Chapter 9
Hij herkende ze aan den vorm hunner gestalten, aan eene beweging, den man aan een afnemen van den hoed en wisschen over het voorhoofd, de vrouw aan heur houding met de parasol, den stok geleund op den schouder en de hand bevallig vasthoudende een punt van het scherm. En toen hij ze herkende, scheen het hem als werd hij lichter en lichter van hoofd, als zoû hij duizelend opzweven uit zijn stoel, ergens weg drijven, de zee over ... Maar mat viel hij terug, zeer mat, en lichttintelingen, als dansende vraagteekens trilden voor zijne knippende oogen, door het staren. Wat was er te doen? Zich in te spannen tot fijne list, Frank zoeken weg te lokken hier van daan, vluchten? O, wat was de wereld klein! Waren zij daarom die wereld omgezwalkt, rusteloos, rusteloos door, om bij de eerste verpoozing dàt te ontmoeten, waar hij het meest voor vreesde! Toeval of Noodlot? Neen, Noodlot ... Maar dan ... vreesde hij wel?
En, in zijne matheid, zag hij het heel duidelijk, dat hij nièt vreesde, dat eene groote onverschilligheid in hem was, eene onstrijdbare vermoeidheid van zelfsmart. O, hij was te moê om bang te zijn; hij zoû afwachten wat er gebeuren zoû; het moest gebeuren; het was niet te ontloopen, Noodlot, Noodlot ... O, de matte rust, te blijven zitten, roerloos, energieloos, willoos, met dat wijde water van grijs zilver vóor zich, en te wachten tot het komen zoû ... Niet meer te strijden om zichzelven, en bang te zijn om zichzelven, maar geduldig te wachten, en zoo altijd te wachten! Komen zoû het, als de vloed van die zee, over hem heen gaan zoû het, als het schuim over dat zand en dan weêr wijken zoû het, en dan wellicht zoû het uit zijn met hem, verdronken, vergaan ... Een golfje van den tijd zoû hem overspoelen en hem zijn adem benemen, en daarna zoû die tijd verder golven ... met zijne eindeloosheid. Dwaze tijd, nuttelooze eeuwigheid ...
--Ik woû, dat ik het niet zóo intens voelde! dacht hij pijnlijk. Het is zoo dwaas, dat ik het zóo voel! Misschien komt er niets en word ik honderd jaar, rustig en tevreden. Maar dit is onloochenbaar: dit is een feit: daar zijn ze! Ze zijn er!! Maar ... als het _moest_ komen, zoû ik het juist _niet_ voelen: het komt altijd onverwachts. Het is niets dan ziekelijkheid van me, zenuwachtigheid, overspanning ... Eigenlijk kan het me ook niet schelen, niets schelen. De lucht is mooi en zacht gedekt, en daar drijft een wolkje ... En ik wil zoo zitten, zonder angst, en rustig ... Maar daar zijn ze!!! De meeuwen vliegen vlak over het water. En ik wil wachten, wachten ... En kijk, die jongens spelen met een scheepje: het is een klomp. Zoû het niet omkantelen?
Hij zag even met onwillekeurig belang naar het spel, toen weêr naar dien man en die vrouw. Zij waren zeer duidelijk geworden, recht onder zijn blik, en zij gingen voorbij, zonder iets te weten, emotieloos, als marionetten.
--Jawel, maar _ik_ weet het! dacht hij. Daar zijn ze! En met hen komt het misschien. Maar ... met hen gaat het misschien ook weêr weg, zoo maar, als eene dreiging. En zoo zal ik wachten, want het kan me niets schelen. Als het uit moet zijn, zal het uit zijn.
Ze verdwenen nu uit zijn oog. Ook de jongens waren verder gegaan met hun scheepje: het strand voor Bertie was leêg geworden, zeer wijd, als eene woestijn. En eensklaps overrilde hem eene hevige trilling, eene koorts. Sidderend stond hij op, zijn gelaat zeer wit, zijne beenen wankelend. De angst had hem eensklaps geheel overheerscht en zweette op zijn voorhoofd uit in groote druppels.
