Noodlot

Chapter 8

Chapter 84,105 wordsPublic domain

--Je weet het niet, hoe ik me voel: je kùnt het niet begrijpen. Ik ben zoo ellendig, zoo diep, diep ongelukkig. Ik heb me nooit in mijn leven zoo heerlijk, zoo harmonisch, zoo geëquilibreerd gevoeld als toen ik met Eve was, ten minste ... nu lijkt me dat zoo. En nu is dat alles weg en alles schijnt me doelloos. Ik weet niet meer waarom ik loop en eet en ademhaal en leef! Waarom zoû ik al die moeite doen en dan, op den koop toe, al dat verdriet hebben? Ik zoû net zoo goed dood kunnen zijn ... Zie je: daarom wil ik naar ze toe gaan. En als het dan niet weêr in orde komt, dan maak ik me van kant ... ja, ja, dan maak ik me maar van kant ...

Verpletterd onder den last van het leven hing hij in zijn stoel, met zijn zenuwtrekkend gelaat, zijne groote ledematen uitgestrekt in hunne nuttelooze spierkracht, ondermijnd door de geheimzinnige zwakte, die er onder knaagde, als met wormen. Maar Bertie was voor hem gaan staan, opgeschroefd in zijne wanhoop-energie; zijne oogen, vol facetten, wisselflitsend op Frank. En hij legde zijne trillende handen op Franks schouders, die hij er breed en massief onder voelde, zwaar van kracht. Eene reactie electrizeerde hem met iets als fierheid: hij voelde minachting voor dien sterken man met zijne jongensliefdesmart. Maar vooral, o vooral, voelde hij zich trekken naar beneden, naar een afgrond toe, en het scheen hem als klampte hij zich met de omkronkelingen van eene woekerplant nu vast aan Frank, aan Franks schouders.

--Frank, begon hij, bijna heesch. Hoor eens goed naar me. Je maakt je eigen ziek, je praat als een gek, je huilt tegenwoordig net als een kind. Het is om er weê van te worden. God, wees toch wat flinker. Verknies je leven toch niet zoo met dat misselijk gejammer. En waarom, waarom dat alles?! Omdat eene vrouw niet meer van je houdt. Stel je in zóó iets dan je hoogste geluk? Het zijn wezens zonder hersens, zonder harten: wat oppervlakkigheid en ijdelheid door elkaâr geklutst, schuim, flut, niets! En daarom wil je je van kant maken? Jasses, hoe is het mogelijk. _Ik_ weet niet wat houden van eene vrouw is, hè? Maar _jij_ weet niet wat verdriet en ellende is. Je denkt, dat je het nu al heel erg te pakken hebt, hè? En je hebt niets, niets dan een beetje malaise, wat gekrenkte pedanterie misschien: het zal wel niet veel anders zijn. Als _ik_ me van kant had gemaakt, iederen keer, dat _ik_ ellende had gehad, dan was ik nu wel duizendmaal dood. Neen, dan heb ik heel wat anders doorgemaakt, hoor! Hoe kan je zoo laf zijn. Eve toont je duidelijk, dat ze niets meer van je weten wil. En je wilt weêr naar haar toe gaan. En als ze je de deur wijst? Wat dan? Als je het doet, als je naar ze toegaat, dan vind ik je zoo klein, zoo flauw, zoo laf, zoo kinderachtig, zoo misselijk, zoo verdomd misselijk, dat je voor mijn part naar den duivel mag loopen.

Hij maakte een keelgeluid alsof hij phyziek weê werd en wendde zich af, wat duizelig en vreemd licht in het hoofd. Frank zweeg, in zich heen en weêr geslingerd door twee machten. Hij was zich niet meer bewust wat hij dacht, geheel in de war, vol valsche geluiden in zijn oor en in zijne verbeelding. In Bertie's woorden klonk iets onzuivers, eene detonatie, die hij niet kon aanwijzen, maar zich toch bewust was en ook klonk de stem van zijn eigen verlangen valsch, met vreemde, onoplosbare accoorden, die onharmonisch in elkaâr bleven voorttjingelen. En hij verloor zich geheel en al, hij bleef lang zwijgen tot, koppig, halsstarrig, hij het herhaalde:

--Goed, het kan me niet schelen, ik ga toch, ik ga toch ...

