Noodlot

Chapter 7

Chapter 73,936 wordsPublic domain

Een oogenblik zag hij op haar neêr. Om zijn mond krulde eene minachting en zijn oog dwaalde half gesloten, verachtelijk ook, over haar heen. Toen zag hij, dat zij zeer mooi was, dat hare, op Turksche kussens neergesmeten, bekoorlijkheid zich in lenige lijnen van jong maagdelijk mooi modelleerde, zich afrondend in de trekkende plooien van soupele Nijlgroene stof, dat heur losse haar als de rossig gouden vacht van een mooi wild dier tot op het tapijt slierde, dat een golvend geadem hare borst zenuwachtig snel verhief. Zij lag daar als eene, door een woesteling geschaakte, bruid, in een woesten hartstocht neergesmakt ... Hij zag al dat weggeworpen mooi: een groot verdriet bliksemde in hem op, een dol verlangen naar het geluk van vroeger, maar zijn gekwetste waarheidstrots drukte verdriet en verlangen neer; hij wendde zich af en ging ...

Zij bleef liggen, in die zelfde houding. Het was in haar eene duisterende verwondering, een nacht, die neêrdaalde, als was zij, na met leugens omvangen, geblinddoekt door twijfel, in een labyrinth te zijn rondgevoerd, eensklaps,--bevrijd!--met open oogen, losgelaten in een zwarte ruimte. En zij voelde wel hare ziel leêgbloeden, maar peilde toch nog niet de diepte harer zielewond, en ze dacht, trots hare ontzettende smart, alléen aan al dat donker om haar heen.

--Hoe vreemd! fluisterde ze. Waarom? Waarom dan toch?

XIII.

Na dat alles eene maand van rust. Eene plotseling neêrgevallen kalmte voor beiden, voor beiden gevuld met een stil, zwaar verdriet. En daarboven de onverschilligheid, de banaliteit van het leven met altijd het zelfde, terugkomende, eentonige, dag aan dag ...

Ook Bertie ademde thans in zulk eene vreemde atmosfeer van kalmte. Zeer verwonderde hij zich over wat er gebeurd was. Hoe eenvoudig en gemakkelijk was het gegaan. Hij? Neen, hij had niets bewerkt, niets kunnen bewerken: alles was het een uit het ander voortgesproten: het had zoo _moeten_ zijn. En het verschiet van zorgeloosheid deinde zich weêr voor hem uit: eene eeuwigheid van rustig rijk leven naast Frank, in wien hij weêr de oude vriendschap voelde herleven, bijna opvlammend tot eene ziekelijke passie, nu dat Frank, gescheiden van Eve, zichzelven wel veel verweet, maar toch behoefte gevoelde aan medegevoel en troost, en troost en medegevoel putte uit Bertie's zacht smeltende stem. O, die blanke zwaarmoedigheid der eerste dagen, die ontzachelijke melancholie des twijfels, nu, bekoeld van drift, Frank het zich afvroeg, evenals zij het zich had afgevraagd: Waarom? Waarom dat alles? Wat heb ik gedaan? Hoe is dat gekomen? En hij doorzag het niet, begreep het niet, als was het een boek, waaruit bladen gescheurd zijn en dat niet te volgen is. En hij begreep noch zichzelven om zijne drift, noch Eve om haren twijfel. Het geheele leven scheen hem een raadsel. Uren lang zat hij stil voor een venster uit te turen, uit te turen in de melkachtige vaagheid der Londensche misten, met dat levensraadsel voor zijn oog. Weinig ging hij uit, steeds versufte hij zich daar in White-Rose, eenzaam en stil gelegen in hare buitenwijk; eene ontzenuwende slapheid vloeide door zijn groot, sterk lichaam en voor het eerst zag hij zichzelven in een waar licht en bespeurde hij zijne weifelachtige zwakte diep, diep in zich opborrelen, als een lymfatische stroom door zijne sanguinische kracht. Hij zag zich als een kind zoo nietig onder de overheersching zijner orkanische driften, woedende vlagen, die zijn geluk hadden weggewaaid. En zijn leed was zoo ontzettend groot, dat hij het niet geheel en al voelen kon, omdat het te veel omvattend scheen, voor zijne menschenziel.

