Noorsche mythen uit de Edda's en de sagen

Chapter 1

Chapter 13,341 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Noorsche Mythen uit de Edda's en de Sagen

Door

H. A. Guerber

Schrijver van "Mythen en Legenden uit de Middeleeuwen", "Mythen van Griekenland en Rome"

Bewerkt door

Dr H. W. Ph. E. v. d. Bergh v. Eysinga.

Tweede druk.

Zutphen.--W. J. Thieme & Cie.

LIJST VAN ILLUSTRATIES.

Tegenover bladz.

1. Sigurd (Gilbert Bayes). Vóór den Titel. 2. De Reus met het vlammende Zwaard (J. C. Dollman) 2 3. De Wolven vervolgen Sol en Mani (J. C. Dollman) 8 4. Odin (Sir E. Burne-Jones) 16 5. Een Vikingtocht (J. C. Dollman) 20 6. De Rattenvanger van Hameln (H. Kaulbach) 28 7. Odin (B. E. Fogelberg) 38 8. Frigga spint de wolken (J. C. Dollman) 40 9. Tannhäuser en Vrouw Venus (J. Wagrez) 52 10. Eastre (Jacques Reich) 54 11. Huldra's Nimfen (B. E. Ward) 56 12. Thor (B. E. Fogelberg) 60 13. Sif en Thor (J. C. Dollman) 64 14. Thor en de Berg (J. C. Dollman) 72 15. Geirrod neemt Loki gevangen (Patten Wilson) 80 16. Een tocht (A. Malmström) 88 17. Het binden van Fenris (Dorothy Hardy) 92 18. Idoen (B. E. Ward) 100 19. Loki en Thiassi (Dorothy Hardy) 104 20. Frey (Jacques Reich) 120 21. Freya (N. J. O. Blommér) 132 22. De Regenboogbrug (H. Hendrich) 144 23. Heimdall (Dorothy Hardy) 148 24. Jarl (Albert Edelfelt) 150 25. De Nornen (C. Ehrenberg) 164 26. De Dises (Dorothy Hardy) 168 27. Het Zwaan-Meisje (Gertrude Demain Hammond R.I.) 172 28. De rit der Valkyren (J. C. Dollman) 174 29. Brunhild en Sigmund (J. Wagrez) 176 30. De weg naar Valhalla (Severin Nilsson) 180 31. Ægir (J. P. Molin) 184 32. De Neckan (J. P. Molin) 192 33. Loki en Hodur (C. G. Qvarnström) 200 34. De dood van Balder (Dorothy Hardy) 204 35. Hermod voor Hela (J. C. Dollman) 208 36. Loki en Svadilfari (Dorothy Hardy) 220 37. Loki en Sigyn (M. E. Winge) 226 38. Thor en de Reuzen (M. E. Winge) 228 39. Thorgatten 232 40. De Toppen van de Trolls 240 41. De Elfendans (N. J. O. Blommér) 242 42. De Witte Elfen (Charles P. Sainton, R. I.) 244 43. Oude Huizen met gebeeldhouwde Posten 246 44. Sigmund en het beest (Patten Wilson) 252 45. De Weerwolven (J. C. Dollman) 256 46. Het vaarwel van een Held (M. E. Winge) 260 47. Sigurd en Fafnir (K. Dielitz) 270 48. Sigurd vindt Brunhild (J. Wagrez) 274 49. Odin en Brunhild (K. Dielitz) 276 50. Aslaug (Gertrude Demain Hammond, R. I.) 278 51. Sigurd en Gunnar (J. C. Dollman) 280 52. De Dood van Sigurd (Patten Wilson) 282 53. Het einde van Brunhild (J. Wagrez) 284 54. Ingeborg (M. E. Winge) 300 55. Frithiof klieft het Schild van Helge (Knut Ekwall) 302 56. Ingeborg ziet haar minnaar vertrekken (Knut Ekwall) 306 57. Frithiof keert terug naar Framnäs (Knut Ekwall) 310 58. Frithiof bij het altaar van Balder (Knut Ekwall) 312 59. Frithiof aan het Hof van Ring (Knut Ekwall) 314 60. Frithiof ziet den slapenden Koning (Knut Ekwall) 320 61. Odin en Fenris (Dorothy Hardy) 328 62. Noren landende in IJsland (Oscar Wergeland) 332 63. De reis der Valkyren (H. Hendrich) 338 64. De Storm-Rit (Gilbert Bayes) 352

INHOUD.

