Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 10

Chapter 103,880 wordsPublic domain

Maar Skirnir antwoordde troostend dat hij geen reden kon zien waarom zijn meester een zoo wanhopigen blik op de zaak zou hebben, en hij bood aan, het meisje in zijn naam te gaan vragen, mits Frey hem zijn paard voor de reis wilde leenen en hem zijn blinkend zwaard geven tot loon.

Overgelukkig in het vooruitzicht dat hij de schoone Gerda zou winnen, gaf Frey Skirnir gaarne het blinkende zwaard, en stond hem toe zijn paard te gebruiken. Maar hij verzonk spoedig weer in den droomerigen staat die hem gewoon was geworden sinds hij verliefd geworden was, en zoo merkte hij niet dat Skirnir nog bij hem talmde, en ook niet dat hij handig de spiegeling van zijn gelaat van het oppervlak der beek stal waaraan hij gezeten was, en dat hij ze sloot in den drinkhoren, met het plan "ze uit te storten in Gerda's beker, en door de schoonheid er van het hart der reuzin voor den heer te winnen" in wiens dienst hij nu uit vrijen ging. Toegerust met dit portret, met elf gouden appelen en met den tooverring Draupnir, reed Skirnir nu naar Jötun-heim om zijn opdracht uit te voeren. Toen hij bij Gymirs woning kwam, hoorde hij het luid en voortdurend gehuil van zijn wachthonden, die de winterwinden verpersoonlijkten. Een herder die zijn kudde in de nabijheid hoedde, vertelde hem, in antwoord op zijn vraag, dat men onmogelijk het huis kon naderen vanwege den vlammenmuur die het omringde; maar Skirnir, wetende dat Blodug-hofi door alle vuur heen kon, gaf zijn paard de sporen, en reed zonder letsel naar de deur van den reus en was weldra in tegenwoordigheid van de lieflijke Gerda.

Opdat het mooie meisje een gunstig oor zou leenen aan de voorstellen van zijn meester, toonde Skirnir haar het gestolen portret en haalde voor den dag de gouden appelen en den tooverring, die zij echter met hoogheid afwees, zeggend dat haar vader genoeg goud had en meer dan genoeg.

Ik neem niet aan dien wondren ring Schoon 'k hem van Balders schat ontving; 'k Behoef geen goud in Gymers hal Daar 't mij mijn vader geven zal.

Skirners lied.

Boos omdat zij het goud versmaadde, dreigde Skirnir nu haar met zijn tooverzwaard te onthoofden, maar daar dit het meisje in het minst niet bang maakte en zij hem met kalmte tartte, nam hij zijn toevlucht tot tooverkunst. Hij sneed runen in zijn stok en zeide haar, dat, als zij niet toegaf eer de bezwering klaar was, zij òf tot eeuwige maagdelijkheid zou veroordeeld zijn òf een vorstreus zou huwen dien zij nooit zou kunnen beminnen.

Verschrikt door de vreeslijke beschrijving van hare vreugdelooze toekomst in geval zij volhardde in hare weigering, stemde Gerda er eindelijk in toe Frey's vrouw te worden, en liet Skirnir gaan, met de belofte dat zij haar aanstaanden bruidegom op den negenden avond in het land Burri zou ontmoeten, het groene veld, waar zij zijn somberheid zou verdrijven en hem gelukkig zou maken.

Burri is liefdes hoog verblijf Na negen nachten, buiten kijf, Krijgt sterken Niorders dapp're zoon Daar Gerda's kus tot liefdeloon.

Skirners lied.

Verheugd over zijn succes, ijlde Skirnir naar Alf-heim terug waar Frey met vreugde den uitslag van de reis kwam te vernemen. Toen hij hoorde dat Gerda er in had toegestemd zijn vrouw te worden, straalde zijn gelaat van geluk, maar toen Skirnir hem vertelde dat hij negen nachten geduld moest hebben, eer hij de hem toegezegde bruid zou kunnen zien, ging hij bedroefd weg, zeggende dat hem die tijd eindeloos zou schijnen.

Lang is een nacht, en twee is meer, Hoe draag 'k mijn smart ten derden keer? Een maand van vreugde sneller vlucht Dan halve nacht vol diep gezucht.

Skirners lied.

Trots deze minnaarswanhoop kwam de tijd van wachten echter tot een einde en Frey spoedde zich blijde naar het groene land, waar hij, trouw aan haar aanwijzing, Gerda vond, en zij werd zijn gelukkige vrouw en zat fier op haar troon naast hem.