--O God! dacht hij. Het leven is verschrikkelijk. Ik heb het verschrikkelijk gemaakt. Het leven is ijzingwekkend. Ik ben bang. Wat zal ik doen. Wegloopen ... Ach neen, ik zal maar wachten. Kan het me dan iets schelen? Neen, niets! Niets, Niets! Daar waren ze beiden, zij, en de vader ... Ik ben wel bang. O, als het komen moet, God, o God, laat het dan maar gauw komen ...
Toen werd het hem alsof zijne oogen zich vergist hadden en ze het niet waren geweest. Onmogelijk! Maar toch _wist_ hij, dat ze het wèl waren geweest. De angst tokkelde hem steeds in zijne borst, gelijkmatig, met hooge hartslagen. En hij verwonderde zich nu zeer, dat hij nog oogen voor het scheepje van die jongens had kunnen hebben, terwijl daar beneden Eve liep met Sir Archibald. Zoû het niet omkantelen? zoo had hij ervan gedacht, van dat scheepje.
III.
Er sleepten zich twee weken vol heet geschroeide zomerdagen voort, dat hij wachtte, steeds te moê, de minste poging te doen Frank over te halen heen te gaan van hier. Misschien had het hem slechts een enkel woord gekost. Maar hij sprak dat woord niet, wachtende, en langzamerhand als onder de bekoring van dat wachten komende, als hoopte hij op het mysterie van eene belangwekkende toekomst. Hadden zij elkaâr nog niet ontmoet? Zouden zij elkaâr ontmoeten? Ontmoetten zij elkaâr, zoû er dan iets gebeuren? Het een schakelt zich onherroepelijk aan het ander, dacht hij: aan niets is iets te doen!
Het was Franks gewoonte veel thuis te blijven, stil levend tusschen zijn somber gedroom en zijn gymnastiek, zonder zich te bemoeien met het zomergewoel daar buiten, op strand en terras. Zoo waren er twee weken voorbij kunnen gaan, zonder dat hij de onmiddellijke tegenwoordigheid van haar bewust was geworden, voor wie Bertie vreesde! En zelfs niet de zweem van een voorgevoelen had Frank doen trillen in zijne zachte somberheid; onberoerd was hij blijven voortademen in de zelfde zeelucht, die zij ademde, zonder te voelen, dat er een geur van haar dreef in die atmosfeer. Hij zag niet den stap van haar schoentje op het strand vlak onder zijne villa, de kant niet van hare parasol, fladderend in het bereik van zijn blik, terwijl hij rustig rookte, de beenen op de balustrade. En zij moesten dikwijls samen op den zelfden stoomer getuurd hebben, fijn voortglijdend bijna aan den einder, als een uitgeknipt prentje, met zijn zeiltjes en zijn kolommetje rook, zonder dat hunne blikken elkaâr bewust werden, hoewel ze zich toch zeker kruisten, ergens over de zee.
Het was na die heet geschroeide weken een vuil grauwe dag, zonder zon, met regen boven in de lucht drijvend in gezwollen wolken, als in bolle waterzakken.
Langs het strand was Frank gegaan, langs de zenuwachtig woelende zee; hooger stonden de mandstoelen nog, dicht bij elkaâr, bijna opgenomen; weinig menschen waren daar. Een desolate windroep klaagde over het water; het was een herfstdag vol verlatenheid en wegsterven van zomervreugde. En terwijl hij langzaam, met het luchtgeween om zijne ooren, was voortgewandeld, had hij haar zien naderen in het uitwaaien harer rokken en het wegfladderen van haar linten, hem tegemoet, en had hij ... o God! haar herkend!
Het was hem of eene rotsmassa op zijne borst was gesmeten, in eens, met een reuzenworp en of hij vermorzeld er onder lag, zonder adem. En het ziedde in hem met pijn en blijheid tegelijk, rillend door zijn bloed en zijne zenuwen, opduizelend naar zijn hoofd. Zonder zoo te willen, stond hij stil en zonder zoo te willen, zeide hij het, een klank, onhoorbaar nog door wat afstand, verloren ook in het gehuil van den wind:
--Eve, mijn God, Eve!!