Het waren dagen vol van eene grijze lusteloosheid, die zij daar samen sleten, Frank te rampzalig om uit te gaan, Bertie zachtjes aan komende onder den druk van een vagen angst, eene, niet te formuleeren, onvoldaanheid. Hij voelde Franks vriendschap herleven, voelde in zichzelven, gestreeld door die herleving een medelijden, bijna sympathie, poogde Frank op te wekken, praatte van eens een souper te geven, met dametjes, zooals vroeger. Hij maakte plan, om voor een paar dagen hier naar toe te gaan, daar naar toe te gaan. Hij poogde zelfs Frank aan het werk te zetten, sprak van een paar beroemde ingenieurs, die zij in Londen kenden. Maar alles stuitte af op Franks koppige treurigheid, alles verdween, versmolt in den nevel zijner blanke zwaarmoedigheid, waarin slechts éene gedachte bleef, éen zelfverwijt, éen leed. En de eenige zoetheid in hun leven was hun steeds samenzijn geworden: eene innigere toenadering, waartoe Bertie zelfs gedreven werd, nu het doel van zijn egoïsme bereikt was, hij zich om geene toekomstige armoede meer te bekommeren had en vlak in zijne nabijheid een groot verdriet zag. Had hij niet verworpen, uit gemis aan helder doorzicht, dat _hij_ alles gedaan had? En was hij niet in zijn laatste ledig lui leven zoo geaffineerd van gedachten geworden, dat hij behoefte gevoelde aan vage genietingen van sympathie, vaag sympathetisch slechts, omdat eene groote royale liefde, eene breede forsche vriendschap nooit in de complicaties zijner ziel zouden kunnen ademen, uit gebrek aan ruimte, aan vrije lucht, aan atmosfeer in die, met abnormaliteiten opgepropte, nauwte, omdat zulk eene liefde, eene vriendschap, er kwijnen en sterven zou als een leeuw in een boudoir ...

En zoo was het, dat hij toch voor Frank voelde, dat hij Frank de handen op de schouders legde en hem poogde te troosten, dat hij klanken vond van genegenheid, nieuwe woorden op zijne tong, frisch en ongewoon, verzachtend en balsemenend. De vrouwen, ze waren klein van ziel, zeide hij. Ze waren niets, en liefde was niets, was een hersenschim; geen man moest zich daarom het leven treurig maken. Maar er was vriendschap, loyaal en trouw, vriendschap, die vrouwen zelfs niet begrepen en nooit gevoelden voor elkaâr: eene passie van sympathie, een edel geluk van samenstemming ... En hij geloofde zijne eigene woorden, zich koesterend in dat platonisme met de zelfde poesenbehagelijkheid, waarmede hij zich koesterde in materiëel bien-être: hij genoot van zijne vriendschapsextaze, en bewonderde zich, omdat hij zoo hoog dacht.

Maar Franks liefde voor Eve was zoo zielsomvattend geweest, was het nu nog, dat hij na korten tijd de ziekelijkheid, het decadentisme van dit dwepen inzag, en er toen geen troost meer uit putte. Grijzer hing zijne neêrslachtigheid om hem heen. Hij dwong zich goed te herinneren wat er gebeurd was, wat Eve gezegd had, wat hij gezegd had ... En hij gaf zichzelven ongelijk, hij verontschuldigde Eve om haar getwijfel, hij vloekte zijne drift, zijne barbaarsche ruwheid tegenover eene vrouw, haar! Wat te doen? Gescheiden? Gescheiden voor altijd! Het was hem eene ontzettende gedachte, dat hij haar nimmer meer zien zoû dat zij nooit meer iets zoû zijn in zijn leven! Kon het dan niet weêr anders worden? Was alles verloren? Onherroepelijk? Neen, neen, neen, bruisde het wanhopig in hem: hij wilde de omstandigheden beteugelen, hij wilde zijn geluk terug! Zij? Hoe was ze? Leed ze zeer? Twijfelde ze nu nog, of had zijne ruwheid haar, trots alle barbaarschheid, toch zijne oprechtheid onloochenbaar gemaakt?