Frey had Gerda tot vrouw; Zij was Gymirs dochter, Van Jötuns stam.

Saemunds Edda.

Volgens sommige mythologen is Gerda niet een verpersoonlijking van den noordelijken morgenstond maar van de aarde, die, hard, koud en onhandelbaar, de geschenken van schoonheid en vruchtbaarheid (appelen en ring), haar door den lentegod aangeboden, niet wil, de schitterende zonnestralen (Frey's zwaard) tart, en slechts zijn kus wil ontvangen, als zij verneemt dat zij anders tot voortdurende onvruchtbaarheid zal worden veroordeeld, of geheel zal worden overgegeven in de macht der reuzen (ijs en sneeuw). De negen nachten wachtens duiden de negen wintermaanden aan; als zij ten einde zijn, wordt de aarde de bruid van de zon, in de velden waar de boomen bladeren en bloesem doen uitloopen.

Wij hooren dat Frey en Gerda de ouders werden van een zoon, Fiolnir geheeten, wiens geboorte Gerda troostte over het verlies van haren broeder Beli. Deze had Frey aangevallen en was door hem verslagen, ofschoon de zonnegod, berooid van zijn ongeëvenaard zwaard, zich had moeten verdedigen met een hertshoorn dien hij snel van den muur zijner woning nam.

Behalve den trouwen Skirnir had Frey twee andere dienstbaren, een gehuwd paar, Beyggvir en Beyla, de verpersoonlijkingen van molenafval en mest, twee ingrediënten die in den landbouw gebruikt worden om den grond vruchtbaar te maken, en daarom als Frey's getrouwe dienaren werden beschouwd, trots hun onaangename eigenschappen.

De historische Frey.

Snorro-Sturleson zegt in zijn "Heimskringla", of kroniek van de oude Noorweegsche koningen, dat Frey een historisch persoon was die Ingvi-Frey heette, en in Upsala regeerde na den dood van den half-historischen Odin en Niörd. Onder zijn bestuur genoot het volk zulk een welvaart en vrede dat zij zeiden dat hun koning een god moest zijn. Zij begonnen hem dus als zoodanig aan te roepen, en trokken hun enthousiaste bewondering zóó ver, dat, toen hij stierf de priesters, die het feit niet openbaar durfden maken, hem in een aardhoop legden in plaats van zijn lichaam te verbranden, zooals tot nu toe gewoonte was geweest. Zij vertelden het volk toen dat Frey--wiens naam in het noorsch synoniem is met "meester"--"in den aardhoop was gegaan", een uitdrukking die uiteindelijk de noorsche term voor den dood werd.

Eerst drie jaren later ontdekte het volk, dat was voortgegaan met belasting te betalen aan den koning door geld, zilver en koper in de aardhoop te doen door drie verschillende openingen, dat Frey dood was. Daar hun vrede en voorspoed niet verstoord waren geworden, besloten zij dat zijn lijk nooit zou worden verbrand, en zoo voerden zij de gewoonte in, in een aardhoop te begraven, een gebruik dat te zijner tijd den brandstapel op vele plaatsen verving. Een van de drie aardhoopen bij Gamla Upsala heet nog naar den god. Zijn beelden stonden daar in den grooten tempel, en zijn naam werd behoorlijk te pas gebracht in alle plechtige eeden waarvan de gewone vorm luidde, "Zoo helpe mij Frey, Niörd en de Almachtige Asa" (Odin).

Dienst van Frey.

Geen wapens werden ooit in Frey's tempels geduld; de beroemdste dier tempels waren te Throndhjeim in Noorwegen, en te Thvera op IJsland. In deze tempels werden hem ossen of paarden geofferd, terwijl men een zwaren gouden ring doopte in het bloed van het offerdier eer de bovenvermelde eed er plechtig over werd uitgesproken.

Frey's beelden, evenals die van alle andere Noorsche godheden, waren ruw gehouwen houtblokken, en het laatste van deze heilige beelden schijnt door Olaf den Heilige te zijn vernield, die, zooals wij hebben gezien, velen zijner onderdanen door dwang bekeerde. Daar hij verder de god was van den zonneschijn, de vruchtbaarheid, den vrede en de welvaart, werd Frey beschouwd als de patroon van paarden en ruiters, en de bevrijder van alle gevangenen.