Maar balsemzacht ging Bertie voort, terwijl hij, volgens zijne gewoonte, als hij zich zeer ongelukkig gevoelde, op den grond ging zitten, op de vacht voor het vuur, zijn bonzend hoofd gesteund tegen een stoel:

--Kom Frank, zet er je overheen. Je meent het niet, dat je er naar toe wilt. Daar ben je in je binnenste veel te fier en flink voor, om dàt te willen. Herinner je je toch. Ben je dan alles vergeten? Heeft Eve je niet gezegd, dat ze je niet vertrouwde, dat je haar bedroog, dat je nog met die vrouw was en dat ze dat wist? Ik had het trouwens al lang gemerkt, dat ze zoo wantrouwig was: ik vond zoo iets al niet mooi in een jong meisje; ik vond er iets ... niet kuisch' in ... Het is waar, dien avond van het Lyceum ... het scheen toen wel zoo wat. Maar je hadt Eve toch verzekerd, dat het uit was ... Ik vind het dus allesbehalve mooi in haar, dat ze je toen nog niet vertrouwd heeft ... Je kan het dus niet meenen, als je zegt, dat je er naar toe wilt gaan. Het kan mij natuurlijk niet schelen: ga er naar toe voor mijn part, maar ik zoû het zoo misselijk van je vinden, zóó misselijk ...

En Frank steeds zwijgende, verloren, en door de kamer steeds dat getjingel van valsche geluiden ...

--En het kan niet anders of je vindt dat ook als je nadenkt. Denk er eens over na, Frank ...

--Ach ja, mompelde Frank dof.

Bertie vleide zijne mannelijkheid en het klonk in Franks ooren als met klokken: fier, flink, fier, flink ... Maar de klokken waren toch gebarsten ... Tóch stilde de muziek hem. Hield hij op dit oogenblik nog van Eve? Of was het uit, had zij zijne liefde gedood onder haren twijfel? Fier, flink, fier, flink ... O, het niet meer te weten, niets meer te weten ...

Met eene beweging als eene liefkoozing sloop Bertie toen nader, legde zijn hoofd op de armleuning van Franks stoel en, de handen gevouwen om de knieën, geleek hij in den halfschemer, in den vuurgloed, een lenige panter, flikkerden zijne oogen als zwart gouden panteroogen.

--Zeg Frank, ik kan je zoo niet zien. Ik hoû zooveel van je, al zie je dat misschien niet zoo in, en al doe ik het op mijn manier ... O, ik weet het wel: je vindt me soms bijna ondankbaar. Maar je kent me niet; ik hoû zielsveel van je, ik heb van mijn vader, van eene vrouw, van mezelven, van wat ook, nooit zóo gehouden als ik van jou hoû. Ik zoû iets voor je over kunnen hebben, en dat is veel gezegd voor mij. Zeg Frank, ik kan je zoo niet meer zien. Laten we weggaan van Londen, laten we gaan reizen of ergens anders gaan wonen, in Parijs, of in Weenen. Ja, laten we naar Weenen gaan. Dat is ver van hier. Of naar Amerika, naar San Francisco. Of naar Australië. Waar je maar wilt. De wereld is zoo groot, je kan zooveel zien, dat je andere ideeën geeft. Of laten we een tocht meêmaken in het binnenland van Afrika: ik zoû wel lust hebben in zoo iets woeste, en ik ben sterker dan ik er uitzie: ik ben taai. Laten we veel beweging maken, veel doorstaan, veel lichamelijke vermoeienis. Vindt je het niet prachtig dwars door een ondoordringbaar bosch je een weg te kappen? O ja, laten we ons baden in de natuur, in veel lucht en ruimte en gezondheid ...

