Bij angst'ge reuzen meer bekend Dan hij die zit in rust omhoog, Wachter der lucht, en sluit geen oog.

Lied van Skirner.

Heimdall werd verder toegerust met een schitterend zwaard en een wonderbare trompet, Giallar-hoorn geheeten, en de goden bevalen hem er op te blazen als hij hun vijanden zag aankomen, zeggende dat de klank er van alle wezens in den hemel, op aarde en in Niflheim zou wekken. De laatste hevige stoot er in zou de komst van den dag aangeven waarop de laatste strijd zou gestreden worden.

Ten strijd zijn de goden geroepen Door den ouden Giallar-hoorn, Luid blaast Heimdall, Zijn klank is in de lucht.

Saemunds Edda.

Om dit instrument, dat een zinnebeeld was van de wassende maan, altijd bij de hand te hebben, hing Heimdall het aan een tak van den Yggdrasil boven zijn hoofd of liet het zinken in de wateren van Mimirs bron. In deze bron lag het naast Odins oog, dat een zinnebeeld was van de maan wanneer zij vol is.

Heimdalls paleis, Himinbiorg geheeten, lag op het hoogste punt van de brug, en hier bezochten de goden hem dikwijls om te smullen aan de heerlijke mee die hij hun voorzette.

't Wordt genoemd Himinbiorg, Waar Heimdall, zegt men, Heeft woning en heerscht. Daar de wachter drinkt In still' oude hal Vroolijk goede mee.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Heimdall werd altijd afgebeeld in schitterende witte rusting, en hij werd daarom genoemd de blinkende god. Hij stond ook bekend als de lichte, onschuldige en genaderijke god, en alle goden hielden van hem. Van moeders zijde verwant aan de zee werd hij somtijds tot de Vana's gerekend; en daar de oude Noormannen, vooral de IJslanders, wien de omringende zee het belangrijkste element scheen, dachten dat alles uit haar was voortgekomen, kenden zij hem een alles omvattende kennis toe en hielden hem voor bijzonder wijs.

Van d' Aesir de schoonste Zag hij vooruit Als d' and're Vanir.

Saemunds Edda.

Heimdall werd verder onderscheiden door zijn gouden tanden, die lichtten als hij sprak, en hem den bijnaam Gullintani (goudtandige) bezorgden. Hij was ook de fiere bezitter van een vlug, goudmanig paard dat Gull-top heette, en dat hem heen en weer droeg over de beweeglijke regenboogbrug. Deze ging hij vele malen per dag over, maar vooral in den vroegen morgen, en op dit uur droeg hij, als heraut van den dag, den naam Heimdellinger.

Vroeg reeds op Bifröst Reed Ulfruns zoon, De horenblazer Van Himinbiörg.

Saemunds Edda.

Loki en Freya.

Zijn buitengewoon scherp gehoor was oorzaak dat Heimdall op zekeren nacht door het geluid van zachte stappen--als van een kat--werd opgeschrikt; dit geluid kwam van den kant van Freya's paleis, Folkvang. Heimdall wierp zijn arendsblik door het duister en bespeurde dat het geluid werd veroorzaakt door Loki, die, heimelijk als een vlieg het paleis binnengekomen, naar Freya's bed was gegaan en haar blinkend gouden halsketen Brisinga-men, het zinnebeeld van de vruchtbaarheid der aarde, wilde stelen.

Heimdall zag dat de godin in haar slaap zóó lag dat niemand met mogelijkheid de keten kon losmaken zonder haar te wekken. Loki stond eenige oogenblikken aarzelend naast het bed, en begon toen vlug de runen te mompelen waardoor de goden naar willekeur hun gedaante konden veranderen. Toen hij dit deed, zag Heimdall hem kleiner worden, totdat hij de afmeting en gedaante had gekregen van een vloo, en toen kroop hij onder de dekens en beet Freya in de zij, zoodat zij anders ging liggen zonder dat zij wakker was geworden.

De gesp was nu zichtbaar en Loki maakte ze behoedzaam los en maakte zich van den begeerden schat meester, terwijl hij er dadelijk mee wegsloop. Heimdall schoot onmiddellijk naar voren om den nachtelijken dief te vervolgen, haalde hem spoedig in, trok zijn zwaard uit zijn scheede, om hem het hoofd af te slaan, toen de god zich in een flikkerende blauwe vlam veranderde. Snel als de gedachte nam Heimdall de gedaante aan van een wolk en zond een stroom regen neer om het vuur te blusschen; maar Loki veranderde even snel zijn gestalte in die van een grooten ijsbeer en opende zijn grooten muil om het water te verzwelgen. Heimdall, in het geheel niet bang, nam toen eveneens de gedaante aan van een beer en deed een moedigen aanval, maar toen het gevecht voor Loki noodlottig dreigde te eindigen, veranderde deze zich in een zeehond, en Heimdall desgelijks, waarop een laatste worsteling plaats greep, die hiermede eindigde, dat Loki den ketting moest teruggeven, die behoorlijk aan Freya weerom kwam.

In deze mythe is Loki een zinnebeeld van de droogte, of van de verderfelijke invloeden van de te verschroeiende zonnehitte, die de aarde (Freya) komt berooven van haar schoonsten sier (Brisinga-men). Heimdall is een verpersoonlijking van den weldadigen regen en dauw, die, na een poos worstelen met zijn vijand, de droogte, hem de baas wordt en hem dwingt zijn buit af te staan.

Heimdall's namen.