Frey is de beste Van alle heeren Onder de goden; Hij wekt geen tranen Bij meisjes of moeders; Hij wil ontboeien Hen die geketend zijn.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Het Yule-feest.

Eéne maand van elk jaar, de Yulemaand of Thor-maand, werd beschouwd als aan Frey gewijd zoo goed als aan Thor, en begon met den langsten nacht van het jaar, die den naam droeg van Moeder Nacht. Deze maand was een tijd van feest en vreugde, want zij verkondigde de wederkomst van de zon. Het feest heette Yule (wiel) omdat men vooronderstelde dat de zon op een wiel geleek dat snel door de lucht draaide. Deze gelijkenis deed een eigenaardige gewoonte ontstaan in Engeland, Duitschland en langs de oevers van den Moezel. Tot zeer onlangs vergaderde het volk op een berg, om een groot houten wiel, dat met stroo omwikkeld was, in brand te steken, en dat dan, in lichtelaaie, den heuvel af te rollen, totdat het sissend in het water neerkwam.

Weer and'ren zoeken op een wiel, versleten, waardeloos, Omwikk'len het met stroo en touw, verbergen het een poos; Zij sleepen 't naar een heuveltop, het staat in vuur en gloed, En went'len het in duist'ren nacht er af met heftigen spoed. Zoo lijkt het op de zon, die komt dus van den hemel neer, Het is een vreemd gezicht en wie het ziet, dien treft het zeer, En zij gelooven dat al kwaad, dus wordt gesleept ter hel, En nu, van smart en euvel vrij, zij leven kalm en wel.

Naogeorgus.

Al de noordelijke rassen beschouwden het Yulefeest als het grootste van het jaar, en waren gewoon het te vieren met dansen, feesten en drinken, terwijl elke god bij name werd aangeroepen. De eerste Christenzendelingen, die de groote populariteit van dit feest bespeurden, dachten dat het best was op te wekken tot drinken op het welzijn van den Heer en zijn twaalf apostelen, toen zij voor het eerst de noordelijke heidenen begonnen te bekeeren. Ter eere van Frey at men bij deze gelegenheid varkensvleesch. Gekroond met laurier en rosmarijn werd de kop van het dier in de eetzaal gebracht met veel ceremonieel--een gewoonte die men lang in eere hield, zooals blijkt uit de volgende regels.

Caput Apri defero Reddens laudes Domino, Den zwijnskop draag ik in mijn handen Met rozemaryn en groenguirlanden; Nu moet gij zingen allemaal Qui estis in convivio.

Queens College Deun, Oxford.

De vader van het gezin legde zijn hand op den gewijden schotel, die "het zwijn der verzoening" heette, en bezwoer dat hij zijn familie trouw zou zijn en al zijn verplichtingen zou nakomen, een voorbeeld dat door alle aanwezigen werd gevolgd, van de hoogsten tot de laagsten. De schotel mocht slechts worden aangesneden door een man van onbevlekten naam en beproefden moed, want de zwijnskop was een gewijd zinnebeeld dat--zoo dacht men--elk met vrees vervulde. Om die reden werd dikwijls een zwijnskop gebruikt als versiering voor de helmen der Noorsche koningen en helden, wier dapperheid buiten twijfel was.

Daar Frey's naam Fro naar den klank dezelfde is als het woord dat in het Duitsch voor blijdschap wordt gebruikt, werd hij als de beschermer van alle vreugde beschouwd en werd steeds aangeroepen door gehuwde paren die in harmonie wilden leven. Zij die er in slaagden dit een bepaalden tijd te doen, werden openlijk begiftigd met een stuk zwijnevleesch, dat in latere tijden door de Engelschen en Weeners vervangen werd door een zij spek of ham.

Gij zult zweren, door kracht van belijdenis, Als ooit in uw huw'lijk verkeerd iets is, Hetzij ge zijt getrouwd als vrouw of man, Als de eendracht bij u niet blijven kan, Of anders, aan tafel of te bed hebt verstoord Gij elkanders stemming in doen of in woord; Of, sinds de priester u heeft getrouwd, Gij u ongehuwd wenschtet, daar de stap u heeft berouwd; Of wel, in twaalf maanden en een dag tijd, Gij niet werdt vervuld met zulk een spijt, Maar bleeft bij uw denken en uw verlangen Als toen uw handen elkaar in het koor hielden omvangen. Als hierop, met vrijmoedigen geest, Gij vast kunt zweren dat het zóó is geweest, Dan zult gij krijgen een stuk spek en van hier Het medenemen met groot plezier; Want dit is gebruik te Dunmow, steeds en nu-- Schoon de vreugd is aan ons, het spek is van u.