Maar àls dit zoo was, als ze niet meer twijfelde--en hoe kon ze het nog langer!--God, wat moest ze dan lijden! Lijden om haar wangeloof, in een zelfverwijt, nog ontzettender dan het zijne, daar zijne woede ten minste rechtmatig was geweest en haar twijfel niet! Was ze zoo? Of was ze anders, zieledoodelijk gekwetst wellicht door zijne gramschap, vol minachting om zijn gemis aan kracht tot het betoomen zijner driften, die waren als woedende wilde beesten ... Maar hoe, hoe was ze? En een snijdend verlangen te weten doorvlijmde hem, telkens en telkens, als met de houwen van een zwaard. Naar haar toe gaan, bidden om genade, om het vroegere geluk, dat hij versmeten had, te gelijk dat hij haar had gesmeten, op eene bank? Zij zoû hem nooit willen ontvangen, na zoo grove beleedigingen ... Maar schrijven, schrijven! O, het jubelde in hem op: een brief! De zaligheid zich op het papier te verlagen tot een stof aan hare voeten, zich te vernietigen in eene boetedoening van gratie bedelende en aanbiddende woorden, zich slechts éven verheffend in den trots zijner waarheid, zijns martelaarschaps van haar twijfel! Zij zou hem verhooren als eene madonna een zondaar; hij zijn geluk terugvinden! En hij poogde zijn brief te stellen, trillende van aandoening bij het zoeken zijner woorden, die hem maar niet innig, niet nederig genoeg toeklonken.

Een geheelen dag bleef hij er op werken, zijne zinnen ciseleerend, zooals een dichter zijn sonnet. En toen hij eindelijk gereed was, was het in hem eene frischheid van gevoelen, eene verademing van hoop, eene resurrectie. Hij was overtuigd, dat zijn brief alle misverstand tusschen hen zoû oplossen.

Stralende zocht hij Bertie op, deelde zijn vriend meê wat hij gedaan had, wat hij nu hoopte. Hij sprak opgewekt, als met eene nieuwe stem. Bertie bleef wat mat en bleef in zijn stoel hangen, maar hij deed zich geweld aan terug te glimlachen, met den glimlach van Frank, en hij beaâmde diens verwachtingen, met woorden, die hij te vergeefs klankrijk overtuigend trachtte te maken.

--Zeker, zeker: zoo zal het alles weêr als vroeger worden, fluisterde hij trillend en het parelde op zijn voorhoofd, onder zijn lichtbruin, neêrkrullend haar.

XIV.

Maar een uur later, alleen in zijne kamer, des avonds, liep hij heen en weêr, ziedende van een hartstocht, die zijn zwak lichaam in alle zenuwen trillen deed, zooals een storm een tengeren berk schudt. Zijn mooi gezicht was in eene bittere woede over zijne machteloosheid verwrongen tot een leelijk masker van slechtheid en met gebalde vuisten liep hij heen en weêr, heen en weêr, als een dier in zijn hok. Daarvoor had hij dus al de fijnheid zijner hersens geraffineerd, al de genialiteit zijner gedachte gespitst en geslepen, al den invloed zijner zielsvermogens als met batterijen van een geheimzinnig fluïde gericht op het inwendigste liefdeleven eener vrouw! Een enkele brief, een paar bladzijden vol lieve woordjes zoû zijn geheele werk te niet doen! Want, in zijne woede, nu op eens, zag hij het, ten deele met zekeren trots: zag hij het, dat hij, wel degelijk _hij_, de omstandigheden had geleid om Frank en Eve te scheiden! Hoe had hij er nog een oogenblik aan kunnen twijfelen.