Hoofdstuk. Bladzijde.

I. Het Begin 1 II. Odin 14 III. Frigga 41 IV. Thor 58 V. Tyr 84 VI. Bragi 94 VII. Idoen 102 VIII. Niörd 110 IX. Frey 116 X. Freya 129 XI. Uller 137 XII. Forseti 140 XIII. Heimdall 144 XIV. Hermod 152 XV. Vidar 156 XVI. Vali 160 XVII. De Nornen 164 XVIII. De Valkyren 171 XIX. Hel 178 XX. Ægir 183 XXI. Balder 195 XXII. Loki 214 XXIII. De Reuzen 228 XXIV. De Dwergen 236 XXV. De Elfen 243 XXVI. De Sigurd Saga 247 XXVII. De Geschiedenis van Frithiof 292 XXVIII. De Godenschemering 323 XXIX. Grieksche en Noorsche Mythologie 336

Register en Index

INLEIDING.

De voorname beteekenis van de ruwe brokken poëzie, in vroege IJslandsche litteratuur bewaard, zal nu door niemand meer betwist worden, maar er bestond tot voor korten tijd een buitengewone onverschilligheid ten opzichte van de godsdienstige overlevering en mythische leer die zij behelzen.

De langdurige verwaarloozing van deze kostbare herinneringen aan onze heidensche voorvaderen is niet de schuld van het materiaal, waarin alles wat van hun godsdienstige geloofsvoorstellingen over is, is besloten, want men kan veilig beweren dat de Edda even rijk is aan de eigenaardigheden van nationalen roman en van rasverbeelding, hoe ruw dan ook, als de meer bevallige en idyllische mythologie van het Zuiden. Ook ligt het niet aan een zekere wreedheid in de opvatting van de goden zelf, want ofschoon zij niet mogen reiken tot groote geestelijke hoogten, beweren in de eerste plaats kenners van de IJslandsche letterkunde, dat zij zich verheffen breed en massief als de Skandinavische bergen. Zij toonen "een geest van overwinning, die meer is dan brute kracht, die meer is dan het stoffelijke alleen, een geest die strijdt en overmeestert". [1] "Zelfs waar een deel van de stof hunner mythen aan anderen is ontleend, hebben de Noren hunnen goden een edelen, fieren, grooten geest gegeven en hen op een hoog standpunt geplaatst, dat geheel het hunne is." [2] "Inderdaad, deze oud-Noorsche zangen hebben een waarheid in zich, een innerlijke eeuwige waarheid en grootheid. Het is een grootheid, niet van lichaam en reusachtige afmeting alleen, maar een ruwe grootheid van ziel". [3]

De invoering van het Christendom in het Noorden bracht mede den invloed van de klassieke rassen, en deze schaadde den aangeboren geest, zoodat de vreemde mythologie van Griekenland en Rome een toenemend deel van de geestelijke toerusting der noordelijke volken is geworden naarmate de letterkunde en overlevering des lands verwaarloosd zijn.

Ongetwijfeld heeft de Noorsche mythologie een diepgaanden invloed uitgeoefend op onze gewoonten, wetten en taal, en er is daarom een groote onbewuste inspiratie van deze op de Engelsche letterkunde. De meest in het oog springende trekken van deze mythologie zijn een zeer bijzonder grimmige humor, dien men in den godsdienst van geen ander ras vindt, en een duistere draad van tragiek die door het gansche weefsel loopt, en deze eigenaardigheden, de beide uitersten rakend, zijn in forsche trekken op de Engelsche litteratuur geschreven.

Maar van bewusten invloed is er, vergeleken bij den rijkvloeienden stroom van Helleensche inspiratie, weinig te merken, en als wij ons keeren tot de moderne kunst, is het verschil zelfs nog duidelijker.