Maar de afstand bestond niet meer; nu was zij vlak bij hem, schijnbaar zoo kalm, omdat zij hem reeds dien morgen gezien had, zonder dat hij háar had gezien, omdat zij al haar eerste emoties geleden had, omdat zij daar lang geloopen had, in den wind, dicht bij de villa, waar zij hem in had zien gaan, in de hoop hem nog te zullen ontmoeten. Het ging door zijn hoofd of hij haar met den hoed groeten zoû, als een vreemde, of dat hij dit niet zoû doen, schijnbaar onverschillig, er over heen, niet geroerd om eene toevallige ontmoeting, zonder eenige herinnering aan wat was geweest. En in zijne trillende ontroering verwonderde hij zich toch nog, dat zij zoo recht op hem afkwam, zonder aarzeling, beslist, als op een doel. In eene seconde prentte haar bleek, ernstig gelaat met de donkere oogen een, als van leven sidderenden, afdruk in hem af: hij zag haar geheel en al, nam haar geheel en al in zich op, als verslond hij haren aanblik in zijne ziel.
--Frank! sprak zij zacht, vóór hem.
Hij antwoordde haar niet, rillende van aandoening, nauwelijks kunnende zien door den glans van vocht, die over zijne oogen trok. Zij glimlachte weemoedig.
--Herken je me niet meer? sprak zij, met hare stem van gedempt zilver.
Hij knikte, onhandig iets mompelend, onhandig zijne hand uitstekend.
Zij drukte die even zacht en ging voort, steeds met haar zacht geluid, dat was als een echo:
--Neem me niet kwalijk, dat ik je zoo aanspreek, maar ik zoû je gaarne iets willen zeggen. Ik ben blij je hier te ontmoeten, hier in Scheveningen, toevallig, misschien niet toevallig ... Er heeft een misverstand tusschen ons geheerscht, Frank, en er zijn leelijke woorden tusschen ons gevallen. Wij zijn nu wel gescheiden, maar toch zoû ik met je willen spreken en je vergiffenis vragen, voor wat ik eens gezegd heb ...
De tranen hokten in hare keel, zij kon zich bijna niet meer bedwingen, maar zij dwòng hare ontroering terug en rustig bleef zij voor hem staan, dapper als eene vrouw zijn kan, dapper met haren zachten glimlach, waarin eene hopelooze berusting was, zonder aanstellerij, flink en eenvoudig.
--Neem het mij daarom niet kwalijk, dat ik je aanspreek en laat me je vragen, of je me vergeven wilt, als ik je eens gekrenkt heb, en of je voortaan eene zachtere herinnering aan me wilt bewaren.
--Eve, Eve! stamelde hij. Jij mij vergeving vragen? Ik was het, _ik_ was het, die ...
--O neen! hernam zij zeer zacht. Je bent het vergeten. Het was _ik_ ... Vergeef je het me?
Zij stak nu zelve haar hand eenvoudig uit en hij drukte die, met een grooten snik, die klokte in zijne keel.
--Dank je; zoo is het goed, ging zij voort. Ik heb ongelijk gehad, waarom zoû ik het niet bekennen? Ik beken het gulweg. Wil je papa niet eens komen opzoeken: wij logeeren in het Hôtel Garni. Heb je nu plannen? Ga anders met me meê. Het zal papa plezier doen.
--Goed, goed, stamelde hij, nu oploopend naast haar.
--Maar ontroof ik je aan niemand? Misschien wacht iemand je. Je bent misschien in dien tijd ... getrouwd.
Zij dwong zich hem geheel en al aan te zien, met haar zachten glimlach: eene bleeke lieftalligheid, die droef-liefjes om hare lippen zweemde, en hare stem was zacht blank, zonder veel belangstelling. Maar hij schrikte van hare woorden, omdat ze iets bevatteden, dat nooit in hem was geweest: eene exotische gedachte, en die zij overplantte in hem, zonder dat ze er wortel schoot, er dadelijk verleppend.