Alles zoû te vergeefs zijn? Zoo mócht het niet zijn! Neen, duizendmaal neen! Ontzettend wijd, als zonder horizont, golfde in éene seconde het perspectief van angst voor hem uit, het verschiet van armoede, eene naakte woestijn, waarin hij verdwalen zoû, van honger omkomen ... En in zijne wanhoop om dat verschiet te ontloopen, voelde hij voor het oogenblik al de veeren zijner verslapte wilskracht zich spannen, tot springens toe ...

Van dat oogenblik moest hij partij trekken. Eene gedachte flitste door zijn brein, als de zig-zag van een bliksem ... Ja, ja, zóó moest hij handelen! Een eenvoudig doeltreffend middel, eene eenvoudige schurkenstreek, zooals conventioneele menschen dat noemen ... Geen geraffineerd psychologisch geharrewar meer: dat bracht tot niets, dat verwarde zich in zijn eigen complicaties. Eenvoudig weg een theatertruc ...

Hij greep zijn hoed en ging zacht het huis uit, even minachtend lachend, zichzelven bespottend, dat hij daartoe gekomen was. Het was half elf. Hij hield een cab aan, en weêr lachte hij even, omdat de stem, waarmede hij den koetsier het adres van Sir Archibald noemde, een melodramatischen klank had: dien van den traitre ... En hij dook terug in den hoek van het rijtuig, de schouders opgetrokken, de oogen klein en slim voor zich uitturende in de mistige twijfeling van den nacht. Diep in zijne ziel lag eene ontzettende treurigheid.

Dicht bij Sir Archibald steeg hij uit, liep toen de enkele passen naar de deur toe, belde ... En de oogenblikken wachtens, in den nacht, voor die gesloten deur, waren eeuwigheden van troosteloozen weedom, van afschuw, walging, misselijkheid over zichzelven. Een vieze trek vertrok zijn mond scheef.

Een lakei opende, met eene lichte verbazing in zijne oogen om dit late bezoek, eene verbazing, die in iets van eene impertinente onbeschaamdheid overging, toen hij zag, dat Bertie alleen was, zonder Frank. Hij boog met eene ironieke beleefdheid, hield de deur wijd open, met overdreven hoffelijkheid Bertie binnennoodend ...

--Ik moet je dadelijk spreken, sprak Bertie kalm, met gedempte stem. Nu dadelijk, onder ons ...

De lakei zag hem strak aan en zweeg.

--Je kan me van dienst zijn: ik heb je zeer, zeer noodig. Kàn ik je even spreken, zonder dat iemand ons ziet?

--Nu? vroeg de lakei.

--Nu, zonder uitstel ...

--Wil je dan binnenkomen, in de bediendenkamer? klonk het antwoord plomp en luid.

--Neen, neen ... Loop even met me op. En spreek zachter ...

--Nu kan ik niet: De oude gaat zoowat over een uur naar bed, daarna kan ik wel even op straat komen ...

--Dan zal ik je wachten, daar bij het park ... Kom je zeker? Ik zal je goed betalen ...

De knecht lachte spottend, en zijn lach klonk metaalhelder, Bertie beangstigend, door de vestibule heen.

--Je bent een meneer nu, hè? En je zit er goed in ...

--Ja, antwoordde Bertie klankloos. Kom je dus?

--Ja, ja, over een uur, een groot uur. Wacht maar. Maar als ik wat voor je doen kan, moet je opdokken, hoor! Dan moet je goed opdokken, hoor!

--Goed, goed! sprak Bertie. Maar ik vertrouw dat je komt ... Je kómt, nietwaar?