Deze onverschilligheid is toe te schrijven aan vele oorzaken, maar allereerst aan het feit dat de godsdienstige geloofsvoorstelling van onze heidensche voorvaderen niet wezenlijk diep waren geworteld. Vandaar het succes van de meer of minder overwogen politiek der eerste Christelijke zendelingen, die de heidensche opvattingen wilden verwarren en ze in het nieuwe geloof wilden verstikken, waarvan men een belangwekkend voorbeeld heeft in het overbrengen naar het Christelijk Paaschfeest van de attributen der heidensche godin Eastre, aan wie het in het Engelsch zelfs zijn naam ontleent. De Noorsche mythologie werd op deze wijze tot staan gebracht eer zij hare volle ontwikkeling had bereikt, en de voortgang van het Christendom bande haar ten slotte in het duister van vergeten dingen. Haar veel omvattend en ordelijk plan echter, in tegenstelling met de onsamenhangende mythologie van Grieken en Romeinen, vormde den grondslag van een meer of min redelijk geloof, dat de Noren geschikt maakte om de onderrichting van het Christendom te ontvangen, en zoo aan haar eigen ontbinding medewerkte.

De godsdienstige voorstellingen van het Noorden zijn niet nauwkeurig weerspiegeld in de oudere Edda. Inderdaad is ons in de Noorsche litteratuur slechts een travestie van het geloof onzer voorvaderen bewaard. De primitieve dichter hield van allegoriseeren, en zijn verbeelding vermeide zich tusschen de scheppingen van zijn vruchtbare muze. "Zijn oogen waren gevestigd op de bergen, totdat de besneeuwde toppen menschelijke gestalten aannamen en de reus van de rots op het ijs neerdaalde met zwaren stap; of hij wilde staren op de pracht van de lente, of de zomersche velden, totdat Freya met den schitterenden halsketting, aankwam, of Sif met de wuivende gouden haren." [4]

Wij hooren niets van de offergebruiken en godsdienstige riten, en alles is weggelaten wat geen stof levert voor artistieke behandeling. De zoogenaamde Noorsche mythologie kan men dus meer beschouwen als een waardevolle reliquie der Noorsche dichtkunst in haren aanvang, dan als een uiteenzetting van de godsdienstige voorstellingen der Skandinaviërs, en deze letterkundige fragmenten dragen veelvuldig het kenmerk van den overgangstoestand, waarin de verwarring van oud en nieuw geloof gemakkelijk is te zien.

Maar niettegenstaande de grenzen, door langdurige verwaarloozing gesteld, is het mogelijk ten deele een plan van de oude Noorsche geloofsvoorstellingen te reconstrueeren, en de gewone lezer zal veel profijt hebben van Carlyle's onderrichtende studie in "Helden en Heldenvereering." "Een verbijsterend, ondoordringbaar kreupelbosch van leugens, verwarringen, onwaarheden en absurditeiten, dat het heele levensveld bedekt!" Zoo noemt hij ze, met goede reden, maar hij gaat verder en toont aan, met evenveel waarheid, dat in het hart van deze ruwe vereering van een uit haar verband gerukte natuur een geestelijke macht uiting zoekt. Wat wij zonder eerbied onderzoeken, zagen zij met devotie aan, en, daar zij het niet begrepen, vergoddelijkten zij het onverwijld, zooals alle kinderen geneigd waren te doen in alle perioden der wereldgeschiedenis. Inderdaad waren zij heldenvereerders naar het hart van Carlyle, en twijfelzucht had geen plaats in hun eenvoudige philosophie.

Het was de kindsheid van de gedachte, die staarde op een heelal vol goddelijkheid, en die hartelijk en oprecht geloofde. Een volk met ruime ziel dat in het donker zich strekte naar idealen, die beter waren dan zij zelf wisten. Ragnarok moest een einde maken aan hunne goden, omdat zij waren gestruikeld van hun hoogere standplaatsen.