Brands Populaire Oudheden.

In het dorp Dunmow in Essex bestaat de oude gewoonte nog. In Weenen werd de ham of het stuk spek boven de stadspoort gehangen, vanwaar de gelukkige candidaat het moest halen, nadat hij den rechters de zekerheid had gegeven, dat hij met zijn vrouw in vrede had geleefd, maar niet onder de plak zat. Men zegt dat in Weenen deze ham sedert lang niet was opgeëischt, totdat een waardig burger zich voor de rechters vertoonde en bij zich had de geschreven verzekering van zijn vrouw dat zij twaalf jaren gehuwd waren en nooit twist hadden gehad--een bewering die door al hunne buren gestaafd werd. De rechters, tevreden met de bewijzen die zij voor oogen hadden, zeiden den candidaat dat de prijs hem zou worden gegeven, en dat hij alleen maar de ladder had te beklimmen, die er onder stond, en hem naar beneden moest halen. Blij dat hij een zoo mooie ham had gekregen, klom de man vlug op de ladder; maar toen hij op het punt was naar de ham te reiken bemerkte hij, dat de ham, aan de middagzon blootgesteld, begon te smelten, en dat een druppel vet op zijn Zondagsche jas dreigde te vallen. Snel trok hij zich terug en deed zijn jas uit, met de schertsende opmerking dat zijn vrouw hem een heftigen uitbrander zou geven als hij haar vuil maakte, een bekentenis die alle omstanders in den lach deed schieten, en die hem zijn ham kostte.

Een ander Yuletijdgebruik was het branden van een groot houtblok, dat den nacht door moest duren, anders werd het als een heel slecht teeken beschouwd. De verkoolde overblijfselen van dit blok werden zorgvuldig verzameld en bewaard om het blok van het volgenden jaar aan te steken.

Met hout van vorig jaar Ontsteek het nieuwe, maar Grijp uw geluk met handen, Speel op uw luit een lied Dat voorspoed talme niet Maar kome onder 't branden.

Hesperides (Herrick).

Dit feest was zóó populair in Scandinavië, waar het in Januari werd gevierd, dat koning Olaf, ziende hoe dierbaar het was aan het Noorsche gemoed, vele van zijn gebruiken overbracht naar den Kerstdag en daardoor het onkundige volk met hun verandering van godsdienst verzoende.

Als god van vrede en voorspoed meent men dat Frey dikwijls op aarde is teruggekeerd, en dat hij over de Zweden geregeerd heeft, onder den naam van Ingvi-Frey, waarnaar zijn afstammelingen Inglings heeten. Hij regeerde ook over de Denen onder den naam Fridleef. In Denemarken, zegt men, trouwde hij een mooi meisje Freygerda, die hij van een draak had bevrijd. Hij had bij haar een zoon, Frodi, die hem later als koning opvolgde.

Frodi regeerde over Denemarken in de dagen toen er "vrede over de wereld" was, dat is, juist toen Christus werd geboren in Bethlehem van Judea; en omdat al zijn onderdanen in eensgezindheid leefden, was hij algemeen bekend als Vrede-Frodi.

Hoe de zee zout werd.

Men verhaalt dat Frodi eens van Hengikiaptr een paar magische molensteenen, Grotti geheeten, kreeg, die zóó zwaar waren dat geen zijner knechten en zelfs geen van zijn sterkste soldaten ze konden omkeeren. De koning begreep dat de molen betooverd was en al wat hij wilde zou malen; daarom was hij verlangend hem aan het werk te zetten, en, bij een bezoek aan Zweden, zag hij de twee reuzinnen Menia en Fenia, wier geweldige spieren en gestalten zijn aandacht trokken. Hij kocht ze als slavinnen.

Toen hij thuis kwam, voerde Vrede-Frodi zijn nieuwe dienstbaren naar den molen, en beval haar de maalsteenen rond te draaien en te malen goud, vrede en voorspoed, en onmiddellijk vervulden zij zijn wensch. Vroolijk werkten de vrouwen door, uur op uur, totdat 's konings kisten vol goud waren, en voorspoed en vrede heerschten in zijn land.