--Getrouwd?! O Eve, neen, neen, nooit, stotterde hij smeekend.
--Nu, het had immers kunnen zijn, zeide zij zacht effen.
Zij gingen een pooze zwijgend door, maar na een paar passen, gebroken door den toon zijner laatste woorden, wist zij hare aandoening niet meer in te toomen en zij begon zachtjes te snikken, als een zenuwachtig kind, met regelmatige snikjes, terwijl zij bleven doorloopen en hare tranen heur witte voile doorweekten.
Even voor het hôtel bleef zij stilstaan en zij zeide, zich beheerschende gedurende dien oogenblik:
--Frank, zeg het me oprecht: vindt je het niet verkeerd van me, dat ik je heb aangesproken? Ik was het niet met mezelve eens of ik het doen zoû, maar ik woû zoo graag mijn ongelijk bekennen en je om vergeving vragen. Zeg, veracht je me, omdat ik gedaan heb, wat een ander meisje misschien niet gedaan had?
--Verachten!! Ik je verachten! bracht hij snikkend uit.
Maar hij moest zich in eens bedwingen, want enkele wandelaars, weinige maar op dien dag van wind en dreigend regenweêr, kwamen hen te gemoet. Zij liepen nog enkele passen voort, als misdadigers hunne hoofden buigend onder den blik dier vreemden. Toen gingen zij het hôtel binnen.
IV.
Sir Archibald ontving Frank wat koel, maar beleefd. Toen liet hij hen alleen en dadelijk begon Eve:
--Ga zitten, Frank. Ik moet je iets zeggen.
Verwonderd nam hij plaats; haar toon was zakelijk geweest, hare aandoening was teruggedrongen en zij scheen zich even te bezinnen als wilde zij logisch iets uit elkaâr zetten.
--Frank, sprak zij. Je hebt immers eens een brief aan papa geschreven; is dit zoo?
--Ja, knikte hij treurig.
--Is dit zoo? riep zij heftig.
--Ja! herhaalde hij; eens aan Sir Archibald en tweemaal aan jou.
--Ook nog tweemaal aan mij? kreet zij smartelijk.
--Ja, knikte hij weêr.
--En je kreegt geen antwoord, ging zij kalmer voort. Heb je ooit wel nagedacht, waarom?
--Waarom?... herhaalde hij, verwonderd. Omdat je boos was, omdat ik zoo ruw was geweest ...
--Neen, schudde zij beslist. Eenvoudig hierom: omdat wij die brieven nooit ontvingen.
--Wat? kreet hij uit.
--Omdat wij die brieven nooit ontvingen. Onze knecht William, schijnt er belang bij gehad te hebben ze achterwege te houden.
--Belang? herhaalde Frank, dom verward. Waarom?
--Ik weet het niet, ging Eve door. Ik weet alleen dit: onze meid, Kate, je weet wel, kwam eens huilende bij me en vertelde me, dat ze niet meer bij ons wilde blijven, omdat ze bang was voor William, want hij had gezegd, dat hij haar zoû vermoorden. Ik vroeg haar wat er gebeurd was en toen vertelde ze mij, dat ze eens op het punt was geweest een brief binnen te brengen aan papa, een brief van jouw hand: ze kende je hand. Vlak bij de deur was William haar achterop gekomen en had haar ruw den brief uit de hand gerukt, zeggende, dat _hij_ dien wel zoû binnen brengen. In plaats van dat te doen, had hij den brief intusschen in zijn zak gestoken. Zij had hem gevraagd wat dat beteekende; toen hadden zij oneenigheid gekregen en sedert was ze bang voor William. Zij had mij dit al lang willen vertellen, maar het alleen niet gedaan uit angst voor hem. Wij ondervroegen William, die brutaal werd en zich beleedigd achtte, omdat we zijn eerlijkheid verdachten; papa liet daarop zijne kamer onderzoeken om te zien of hij meer brieven of andere dingen had gestolen. Er werd intusschen niets gevonden, noch gestolen voorwerpen, noch brieven. Ook niet de brief aan papa, die dus de laatste schijnt geweest te zijn van de drie, die je ons schreef?