Wij hebben aan een eigenaardig verschijnsel te danken, dat zooveel van de oude leer, als wij nog bezitten, is bewaard. Terwijl vreemde inlanders de Noorsche taal bedierven, bleef zij vrij wel onveranderd in IJsland, dat van het vastland uit door de Noormannen was gekoloniseerd, die er heen gevlucht waren om te ontkomen aan de onderdrukking van Harold Schoonhaar na zijn vernietigende overwinning van Hafrsfirth. Deze menschen brachten mede den dichterlijken geest die zich reeds geopenbaard had, en deze schoot nieuwen wortel in dien dorren grond. Velen van de oude Noorsche dichters waren uit IJsland afkomstig, en in den vroegsten tijd der Christelijke jaartelling werd een groote dienst aan de Noorsche letterkunde bewezen door den Christenpriester, Saemund, die vlijtig samenbracht een groote massa heidensche poëzie tot een verzameling, bekend als de Oudere Edda, en deze is de voornaamste basis van onze tegenwoordige kennis aangaande den godsdienst der oude Noormannen. De IJslandsche letterkunde bleef echter een verzegeld boek tot het einde van de achttiende eeuw, en heel langzaam heeft zij het sedert dien tijd gewonnen op onverschilligheid, totdat er nu teekenen zijn dat zij eventueel tot haar recht zal komen. "Het kennen van het oude geloof", zegt Carlyle, "brengt ons in nauwer en zuiverder betrekking tot het Verleden--tot onze eigen bezittingen in het Verleden. Want het gansche Verleden is het bezit van het Heden; het Verleden had steeds eenige waarheid, en is een kostelijk bezit."

De veelbeteekenende woorden van William Morris met betrekking tot de Volsunga Saga kunnen ook heel goed worden aangehaald bij wijze van inleiding tot deze geheele verzameling "Mythen van de Noormannen". "Dit is de groote geschiedenis van het Noorden, die voor ons ras moet zijn wat het verhaal van Troje was voor de Grieken--voor ons geheele ras eerst, en verder, als de verandering van de wereld ons ras niet meer heeft gemaakt dan tot een naam van hetgeen is geweest--ook een geschiedenis--dan moet zij voor hen die na ons komen niet minder zijn dan wat het verhaal van Troje geweest is, voor ons".

HOOFDSTUK I: HET BEGIN.

Scheppingsmythen.

Ofschoon de Arische bewoners van Noord-Europa, overeenkomstig de vooronderstelling van eenige gezaghebbende geleerden, oorspronkelijk van de hoogvlakte van Iran, in het hart van Azië, afkomstig zijn, hadden het klimaat en de omgeving van de landen, waar zij zich ten slotte vestigden, grooten invloed op de vorming van hun vroegere godsdienstige opvattingen, alsook op de verandering van hun levenswijze.

De grootsche en ruwe landschappen van Noord-Europa, de middernachtzon, de schitterende stralen van den noordelijken dageraad, de oceaan die zich voortdurend tot woede opzweept tegen de groote klippen en ijsbergen van den Poolcirkel, moest de bevolking niet minder levendig aandoen dan de bijna wonderbare plantengroei, het voortdurende licht, en de blauwe zeeën en luchten van hun korten zomertijd. Het is daarom niet heel vreemd dat de IJslanders b.v., aan wie wij de meest volledige herinneringen aan dit geloof te danken hebben, als zij rondom zich zagen, zich verbeeldden dat de wereld oorspronkelijk was geschapen uit een zonderling mengsel van vuur en ijs.

De Noordelijke mythologie is grootsch en tragisch. Haar voornaamste thema is de voortdurende worsteling van de weldadige natuurkrachten tegen de schadelijke, en dus is zij niet bekoorlijk en idyllisch als de godsdienst van het zonnige zuiden, waar de bevolking zich kan koesteren in een voortdurenden zonneschijn, en de vruchten der aarde opgroeiden zoodat men ze slechts te plukken had.