Malen wij schatten voor Frothi! Malen wij hem, blijde Om veelheid van stof, Op vroolijken steen.

Grotta Savngr.

Maar toen Menia en Fenia gaarne wat zouden gerust hebben, beval de koning, wiens hebzucht was gewekt, haar door te werken. In weerwil van haar smeeken beval hij ze te arbeiden uur op uur, en stond hij ze slechts zooveel rusttijd toe als noodig was om een gezang vers te zingen, totdat, door zijn wreedheid vertoornd, de reuzinnen ten slotte besloten zich te wreken. Op zekeren nacht toen Frodi sliep, veranderden zij haar gezang, en in plaats van voorspoed en vrede, begonnen zij boos te malen een gewapend leger, waardoor zij den Viking Mysinger in het land brachten met een groote troepenmacht. Terwijl de tooverij aan het werk was, bleven de Denen slapen, en dus werden zij geheel en al verrast door de Vikingenschaar, die hen allen versloeg.

Een leger moet komen Hier direct, En branden de stad Neer voor den vorst.

Grotta Savnrg.

Mysinger nam de toovermolensteenen en de twee slavinnen en zette ze aan boord van zijn schip; toen liet hij de vrouwen zout malen, wat in die dagen een handelsartikel van groote waarde was. De vrouwen gehoorzaamden en hare molensteen en draaiden rond, malend zout in overvloed; maar de Viking, even wreed als Frodi, wilde den armen vrouwen geen rust gunnen, waarom hij en de zijnen zwaar werden gestraft. Een zóó groote hoeveelheid zout werd door de tooversteenen gemalen dat ten slotte zijn gewicht het schip deed zinken en alles wat aan boord was.

De zware steenen zonken in zee in de Pentland-Firth, of aan de noordwestelijke kust van Noorwegen, waar zij een diep rond gat maakten, en de wateren, die in de draaikolk stroomden en in de gaten, die in de steenen waren, klokten, veroorzaakten de groote draaikolk die als de Maelstroom bekend is. Wat het zout betreft, dit smolt spoedig; maar zóó groot was de onmetelijke hoeveelheid die de reuzinnen hadden gemalen, dat het al de wateren van de zee doortrok, die sedert altijd zeer zout is geweest.

HOOFDSTUK X: FREYA.

De godin der liefde.

Freya, de mooie Noorsche godin van de schoonheid en de liefde, was de zuster van Frey en de dochter van Niörd en Nerthus, of Skadi. Zij was de schoonste en lieflijkste van alle godinnen, en terwijl zij in Duitschland met Frigga vereenzelvigd werd, gold zij in Noorwegen, Zweden, Denemarken en IJsland als een afzonderlijke godheid. Daar Freya geboren was in Vana-heim, was zij ook bekend als Vanadis, als de godin van de Vana's, of als Vanabruid.

Toen zij in Asgard kwam, waren de goden zóó bekoord door hare schoonheid en gratie, dat zij haar het gebied Folkvang en de groote hal Sessrymnir (de ruimgezetelde) gaven, waar zij gemakkelijk al hare gasten zou kunnen plaatsen.

Folkvang heet het, Waar Freya recht heeft Op de stoelen der hal. Ied'ren dag der verslaag'nen Kiest zij de helft, Gunt de helft aan Odin.

Noorsche Mythologie (R. B. Anderson).

Koningin der Valkyren.

Ofschoon zij de godin der liefde was, was Freya niet alleen zachtzinnig en op vreugde gesteld, want de oude Noorsche volken geloofden dat zij zeer krijgshaftige neigingen had, en dat zij als Valfreya dikwijls de Valkyren de slagvelden langs voerde, kiezend en opeischend de eene helft der gevallen helden. Daarom werd zij dikwijls afgebeeld met pantser en helm, schild en speer, terwijl alleen de benedendeelen van haar lichaam in de gewone golvende vrouwelijke dracht gehuld waren.

Freya bracht de uitverkoren gevallenen naar Folkvang, waar zij behoorlijk werden ontvangen. Daar ook heette zij welkom alle reine maagden en trouwe vrouwen, opdat zij na den dood zouden mogen genieten van het gezelschap harer minnaars en mannen. De vreugden van haar woning waren zóó verlokkend voor de heldhaftige Noorsche vrouwen, dat zij dikwijls in den slag stormden als hare geliefden verslagen waren, hopende hetzelfde lot te zullen deelen; of zij vielen in hare zwaarden, of werden vrijwillig verbrand op denzelfden brandstapel als de overblijfselen harer beminden.