--Ja, knikte Frank verbijsterd.
--Papa joeg William weg. En ... wat woû ik je toch ook nog zeggen? God, ik weet het niet meer ... Dus je hebt ons driemaal geschreven?
--Ja, driemaal, sprak Frank.
--En wat schreef je? vroeg zij, opnieuw regelmatig zacht snikkend in hare keel.
--Of je me vergeven woû, of ... of alles weêr worden kon als het geweest was. Ik bekende ongelijk.
--Je hadt het niet.
--Het is mogelijk. Ik weet het niet meer. Toen voelde ik het zoo. Ik wachtte en wachtte op een enkel woord van jou of van je vader. En ik kreeg niets.
--Neen niets! snikte zij. En toen?
--Wat zoû ik toen gedaan hebben?
--Waarom ben je niet zelf gekomen, o, waarom ben je niet eens zelf naar ons toe gekomen! vleide zij, smartelijk verwijtend.
Hij zweeg een oogenblik, zijne gedachte verzamelend, zich niet meer herinnerend.
--Zeg Frank? smeekte Eve. Waarom ben je zelf niet gekomen?
--Ik weet het niet meer! sprak hij suf.
--Heb je daar dan geen enkel oogenblik over gedacht?
--Ja, jawel! stamelde hij.
--Maar waarom dan niet?
Hij barstte in eene snikkende smart uit, zijne tranen opetend, radeloos.
--Omdat ik gebroken was: omdat ik me zoo ongelukkig voelde, zoo ontzettend ongelukkig. Ik had altijd cynisch gedacht over vrouwen en van ze te houden en dat alles en toen ... toen met jou ...!! Het was zoo nieuw, zoo frisch voor me, ik voelde me als een jongen, ik was verliefd op je en ik hield van je, ook niet alleen omdat je mooi was, maar om alles wat je zei of deê, omdat je was zooals je was, zoo kalm altijd en zoo lief ... o God, ik aanbad je. En toen is dat alles gekomen, dat getwijfel en die akeligheden, ik weet het nu alles niet meer en ik voelde me toen zoo alleen, en zoo gebroken. Ik had toen maar willen doodgaan, o Eve, Eve!
--Je hadt dus berouw! En je kwam niet bij me?
--Neen!
--God, waarom niet?
--Ik heb willen komen!
--Waarom heb je het dan niet gedaan?
Weêr dacht hij even na, weêr suf.
--O ja: nu geloof ik, dat ik het weet! sprak hij langzaam. Ik wou naar je toe gaan en toen zei Bertie ...
--Wàt zei Bertie?
--Dat hij het misselijk van me zoû vinden als ik ging, laf, laag en misselijk.
--Waarom?
--Omdat je me niet vertrouwd hadt.
--En toen?
--Toen ... toen gaf ik hem gelijk en ben ik niet gekomen.
Zij wierp zich woest op eene bank, brekend onder hare smart, die steeds in haar snikte en snikte.
--Dus omdat Bertie zei ...! kreet zij verwijtend.
--Ja, alleen om hem! sprak hij dof! O God, alleen om hem ...
Zij zwegen. Toen richtte Eve zich op en zij rilde. Haar gelaat was wit, als zonder bloed, hare oogen staarden als met krankzinnige blikken van verweerd glas.
--O Frank! riep zij. Frank, ik word zoo bang! Daar komt het!
--Wat is er? vroeg hij, zacht verschrikt ...
--Ik voel het over me heen komen! kermde zij steenend. Het is net een ver geluid van een donder, zoo dreunend in mijne ooren en in mijn hoofd. O God, daar komt het, Frank, o Frank! Daar is het, boven me, boven me!! Het dondert boven me!!!
Zij sloeg, gillend, met haar arm zenuwachtig angstig in de lucht, iets wegwerend, en geheel haar tenger lichaam schudde als met geheimzinnige electrische trillingen. Heur adem stootte met schokken door hare keel. Toen wankelde zij en hij dacht, dat ze flauw zoû vallen en ving haar op in zijne armen.