Het was heel natuurlijk, dat de gevaren, waaraan men bloot stond op jacht en bij het visschen onder dezen onbarmhartigen hemel, en het lijden dat werd opgelegd door de lange, koude winters, als de zon nooit schijnt, onze voorvaderen koude en ijs deden beschouwen als boosaardige geesten; en het was om dezelfde reden, dat zij met bijzondere voorliefde aanriepen den weldadigen invloed van warmte en licht.

Wanneer men hen vraagde naar de schepping der wereld, antwoordden de Noorsche skalden of dichters, wier zangen in de Edda's en Saga's zijn bewaard, dat in het begin, toen er nog geen aarde was, noch zee, noch lucht, toen duisternis op alles rustte, er een machtig wezen bestond, genaamd Alvader, dien zij vaag beseften als ongeschapen en onzienlijk, en dat, wat hij wilde, gebeuren moest.

In het midden der ruimte was, bij den aanvang van den tijd, een groote afgrond Ginnunga-gap, de kloof der kloven, de gapende golf, welker diepten geen oog kon peilen, daar zij in voortdurende schemering was gehuld. Benoorden deze plek was een ruimte of wereld, bekend als Niflheim, de woonplaats van mist en donker, en in het hart daarvan vloeide de onuitputtelijke bron Hvergelmir, de ziedende ketel, welks wateren twaalf groote stroomen voedden: de Elivagar. Daar het water van deze stroomen snel wegliep van zijn bron en de koude winden van de gapende golf ontmoette, verhardde het weldra tot groote blokken ijs, die neerrolden in de onmetelijke diepten van den grooten afgrond met een voortdurend gedruisch als van donder.

Bezuiden deze donkere kloof, en vlak tegenover Niflheim, het mistgebied, was een andere wereld, met name Muspells-heim, de woonplaats van het oorspronkelijke vuur, waar alles warmte en licht was, en welks grenzen steeds bewaakt werden door Surtr, den vlammenreus. Deze reus zwaaide trotsch zijn blinkend zwaard en zond voortdurend groote stroomen vonken uit, die met een sissend geluid op de ijsblokken vielen in den bodem van den afgrond, en ze ten deele door hitte deden smelten.

Door Surtr, met zijn brandend zwaard Werd zuid'lijk Muspels poort bewaard, In stroom van meer dan aardschen gloed Vloeid' uit de kracht die leven doet.

Valhalla (J. C. Jones).

Ymir en Audhumla.

Toen de damp tot wolken rees, ontmoette hij de heerschende koude en werd veranderd in rijm of rijp, die, laag op laag, de groote centrale ruimte vulde. Zoo door de voortdurende werking van koude en hitte, en waarschijnlijk ook door den wil van den ongeschapene en ongeziene, ontstond tusschen de ijsblokken van den afgrond een reusachtig wezen Ymir of Orgelmir (ziedende klei), de verpersoonlijking van den bevroren oceaan, en daar dit wezen uit rijm geboren was, werd hij Hrim-thurs of IJsreus genoemd.

In vroegen tijd Toen Ymir leefde, Was zand, noch zee Geen golf die koelt; Geen aard' omlaag, Geen lucht omhoog; Eén chaos 't al En nergens gras.

Saemunds Edda.

Rondtastend in het donker op zoek naar wat voedsel, bemerkte Ymir een reusachtige koe, Audhumla (de voedster), die door dezelfde kracht als hij zelf was geschapen en uit dezelfde grondstoffen. Toen hij zich naar haar toe spoedde, merkte Ymir met vreugde op dat uit haar uier vier groote stroomen melk vloeiden, die in ruime mate voedsel verstrekken zouden.

Aan al zijn behoeften was dus voldaan; maar de koe, rondziende naar voedsel op haar beurt, begon met haar ruwe tong het zout af te likken van een ijsblok in de buurt. Hiermee ging zij voort totdat het haar van een god verscheen en dan het gansche hoofd opdook uit zijn ijzig omhulsel, totdat langzamerhand Buri (de voortbrenger) vrij ten voeten uit te voorschijn stapte.