--Ja, ja, mompelde Frank; goed, we zullen weg gaan, we zullen gaan reizen. Maar eigenlijk kan ik het niet: ik heb weinig geld, ik heb het vorige jaar zooveel verteerd.

--O, maar we zullen zuinig zijn: wat hebben we luxe noodig! Het kan mij ten minste niets schelen ...

--Ja, ja goed, mompelde Frank weêr; we zullen het zuinig doen.

Zij zwegen eene pooze. In het halfduister stiet Frank bij eene beweging even Bertie's hand aan. En hij drukte die eensklaps, tot brekens toe, vast in de zijne en stamelde:

--Goede jongen, goede beste jongen!

XVII.

Zoû hij er heen gaan? dacht Bertie, toen hij den volgenden avond alleen thuis bleef en niet wist met welke plannen Frank was uitgegaan. Nu, Bertie zoû afwachten. Er was niets meer aan te doen. Een paar dagen om zaken te regelen en daarna weg, weg van Londen. O, wat voelde hij zich ongelukkig! En al die vuiligheid alleen om een materieel gemak, eene luie weelde, die hem--hij was het nu langzamerhand gaan gevoelen--geheel en al onverschillig was geworden. O, de bohemien-vrijheid van zijn zwervend scharrelaarsleven in Amerika, dat losse, dat ongegeneerde, nu zijn vestjeszak vol geld, dan niets, totaal niets! Hij had er heimwee naar: het geleek hem een benijdenswaardig leven van onbezorgde bandeloosheid, bij zijn tegenwoordig bestaan van rijk suffen en laagheid. Wat was hij veranderd! Vroeger was hij alleen maar los van conventie geweest, zonder veel nadenkens, en nu ... zijne ziel was verfijnd geworden, en ploeterde toch in de grofste vuiligheid. En waarom? Om iets te behouden, dat geen waarde meer voor hem had. Geen waarde meer?! Maar waarom dan zich niet los te scheuren uit zijne eigen netten, weg te gaan, alleen, in armoede; een enkel woord te schrijven aan Frank en Eve om ze weêr tot elkaâr te brengen? Hij had immers vrijheid dat te doen?

Hij dacht er over na en glimlachte toen, het iets onmogelijks vindend en toch niet inziende, waarin het onmogelijke er van lag. Maar het wàs onmogelijk, het wàs iets wat niet volbracht kon worden. Het was iets onlogisch', iets vol duistere moeielijkheden, iets dat nooit gebeuren kon, om geheimzinnige noodlotsredenen, die hij wel niet inzag, maar toch onloochenbaar voelde ...

Zoo mijmerde hij, alleen, dien avond, toen Annie, de meid-huishoudster, hem zeggen kwam, dat er iemand was, om hem te spreken.

--Wie is dat dan?

Zij wist het niet en hij ging in het spreekkamertje en vond den lakei van Sir Archibald, met zijn grooten neus en zijne brutaal bewegelijke, grijze vogeloogen, vroolijk glinsterend in zijn blauw geschoren, terracottakleurig gelaat. Hij was niet in liverei, maar gekleed als een heer met een licht gekleurd overjasje, een ronden hoed, een stok en handschoenen.

--Wat moet je hier? vroeg Bertie brusk, zijne wenkbrauwen fronsend. Ik heb je immers gezegd, dat ik niet woû, dat je hier ooit kwam! Je hebt immers niet over me te klagen, meen ik ...

Neen, neen, hij had niet te klagen, maar hij kwam zijn ouden vriend maar eens opzoeken, zijn ouden Swell. Bertie wist het immers wel, vroeger, in New-York. Ze waren toen zoo kameraadschappelijk in het zelfde hôtel kellner geweest. Toevallig, hè? zoo een wederzien in Londen. Ach ja, de wereld was klein; je ontmoette elkaâr overal en altijd. Je kon elkaâr niet ontloopen; als de hemel wilde, dat je elkaâr ontmoeten zoû, dan kòn je elkaar niet ontloopen; nu, en als je elkaâr ontmoette, dan kòn je elkaàr ook nog eens van dienst zijn ... Er werden soms lastige brieven geschreven; hm, hm!... Zestig pond voor twee brieven aan de juffrouw, dat was een koopje! Het leven was duur; in Londen nu en dan eens vroolijk te zijn, kostte duur. Er was nu een derde brief van de zelfde hand--wel, wel, van wien zoû die hand toch zijn? Geadresseerd aan den oude. O, een oud kameraad zoû nooit lastig vallen, maar hij kwam maar eens vragen: was die brief ook wat waard? Hij had hem bij zich.