De deur kwakte brutaal dicht. Lang bleef hij daar op en neêr loopen, in den vochtigen nacht, terwijl de kilte hem tot in het merg drong en uitkleumde, terwijl de bleeke gaslichten, als droevige oogen, hier en daar door den valen mist hem aanstaarden. En hij wachtte, op en neêr loopend, een uur, anderhalf uur lang, lijdende van koû en vermoeienis, als een bedelaar zonder dak. Zoo wachtte hij, rillende, de handen in de zakken, de oogen, troebel van zelfminachting, puilend uit zijn doodsbleek gelaat en stijf gericht naar de donkere vlak der deur, die nog dicht bleef ...

XV.

Toen Frank na enkele dagen van spanning geen antwoord van Eve kreeg, schreef hij ten tweeden male en hoewel de eerste frischheid van zijne hoop reeds verwelkt was, schrikte hij toch op bij elke bel, die er klonk, liep hij telkens naar de brievenbus der voordeur, was zijne gedachte steeds bezig met den besteller, die langs de straten liep en zijn geluk, in eene enveloppe, met zich voerde ... En hij stelde zich Eve's antwoord voor: slechts enkele, wellicht koele regelen, geschreven met hare groote, royale Engelsche hand, op het geurige ivoorachtige papier, dat zij steeds gebruikte, met hare initialen, zilver en roze, door elkaâr geslingerd, in den hoek. Wat duurde het lang, eer zij antwoordde! Was zij zóó boos? Of wist ze nog niet, hoe ze hare vergeving zoû styleeren, werkte zij nog op haren brief, zooals hij op den zijne gedaan had? Zijne dagen gingen voorbij met het wachten op dien brief. Was hij thuis, dan stelde hij zich voor, dat de besteller naderde, naderde, nu nog slechts vier, nu drie, nu twee huizen ver was, nu ... nu bellen zoû ... En hij luisterde of de bel niet zoû overgaan, maar er klonk niets, en als er wat later gebeld werd, was het niet dàt ... Was hij uit, dan electrizeerde hem eensklaps de gedachte, dat de brief er liggen zoû, thuis, en hij rende naar White-Rose terug, zag in de bus, ijlde de achterkamer binnen ... Maar nooit lag er dàt, en de tergende leêgheid van de plek, waar hij het verwachtte, deed hem vloeken en woest stampvoeten ...

Op twee brieven, op twée brieven, antwoordde zij niet! En hij kon er geen oorzaak voor vinden, in zijne heete verwachting, waarin het natuurlijkste, het meest logische hem toescheen, dat zij dádelijk zoû hebben geantwoord! Toen leefde hij slechts van wachten. Het moest komen; het kón niet anders of het moest komen! In zijne hersens was alleen dit: nu komt het, vandaag komt het ... Verder was zijn leven éene groote leêgte, en toch, geheel en al te vullen door een brief. Zoo was het iederen dag het zelfde.

--Ik heb nog geen antwoord van Eve, sprak hij dan deêmoedig tot Bertie, als voelde hij zich vernederd, beschaamd om haar stilzwijgen, bespot door zijne teleurgestelde hoop.

--Niet? vroeg Bertie zacht en over den fluweelen nacht zijner oogen trok een vocht glanzig waas van weemoed. Zwaar lag hem een gewicht op de borst; diep hijgend haalde, regelmatig, zijn adem. Troosteloos ongelukkig voelde hij zich. Het was zoo vuil wat hij gedaan had. Maar het was de schuld van Frank: waarom had die zijne liefde niet kunnen vergeten na de scheiding, waarom vond die niet genoeg troost in de zoetheid hunner herleefde vriendschap? Wat ware het heerlijk geweest innig gelukkig als vrienden steeds samen te zijn, steeds samen te leven in een kalm kuisch blauw van broederlijkheid, in de gouden extaze hunner sympathie, zonder vrouwen ... Zoo dweepte hij, willens en wetens zijn vriendschappelijk, meêlijdend gevoel voor Frank opzweepend tot den zwier van eene verheven vlucht, om zichzelven een beetje te troosten, zichzelven zijne vuile daad te doen vergeten, zichzelven wijs te maken, dat hij hoog dacht; toch, ondanks dat beetje zelfbedrog, juist nu, nu dat hij zich in de modder voelde, werkelijk verlangend naar veel ideaals ... O, het was de schuld van Frank! Maar ... was het waarlijk de schuld van Frank, dat hij Eve niet vergeten kon? Neen, neen, dat was alleen de schuld van het Noodlot; niemand had eenige schuld aan wat ook: alles was de schuld van het Noodlot ...