--Eve, Eve! riep hij.
Zij liet zich door hem meêsleepen naar de bank, zonder weêrstand; trots hare hallucinatie, gelukkig in zijne omhelzing, en zij bleef daar zitten tegen hem aan, in zijn arm, zich dringend tegen zijne borst.
--Eve, toe Eve! smeekte hij. Wat heb je?
--Het dreunt nu weg, fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Ja, nu, nu is het weg ... Dat komt zoo over me in den laatsten tijd, heel dikwijls: het bruist aan, heel langzaam en zachtjes, en dan bruist het daverend boven mijn hoofd en dan weg, ver weg sterft het weg ... En daarna ben ik zoo bang; het is of het een angst is, die over me heen bruist en die me zoo bang maakt. Wat zoû het zijn?
--Ik weet het niet. Overspanning misschien? troostte hij.
--O, hoû me zoo, smeekte ze lief. Hoû me zoo tegen je aan. Anders, als ik alleen ben, en het is over me heen gegaan, dan blijf ik zoo doodsbang achter, maar nu, nu heb ik jou, nu heb ik je weêr: je zal me niet meer van je af gooien, en je zal me beschermen, je arm kind, je Eve, nietwaar? O ja, nu heb ik je weêr! Ik voelde het, dat ik je ééns weêr zoû krijgen en iederen zomer drong ik er bij papa op aan naar Scheveningen te gaan, omdat ik zoo een idee had, dat ook jij weêr eens in Holland zoû komen, in Den Haag, in Scheveningen en dat als we elkaâr moesten ontmoeten, het hier zoû zijn ... En nu is het ook zoo uitgekomen en nu heb ik je weêr ... Hoû me dicht tegen je aan, zoo in beide je armen, in beide ... Dan zal ik niet meer bang zijn ...
Zij vlijde zich dichter en dichter tegen zijne borst, haar hoofd op zijne schouder, en toen, met de stem van een kind:
--Kijk eens! sprak ze en ze toonde hem haar pols.
--Wat? vroeg hij.
--Dat litteeken ... Dat heb jij gedaan.
--Heb ik ...!
--Ja ... Je hadt me zóó aan mijn polsen beet ...
Hij gevoelde zich troosteloos weemoedig, zelfs trots haar weêrbezit, en hij zoende den smallen streep van het litteeken met kleine kusjes. Zij lachte even.
--Het is een armband! schertste zij.
V.
Plotseling schrikte hij echter op.
--Eve ... begon hij, zich bedenkend. Wie? Waarom?
--Wat? vroeg zij, zacht lachend en wat moê, na die hallucinatie van donder.
--Die brieven en William ... Waarom? Wat kon het William schelen? Louter nieuwsgierigheid om ze te lezen?
--Dan had hij toch zoo ruw niet dien eenen brief van Kate weggerukt. Neen, neen ...
--Geloof je dan, dat hij er belang bij had ...
--Ja ...
--Maar wat dan? Wat kon het hem schelen of ik je schreef of niet schreef?
--Misschien handelde hij ...
--Wat Eve?
--Voor een ander.
--Voor wien? Wat kunnen mijne brieven een ander schelen. Wie kan er belang bij hebben, dat ze niet terecht kwamen?
Zij richtte zich even op en zag hem lang aan, voor zij sprak, zeer angstig voor wat zij hem vragen ging.
--Zoû je heusch niemand weten? vroeg zij.
--Neen.
--Wist niemand van je brieven af?
--Alleen Bertie.
--O, alleen Bertie! sprak zij dof.
--Maar Bertie ... toch niet? vroeg hij, zelf verontwaardigd om de onmogelijkheid zijner voorstelling.
--Misschien ... fluisterde zij, bijna onhoorbaar. Misschien Bertie ...
--Onmogelijk Eve! Waarom! Wat? Hoe?