--Geef hem dan hier! stotterde Bertie doodsbleek, zijne hand reeds uitstekend.

Ja maar, dertig was zoo weinig, een bagatel. De brief was nu toch geadresseerd aan den oude en dus wel meer waard. Een oud-kameraad was daarbij, eerlijk gebiecht, in een beetje geldverlegenheid. En Bertie was een meneer en in goeien doen, en hij had een edel hart. Hij zoû een oud-kameraad niet in den steek laten. Wat drommel, je hielp elkaâr in de wereld! Honderd pond?

--Je bent een ellendeling! stotterde Bertie. We hadden afgesproken dertig pond. Ik heb geen honderd pond; ik ben niet rijk ...

Nou ja, dat wist hij wel, maar meneer Westhòve gaf zijn vriend toch nu en dan wel eens een sixpence, en meneer Westhòve zat er zoo goed in. Kom, kom, Swell moest er maar eens over nadenken: waarachtig, hij zoû er een oud kameraad meê helpen; honderd pond was toch ook de wereld niet!

--Ik heb op het oogenblik geen honderd pond, ik verzeker het je, krijschte Bertie zacht, rillend als van koorts, met eene keel, die droog geschroeid scheen.

Nu, een oud kameraad zoû dan wel eens terugkomen, later. Den brief zoû hij zorgvuldig bewaren.

--Geef den brief dan: ik zal je later honderd pond geven!

Maar een oud kameraad lachte vroolijk: nu, geven is geven: je vertrouwt elkaâr wel, je bent nette lui, onder elkaâr, maar je steekt toch over, te gelijk, zoo den brief en zoo de honderd pond.

--Maar ik wil niet hebben, dat je hier terugkomt: ik _wil_ het niet, zeg ik je ...

Nu, dat was goed, dat was niet vermoeiend, Swell kwam dus zelf de honderd pond brengen. Morgen?

--Ja morgen. Morgen avond vast. En ga nu weg, in Godsnaam, ga weg ...

Hij duwde zijn demon dringend de deur uit, het belovende: morgen, morgen avond. Toen zocht hij Annie op, in een hevig verlangen te weten of zij den lakei van Sir Archibald kende.

--Wie was die man? vroeg hij haar brutaal, als een speler, die eene hooge troef op een gevaarlijk oogenblik uitspeelt.

Zij wist het echter niet en was verbaasd, dat meneer hem niet kende. Had hij meneer lastig gevallen?

--Ja, een bedelaar, zoo een fatsoenlijke bedelaar.

Hij zag er toch zoo netjes uit, als een heer.

--Wees voortaan wat voorzichtiger, sprak Bertie en laat niet iedereen binnen ...

XVIII.

Dien avond bleef hij wachten tot Frank zoû thuis komen. In zijne eenzaamheid snikte hij, uren, uren lang, snikte hij heftig, bang, dat Annie en haar man het hooren zouden, in het licht gebouwde villa-tje, zijn snikken opkroppend, tot eene nijpende hersenpijn zijn hoofd scheen te zullen doen uiteen barsten, als een bom. Hij snikte in eene ontzachlijke rampzaligheid en zijn gesnik doorschokte zijn geheele lichaam als met een rythme van smart. O, hoe kon hij daaruit komen, uit dien poel? Zich doodmaken? waarom nog te leven in zulke ellende? En om en om zag hij naar een wapen. En zijne handen sloten zich als eene schroef om zijn hals ... Maar hij had er geen moed toe, ten minste niet in dat oogenblik, want toen zijne handen zoo schroefden, gevoelde hij eene duldelooze pijn van congestie opstijgen naar zijne, reeds zoo gemartelde, hersens. En harder snikte hij, daar hij te week was om het te doen.