--Ja, zoo is het! dacht hij, maar waarom hebben we dan hersens gekregen, waarmeê we denken, en waarom lijden we om iets, als we er toch niets aan kunnen doen? Waarom zijn we dan geen planten of steenen? Waarom dan dat alles, dat heele onnoodige heelal? Waarom is er maar niet Niets! Wat zoû dat rustig zijn, zalig rustig ...

En hij stond voor de onontsluitbare poorten van het Raadsel, eensklaps in eene ontzettende verbazing om zichzelven. Mijn God, hoe was dat alles in hem gekomen, hoe dacht hij tegenwoordig toch altijd aan zulke dingen! Had hij in Amerika, in zijn gesjouw en gescharrel, in zijn dienstbaar geslaaf van iederen dag, ooit aan zulke dingen gedacht? Meende hij toen niet, dat hij een grof materialist was, slechts verlangend naar genoeg goed eten en veel rust? En nu, dat hij dit materialisme làngen tijd genoten had, nu voelde hij zich of zijne zenuwen als tot zijden draden zich hadden fijn gesponnen, van rillingen trillend in emotie na emotie, zoo trillend als van onzichtbare luchtrillingen, die met muzikaal gesuis onophoudelijk glijden langs telefoondraden, boven een huis ... Hoe was hij gekomen aan al die filozofie, bloem zijner ledige uren? En in zijne verwondering poogde hij zich zijne jeugd te herinneren, of hij toen reeds aanleg had gehad tot peinzen, of hij toen boeken gelezen had, die hem met een indruk hadden gestempeld; poogde hij zich zijne ouders te herdenken, of dat alles iets van overerving kon zijn ... En in New-York had hij koffie en borrels aangebracht! Was hij toen eigenlijk niet gelukkiger, zorgeloozer? Of scheen dat zoo om dien afstand van den tijd ... verte van een paar jaren?

XVI.

Toen Frank, na eenige dagen van een niet-leven wachtens, nog geen antwoord ontvangen had, schreef hij aan Sir Archibald. En het was steeds het zelfde stilzwijgen. Toen klaagde hij bitter bij Bertie zijne smart uit, niet deêmoedig meer, maar woedend, als een getergd beest en toch nog half weemoedig omdat ze zoo waren, zoo kwalijknemend. Eve en haar vader. Was het dan niet genoeg, dat hij driemalen om vergeving gesmeekt had? Had Eve dan zoo weinig van hem gehouden, dat ze, nu hij zich verpletterde aan hare voeten, geen woord voor hem over had, zelfs niet om hem te zeggen, dat het gedaan was ...

--Ik herinner me niet meer alles wat ik gezegd heb! sprak hij tot Bertie, terwijl hij op en neêr, op en neêr liep met een grooten, gelijkmatig zenuwachtigen stap. Maar ik moet wel bar geweest zijn ... God, dat ik dan ook nooit mijne woorden in bedwang heb! En ik heb haar ook beetgepakt, zóó, bij haar armen. Ik heb haar toen van me afgegooid, ik was zoo woedend. Ik had het niet moeten doen, maar ik kàn dan niet kalm zijn, ik kàn het dan niet ...

--Frank, ik woû, dat je je er over heen kon zetten, sprak Bertie zeer zacht, uit zijn diepen stoel; als er nu toch niets aan te doen is ... Het is treurig, dat het zoo geworden is, maar gooi het van je af ...