Daar men geloofde dat Freya een gunstig oor leende aan gebeden van minnenden, werd zij dikwijls door hen aangeroepen, en het was gebruik haar ter eere minneliederen te dichten, die bij alle feestelijke gelegenheden werden gezongen, terwijl haar naam zelfs het werkwoord vrijen het aanzijn gaf.

Freya en Odur.

Freya, de goudharige en blauwoogige godin, werd soms ook als een verpersoonlijking van de aarde beschouwd. Als zoodanig huwde zij Odur, een symbool van de zomerzon, dien zij innig liefhad en bij wien zij twee dochters had, Hnoss en Gersemi. Deze meisjes waren zóó schoon dat alle lieflijke en kostelijke dingen naar haar genoemd werden.

Als Odur tevreden aan haar zijde toefde, glimlachte Freya en was zij volmaakt gelukkig; maar, helaas! de god was zwerver van natuur, en toen hij genoeg kreeg van zijn vrouws gezelschap, verliet hij plotseling het huis en zwierf in de wijde wereld. Freya, droef en verlaten, weende veel, en hare tranen vielen op de harde rotsen, die bij hun aanraking zacht werden. Wij vernemen zelfs dat zij doorsijpelden tot diep in het hart der steenen, waar zij in goud werden verkeerd. Sommige tranen vielen in zee en werden veranderd in doorschijnend barnsteen.

Toen Freya van haar weduwlijken staat genoeg had en verlangde haar geliefde in hare armen te drukken, ging zij hem eindelijk zoeken, en kwam door vele landen, waar zij bekend werd onder vele namen, zooals Mardel, Horn, Gefn, Syr, Skialf en Thrung, allen die zij ontmoette vragend of haar man dien weg was langs gekomen, en overal zóóvele tranen stortend dat men goud kan vinden in alle deelen der aarde.

En Freya volgde met haar tranen goud Liefste godin des hemels, hoogst geëerd Door allen zij, na Odins gemalin. Voorlang nam haar ten huw'lijk Odur zwerfsch, Verliet haar dan en ging de wereld door, Sinds zoekt zij hem en weent haar gouden tranen. Veel namen heeft zij, Vanadis, zoo noemt Op aard men haar, doch Freya in den hemel.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Ver weg in het zonnige Zuiden, onder de bloeiende mirten, vond Freya Odur ten slotte, en toen zij haar geliefde wederom had, was zij weer gelukkig en glimlachte en straalde zij als een bruid. Misschien is het omdat Freya haar man vond onder den bloeienden mirt, dat Noorsche bruiden, tot heden, mirten verkiezen boven den conventioneelen oranjebloesem van andere streken.

Hand in hand keerden Odur en Freya nu vroolijk naar huis terug, en in het licht van hun geluk werd het gras groen, ontbloeiden de bloemen, en de bruid zong, want de heele natuur sympathiseerde even hartelijk met Freya's vreugde als zij getreurd had met haar toen zij in droefheid was.

Uit het morgenland, Over het sneeuwveld Kwam schoone Freya Tripp'len naar Scoring. Wit lag de heide, Bevroren vóór haar; Groen was de heide, En bloeiend achter haar. Uit gouden lokken Schudde zij bloemen, Uit haar kleed'ren Schudde zij zuidenwind, Rondom in de berken Wekkend de lijsters, Makend kuische vrouwen zeer Naar hun helden verlangend, Minnend, minnegevend, Kwam zij naar Scoring.

De Longbeards Sage (Charles Kingsley).

De mooiste planten en bloemen in het noorden heetten Freya's haar of Freya's oogendauw, terwijl de vlinder Freya's hen heette. Men dacht ook dat deze godin een bijzondere genegenheid had voor de elfen, die zij gaarne zag dansen in de maanstralen, en voor wie zij haar mooiste bloemen en zoetsten honig bewaarde. Odur, Freya's man, die verder gold als een verpersoonlijking van de zon, werd ook beschouwd als een zinnebeeld van den hartstocht of van de bedwelmende liefdegenietingen; zoo zeiden de ouden dat het geen wonder was wanneer zijn vrouw niet gelukkig kon zijn zonder hem.

Freya's halsketting.