Het was één uur. Frank zoû weldra thuis komen. Hij zag in den spiegel. Een vaal masker van violet, met groote, nat vlammende oogen, met dikke, blauwe aderen aan de slapen, zichtbaar kloppend onder het fijne floers van de huid ... Zoo mocht Frank hem niet zien. Maar toch moest hij het vragen. O God, tòch moest hij vragen!

Hij ging naar zijne kamer, kleedde zich uit, legde zich rillend te bed, maar hij sliep niet en luisterde of de voordeur open zoû gaan. Tien minuten over half twee kwam Frank thuis. Was ... God ... was hij misschien naar de Rhodes' gegaan! Neen, neen, hij was zeker in de club geweest; hij ging dadelijk naar boven, naar bed. Annie en haar man sloten het huis; geluiden van opgelichte bouten klonken met een licht gerammel van metaal.

Na een half uur stond Bertie op. O, als het in Franks kamer maar donker was, anders zoû die het zien, dat violette masker! Door de gang. Een klop.

--Frank.

--Ja, kom binnen.

Toen binnen. Frank lag al in bed. Alleen een nachtlichtje. Bertie met den rug tegen het schijnsel. Zoû Frank spreken van de Rhodes'? Neen, Frank vroeg wat er was. En Bertie begon.

Hij moest zijn vriend dringend iets vragen. Hij had zich eenige oude schulden herinnerd, die hij toch betalen wilde, voor zij weg zouden gaan. Het speet hem zoo: hij maakte zoo een misbruik van Franks goedheid. Kon Frank hem ook geld geven ...

--Beste jongen, ik heb alles precies uitgerekend. Ik heb net wat we noodig hebben om naar Buenos Ayres te komen. Hoeveel moet je hebben?

Hij had honderd pond noodig.

--Honderd pond?! Maar kereltje, ik weet heusch niet waar ik ze van daan moet halen. Heb je ze bepaald noodig? Kan je het niet uitstellen? Of kan ik niet een cheque voor je teekenen?

Neen, hij moest ze in handen hebben, in handen.

--Nu ... wacht dan ... misschien weet ik er wel wat op ... Ja, ja, ik zal er wel wat op weten. Morgen zal ik wel eens zien ...

--Morgen ochtend?

--Heb je ze dan noodig? Nou goed, hoor, ik zal wel eens zien, maar ga nu naar bed, want ik heb slaap: we hebben gefuifd. Morgen zal ik je wel helpen. Ik laat je in allen geval niet in den steek, dat is natuurlijk. Maar je bent een lastige jongen, hoor, dat ben je! Verleden hadt je ook al dertig pond noodig en toen nog eens dertig pond!

Een oogenblik bleef Bertie staan, eene donkere schim tegen het stille schijnsel der lamp. Toen trad hij nader en hij viel voor Franks bed neêr en legde zijn hoofd op het dek en snikte, snikte.

--Zeg, ben je dol? Ben je gek geworden? Bertie! Wat overkomt je?

Neen, hij was niet gek, maar hij had zoo een verdriet; dat hij zoo een misbruik maakte van Franks goedheid, vooral nu Frank in geldverlegenheid zat. Het waren zulke vuile schulden. Hij wou liever niet zeggen, wat het was. Schulden uit den tijd, toen hij wel eens voor een paar dagen er van door ging; Frank wist het nog wel, nietwaar?

--Oude zonden, jongentje! Nou, verbeter je maar in het vervolg. Morgen zullen we je wel helpen. Balk nu niet meer en ga naar bed. Ik slaap al: we hebben nog al wat gedronken ... Kom, hoû nu op, zeg.

Bertie stond op, greep Franks hand, wilde hem bedanken.