--Gooi het van je af! Heb jij ooit van eene vrouw gehouden?

--Jawel ...

--Het zal me wat geweest zijn! Je kunt niet veel van iemand houden, dat is niet iets voor je: je houdt te veel van jezelven.

--Dat is wel mogelijk, maar in alle geval hoû ik veel van jou en ik kan je zoo niet zien, Frank. Zet er je over heen. Ze schijnen het je nu zoo kwalijk genomen te hebben, dat er niets meer aan te doen is. Ik woû, dat je dat inzag en je in het onvermijdelijke schikte. Zoek naar iets anders om voor te leven. Zoû er dan alleen dàt eene voor je zijn? Misschien is er iets anders. Een man verliest zich zoo niet in zijne liefde. Je bent zoo net eene vrouw: die doen dat ...

Zijne oogen zagen Frank zoo magnetisch zacht aan, dat het Frank werd alsof elk dier woorden eene zuivere waarheid bevatte en Bertie's laatste verwijt herinnerde Frank weêr zijne flauwheid, zijne weifelachtige zwakte, die lag onder al het mannelijk vertoon van zijne kracht als een week fondament. Maar toch klampte hij zich aan zijn hevig verlangen vast, zijn hevig verlangen naar het vroegere geluk.

--Ach kom, jij kunt daar nu eenmaal niet over oordeelen! antwoordde hij ongeduldig. Bertie's blik als van zich afschuddend; jij _hebt_ nooit van eene vrouw gehouden, al beweer je het. Waarom zoû alles niet weêr in orde kunnen komen? Wat is er dan gebeurd? Wat heb ik dan gedaan? Ik heb me onhebbelijk driftig gemaakt, nu ja ... Is dat dan zoo iets onvergeeflijks als je van elkaâr houdt? Misschien ... zeg, zouden de brieven niet terecht zijn?...

Er hing gedurende enkele seconden eene afwachtende stilte in het vertrek, een atmosfeer van lood. Toen sprak Bertie en zijne stem smolt van teedere vergoêlijking:

--Als je er nu één hadt gezonden, zoû je het kunnen denken ... Maar drie brieven aan het zelfde adres. Het is niet waarschijnlijk ...

--Ik zal er zelf eens naar toe gaan, hernam Frank. Ja, ja, ik zal er zelf maar eens naar toe gaan ...

--Wat zeg je? vroeg Bertie dof.

Nog onder den druk der looden atmosfeer van zooeven, had hij niet goed verstaan, niet recht begrepen ... Ze waren over hem heen gegaan als eene suizende dreiging, die woorden ...

--Wat zei je daar? herhaalde hij.

--Ik zal er zelf maar eens naar toe gaan, hernam Frank.

--Waar naar toe?

--Wel, naar de Rhodes', naar Eve ... Suf je?

Maar Bertie rees op en in de vaalte van zijn gelaat schitterden zijne oogen als zwarte diamanten, met vele facetten.

--Wat wil je daar doen? vroeg hij, in een keelschrap om zijne stem te verzuiveren.

--Met ze praten en den boêl in orde brengen ... Ik hoû het niet uit, het duurt me te lang.

--Je bent gek, zei Bertie stroefkort.

--Waarom gek?

--Waarom je gek bent? Je hebt voor geen cent eigenwaarde. Denk je in ernst naar ze toe te gaan?

--Ja, natuurlijk.

--Ik vind het misselijk, zei Bertie.

--Nu goed, sprak Frank; vind het misselijk. Ik vind het zelf ook flauw van me. Maar God, ik kàn het niet langer uithouden. Ik hoû zooveel van haar, het was vroeger zoo goed, zoo mooi ... En nu, nu, door mijn eigen schuld ...! Het kan me niet schelen: vind het misselijk, maar ik ga, ik ga toch.

Hij had zich in zijn getwijfel neêrgegooid op een stoel en elke spier aan zijn gelaat trilde reeds van strijd. Maar toch ging hij voort.