Zij liet zich weêr zinken in hare vorige houding, tegen hem aan, rillende nog onder den nadruk van dien weggeratelden donder. En zij sprak:
--Ik weet het niet, ik dacht alleen maar ... Ik heb er twee jaar iederen dag aan gedacht. En toen heb ik veel raadselachtigs gevonden in wat ik vroeger niet raadselachtig en zelfs sympathiek vond ... in Bertie. Je weet, we spraken dikwijls samen, zelfs alleen. Je was soms wat jaloersch, maar daar hadt je nooit de minste reden voor, want er is nooit dat tusschen ons geweest. We waren altijd als broêr en zuster. We spraken veel over jou. Later heb ik over die gesprekken nagedacht en toen scheen het mij, dat Bertie ...
--Dat Bertie ...?
--Dat hij niet zoo over je sprak als een goed vriend zoû doen. Ik weet het niet ... onder die gesprekken zelve kwam die gedachte nooit bij me op, omdat Bertie zoo eene stem had en zoo eene manier van spreken ... ik meende dan, dat hij het goed met ons voor had en dat hij veel van ons hield, maar dat hij bang was, dat er iets gebeuren zoû, een ongeluk, eene catastrofe, als wij trouwden. Hij scheen te vinden, dat wij niet moesten trouwen. Toen ik later over zijne woorden nadacht, heb ik er dat in gevoeld. Hij scheen heusch te vinden, dat wij ... dat wij niet moesten trouwen.
Zij sloot hare oogen, zeer moê van het ronddolen in die geheimzinnigheid des verledens, en zij zuchtte en streelde zijne hand, die zij in de hare had. En ook hij doolde rond in dat labyrinth van mysterie, zonder te vinden. Ook hij dacht zich nu terug en hij herinnerde zich iets van hunne laatste dagen te Londen: hij herinnerde zich Bertie's harde woorden, toen hij, Frank, gezegd had naar de Rhodes' te willen gaan; hij herinnerde zich Bertie's vleien en drijven om Londen te verlaten, om de wereld rond te zwalken ... Zoû Bertie ...? Had Bertie eenig belang ...? En hij zag het niet in, in den eenvoud zijner onpractische, achteloos milde vriendschappelijkheid, die nooit geld geteld, die het steeds gedeeld had met een ander, omdat hij veel had en die ander niets; hij zag het niet in, omdat hij over dat alles nooit had nagedacht in zijne vreemde onverschilligheid voor alles wat naar geldzaken zweemde: eene onverschilligheid, die als eene lacune in zijn begrip was, zooals een ander lacunes heeft waar het politiek, of kunst, of wàt ook betreft: dingen, waar hij niets om geeft, waarvan geen spoor in hem is, waarover hij het hoofd schudt als over abracadabra. En hij zag het niet in.
--Zie je, zoo heb ik later gemeend, dat Bertie indertijd vond, dat wij niet moesten trouwen, herhaalde Eve droomend, en toen, verloren in de geheimzinnigheid, die het leven om haar heen gesponnen had:
--Zeg Frank, wat was er toch in hem? Wat was hij, hoe was hij? Waarom heb je nooit veel over hem willen spreken? Ik heb dat later wel gemerkt, later, gedurende die twee jaren, toen ik zoo veel heb nagedacht.
Hij zag haar met ontzetting aan; een moordend zelfverwijt doorvlijmde hem bij de gedachte, dat hij haar nooit gezegd had, dat Bertie niets bezat en van het geld zijns vriends leefde. Waarom had Frank haar dat nooit willen vertellen? Om zekere schaamte, dat hij zoo was, zoo onverschillig, zoo dwaas mild met iets, waar anderen zoo berekenend meê zijn? Zoo dwaas mild, ja mild tot krankzinnigheid toe!
Steeds met ontzetting zag hij haar aan. Toen flitste een vermoeden der waarheid als een korte weêrlichtzigzag dwars door zijn zelfverwijt heen, en hij schrikte voor dat witblauwe licht der waarheid ...
--Eve! sprak hij schor. Ik ga naar Bertie toe ...
--Naar Bertie toe!! gilde zij. Is hij dan hier!?!
--Ja ...