--Jawel, jawel, toe, ga nu slapen, zeg ...

En hij ging. In zijne kamer hoorde hij weldra door het beschot heen, Frank snorken. Hijzelf bleef zitten op den rand van zijn ledekant. Nog eens sloten zijne handen zich schroevend om zijn hals ... Maar het deed te veel pijn, in de hersens.

O God, hoe is het mogelijk, dat ik ben, als ik ben! dacht hij.

HOOFDSTUK IV.

I.

Een leven zwervens van twee volle jaren lang, een leven zwalkens van Amerika naar Australië, van Australië terug naar Europa, in eene smartelijke rusteloosheid, zonder nieuwe levensdoeleinden te vinden, zonder het waarom te vinden van hun beider bestaan, zonder het waarom te vinden van al de oorden, die zij doorkruisten, en al de luchten, die zij inademden. Een leven, eerst zonder levensstrijd, dat zij voortsleepten, bezwaard met hunne tweelingsrampzaligheid, slechts levende hun leed en onbezorgd voor de materiëele lasten des levens. Maar toen: de stijgende vrees voor die materiëele lasten, de onaangename gewaarwording, dat er geen geld meer gezonden was uit Europa, in geen maanden, geen maanden ... Vervelende zaken met bankiers daar ginds, heen en weêr geschrijf, klap op klap, het bijna geheel in rook vervliegen van een fortuin, dat reeds lang te veel gouden wierook had gewalmd. En zij zagen de noodzakelijkheid in om òm te zien naar middelen van bestaan, en zij hadden op fabrieken, in assurantie-maatschappijen, aan couranten, bij wat niet al, gevochten om niet onder te gaan in dat zelfde leven, dat hun doelloos en smartelijk was.

Zij hadden uren van angst gekend, opeenvolgende lange dagen van armoede, zonder uitkomst, met de herinnering aan White-Rose ... Maar toch hadden zij geen weêrverlangen naar White-Rose gehad, zachtjes aan onverschillig en verdoofd, meer uit instinct angstig voor de toekomst, uit instinct vechtende voor het bestaan, uit aangeborenheid en iets van overerving, dan uit waarachtigen aandrang en eigen behoefte.

En in die onverschillige verdooving had Bertie een zacht gevoel gekend, eene teedere blijdschap, iets lieflijk heerlijks, dwars door zijne zelfminachting heen: eene blijdschap, dat, nu Frank klappen had gekregen, nu zij moesten werken voor hun brood, hij niet de gedachte in zich had voelen opkomen Frank aan zijn lot over te laten en weg te loopen, omdat de boêl op was. Hij had die gedachte: Frank te verlaten, niet spontaan voelen opkomen, en was er gelukkig om, dàt hij ze niet spontaan had voelen opkomen, dat hij ze later uitdenkende, haar bewust was als eene gedachte, die hem niet aanging en eigenlijk niet in hem was. Neen, hij had bij Frank willen blijven, misschien wel om zijne poesennatuur, en omdat hij gehecht was aan zijn plekje bij Frank, maar toch ook om iets anders, iets ideëels, eene lichte dweperij. Het deed hem zoo heerlijk aan bij Frank te blijven, terwijl Frank geen cent meer had. En zij hadden samen gewerkt, gezwoeg en verdienste deelende in de broederlijkheid van hun samenzijn.