Terwijl de koe dus bezig was geweest, was Ymir in slaap gevallen, en terwijl hij sliep werden een zoon en dochter geboren uit de uitwaseming onder zijn oksel, en zijn voeten brachten den zeshoofdigen reus Thrudgelmir voort, die, kort na zijn geboorte, op zijn beurt het leven schonk aan den reus Bergelmir van wien al de booze vorstreuzen afstammen.

Men zegt van Hrim-thurs, Dat uit z'n oksel voort Een knaap, een meisje kwam, Dien wijzen Jötun Heeft voet met voet verwekt Zeshoofdigen zoon.

Saemunds Edda.

Odin, Vili en Ve.

Toen deze reuzen het bestaan ontdekten van den god Buri en van zijn zoon Börr (geboren), dien hij onmiddellijk ter wereld had gebracht, begonnen zij krijg tegen hen te voeren, want daar de goden en reuzen vertegenwoordigden de tegengestelde machten van goed en kwaad, kon niet verwacht worden dat zij met elkander in vrede zouden leven. De strijd duurde blijkbaar eeuwen, terwijl geen van beide partijen een beslist voordeel behaalde, totdat Börr de reuzin Bestla huwde, dochter van Bolthorn (doorn des kwaads), die hem drie geweldige zonen baarde, Odin (geest), Vili (wil) en Ve (heilig). Deze drie zonen hielpen hun vader onmiddellijk in zijn strijd tegen de vijandige vorstreuzen, en slaagden er eindelijk in hun meest doodelijken vijand, den grooten Ymir, te verslaan. Toen hij levenloos te aarde zonk, gutste het bloed uit zijn wonden in zulke stroomen, dat het een grooten zondvloed teweeg bracht, waarin zijn geheele geslacht omkwam, behalve Bergelmir, die in een boot ontsnapte en met zijn vrouw naar de grenzen der wereld ging.

Gij deedt verdrinken Ymirs gansch geslacht, Slechts niet Bergelmir, hij ontvlood te scheep Uw zondvloed, uit hem 't reuzenvolk ontsprong.

Balder Dood (Matthew Arnold).

Hier vestigde hij zich en noemde de plaats Jötun-heim (het huis der reuzen) en hier verwekte hij een nieuw ras van vorstreuzen die zijn antipathieën erfden, den strijd voortzetten en steeds bereid waren toe te snellen uit hun verlaten land en het gebied der goden te verwoesten.

De goden, in de Noorsche mythologie Aesir (pilaren en dragers van de wereld) genoemd, begonnen, toen zij zoo getriomfeerd hadden over hunne vijanden, en niet langer in voortdurenden strijd waren verwikkeld, rondom zich te zien met het voornemen den desolaten aanblik der dingen te verbeteren en een bewoonbare wereld te vormen. Na behoorlijk overleg rolden Börr's zonen het groote lijk van Ymir in den gapenden afgrond, en begonnen de wereld te scheppen uit zijn verschillende samenstellende deelen.

De schepping van de aarde.

Uit het vleesch vormden zij Midgard (middentuin), zooals de aarde werd genoemd. Deze werd geplaatst precies in het centrum van de groote ruimte, en geheel in het rond omtuind met Ymirs wenkbrauwen als bolwerken of wallen. De vaste massa van Midgard werd omgeven met het bloed of zweet van den reus, dat den oceaan vormde, terwijl zijn beenderen de heuvelen uitmaakten, zijn vlakke tanden de klippen en zijn gekruld haar de boomen en allen plantengroei.

Zeer tevreden over den uitslag van hun eerste pogingen in zake de schepping, namen de goden nu den loggen schedel van den reus en hingen hem behendig als hemelgewelf boven aarde en zee; daarna verstrooiden zij zijn hersenen door de ruimte er onder en vormden er de bevallige wolken uit.

Uit Ymirs vleesch Werd d'aard geschapen, Uit zijn bloed de zee, Uit zijn beend'ren de heuvels, Uit zijn haar boom en plant, Uit zijn schedel de hemelen, En uit zijn brauwen Schiepen de goden Midgard, het menschenkind ter woon; Maar uit zijn brein Werden de wolken zwaar Alle geschapen.

Noorsche Mythologie.