Twee volle jaren! En zij waren nu terug in Europa, Engeland vermijdende, teruggekeerd in hun geboorteland, Holland, Amsterdam, Den Haag. Het was in beiden een vreemd verlangen, die plaatsen, welke zij vroeger, beu van het overbekende, hadden verlaten, om hun weg door de wereld te vinden, nu terug te zien, er hunne gebroken levens naar toe sleepend, alsof zij er eene genezing hoopte te vinden, een wonderbalsem, een troost voor het bestaan. Zij hadden een duitje overgespaard en zij konden enkele zomermaanden blijven rusten, hun handjevol geld zuinigjes opmakend in eene korte zomerverpoozing. Zoo hadden zij in een villa te Scheveningen--eene, links van het Oranje-Hôtel, ziende op de zee--een optrekje gehuurd van een paar kamers, en de zee was het wisselzieke verschiet geworden, waarop hun droomerig zomergesoes uittuurde, weinig als zij zich linksaf bewogen, naar het gewoel van Kurhaus en strand. Uren bleef Frank daar voor zitten, op het uitstek, in een rieten stoel, de beenen op de balustrade, de blauwe kronkelingen van zijn sigaarrook even om hem heen drijvend; hij voelde zich versuffen, zonder veel leed meer, zich schikkende in zijne nutteloosheid, met nu en dan wat herinnering aan vroeger: eene droevigheid, die niet meer smartte. Dan, stijf wordend van het niets doen, werkte hij aan ringen of rekstok, werkte met halters of schermde wat met Bertie, wien hij het geleerd had. Hij zag er goed gezond uit, nog wat zwaarder geworden, eene bloedrijke kleur onder zijne licht verbruinde huid, eene zachte somberheid in zijne lichtgrijze oogen en nauwlijks iets bitters onder zijne goud schitterende snor.

Maar meer nog leed Bertie als hij over den halfcirkel van de zee uittuurde, en die zee naar hem toe zag deinen met haar eindeloos uitgerol van groen en blauw en grijs en violet en zachte parelkleur,--den hoogronden hemel er boven, vol eindelooze wolkenmetamorfozes, in-en uitkrullende massa's dik grauw en wit, zilverige windveêren, ijle pluimen, dons, luchtschuim,--dan werd het hem of met de zee zijn noodlot naar hem toekwam. Het scheen als eene onvermijdelijke nadering. En hij wachtte tot het komen zoû, het zoo intens voelende naderen, dat soms zijn geheele zijn één wachten werd, roerloos in zijn rieten stoel, met de oogen over de wijdte van het water.

II.

Zoo was het gekomen, dat hij, zoo zittende, eens, beneden op het strand, tusschen de bosschen helm der zandgele duinhelling door, twee silhouetten zich had zien voortbewegen, een man en eene vrouw, beiden donker fijn als inktteekeningen zich afprentend tegen het vaalzilver der zee. Een angst bruiste eensklaps in zijn lichaam, door zijn hart òp naar zijn keel, naar zijne slapen. Maar een zoute zeegeur woei van beneden omhoog en prikkelde zijn reuk met eene frischheid, die tot zijne hersens doordrong, zoodat het er, trots dien angst, zeer klaar werd, als vol van eene zuivere atmosfeer. En tot in de fijnste fijnheden van tint en lijn zag hij het: het zilvergrijze, half ovale zeeverschiet, als een glinsterend liquide wereldei, vol spelingen van parelmoêr tusschen de opkuivende schuimkammen der deiningen, nauwelijks somber onder eene gedekte lucht van uitrafelende, scheurende wolken, verschoten grauw, wollig fluweel; rechts, een stuk façade van het Kurhaus, dom trotsch kijkende naar de zee, met zijne starre vensteroogen; verderop, aan het water, de pinken, als groote notendoppen, met, aan den mast uitgehangen, zwarte tulle netwerk, elke pink met een wimpeltje, zoetjes kinderachtig uitgekronkeld in de lucht; op het terras, ook op het strand, tusschen eene warreling van gele stoelen, een aquarelachtig gevlak van zomermenschen, teêr kleurig, zacht bont. Duidelijk zag hij hiér eene scheur openwaaien in een rood pinkezeil, dàar een lint fladderen uit een mandstoel, verderop eene zeemeeuw, even pikkende met de sneb iets uit het schuim. Zoo zag hij er vele kleinigheden, kleurige, fijn geteekende nietsjes, heldere spikkels in de ruimte van water en lucht, hel zichtbaar in het zacht gedekte, zonlooze daglicht. En de twee silhouetten, de man en de vrouw, werden grooter en naderden, langs de zee, tot recht onder den blik van zijn oog.